Geduurende het verblijf der Fransche Fregatten in die haven, was ik eens

bij gelegenheid van een Jagtpartij met den Heer Burggraaf de Langle ten

Paratounka geweest; bij onze terugkomst sprak hij mij over verscheidene

andere belangrijke zaaken, die hij in deeze kerk had waargenomen en

dewelke mij geheel ontsnapt waaren; deeze bestonden, zo veel als ik mij

kan herinneren, in verscheide de offerhanden, die daar volgens zijn

zeggen door eenige der eerste zeevarende, welke aldaar schipbreuk

geleeden hadden geplaatst waaren. Ik had mij wel voorgesteld om dezelve

bij mijn tweede bezoek van deeze parochie nategaan, dog 't zij, dat mij

mijn geheugen kwalijk gediend heeft, of dat ik in dat onderzoek te veel

haast gemaakt heb, als hebbende daar aan maar weinig tijds kunnen

besteeden, ik heb daar altans niets van kunnen ontdekken.

Het dorp is van een bosch omringt; ik ging het dwars door langs de

rivier, en ik ontdekte eene zeer groote vlakte, welke zich ten noorden

en ten oosten tot aan de bergen van Petropavlofska uitstrekte; deeze

keten eindigt ten zuiden en ten westen, door die, waar van de berg van

Paratounka een gedeelte uitmaakt, en die maar vijf a zes wersten[25] van

het dorp van dien naam afgelegen is; men vind dikwerf aan de oevers der

rivieren die door deeze vlakte slingeren, versche spooren van beeren,

die 'er in gaan om de visschen, waar van ze overvloedig voorzien zijn,

te vangen en opte-eeten; de bewoonders verhaalen van menigmaal tot

vijftien a twintig van die dieren bij elkander gezien te hebben; ook

zijn ze zeker, wanneer zij op dezelve ter jagt gaan, van er ten minsten

één of twee in den tijd van vierentwintig uuren t'huis te zullen

brengen. Ik zal welhaast gelegenheid hebben van hunne jagt en wapenen te

spreeken.

[25] _Een_ WERST _word thans op vijf honderd roeden bereekend._

Den 9.

Vertrek van Paratounka.

Wij verlieten Paratounka, en hervatteden onze reis; een twintigtal

paarden was voor ons en ons reis-goed, dat van weinig belang was,

genoegzaam; hebbende den Heer Kasloff de voorzorg gebruikt van er een

groot getal van te water te zenden tot aan het dorp van Koriaki; de

rivier Avatscha stroomt niet hooger, en is niet verder vaarbaar dan tot

aan dit dorp, ook is men verplicht van kleine schuitjes genaamt _batts_

gebruik te maaken; de baidars alleen dienende om de baaij van Avatscha

overtesteeken, en niet verder kunnende komen dan tot aan den mond van de

rivier van deezen naam, zo laaden ze aldaar derzelver vragt in deeze

batts of praauwen over, welke men genoodzaakt is uit hoofde van

derzelver ondiepte en de snelheid der rivier met boomen voort te doen

gaan; aldus kwamen onze goederen te Koriaki aan.

Wat ons betreft, na dat wij de rivier van Paratounka doorgewaad en er

eenige armen van langs gereeden hadden, verlieten wij dezelve, om

andere beplante en minder vlakke, dog gemaklijker wegen inteslaan; wij

reisden meest altoos door valeijen, en hadden maar twee bergen te

beklimmen; onze paarden deeden deezen togt, niettegenstaande derzelver

last, zeer gemaklijk; in 't kort, wij hadden geen reden van ons een

oogenblik, geduurende onze geheele reis, over het weder te beklaagen,

het was zo fraaij, dat ik haast begon te gelooven, dat men mij de

gestrengheid van de lucht vergroot had, dog weinig tijds daar na

bevestigde de ondervinding maar al te zeer, het geen men mij had gezegt,

en in 't vervolg van mijne reis had ik gelegenheid genoeg van mij aan de

doordringendste nevels te gewennen; overgelukkig, wanneer ik in 't

midden van het Ys en de Sneeuw niet nog daar en boven met het geweld der

dwarlwinden en stormen te worstelen had.

1787. _October_

Aankomst te Koriaki.

Wij besteeden omtrent zes a zeven uuren om ons naar het dorp van Koriaki

te begeeven, het welk na ik er van heb kunnen oordeelen, agtendertig a

veertig wersten van Paratounka afgeleegen is; daar naauwlijks aangekomen

zijnde, moesten wij in het huis van den toijon vlugten, om ons voor den

regen te beveiligen; deeze ruimde zijn Isba voor den Heer Kasloff, en

wij bragten 'er den nagt door.

Beschrijving van dit Ostrog.

Het dorp van Koriaki is in het midden van een Kreupel-bosch, en aan den

oever van de rivier Avatscha gelegen, die daar ter plaatze veel enger

word; vijf of zes Isbas, en het dubbeld of op zijn hoogst het drievoudig

getal van Balagans maaken dit dorp uit, het welk veel na dat van

Paratounka gelijkt, als alleen dat het zo groot niet is, en dat het geen

Parochie heeft. Ik moet hier aanmerken, dat in 't algemeen de dorpen van

zo weinig belang geene Kerken hebben.

Den 10.

Vertrek van Koriaki.

Den volgenden dag steegen wij wederom te paard, en namen den weg naar

Natchikin, zijnde een ander dorp op den weg van Bolcheretsk gelegen; wij

moesten ons eenige dagen in deszelfs omtrek ophouden om van de baden

aldaar gebruik te maaken, die de Heer Kasloff ten zijnen kosten, (tot

nut en vermaak van al de Inwoonders,) op heete bronnen, die men daar

aantreft, had doen aanleggen, en die ik al aanstonds nader zal kenbaar

maaken; de weg van Koriaki tot Natchikin is redelijk gemaklijk, en wij

reeden zonder moeite alle de kleine beekjes of bronnen door, die van de

bergen afdaalden, langs den voet van welke wij voorbijtrokken; Na drie

vierde van den weg afgelegt te hebben, vonden wij de Bolchaïareka[26];

ze scheen mij, na derzelver breedte ter deezer plaats, van omtrent vijf

a zes roeden, zich in het Oost-Noord-Oosten veel te verlengen; wij

reeden ze geduurende eenigen tijd langs, tot dat wij een kleinen berg

zagen, die ze ons deed verlaaten, terwijl wij het dorp naderden; de

geweldige regen, die 'er viel, wanneer wij van Koriaki vertrokken, was

kort daar aan opgehouden; dog de wind in het Noordwesten geloopen

zijnde, wierd de lucht zeer bezet en wij hadden sneeuw in overvloed; ze

overviel ons, wanneer wij nog meer dan twee derde van onze reis hadden

afteleggen, en duurde tot op onze aankomst. Ik had tijds genoeg om

optemerken, dat de sneeuw reeds de bergen bedekte, zelfs de min

verhevene, op dewelke ze tot eene zeekere hoogte eene gelijke lijn

beschreef, onder welke ze nog niet scheen te kunnen blijven leggen; wij

doorwaadden de Bolchaïa-reka, en wij vonden aan de andere zijde het dorp

van Natchikin, alwaar ik zes of zeven Isbas, en een twintigtal Balagans,

van het zelfde soort als ik reeds gezien had, aantrof; wij verbleeven

'er niet, dewijl de Heer Kasloff besloot zich terstond naar zijne baden

te begeeven, waar na ik zo uit nieuwsgierigheid als uit noodzaaklijkheid

zeer verlangde.

[26] _Deeze naam betekent in 't Russisch_, GROOTE RIVIER.

1787. _October_ De baden en heete bronnen van Natchikin.

Aankomst en verblijf bij de baden van Natchikin.

De sneeuw had mijne kleederen doorvogtigt, en met de rivier

doorterijden, die vrij diep was, waaren mijne voeten en beenen zeer nat

geworden. Ik verlangde dus om van kleeding te veranderen, dog aan de

baden komende, was ons reisgoed nog niet aangekomen; wij zogten ons te

droogen, door op 't oogenblik een wandeling in den omtrek te gaan doen,

en tevens terstond de belangrijke voorwerpen, die ik daar verwachtte, te

beschouwen; alles wat mijn oog aantrof bekoorde mij, dog de vogtigheid

van de plaats, gevoegd bij die, welke wij reeds ondervonden, verkleumde

ons geheel, en deed ons de wandeling staaken. Bij onze terugkomst

ontmoeteden wij nieuwe zwaarigheden, die ons ongeduldig maakten. In de

onmogelijkheid zijnde van ons te verschoonen of te verwarmen, vonden wij

nog ons reisgoed niet. Tot overmaat van tegenspoed was de plaats, waar

wij onzen optrek genomen hadden, zeer vogtig, en hoewel dezelve vrij

digt was, scheen de wind echter van alle kanten ons aantevallen. De Heer

Kasloff ging zich baden, het geen hem spoedig herstelde, dog ik zijn

voorbeeld niet durvende volgen, zag ik mij genoodzaakt de aankomst van

ons reisgoed aftewachten. Ik was zodanig van de koude doordrongen, dat

ik den nagt al rillende doorbragt.

Den 11.

Den volgenden dag nam ik op mijn beurt een proef van deeze baden, en ik

kan zeggen dat 'er geene mij immer zo veel vermaaks, of zo veel goeds

veroorzaakten; dog ik moet aanstonds overgaan om den oorsprong dezer

warme wateren, en de gelegenheid van de badstoof te beschrijven.

Beschrijving der warme bronnen van Natchikin.

Dezelve worden twee wersten ten noorden van het dorp gevonden, en

omtrent vijf of zes honderd treeden van den oever der Bolchaïa-reka, die

men ten tweeden maale moet overtrekken om aan de baden te komen, uit

hoofde van de bogt, die ze agter het dorp maakt. Een dikke en geduurige

damp verheft zich boven deeze wateren, die al bruisschende of kookende

ontspringen uit eenen berg, die een weinig steil is, en drie honderd

treeden ten oosten van de plaats, waar de baden zijn, afgelegen is. Bij

derzelver val, die zich Oost-en-Westwaards uitstrekt, vormen ze een

klein beekje van één en een half voet diepte, en van zes a zeven voeten

breedte. Op een weinig afstands van de Bolchaïa-reka ontmoet dit beekje

een ander, welke te zamen in deeze rivier vallen, omtrent agt a negen

honderd treeden van den oorsprong dezer warme wateren, alwaar het zelve

zo heet is, dat men onmogelijk de hand er een halve minuut in kan

houden.

Beschrijving der baden.

De Heer Kasloff heeft de voorzorg gebruikt om deszelfs baden, op de

gemaklijkste gelegenheid, en daar, waar het water de gematigdste hette

heeft, te doen plaatzen; in het midden van de beek heeft hij zijn

gebouw van hout doen vervaardigen in evenredigheid van agt voeten

breedte, op zestien voeten lengte; het binnenste is in twee vertrekjes

afgedeeld, zijnde ieder van zes a zeven voeten in 't vierkant, en ook

van die hoogte. In het eene naar den kant van den oorsprong gelegen, en

onder 't welk het water bij gevolg de meeste hette heeft, baad men zich;

het ander dient alleen tot een plaats om zich te kleden voor hun, die in

het bad gaan; zij vinden tot dat einde breede banken boven de

oppervlakte van 't water, en men heeft in 't midden een zekere ruimte

gelaaten, alwaar men, zo men 't begeert, zich nog wasschen kan; dit

namelijk maakt het zeer aangenaam, dat de hette des waters zich

genoegzaam in dit vertrek verspreid, om te beletten, dat men niet koud

word, en dat dezelve zodanig het ligchaam doordringt, dat men die warmte

zelfs buiten het bad geduurende een uur of twee behoud.

Zamenstelling van onze Wooningen bij deeze baden.

Wij hielden ons verblijf bij deeze baden in twee zoorten van schuuren,

bedekt met stroo, waar van het timmerwerk uit boomen en takken bestont;

ze waaren voor onze aankomst, ten onzen gebruike, en in zo weinig tijds

vervaardigt, dat, wanneer men 't mij verhaalde, ik moeite had om het te

begrijpen, maar welhaast wierd ik door het gezicht er van overtuigd; die

geen, welk aan 't zuiden van de beek stond, te klein en te vogtig

bevonden zijnde, gaf de Heer Kasloff bevel, om een ander van drie a vier

roeden groot, aan den anderen kant, alwaar de grond minder moerassig

was, te vervaardigen, dit was 't werk van één dag, des avonds was ze in

gereedheid, hoe zeer men er nog daarenboven een trap bij gemaakt had,

die de gemeenschap van deeze schuur met de badstoof, waar van de deur

naar 't noorden staat, gemaklijk maakt.

Den 14.

De koude ons verblijf geduurende den nagt onverdraaglijk gemaakt

hebbende, besloot de Heer Kasloff om het zelve vier dagen na onze

aankomst te verlaaten; wij keerden te rug naar het dorp bij den toijon,

dog de aanloklijkheid deezer baden trok ons dagelijks meer tweemaal, dan

eens, derwaarts, en wij kwamen er bijna nooit zonder ons te baden.

De verscheiden aanbouwingen, welke de Heer Kasloff tot meerder gemak van

zijne inrichting deed vervaardigen, hielden ons nog twee dagen op; dees

menschlievende bevelhebber, bezield door de zucht van wel te doen,

genoot het vermaak van aan zijne arme Kamschatters, zo wel heilzaame,

als aangenaame baden, bezorgt te hebben; derzelver weinige verlichting,

of misschien hunne onbezorgdheid, zou hen zonder zijne hulp daar van

beroofd hebben, niettegenstaande het onbepaald vertrouwen, het welk zij

in deeze warme bronnen stelden tot geneezing van veele kwaalen[27]. Dit

maakte den Heer Kasloff begeerig om de eigenschappen van deeze wateren

te leeren kennen, hij stelde mij voor, om de ontbinding daar van zamen

te onderneemen, met behulp van zekere onderrichting, die hem tot dat

einde gegeeven was; maar voor en aleer ik van onze bevinding verslag

doe, acht ik het nodig om hier deeze handleiding uitteschrijven, ten

einde mij de middelen te herinneren, die wij daartoe gebruikt hebben.

[27] Voorheen durfden zij deeze bronnen en ook de vuurspuuwende bergen

niet naderen, dewijl ze zich verbeelden, dat daar helsche geesten hun

verblijf hielden.

Onderrichting om deeze heete wateren te ontbinden.

"De wateren kunnen in 't algemeen in zich bevatten

"1. Vaste lucht, en als dan hebben ze eenen prikkelenden en zuurachtigen

smaak, even als limonade zonder suiker.

"2. Yzer of Koper-deelen, wanneer ze van eenen zamentrekkenden en

onaangenaamen smaak zijn, ten naasten bij als inkt.

"3. Zwavel of Zwavelachtige dampen, en in dat geval is de smaak zeer

walgachtig, even als van een gebroeid en bedorven hoender-eij.

"4. Vitriool, Zee of Alkalisch Zout.

"5. En Eindelijk aardachtige deelen.

_Vaste Lucht._

"Om de vaste lucht te onderscheiden, is de smaak gedeeltelijk

genoegzaam, dog wanneer men in het water sap van tournesol giet, neemt

het zelve naar maate van de menigte vaste lucht, welke het in zich

bevat, eene meerdere of mindere roode couleur aan.

_Yzer-Deelen._

"Het Yzer ontdekt zich door middel van de galnoot, of door een brandbaar

alkali; de galnoot in water gedaan, dat met Yzer-achtige deelen bezet

is, geeft aan het zelve een purpere-violet- of zwarte couleur; en het

brandbaar alkali daar in gedaan zijnde geeft op het oogenblik Berlijnsch

blaauw.

_Koper-Deelen._

"Het Koper word kenbaar door bijvoeging van het brandbaar, of vlug

alkalisch zout, het eerste verwt Koperachtig water in bruin-rood, en het

tweede in blaauw; het tweede is nogtans zekerder dan het eerste, om

reden dat het vlug alkalisch zout alleen het koper, en niet het ijzer

doet zinken.

_De Zwavel._

"Men verkrijgt de Zwavel en Zwavelachtige dampen, wanneer men in 't

water giet, 1. Salpeterzuur; indien 'er zich dan een geel of witachtige

droessem in vertoont, heeft men Zwavel, en ter zelver tijd bemerkt men

een uitwaasseming en verspreiding van eenen Zwavelachtigen reuk. 2.

Eenige druppels bijtend sublimaat; zo er als dan een wit zinkzel

verschijnt, bevat het water alleen Zwaveldampen; en alleen zwavel,

wanneer het gezonkene zwart is.

_Vitriool-Zouten._

"Het water kan Vitrioolzout in zich bevatten, dat is te zeggen, zouten,

voortspruitende uit de zamenvoeging van Vitriool-Zuur met

Kalkachtig-Aard-Yzer-Koper, of met een Alkalisch Zout; men word het

Vitrioolzuur gewaar, wanneer men 'er eenige druppels opgeloste

zwaarwegende aarde (terre pesante) ingiet; want als dan ziet men een

drabbig zinkzel gebooren worden, dat langzaam op den bodem van het glas

nedervalt.

_Zee-Zout._

"Men kan ras gewaar worden, of het water Zee-Zout in zich bevat, wanneer

men 'er eenige druppels opgelost zilver ingiet, aanstonds zal zich een

wit zinkzel ontdekken, even als gestremde melk, het geen op het laatst

een donker violet couleur verkrijgt.

_Vast Alkalisch-Zout._

"Het water bevat een vast Alkalisch Zout, wanneer 'er door het bijdoen

van eenige druppels ontbonden bijtend sublimaat, vrij spoedig een

roodachtig bezinkzel ontstaat.

_Kalkachtige Aarde._

"Ook kan het water verzeld zijn van Kalkachtige Aarde en Magnesia;

eenige druppelen zuur van suijker in het water gedaan, doen de

Kalkachtige aarde in witachtige wolkjes zinken, die vervolgens op den

grond vallen, en eene witte stof overlaaten; Eindelijk, indien het

water Magnesia in zich besluit, brengen eenige druppelen van ontbonden

bijtend sublimaat zeer langzaam een roodachtig bezinkzel voort."

"_Aanmerking_: Teneinde deeze proefneemingen zeeker en spoedig gelukken,

moet men zorg draagen, om het water, dat men ontbinden wil, bijna tot de

helft door kooken te verminderen, uitgezondert nogtans, wanneer het

water vaste lucht in zich bevat, om dat deeze lucht door de opkooking

zou vervliegen".

Uitslag van onze proefneemingen.

Na dat wij deeze bovengemelde handleiding wel overdagt hadden, begonnen

wij de proefneemingen; de drie eersten niets voortgebragt hebbende,

begreepen wij, dat dit water nog vaste lucht, nog Yzer, nog Koper-deelen

in zich bevatte, dog de bijvoeging van Salpeter-zuur, bij de vierde

proef aangeweezen, deed ons op de oppervlakte een weinig witachtigen

droessem gewaar worden, welke zich niet ver verspreidde, hetgeen ons

deed gelooven, dat de hoeveelheid Zwavel of Zwavelachtige dampen zeer

gering was.

De vijfde proef toonde ons, dat het water met Vitriool-zouten vervuld

was of ten minsten Vitriool-zuur met Kalk-achtige aarde; wij zagen de

tegenwoordigheid van dat zuur, wanneer wij eenige druppels ontbonden

zwaarwegende aarde in dit water wierpen, het welk wit wierd in de

gedaante van wolkjes, en de droessem, die zich op den grond van het glas

zette, scheen ons toe zeer fijn en wit te weezen.

Ons ontbrak ontbonden zilver om de zesde proef te doen, en te zien of

het water ook van zee-zout voorzien ware.

De zevende bevestigde ons dat het met geen vast Alkalisch zout bezet

was.

Wij vonden door de agtste bewerking, dat het water eene groote

hoeveelheid van Kalkachtige aarde dog geen magnesia in zich bevatte.

Nadat wij 'er eenige druppels zuur van suiker ingegooten hadden, zagen

wij de Kalkachtige aarde op den grond van 't glas in wolken en wit stof

nederzinken; wij mengden 'er vervolgens ontbonden bijtend sublimaat

onder ten einde de magnesia te zoeken, dog 't grondsap behield in plaats

van roodachtig te worden, altoos de Couleur, die het zelve had, wanneer

'er nog niets anders dan zuur van suijker onder vermengt was; een bewijs

dat 'er geen magnesia in 't water was.

Wij gebruikten dit water voor de thee en onzen gewoonen drank. Eerst

drie of vier dagen daar na wierden wij gewaar, dat het eenige zoutdeelen

bij zich had.

De Heer Kasloff deed ook water, dat aan de bron gehaald was, kooken, tot

dat het geheel uitgewaassemt was; de aarde of witachtige en zeer zoute

stof, die op den bodem van 't glas bleef, en het uitwerkzel dat ze

natuurlijk op ons voorbragt, dit een en ander duidt klaar aan, dat dit

water met salpeterachtige zouten bezet was.

Wij merkten nog op, dat uit de beek genomen steenen overdekt waaren van

eene vrij dikke en ineengekronkelde kalkachtige stoffe, die met het

vitriool en salpeter zuur als opgekookt is; wij raapten nog anderen op

de plaats zelfs, waar deeze wateren hun oorsprong schijnen te neemen, en

waar ze het heetste zijn; wij vonden ze bedekt met een laag van een

soort van metaal, zo ik dus dat harde en vaste bekleedzel kan noemen,

het geen ons toescheen de couleur te hebben van gezuiverd koper, dog

waar van wij de hoedanigheden niet konden ontdekken; dit metaal

vertoonde zich daar en boven onder de gedaante van speldeknoppen en

nooit konden wij het door eenig zuur ontbinden; wanneer wij deeze

steenen doorkliefden, vonden wij 't binnenste zeer week en met keiachtig

zand vermengt, ik wierd 'er een groot getal van in deeze bronnen gewaar.

Ik moet hier nog bijvoegen, dat wij aan den oever van de beek en in een

klein drijvend moeras, in deszelfs nabuurschap gelegen; een gom of

zonderling _zee-gras_ ontdekten, van eene lijmagtige zelfstandigheid en

niet aan de aarde kleevende.[28]

[28] De Heer Kasloff had daar van eene zekere hoeveelheid aan den Heer

abt Mongis gegeeven, geduurende het verblijf van deezen

Natuurkundigen, welke tot onzen togt behoorde, te St. Pieter & Paulus.

Deeze zijn de Waarneemingen, die ik omtrent den aart deezer warme

wateren gemaakt heb, bij gelegenheid, dat ik den Heer Kasloff in zijne

proefneemingen en naspooringen de behulpzaame hand bood. Ik durf mij

niet vleijen van in het opgeeven onzer bevindingen op eene voldoende

wijze geslaagt te zijn; het zou kunnen weezen dat door onachtzaamheid,

of bij gebrek van de nodige kundigheden, mij eenige misslagen in de

opgaave onzer bewerkingen ontsnapt waaren, ik kan nogtans betuigen, dat

ik 'er al mijn aandagt en zorgvuldigheid aan besteed heb; daar en boven

verklaar ik bij voorraad, dat men aan mij alleen het gebrekkige moet

toeschrijven het geen men in dit verhaal zou hebben kunnen aantreffen.

Geduurende den tijd welken wij bij deeze baden en in het dorp van

Natchikin doorbragten, waren de goederen, die wij te Koriaki

agtergelaaten hadden door onze paarden in verscheiden reizen

overgebragt, en wij begonden de nodige schikkingen voor ons vertrek te

maaken. In dien tusschentijd zag ik een sabel-marter of wezeltje

levendig vangen, op eene wijze die mij zeer zonderling voorkwam en

teffens een denkbeeld kan geeven van de jagt op deeze dieren.

Jagt op eene sabel-marter.

Op eenigen afstand deezer baden, bemerkte de Heer Kasloff een groot

getal Ravens, die bijna altoos over dezelfde plaats al scheerende langs

den grond vloogen; de vaste richting hunner vlucht deed hem denken, dat

een of andere roof hen derwaarts trok; en inderdaad, deeze vogels

vervolgden een sabel-marter; wij ontdekten dezelve op een berkenboom die

door andere ravens omringt was, en kreegen begeerte om die te vangen; de

zekerste en spoedigste manier om daar in te slaagen zou zeker geweest

zijn om ze met den snaphaan dood te schieten, dog wij hadden onze

geweeren naar 't dorp, werwaarts wij zelfs weder keerden, te rug

gezonden, en van de persoonen, die ons verzelden, nog in den omtrek,

konden wij 'er geen één bekomen; Een Kamschatter hielp ons gelukkig uit

de verlegenheid, door zich aantebieden om het dier te vangen; ziet hier,

hoe hij dit aanlag; hij vroeg ons een band, en wij konden hem geen

anderen geeven dan dien waarmede ons hair gebonden was; terwijl hij een

strik maakte, hadden op deeze Jagt afgerichte honden den boom omringt;

het beest bekeek dezelve, en het zij uit schrik, of natuurlijke

domheid, het beweegde zich niet; het vergenoegde zich met zijn hals

uittestrekken, wanneer men het den strik aanbood, tweemaal maakte het

'er zich zelfs aan vast, en tweemaal ging de strik los; wanneer

eindelijk de marter op den grond sprong, wilden de honden ze grijpen,

dog welhaast wist zij 'er zich van te ontdoen, en hield zich zodanig met

de pooten en de tanden aan den snoet van een der honden vast, dat die

geen reden had om over dit onthaal vergenoegd te weezen; daar wij gaarne

het beest levendig vangen wilden, deeden wij er de honden af; de marter

ontliep het terstond en klom wêer op een boom, alwaar men ze voor de

derdemaal den strik om den hals deed, die op nieuw afgleed; en het was

eerst voor de vierde reis, dat het den Kamschatter gelukte om het beest

te vangen[29]. Ik zou nimmer gedagt hebben, dat een beest, het welk zulk

een loos voorkomen heeft, zich zo lomp zou hebben laaten krijgen, en

zelfs behulpzaam zijn aan de laagen, die het ziet, dat men het legt.

Deeze gemaklijkheid om de marters te vangen, is voor de Kamschatters

van een groot nut, dewijl ze verpligt zijn hunne schattingen in

marter-vellen te betaalen, 't geen ik in 't vervolg nader zal

opgeeven[30].

[29] De Heer Kasloff, die deeze Jagt bestierde, had de goedheid van

mij deeze sabelmarter, in 't land SOBOL genaamt te vereeren, en

beloofde mij 'er nog een te zullen bezorgen, ten einde ik een paar

daar van naar Frankrijk kon medeneemen.

[30] Dit bontwerk maakt niet alleen een aanmerkelijken tak van

Koophandel uit, maar daar en boven dient het eenigermaate voor een

geldspecie aan deeze volkeren.

Men nam, geduurende de nagten van den 13. en 14, twee luchtverschijnzels

in het Noord-westen, waar; uit de beschrijving, die men 'er ons van gaf,

oordeelden wij, dat het flikkeringen van noorderlicht geweest waaren, en

het deed ons leed niet tijdig genoeg gewaarschuuwt geweest te zijn, om

ze te kunnen zien; de lucht was vrij schoon geweest geduurende ons

verblijf aan de baden, echter was het westelijk gedeelte bijna altoos

bezet met zeer dikke wolken; de wind veranderde van west in noord-west

en bragt ons van tijd tot tijd sneeuwvlagen aan, de sneeuw kon nog geen

vastigheid verkrijgen, niettegenstaande den vorst, dien men alle nagten

gewaar wierd.

Den 16.

Toebereidzelen tot ons vertrek.

Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz. · 第 2 / 31 段