Produced by André Engels, Harry Lamé and the Online
Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net.
Scanned by Universiteitsbibliotheek Amsterdam (Early Dutch
Books Online)
Opmerkingen van de bewerker:
In deze tekst wordt schuingedrukte tekst weergegeven tussen _lage
streepjes_, en gespatiëerde tekst tussen ~tildes~. Alle klein-kapitalen
uit het originele werk zijn vervangen door HOOFDLETTERS. Superscripts
zijn getranscribeerd als ^{tekst}. [TR] representeert een mongram TR.
Meer opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze tekst.
HISTORISCH DAGVERHAAL
DER
REIZE
VAN DEN HEER
_DE LESSEPS_,
_Zedert het verlaaten van den Heer Graaf de la
Perouse en zijne togtgenooten in de haven
van St. Pieter & Paulus op Kamschatka,
tot op zijne komst in Frankrijk,
den 17. October 1788._
NAAR HET FRANSCH.
EERSTE DEEL.
[Illustratie]
_Te ~UTRECHT~_,
BY B. WILD EN J. ALTHEER,
1791.
VOORBERICHT.
_De tijtel van dit werk kondigt reeds aan, wat het behelst; waarom zou
ik mij bevlijtigen om het oordeel van den leezer voorinteneemen? zou ik
meer recht op zijne toegeevenheid verkrijgen, wanneer ik hem zou gezegd
hebben, dat ik in den grond geen verwaandheid genoeg bezat om een boek
te willen schrijven? zal mijn verhaal gewichtiger worden, wanneer men
weeten zal, dat ik 'er alleen aan arbeidde uit nood om mijnen leedigen
tijd op eene nuttige en vermaaklijke wijze doortebrengen, en met de
eenigste bedoeling, om aan mijne naastbestaanden het getrouw verslag van
mijnen arbeid en van mijne waarneemingen, geduurende den loop van mijne
reis, overtebrengen? het is gemaklijk te zien, dat ik bij tusschenpoozen
geschreeven heb, en wel met meerdere of mindere zorgvuldigheid, naar
maate het de omstandigheden mij toelieten, of de voorwerpen mij meerder
of minder troffen._
_Door het gevoel mijner onervarenheid opgewekt, heb ik gemeent aan mij
zelfs verschuldigt te zijn, van mij geene gelegenheid, die ter mijner
onderrechting kon dienen, te laaten ontglippen, even als of ik voorzien
had, dat men mij verantwoording zou vergen van mijnen tijd, en van de
kundigheden, die ik in de gelegenheid was van te kunnen verkrijgen;
maar zal uit deeze zorgvuldige naauwkeurigheid, waar aan ik mij gebonden
heb, niet een gebrek van bevalligheid en van verscheidenheid in mijn
verhaal ontstaan?_
_Daarenboven, de gebeurtenissen, die mij zelfs betreffen, waren zodanig
verbonden aan de voorwerpen mijner aanmerkingen, dat mijne eigenliefde
niet bedacht was om deeze bijzonderheden agterwege te laaten: ik heb dus
het verwijt van te veel van mij zelfs gesproken te hebben verdiend; een
gewoonlijke misslag in reizigers van mijne jaaren._
_Behalven deeze verveelende ongeschiktheid, moet ik mij nog beschuldigen
van in veelvuldige herhaalingen vervallen te zijn, die eene meer
geoeffende pen zou vermijd hebben. Vormt men zich niet altoos omtrent
zeekere onderwerpen, en bijzonder in Reisbeschrijvingen, een zekeren
gewoonen stijl? van daar, spreekwijzen en uitdrukkingen, die telkens
wederkomen: om dezelfde voorwerpen te schilderen kan men zich ook alleen
van dezelfde kleuren bedienen._
_Wanneer ik den tweeden dag na mijne ontscheeping in de haven van St.
Pieter en Paulus dit dagverhaal begon, vond ik mij al aanstonds door de
dagtekening belemmerd. Ik bezat geen Franschen Almanak, en ik ging over
om den ouden stijl volgens Russisch gebruik aanteneemen; deeze benam
mij de moeite om geduurig aan het verschil van elf dagen, welke de
nieuwe stijl meerder telt, te denken; maar zedert het, tegens mijne
verwachting, uitgemaakt is, dat dit werk door den druk het licht zoude
zien, heb ik mij beijverd om in de dagtekeningen het gebruik bij ons
aangenomen te herstellen, den nieuwen stijl namelijk, en tot gemak van
den leezer heb ik denzelven op den kant geplaatst. Wat de uitspraak der
Russische, Kamschatsche en andere woorden betreft, moet ik aanmerken,
dat alle de letters duidelijk moeten uitgesprooken worden. Ik heb
getragt, zelfs in het Woordenboek, om de medeklinkers te besnoeijen,
waar van de verwarde zamenloop afschrik verwekt en ook niet altoos
noodzaaklijk is. Deezen algemeenen Regel kan men volgen, de_ kh _moet op
dezelfde wijze uitgesproken worden als de_ ch _der Duitschers, of de_ J
_der Spanjaarden; en de_ ch _als in het Fransch. De laatste
lettergreepen_ oi _en_ in, _moeten uitgesproken worden, als of ze
geschreeven waaren_ oi _en_ ine.
_De bekwaame aardrijkskundige, die alle mogelijke zorg aan mijne kaarten
heeft besteed, heeft 'er mijnen afgelegden weg met eene zo groote
naauwkeurigheid op aangetekend, dat de leezer mij van flap tot flap
volgen kan. Dit heeft mij doen besluiten om in mijn verhaal alle
aantekeningen aftesnijden over de graaden van breedte en lengte._
_Een Kamschatter Caravane in een dorp aankomende, is het onderwerp, dat
ik voor een plaat uitgekoozen heb, om dat die na 't mij toeschijnt
tergelijker tijd een denkbeeld kan geeven van de yssleeden, van de
verschillende plaatzing der Reizigers in dezelve, en van al het geen
verder ten deezen opzigte merkwaardig is. Aan de zuiverheid der tekening
en aan de juistheid van het graveerstift zal men de bekwaamheid
herkennen van twee te recht vermaarde konstenaars._
_Er blijft mij nog overig om het uitstel, het welk het drukken van dit
dagverhaal heeft ondergaan, te rechtvaardigen. Zonder tegenspraak had ik
het eerder kunnen uitgeeven; mijn pligt zelfs vorderde zulks, maar mijne
erkentenis gebood mij ter zelver tijd, om de terugkomst van den Heer
Graaf de la Perouse aftewachten. Wat betekent mijn reis, zeide ik tot
mij zelfs? Voor het algemeen, is ze niets anders dan een gevolg des
gewichtigen togts van dien Bevelhebber; voor mij, is ze het eerbewijs
van zijn vertrouwen: dubbelde beweegreden bij gevolg om te verlangen,
van aan zijn oordeel de bijzonderheden van mijn verhaal te kunnen
onderwerpen. Mijn eigebelang maakte mij daar van ook eene wet: hoe zeer
zoude ik mij gelukkig geacht hebben, indien hij mij veroorloft had om
mijne reis als een gevolg van de zijne in het licht te geeven, indien
hij mij daar door verwaardigt had om in zijn roem te deelen! dit was,
ik moet het bekennen, het eenig oogmerk van mijn eerzucht en van mijn
uitstel._
_Wat is het treurig voor mij, na een jaar wachtens en ongedulds, nog het
einde mijner hoop te zien verschuiven! Zedert mijn aankomst is 'er geen
dag verlopen, waar in mijne wenschen onze onversaagde Zeelieden van de
Zeekompas, (la Boussole) en de Starremeeter, (l'Astrolabe) niet te rug
geroepen hebben. Wanneer ik mij verbeeldde de zee-en te bewandelen, die
hun nog overbleeven om te doorkruissen, hoe dikwijls heb ik dan niet
gezogt hunne spooren te herkennen, hen van rêe tot rêe te volgen, te
veronderstellen, dat ze hier of daar verversching genooten, en alle de
bogten van hunnen weg aftemeeten._
_Helaas! wanneer, op het oogenblik van ons scheiden op Kamschatka, de
Bevelhebbers onzer Fregatten mij als een verlooren kind droevig in de
armen drukten, wie zou mij toen gezegt hebben, dat ik het eerste mijn
Vaderland moest wederzien? Wie zou mij gezegt hebben, dat verscheiden
van hun 'er nimmer zouden wederkomen, en dat ik binnen weinig tijds
traanen over hun lot zou storten!_
_In der daad, naauwlijks genoot ik de vrugt mijner zending en de
omhelzingen mijner aanverwanten, of het gerugt van de tegenspoeden,
onzen Zeelieden onder weg overkomen, vervulde mijn ziel met bitterheid
en droeffenis. Hij is niet meer, die braave en deugdzaame zeeman[1], de
vriend, de medgezel van onzen Bevelhebber, die man, welken ik beminde en
eerbiedigde, als mijn vader; hij is niet meer, en mijn pen weigert zijn
treurig einde te beschrijven! dog mijne dankbaarheid schept er genoegen
in, om telkens te herhaalen, dat de nagedagtenis zijner deugden en
weldaaden eeuwig in mij leeven zal._
[1] _De Heer Burggraaf de Langle._
_O leezer, wie gij zijt, vergeef mijner droefheid deeze afgeperste
uitstorting van het hart! Indien gij hem, dien ik beween, hebt gekent,
zult gij uwe weeklagten met de mijne vermengen; zult gij met mij den
Hemel smeeken, dat Hij welhaast ter onzer vertroosting, en tot roem van
Frankrijk, en den Bevelhebber van deezen togt, en die onzer moedige
Argonauten, welke Hij ons nog gespaard heeft, tot ons wederbrenge. In
het oogenblik, waar in ik schrijf, ach! zo eene gunstige wind hunne
scheepen naar onze kusten voortstuuwde...! mogt die wensch mijnes harten
verhoord werden! mogt de dag van de uitgaaf deezes werks ook de dag van
hunne aankomst zijn! als dan zal ik, in de uitbundigheid mijner vreugde,
al het genot der eigeliefde ontwaar worden._
[Illustratie:
ROUTE
de M. De Lesseps
Consul de France
_Dans la Presqu'Ile de Kamtschatka
Et le long du Golfe de Pengina, depuis le
Port de_ S^{t}. Pierre _et_ S^{t}. Paul
_Jusqu'a_ Yamsk.
]
REIZE
VAN DEN HEER
_DE LESSEPS_.
UIT
KAMSCHATKA NAAR FRANKRYK.
INLEIDING.
Naauwlyks bereik ik den ouderdom van vijfentwintig jaaren, en ik ben
reeds aan het gedenkwaardigste tijdstip van mijn leven gekomen. Hoe
lang, hoe gelukkig ook de loopbaan mooge wezen, die ik nog te vervullen
heb, zo twijffel ik echter, of het mijn bestemming wel zal zijn, om
immer in eenen zo roemrijken togt gebruikt te worden als deeze, welke in
dit tijdstip geëindigt word door de twee Fransche Fregatten, het
Zeecompas (_la Boussole_) en de Sterre-meeter (_l'Astrolabe_) het eerste
onder bevel van den Heer Graaf de la Perouse, Opperhoofd van den togt,
en het tweede onder bevel van den Heer Burggraaf de Langle.[2]
[2] Indien mijne pen deeze twee vermaerde mannen waerdig was, geschikt
om te samen eene groote onderneeming met de volmaaktste eensgezindheid
te volbrengen, hoe veel goeds zou ik dan van ieder hunner niet te
zeggen hebben? dog zedert lang hebben derzelver verrichtingen en de
algemeene achting hen boven alle lofspraak verheven.
Het belang, 't welk het gerugt van deeze reis rondom de waereld verwekt
heeft, was veel te openbaar en te algemeen, dan dat men tegenwoordig
niet met zo veel ongeduld als nieuwsgierigheid regtstreeksche
nieuwstijdingen verwachten zoude van die doorluchtige Zee-lieden, welke
door hun Vaderland en door geheel Europa van de Zeën wedergeëischt
worden, die ze doorkruissen.
Wat is het vleijende voor mij, na van den Heer Graaf de la Perouse het
geluk verkreegen te hebben om hem geduurende meer dan twee jaaren te
volgen, nu wederom aan zijne keus de eer verschuldigd te zijn, van te
land zijne brieven in Frankryk overtebrengen! hoe meer ik mijn geluk in
het ontfangen deezer nieuwe proeve van zijn vertrouwen overweeg, hoe
meer ik ook gewaar worde, wat eene diergelijke zending zou vereischen,
en wat mij ontbreekt om die behoorlijk te vervullen: Dog ik moet zonder
twijffel de voorkeur, op mij gevallen, alleen toeschrijven aan de
noodzaaklijkheid om tot die reis iemand te kiezen, die de Russische taal
kon spreeken, en die reeds zijn verblijf in dat Rijk gehouden had.
* * * * *
1787. _September_ Te St. Pieter & Paulus.
den 29.
Ik verlaat de Fregatten en ontfang mijne brieven.
Zedert den 6 September 1787 bevonden zich de Fregatten des Konings in de
haven van Avatscha, of van St. Pieter & Paulus[3] gelegen aan het
zuidelijk uiterste van het schier-eiland Kamschatka. Den 29 kreeg ik
bevel om de Astrolabe te verlaaten; den zelfden dag stelde de Heer Graaf
de la Perouse mij zijne brieven en bevelen ter hand. Zijne vriendschap
voor mij vergenoegde zich niet om bij voorraad de geruststellendste
schikkingen te maaken, ten einde mij met zekerheid en spaarzaamheid te
doen reizen, maar dezelve ging zo verre, dat hij bij mijn vertrek mij
zijne waarlijk vaderlijke raadgevingen medegaf, welke eeuwig in mijn
hart zullen gegriffelt blijven. De Heer Burg-graaf de Langle had ook de
goedheid de zijne daar bijtevoegen, die mij niet minder van nut geweest
zijn.
[3] Deeze Haven word door de Russen genoemt _Petropavlosskaia-haven_.
Hier zij het mij geoorlooft de waare schatting mijner erkentenis te
voldoen aan dien getrouwen deelgenoot der gevaaren en des roems van den
Heer Graaf de la Perouse, die als zijn mededinger in alle de harten en
ook in het mijne aangemerkt word, daar voor dat hij mij onophoudelijk
tot een Vader, Raadgever en Vriend verstrekt heeft.
Des avonds moest ik van onzen Bevelhebber en deszelfs waardigen
medegezel afscheid neemen. Men oordeele, wat ik uitstond, toen ik hen
naar de booten, die op hen wachtten, te rug bragt; ik kon nog spreeken,
nog hen verlaaten; zij omhelsden mij beurtelings, en mijne traanen
leverden hun maar al te zeer bewijzen op van 't geen 'er in mijn ziel
omging. De Officieren, allen mijne vrienden, die zich aan land bevonden,
ontfingen ook mijn afscheidskus, allen bedroefden zij zich over mij,
allen slaakten zij zuchten voor mijne behoudenis, en verschaften mij die
vertroostingen en hulp, welke de vriendschap hun kon inboezemen. Mijn
smert, wanneer ik van hun scheidde, laat zich niet beschrijven: Men
rukte mij uit hunne armen, en ik vond mij zelven weder in die van den
Heer Colonel Kasloff-Ougremin, Bevelhebber van Okotsk en van Kamschatka,
aan wien de Heer Graaf de la Perouse mij meerder als zijn Zoon, dan wel
als den Officier, die met zijne brieven belast was, had aanbevolen.
Ik blyf onder het toeverzigt van den Heer Kasloff, Russisch Bevelhebber.
Hier beginnen mijne verplichtingen omtrent deezen Russischen
Bevelhebber. Toen kende ik reeds al het beminlijke van deszelfs inborst,
altoos bereidvaardig om dienst te doen, waar over ik zedert zoo veel
reden gehad heb om voldaan te weezen[4], hij spaarde mij alle
aandoeningen met alle mogelijke zorgvuldigheid: ik zag hem met mij
treuren over de verwijdering der booten, die wij nog lang na-öogden; en
wanneer hij mij weder ten zijnent bragt, wendde hij alle moeiten aan om
mij van mijne droevige overdenkingen aftetrekken. Wie zich een denkbeeld
zou willen vormen van de schrikverwekkende gewaarwordingen, die ik in
dit oogenblik ondervond, moet zich tragten in mijne plaats te stellen,
alleen agtergelaaten op deeze bijna onbekende oevers, en vierduizend
mijlen van mijn Vaderland verwijderd: wanneer ik zelfs deezen
verbaazenden afstand niet in aanschouw genomen had, kon nogtans het bar
gezicht deezer kusten mij genoeg aanduiden al het geen ik op mijnen
langen en gevaarlijken togt zou te lijden hebben; eindelijk evenwel
bragt het goed onthaal, 't geen mij de Inwoonders beweezen, en de
onnoemelijke beleeftheden van den Heer Kasloff en de andere Russische
Officieren te weege, dat ik langzaamerhand minder gevoelig wierd over
het vertrek van mijne landgenooten.
[4] Na dat hij alle de Persoonen tot deezen togt behoorende met
beleeftheden overlaaden had, tragtte hij nog daar en boven om onze
Fregatten van levensmiddelen te voorzien. Niettegenstaande de
moeijelijkheid om ossen in dit land te bekoomen, bezorgde hij er zeven
op zijne eigen kosten, en altoos weigerde hij daar voor betaaling te
ontfangen: het jammerde hem zelfs, dat hij 'er geen meer had kunnen
geeven.
den 30.
Vertrek van de Fregatten des Konings.
Het zelve had plaats des morgens van den 30 September; de twee Fregatten
gingen met een gunstigen wind, die geduurende verscheide volgende dagen
woei, onder zeil, waar door wij dezelve dien eigen morgen reeds uit het
oog verlooren. Men kan ligt bevroeden, dat ik ze niet zag vertrekken,
zonder voor alle de Officieren en de Vrienden, die ik aan boord liet,
mijne vuurigste en oprechtste smeekingen opwaarts te zenden; treurig en
laatste eerbewijs van mijne erkentenis en verkleeftheid!
De Heer Graaf de la Perouse had mij aanbevolen spoed te maaken; dog ter
zelver tijd had hij mij gelast, (het geen mij mijne genegenheid ook
dadelijk voorschreef,) van onder geen voorwendzel hoe genaamd den Heer
Kasloff te verlaaten: deeze had hem beloofd mij tot Okotsk, de plaats
zijns verblijfs te zullen geleiden, werwaarts hij zich onverwijld
begeeven moest. Ik voelde reeds het geluk van onder zulk een goed
opzicht gesteld te zijn, en ik aarzelde niet om mij blindelings aan den
raad van dien Bevelhebber overtegeeven.
Onmogelijkheid om mij naar Okotsk te begeeven voor den aanvang der
sleedevaart.
Zijn voorneemen was te Bolcheretsk den tijd aftewagten, dat de
sleedevaart kon begonnen worden, welke ons de noodwendige
gerieflijkheden moest bezorgen om de reis naar Okotsk te onderneemen.
Het Jaargetij was toen reeds te ver verloopen om den togt te land te
doen, en de overvaart ter zee was niet minder gevaarlijk; daar en boven
wierd er geen vaartuig in de twee Havens van St. Pieter & Paulus en
Bolcheretsk gevonden.[5]
[5] Het schijnt, dat geduurende den zomer de zeevaart vrij zeeker is
en dat dit de eenigste manier is, waar van de reizigers gebruik maaken
om ter plaatze hunner bestemming te komen.
1787. _October_ Te St. Pieter & Paulus.
De zaaken, die de Heer Kasloff nog te verrichten had, en de
toebereidzelen tot ons vertrek hielden ons nog zes dagen op, het geen
mij zekerheid gaf, dat de Fregatten des Konings niet meer in het geval
waren om weder binnen te komen. Ik maakte van dit toeven gebruik om
mijne bespiegelingen te beginnen, en om mij een weinig uitvoerig de
nodige onderrichting te verschaffen omtrent al het geene, dat mij
omringde. Ik lag mij voor al toe om een juist begrip te verkrijgen van
de baaij Avatscha en van de haven van St. Pieter & Paulus in dezelve.
Beschrijving van de Haven van St. Pieter & Paulus en van een ontwerp
daar toe betrekkelyk.
De Capitein Cook heeft van deeze baaij eene zeer uitgestrekte
beschrijving gegeeven, waar van wij de naauwkeurigheid terstond herkend
hebben. Zedert heeft dezelve eenige veranderingen ondergaan, die men
zegt, dat van veele anderen gevolgt moeten worden, voor al wat de Haven
van St. Pieter & Paulus betreft. In der daad, het is zeer mogelijk, dat
reizigers, welke hier na ons zullen aanlanden, verbaast staan, van er in
plaats van vijf of zes huizen, zo als ze verwagten zouden, eene geheele
stad, van hout gebouwd en vrijwel versterkt, aantetreffen.
Zodanig is ten minsten het ontwerp, het geen, zo als ik van ter zijden
vernomen heb, door den Heer Kasloff, als deszelfs uitvinder,
overgegeeven is, wiens oogmerken niet minder grootsch dan nuttig voor
den dienst van zijne Souveraine zijn. De uitvoering van dit plan zal
niet weinig toebrengen om de vermaardheid van deeze haven te
vermeerderen, reeds beroemd door de vreemde scheepen die er aanlanden,
en die de Koophandel er verder zoude kunnen brengen[6]. Om de
schikkingen tot dit ontwerp wel te bevatten en er het nut van te
waardeeren, heeft men zich alleen maar de uitgestrektheid en de gedaante
van de baaij van Avatscha, en de gelegenheid van de bewuste haven
voortestellen. Wij bezitten er reeds verscheide getrouwe beschrijvingen
van[7] die in handen van de geheele waereld zijn; dus zal ik mij alleen
bepaalen om van dat geene te spreeken, 't welk het nodige licht omtrent
de denkbeelden van den Heer Kasloff kan verspreiden.
[6] Het blijkt zelfs, uit het geen de eerste Zeevarende daar van
bericht hebben, dat 'er geen gemaklijker haven in dit gedeelte van
Asien te vinden is, zodat het te wenschen zoude zijn, dat zij de
algemeene stapelplaats des Koophandels van deeze streeken wierd. Dit
zou des te meer voordeel aanbrengen, om dat de scheepen, die de andere
havens bezoeken, namelijk die van Bolcheretsk, Nijenei-Kamschatka,
Tiguil, Jngiga, en zelfs Okotsk, gewoonlijk maar bij geluk de
schipbreuk ontkomen; het is om die reden, dat de Keizerin uitdruklijk
alle scheepvaart na den 26 September verboden heeft.
Dog het geen ik ter zelver tijd vernomen heb, bevestigt nog meer mijn
verhaal, en heeft welligt het denkbeeld verwekt tot dien nieuwen
aanbouw.
Een Engelsch vaartuig, toebehoorende aan den Heer Lanz, Koopman te
Macao, kwam in het afgeloopen Jaar 1786 in de haven van St. Pieter &
Paulus ten anker. De Capitein Peters, het bevel op dit Schip voerende,
deed aan de Russen voorslagen van Koophandel, waar van hier de
bijzonderheden. Door eene gesloten overeenkomst met een Russisch
Koopman, genaamt _Schelikhoff_, had hij zich verbonden om den handel
in dit gedeelte der Staaten van de Keizerin te drijven, en vorderde
ter waarde van tagtig duizend Roebels aan Koopmanschappen. Het is
waarschijnlijk dat deeze goederen in Pelterijen zouden bestaan hebben,
dewelke de Engelschen staat maakten in China te verkoopen, van waar ze
in ruiling stoffen en andere waaren, voor de Russen geschikt, zouden
terug gebragt hebben. De handelaar Schelikhoff begaf zich in persoon
naar St. Petersburg, ten einde daar de goedkeuring van zijne
Souveraine hier omtrent te verzoeken, welke hij ook verkreeg; dog
terwijl hij bezig was zich in staat te stellen, om aan de voorwaarden
van zijne verbintenis te voldoen, wierd hij onderrecht, dat het
Engelsch Schip op de kusten van het Koper-Eiland vergaan was, wanneer
het van het Noordwestlijk gedeelte van America naar Kamschatka te rug
kwam. Volgens alle waarschijnlijkheid was het derwaarts geweest om
pelterijen, ten einde daar mede zijne lading te beginnen, die het
vervolgens in de haven van St. Pieter & Paulus zou hebben komen
aanvullen; men weet, dat slechts twee man van het scheepsvolk behouden
zijn, namelijk een Portugees en een Neger van Bengalen, als mede, dat
zij den winter in het Koper-Eiland hebben doorgebracht, van waar een
Russisch schip hen naar Nijenei-Kamschatka heeft overgebragt: zij
hebben zich te Bolcheretsk bij ons gevoegt, en de Heer Kasloff is
voorneemens hen in het aanstaande jaargetij naar St. Petersburg te
zenden.
[7] De Heer Graaf de la Perouse heeft met ruim zo veel zorgvuldigheid
dit plan uitgewerkt, als alle de geenen die 'er voor hem geweest zijn:
men zal het in het verhaal van zijn reis kunnen zien, het welk voor
den weetgierigen leezer een nieuwe bron van onderwijs en opheldering
zal openen.
Men weet, dat de haven van St. Pieter & Paulus aan het noorden van het
inkomen der baaij Avatscha geleegen is, en ten zuiden geslooten word
door eene zeer naauwe landengte, waar op een Ostrog[8] of Kamschattisch
dorp gebouwd is; op eene hoogte ten oosten agter de haven is het huis
van den bevelhebber geplaatst[9], bij wien de Heer Kasloff geduurende
zijn verblijf alhier deszelfs intrek genomen had; nabij dit huis, bijna
in dezelfde rigting, ziet men dat van den Corporaal der bezetting en
verder noordwaards dat van den Sergeant, dewelke na den Commandant de
eenigste persoonen van eenig belang zijn, die men in deeze plaats, zo ze
die naam verdient, noemen kan; regt tegen over het inkomen der haven, op
het afhellen der hoogte, van waar men een meir van eene aanmerkelijke
uitgestrektheid ontdekt, vind men tegenwoordig de overblijfzelen van een
hospitaal, waar van in de reize van Capitein Cook gesprooken word[10].
Beneden deeze overblijfzels, digter bij het strand, heeft men een gebouw
opgeregt, het geen tot een Magazijn of een soort van wapenplaats voor
de bezetting dient, en het welk gestadig door een schildwagt bewaard
word; zie daar in 't kort den staat, waar in wij de haven van St. Pieter
& Paulus bevonden hebben.
[8] Het woord _Ostrog_ betekent eigentlyk een omtrek met palissaden
bebouwt. Men zou deszelfs oorsprong na ik vermeen kunnen afleiden van
de verschanssingen door de Russen in der haast zamen gesteld, om zich
in veiligheid te stellen tegens de stroperyen der Inboorlingen, die
zonder twyffel met ongeduld verdroegen, dat men hun land overweldigde.
De naam van _Ostrog_ word tegenwoordig aan byna alle de dorpen van
deeze streeken gegeeven.
[9] Die Bevelhebber, _Khabaroff_ genaamt, was toen Preporchik, of
Vaandrig.
[10] Op eenigen afstand van deeze plaats aan den voet van een boom
werd Capitein Clerke begraven. Het opschrift dat de Engelschen op zijn
graf agtergelaaten hebben was op hout en kon dus ligt uitgewischt
worden. De Heer Graaf de la Perouse, begeerende, dat de naam van
deezen Zeeman tot de onsterflykheid geraakte, zonder dat men voor de
guurheid des weders behoefde te vreezen, deed een ander opschrift op
koper in de plaats stellen.
Het zal niet onvoeglijk zijn hier te verhaalen, dat onze bevelhebber
ter zelver tyd onderzoek deed naar de plaats alwaar de vermaarde
Fransche Sterrekundige de L'Isle de la Croijere begraven was. Hij
verzogt den Heer Kasloff om de nodige beveelen te geeven ten einde men
op die plaats een Grafzerk stelde, en daar op een Grafschrift
plaatste, het welk hij op Koper had doen graveeren, inhoudende de
lofspraak en de bijzonderheden van den dood onzes landgenoots. Zyne
begeerte wierd na het vertrek der Fransche Fregatten onder mijn oog
uitgevoerd.
Dog door de voorgestelde verbeteringen is het onbetwistbaar, dat ze een
plaats van gewicht zou worden; de ingang van de haven zou geslooten of
ten minste bestreeken worden door de vestingwerken. Daarenboven zouden
die dienen om van dien kant de ontworpen stad te dekken, welke ten
grooten deele op het erf van het oude hospitaal, dat is te zeggen,
tusschen de haven en het meir, het welk men van de hoogte ontdekt, zoude
gebouwt worden; men zou insgelijks een batterij plaatzen op de
land-engte, die dat meir van de baaij Avatscha scheid, ten einde daar
door het andere gedeelte van de stad te beschermen. Eindelijk zou
volgens dit zelfde ontwerp het inkomen van de baaij verdedigd worden,
door eene redelijk sterke batterij, op de minst verheven plaats van
derzelver linker oever; en de scheepen in de baaij komende zouden niet
buiten het bereik van het geschut kunnen blijven, uit hoofde der naast
elkander gelegen blinde klippen langs den regter-oever; men ziet er
tegenwoordig op de punt van een rots een batterij van zes of agt
stukken, die gelost is ter begroeting van onze scheepen.
Het is onnodig te zeggen, dat ook dit plan de vermeerdering der
bezetting bevat, die tegenswoordig alleen uit veertig Soldaten of
Cosakken bestaat; zij leeven en zijn gekleed even als de Kamschatters,
alleenlijk dragen zij een sabel, een snaphaan en de patroontasch,
wanneer ze dienst doen; zonder dat zou men ze niet van de Inboorlingen
dan aan hunne gelaatstrekken en taal kunnen onderscheiden.
Wat het Kamschattisch dorp betreft, 't welk een groot deel van de plaats
uitmaakt, zo als ze thans is, en het geen, gelijk ik reeds gezegt heb,
gevonden word op de landengte, die den ingang der haven sluit, het zelve
bevat niet meer dan dertig of veertig woonplaatzen, zo voor den winter
als zomer geschikt, genaamt _isbas_ en _balagans_; en men rekent in de
geheele plaats, zelfs de bezetting er onder begreepen, niet meer dan ten
hoogsten honderd Inwoonders, zo mannen, als Vrouwen en Kinderen; door
het voornoemde ontwerp wilde men het getal op meer dan vierhonderd
brengen.
Bij deeze bijzonderheden, nopens de haven van St. Pieter & Paulus, en de
werken, die men moet aanleggen tot derzelver verfraaijing, zal ik hier
eenige aanmerkingen laaten volgen over den aart van den grond, de
luchtsgesteldheid & de rivieren.
Aart van den grond.
De oevers der baaij van Avatscha scheenen mij met hooge bergen omgeeven,
waar van eenigen met houtgewas bedekt, en anderen van een vuurspuuwenden
aart zijn[11]. De valeijen leveren een teelt van gewassen op die mij
verbaast heeft; het gras heeft bijna een mans lengte, en de veldbloemen,
gelijk wilde roozen en anderen, die daar onder elkander vermengd zijn,
verspreiden reeds van verre de lieflijkste geuren.
[11] Vijftien of twintig wersten van de haven word een Vuurspuuwende
berg gevonden, die door de natuuronderzoekers, tot den togt van den
Heer Graaf de la Perouze behoorende, bezogt is geworden, en waar van
in de reis van dien bevelhebber zal gesproken worden. De bewoonders
van het land hebben my verhaalt, dat er van tijd tot tijd rook
uitkomt; dog dat de uitwerping, die voormaals dikwijls plaats had,
zedert verscheide jaaren niet waargenomen is.
Luchtgesteldheid.
Gewoonlijk vallen er geduurende de lente en den herfst zwaare
regenbuijen, en de stormwinden zijn in het laatstgenoemde jaargetij en
in den winter zeer menigvuldig. Deeze is zomtijds ook regenachtig, dog,
niettegenstaande deszelfs langduurigheid, verzekert men echter, dat hij
niet zo buitengewoon streng is, ten minsten in dit zuidelijke gedeelte
van Kamschatka[12]; de sneeuw begint in October te vallen, en de dooij
heeft geen plaats voor April of Maij, dog zelfs in Julij ziet men op de
toppen der hooge bergen, en voornamelijk op de vuurspuuwende, sneeuw
vallen; de zomer is redelijk fraaij, de zwaarste hette duurt zelden
langer dan de zonnestand; de donder word er zeldzaam gehoord en richt
nooit verwoestingen aan; zodanig is de luchtsgesteldheid die ten
naasten bij in alle de streeken van dit gedeelte van het schier-eiland
heerscht.
[12] De geweldige koude, waar over de Engelschen zich beklaagen, zal
mogelijk niet zonder voorbeeld zyn, en ik vermeet mij niet dezelve
tegen te spreeken; dog 't geen een bewijs zou opleveren, dat de
gestrengheid van de lucht nogtans zo geweldig niet is, bestaat daar
in, dat de Inwoonders, die ons voorgesteld worden, als of zij
geduurende den geheelen winter niet uit hunne onderaardsche wooningen
of _ijourtes_ durfden koomen, uit vreeze van te bevriezen,
tegenwoordig in dit zuidelijke gedeelte van het schier-eiland geene
diergelijke wooningen meer vervaardigen, zo als ik in 't vervolg
gelegenheid zal hebben van te verhaalen. Ik stem echter toe, dat de
koude, die ik geduurende mijn verblijf aldaar ondervonden heb, en die
met den winter van 1779 kan vergeleeken worden, mij dezelfde
toegescheenen heeft, als die welke men te St. Petersburg gewaar word:
dog het geen de Engelschen met zeer veel reeden vreemd gevonden
hebben, zijn de schrikkelijke orcaanen die zulke dikke en overvloedige
sneeuwvlaagen aanbrengen, dat het als dan onmogelyk is om uit te gaan,
of voort te reizen wanneer men op weg is; dit is mij meer dan eens
overgekomen, gelijk men in 't vervolg zien zal.
Rivieren welke in de Baaij van Avatscha uitwateren.
Twee Rivieren hebben derzelver uitloop in de baaij van Avatscha,
namelijk, die welke aan de baaij den naam geeft, en die van Paratounka;
ze zijn beide zeer vischrijk; men vind er daar en boven allerlei zoort
van watergevogelte, het welk zo schuuw is, dat men het zelve op geen
vijftig treeden kan naderen; de vaart in deeze rivieren is op den 26
November gestremt, dewijl ze altoos op dit tijdstip vast raaken, en in
het hevigste van den winter, is de baaij zelfs met ijsschotsen bedekt,
die door de zeewinden opgehouden worden, dog zo dra de landwinden
beginnen te waaijen, ontdoet ze zich daar van geheel; de haven van St.
Pieter & Paulus word gewoonlijk door het ijs in de maand Januarij
geslooten.
Ik behoorde hier van de zeden en de gewoontens der Kamschatters te
spreeken, en derzelver huizen of liever hutten, die ze _isbas_ of
_balagans_ noemen, te leeren kennen; dan ik verschuif het behandelen
deezer onderwerpen tot mijn aankomst te Bolcheretsk, alwaar ik hoope
meer tijd en gelegenheid te zullen hebben om dezelve uitvoerig te
beschrijven.
1787. _October_
Vertrek van St. Pieter & Paulus.
Wij vertrokken van de haven van St. Pieter & Paulus op den 7 October,
namelijk de Heer Kasloff[13], de Heeren Schmaleff[14], Vorokhoff[15],
Ivaschkin[16], ik en het gevolg van den Commandant, bestaande uit vier
Sergeanten of Onderofficieren en een gelijk getal Soldaaten; de
Bevelvoerende Officier van de haven voegde zich, waarschijnlijk uit
eerbied voor den Heer Kasloff zijn Opperhoofd, bij ons kleine
gezelschap, en wij begaven ons op baidars[17] t'scheep, om de baaij
over te steeken, en ons naar Paratounka te begeeven, alwaar wij paarden
zouden vinden om onzen weg te vervolgen.
[13] De Heer Kasloff-Ougrenin is, gelijk ik reeds gezegt heb,
bevelhebber van Okotsk en van Kamschatka, hij staat onder den
algemeenen landvoogd, die zijn verblijf te Irkoutsk houd.
[14] De Heer Schmaleff is Captein-Inspecteur over de Kamschatters, of
volgens 't Russisch CAPITAIN ISPRAVNIK in het gebied van Kamschatka,
het is dezelfde aan wien de Engelschen zo veel verplichting hadden, en
de goede diensten, die hij ons beweezen heeft, zijn insgelijks
ontelbaar.
[15] De Heer Vorokhoff, Geheimschrijver van den bevelhebber, word in
de regeerings zaaken gebruikt, en heeft den rang van Officier.
[16] De Heer Ivaschkin is die ongelukkige edelman, van wien de
Engelschen spreeken, en die in allen opzichte den door hun
toegezwaaiden lof verdient; het eenvoudig verhaal van zijne rampen is
genoegzaam om aan ieder leezer medelijden inteboezemen, dog men moet
hem gezien en bijgewoond hebben, om van de maat des belangs te
oordeelen, dat men in zijn lot moet stellen.
Hij was nog geen twintig Jaar, wanneer de Keizerin Elisabeth hem
Sergeant maakte onder de Préobrajenskoische lijfwacht; hij genoot
reeds een zeker aanzien aan het Hof, en de vrije toegang welke zijn
post hem bij zijne Souveraine gaf, opende voor zijne eerzucht de
glansrijkste loopbaan, wanneer hij eensklaps niet alleen in ongenade
raakte, en zich van al de vleijende hoop, waar mede hij zich had
kunnen streelen, beroofd zag, maar daar en boven had hij de smert van
als de grootste misdaadiger behandeld te worden; hij ontfing de knout,
de hardste en schandelijkste straf in Rusland; men scheurde hem de
neusgaten op, en hij wierd daar en boven voor zijn leeven naar
Kamschatka gebannen. Men weet uit het verhaal der Engelschen alles,
wat hij geduurende twintig jaaren van de uiterste gestrengheid, waar
mede men hem behandelde, heeft moeten uitstaan; men dreef dezelve zo
verre van hem de eerste noodwendigheden te weigeren; hij zou zonder
twijffel van honger en gebrek omgekomen of tot wanhoop vervallen zijn,
indien de sterkte van geest en lichaam hem niet ondersteunt had. De
noodzaaklijkheid van zelfs in zijn nooddruft te voorzien dwong hem,
echter niet zonder afkeer, van zich onder de Kamschatters in te
lijven, en geheel derzelver leevenswijze aanteneemen; hij is even als
die gekleed, en vind in zijn jagt en visscherye zo veel overvloed voor
zijne behoeftens, dat hij door het verkoopen van het overschot nog
eenige verzagting in zijn droevig aanzijn kan bekomen; hij woont in
het Ostrog van Verckneï-Kamschatka, of Opperkamschatka; onder de
Russen is de oorzaak van eene zo gestrenge straf onbekend; men is
genegen dezelve aan een misverstand of aan eenige onbescheiden woorden
toeteschrijven want men kan niet besluiten hem een misdaad
toetekennen. Het schijnt dat men te rug gekomen is van de voorgewende
ijslijkheid zijner misdaad; men heeft zedert kort de plaats zijner
ballingschap willen veranderen, en hem voorgeslaagen van te Yakoutsk
zijn woonplaats te neemen, leverende deeze Stad meer middelen op ter
voldoening van de nooddruft en ter veraangenaaming des leevens; dog
die ongelukkige banneling, die tans omtrent zestig à vyf en zestig
Jaar oud is, heeft die vergunning geweigerd, willende, volgens zyn
zeggen, de afschuuwelijke tekenen van zijne onteering niet gaan ten
toon stellen, nog ten tweedenmaale schaamrood worden over de
schrikkelijke straf die hij ondergaan heeft; hij heeft liever
verkoozen onder zijne Kamschatters te blijven leeven, niets meer
begeerende dan vreedzaam zijne weinige overige dagen, in 't midden der
geenen die zijne eerlijkheid kennen, doortebrengen, en stervende de
algemeene achting en vriendschap, die hij zo rechtmatig geniet,
wegtedraagen.
Door het verhaal der Engelschen opgewekt, toonde de Heer Graaf de la
Pérouse een sterk verlangen om dien ongelukkigen te zien, die hem van
't eerste oogenblik af aan de levendigste belangneeming inboezemde.
Hij ontfing hem aan zijn boord en aan zijn tafel, de menschlievendheid
van onzen bevelhebber bepaalde zich niet alleen tot deernis met zijne
rampen, maar ze bevlijtigde zich om dezelve te verzagten, met hem dat
geene agter te laaten het welk hem ons verblijf kon doen herdenken, en
daar door bewijzen te geeven, dat de Engelschen de eenigste
vreemdelingen niet zijn, welke deel in zijn droevig lot genomen
hebben.
[17] De BAIDARS zijn bijna van een gelijk maakzel als onze booten, als
alleen dat de boorden gemaakt zijn van planken van vier, vijf à zes
duimen, welke de een aan den anderen gevoegt zijn met banden van
willige takken of touwen, men kalfatert ze met boom-mosch; de baidars
zijn de eenigste vaartuigen welke dienen om de Kourilische eilanden te
bevaaren: ze worden gewoonlijk geroeid, men kan er echter ook een zeil
aan vast maaken.
Aankomst en verblijf te Paratounka.
Wij kwamen in vijf of zes uuren aan dat dorp, alwaar de Priester[18] of
de Pastoor van dat district woont, en waar men ook de Kerk vind[19],
zijn huis diende ons voor een herberg; en wij wierden er zeer wel
ontfangen, dog naauwlijks waaren wij 'er binnen getreden, of 'er viel zo
eene geweldige regen, dat wij genoodzaakt waaren langer dan wij meenden
daar ons verblijf te houden.
[18] Zijn naam is FEODOR VERESCHAGUIN; hij is zijn oudsten Broeder
Romanoff Vereschaguin opgevolgd, die zo veel goeds aan den Capitein
Clerke bewees, en dien ik zedert te Bolcheretsk gevonden heb.
[19] Zijn voorganger had aan de Engelschen verhaalt, dat deeze
parochie onverwijld naar het dorp van St. Pieter & Paulus zou
overgebragt worden, dog deeze verplaatzing zal niet geschieden dan met
de uitvoering van het ontwerp omtrent de haven; het is hier de plaats
om optemerken, dat de Engelschen verzuimt hebben aantetekenen, dat 'er
eertijds een Kerk te St. Pieter en Paulus gevonden wierd, en dat men
den grond daarvan aangewezen vind door een soort van grafplaats, die
'er een deel van uitmaakte.
1787. _October_ Te Paratounka.
Ik maakte van deeze korte tusschenpoos met allen ijver gebruik, om
eenige dier voorwerpen te beschrijven, welke ik uitgesteld had te
behandelen tot mijn aankomst te Bolcheretsk, alwaar ik mogelijk nog
andere zal aantreffen die niet minder belangrijk zijn.
Beschrijving van dat Dorp.
Het dorp Paratounka is gelegen aan den oever der rivier van deezen naam,
omtrent twee uuren van deszelfs mond[20]. Dit dorp is weinig meerder
bevolkt dan dat van St. Pieter & Paulus; de kinderziekte heeft
voornamelijk in deeze plaats ijsselijke verwoestingen aangericht; het
getal der Balagans en Isbas, die ik 'er gezien heb, is mij ten naasten
bij het zelfde voorgekomen als te Petropavlofska[21].
[20] Deeze rivier ontlast zich, gelijk ik reeds gezegt heb, in de
baaij van Avatscha; de banken, die 'er bij een laage zee droog loopen,
maaken het inkomen als dan ondoenlijk; zelfs is het met een volle zee
zeer moeijelijk.
[21] Wanneer ik voor deeze Kamschatsche huizen stil stond, heb ik mij
dikwils op derzelver gezicht de versmaadende verbaazing van onze
Fransche Sybariten voorgesteld, den eenen zo trotsch op deszelfs
uitgestrekte paleizen, den ander zo jaloersch van zijne fraaije en
opgeschikte kleine vertrekjes, waar in de kunst van verciering alléén
voor de vergezogte pracht in huisraad moet wijken: mij dagt ik hoorde
hen uitroepen: hoe is het mogelijk, dat menschen deeze elendige hutten
kunnen bewoonen? en nogtans is een Kamschatter onder zulk een stulp,
waar van de bouworde tot de eerste jaaren der waereld schijnt te
behooren, niet ongelukkig; hij leeft daar gerust met zijn gezin, hij
geniet ten minsten het geluk van weinig behoeftens te kennen, daar
door zelfs is hij minder nooddruftig, en mist alle voorwerpen waar
mede hij zijn staat zou kunnen vergelijken.
Wooningen der Kamschatters.
De Kamschatters bewoonen des zomers de eersten en des winters begeeven
zij zich in de laatsten. Daar men ze ongevoelig wil opleiden om meer en
meer gelijk aan de Russische boeren te worden, en op eene gezonder
manier te woonen, zo heeft men in dit zuidelijk gedeelte van Kamschatka
verbooden, om in 't vervolg ijourtes of onderaardsche wooningen zamen te
stellen; ze zijn 'er tans allen uitgeroeid[22], en men vind 'er niets
meer van dan eenige spooren, zijnde het binnenste toegevuld, terwijl ze
van buiten het voorkomen hadden als de breede daken van onze ijskelders.
[22] Ik heb 'er eenigen tijd daar na in het Noordelijke gedeelte ook
gevonden, en er een naauwkeuriger denkbeeld van kunnen vormen, 't welk
ik aangetekend heb.
Beschrijving der Balagans.
De Balagans staan boven den grond op verscheiden stijlen, op gelijke
afstanden geplaatst, en van twaalf à dertien voeten hoog; deeze boersche
Colonnade dient ter ondersteuning van een plat gemaakt van in elkander
gevoegde balkjes bedekt met kleiaarde; dit strekt tot een vloer aan het
geheele gebouw, het welk in een dak van een kegelachtige form bestaat,
bedekt met een soort van stroo of verdroogt gras, uitgespreid op lange
sparren, die zich aan de kruin vereenigen, en die op verscheiden
dwarsbalken leggen; deeze top of dit dak maakt te gelijk de eerste en
tweede verdieping; ze vormt het geheele verblijf, namelijk één vertrek:
een gat in het dak geeft doortogt aan den rook, wanneer het vuur
aangestoken word om de spijzen te bereiden; deeze keuken word als dan
vervaardigt in het midden van de kamer, waar in ze eeten, zich
nederleggen en onder elkander slaapen, zonder de minste tegenzin of
bekommernis. In die vertrekken ziet men geen vensters; men vind 'er
niets anders dan eene zo laage en naauwe deur, dat ze naauwlijks het
licht doorlaat; de trap is als het huis; het is een balk, of liever een
zeer plomp ingekipte boom, waar van het eene einde op den grond rust en
het andere de hoogte van den vloer der hut bereikt; ze komt tot aan den
hoek van de deur, gelijk met een soort van open gallerij die voorwaards
uitkomt, deeze boom heeft zijne rondte behouden, en vertoont op den
eenen kant van deszelfs oppervlakte iets, het welk ik geen trappen kan
noemen, uit hoofde dat ze zo ongemaklijk zijn, dat ik meer dan eens
gedagt heb 'er den hals op te breeken. In der daad, wanneer deeze
vervloekte trap onder de voeten van hun, welke 'er niet aan gewoon zijn,
begint te draaijen, is het onmogelijk het evenwicht te bewaaren, men
moet noodwendig op de aarde vallen, en men loopt min of meer gevaar,
naar maate van deszelfs hoogte. Wil men van buiten te kennen geeven, dat
'er niemand t'huis is, keert men de trap met de treeden naar onder.
Het gemak kan aan deeze Volkeren het denkbeeld ingeboezemd hebben, om
deeze vreemde wooningen zamentestellen, derzelver leevenswijs maakt hun
die noodzaaklijk en gerieflijk; de drooge vis, hun voornaamste voedzel,
als mede dat van hunne honden zijnde, hebben zij om die te droogen,
gelijk ook voor hun winters-voorraad, een plaats nodig die voor de zon
beschut is, en waar nogtans de lucht van alle kanten kan doorspeelen;
deeze plaats vinden zij onder deeze colonnade of boersche gallerij 't
welk het binnenste gedeelte der balagans uitmaakt. Hier hangen zij hunne
visch aan de zoldering of vloer van het gebouw, of aan zulke verhevene
plaatzen als nodig is, om ze voor de verslindende honden te bewaaren,
die altoos hongerig gehouden worden tot nut van den dienst; deeze honden
dienen bij de Kamschatters tot de sleedevaart, de besten[23] dat is te
zeggen, de beesten hebben geen andere stal dan dat soort van overdekte
gallerij waar van ik zo even gesprooken heb; ze zijn aan de pijlaaren of
stijlen, die ter ondersteuning van 't gebouw dienen, vastgemaakt. Ziet
daar, zo 't mij toeschijnt, al het nut opgegeeven, 't welk 'er in de
zamenstelling van hunne balagans of zomerwooningen gelegen is.
[23] Daar ik spoedig in het geval zal weezen van er gebruik van te
moeten maaken, zal ik tot dien tijd wachten om ze te beschrijven.
Beschrijving der Isbas.
De winterwooningen zijn minder zonderling, zij zouden volmaakt na de
huizen der Russische boeren gelijken, indien ze zo groot waaren. Deeze
zijn reeds zo dikwils beschreeven, dat een ieder ten naasten bij kan
weeten, hoedanig ze gebouwt en verdeelt zijn; het is bekend, dat deeze
isbas alle van hout zijn, dat is te zeggen, dat ze bestaan uit vlak op
den anderen gelegde boomen, die 'er de muuren van uitmaaken, waar van de
openingen met mosch gevult zijn. Derzelver dak heeft de rigting van de
boere hutten in Frankrijk: het is met een grof gras of biezen gedekt, en
somtijds ook met planken; het binnenste word door twee vertrekken
afgedeeld, en ééne kagchel verwarmt door deszelfs plaatzing die beide,
ze dient ook tot een schoorsteen voor de keuken. Ter wederzijde van de
grootste deezer kamers zijn breede banken, die daar blijven staan,
geplaatst, en somtijds ook eene slegte slaapstede van planken gemaakt en
met beerehuiden bedekt. Dit is het bed van de hoofden des huisgezins, en
de vrouwen, die in deeze woeste streeken slaavinnen van haare mannen
zijn en het zwaarste werk verrichten, moeten zich gelukkig achten
wanneer ze daar op rusten kunnen.
Behalven deeze banken en dit bed, vind men 'er nog een tafel en een
groot getal beelden van verschillende heiligen, waar meede de
Kamschatters hunne vertrekken vercieren, en waar op zij zoo eergierig
zijn als de meesten van onze beroemdste kenners op het ten toon stellen
hunner prachtige schilderstukken.
Men kan wel begrijpen dat de vensters nog breed nog hoog zijn: de ruiten
zijn van zalmvellen of blaazen van verschillende dieren, of van
toebereide zeewolven gorgels, zomtijds zelfs van talkbladen, het geen
zeer zeldzaam is en een soort van pracht aankondigt. Deeze visch-vellen
zijn zodanig afgeschrapt en toebereid, dat ze doorschijnend zijn en een
weinig daglicht in het vertrek geeven[24], dog 'er ontbreekt veel aan
om 'er de voorwerpen door te kunnen onderscheiden. De bladen van talk
zijn helderder en komen nader aan het glas, echter zijn ze niet
doorschijnende genoeg om van buiten te zien het geen van binnen omgaat;
men kan begrijpen dat dit geen ongemak is voor zulke laage huizen.
[24] Dit geeft het zelfde uitwerkzel als het geolied papier in de
vensters van de fabrieken in Frankrijk.
Opperhoofd of Rechter van ieder Ostrog.
Ieder Kamschattisch dorp word bestiert door een hoofd, genaamt _toijon_;
dit soort van regeerings-persoon word door de landzaaten verkooren, bij
meerderheid van stemmen: de Russen hebben hun dit voorrecht laaten
behouden, dog ze verplichten hen om de keus door het rechtsgebied van
het Landschap te doen goedkeuren; die toijon is dus maar een boer, even
als die geenen welke hij richt en bestiert, hij heeft niets
onderscheidends en doet het zelfde werk als zijne onderhoorigen; hij is
bijzonder gelast met de bewaaring der goede order, en met de uitvoering
der beveelen van de regeering; hij heeft daar en boven, onder de zijnen,
een ander Kamschatter volgens zijn keus, om hem te helpen of zijn plaats
te bekleeden in de uitvoering van zijne bediening; deeze onder-toijon
word genaamt _ijesaoul_, een Cosaksche eertitul, welken de Kamschatters
zedert de komst der Cosakken in dit schier-eiland aangenomen hebben, en
die, bij de laatsten, het tweede hoofd van derzelver bende of horde
betekent; men moet hier bijvoegen, dat wanneer het gedrag deezer
hoofden slegt is, of de klachten van hunne onderhoorigen verwekt, de
Russische Officieren, gesteld om die klachten te ontfangen, of de andere
door de Regeering aangestelde Rechtbanken, aanstonds deeze toijons van
hunne bediening afzetten, en anderen benoemen, die aan de Kamschatters,
welken het recht hebben om ze voortestellen, aangenaamer zijn.
Den 8.
De regen voortduurende konden wij ons nog niet weder op reis begeeven,
dog mijne nieuwsgierigheid vervoerde mij om een oogenblik van den dag te
neemen ten einde eene wandeling door het dorp Paratounka te doen, en
deszelfs omgeleegen streeken van nader bij te bezichtigen.
Aanmerkingen over de kerk en de omgeleegen streeken van Paratounka.
Ik begaf mij eerst naar de Kerk, die ik van hout gebouwd vond, en in
denzelfden smaak vercierd als die der Russische dorpen; ik zag er de
wapens van den Capitein Clerke, door den Heer Webber geschilderd, en het
Engelsch bijschrift op den dood van dien waardigen opvolger van Capitein
Cook, ze duid ook deszelfs begraafplaats te St. Pieter & Paulus aan.