Mingo fluistert zijn meester iets toe. Het gelaat van den meester wordt
eerst rood, dan bleek; radeloos slaat hij den blik rondom zich; dan
laat hij hem vol verwijt op zijn vrouw rusten.
Maar mevrouw Verschuere merkt dat niet op.
Geheel gerustgesteld door het waardeerend knikje van zooeven, heeft zij
zich met de zorgloosheid der jeugd overgegeven aan het genoegen van te
luisteren naar haar beide buren en op dit oogenblik meer bijzonder naar
den heer De Bruining, die één glas wijn gebruikt heeft en in de periode
van den vogel verkeert.
»Wat is er gaande, Verschuere?« vraagt de heer Hagen, aan wiens
scherpen blik niets ontgaat. »De visch niet pluis? Nu, kom er maar voor
uit. Dat is tegenwoordig aan de orde van den dag.«
»Neen,« stamelt Verschuere, »dat is het niet.«
Het benauwde stemgeluid waarmede dit gezegd wordt, wekt de huisvrouw
uit haar droom: ze ziet op naar het gelaat van haar man en weet dat
alles verloren is.
De gasten beginnen nu de een na den ander te bemerken dat er onraad
broeit; het wordt stil.
»Kom, mijnheer Verschuere, wat het zijn moge, laten we er ons niets van
aantrekken,« stelt mevrouw Paerel voor. »Ik zal u zeggen, mevrouwtje,
wat we bij ons doen, als een gerecht mislukt: we gaan over tot het
volgende.«
»Maar... dat kunnen wij niet!« roept Verschuere.
»Kunnen we dat niet?« vraagt Agnita ontsteld. »Mijn hemel, Gustaaf, wat
is er dan?«
En in de stilte, die nu volgt, klinkt het als een doodsmaar van
Verschuere’s lippen:
»Je hebt de aardappelen vergeten!«
De tijding is zoo onverwacht, het geval zoo ongewoon, dat niemand weet
wat te zeggen. Alleen mevrouw De Bruining behoudt haar tegenwoordigheid
van geest. Ze grijpt Mingo bij den arm, bijt hem in het oor: »koken!
dadelijk! uilskuiken!« En op haar wenk vliegen al de dienende geesten
Mingo achterna, de keuken in.
Daar men elkaar niet durft aankijken, staart men in de ledige borden;
daarop heeft er eene algemeene broodverkruimeling plaats.
Er is een lach, gul en welgemeend, een lach waarin geen zweem van
spotternij ligt, niets dan goedhartige pret over de dwaasheid dezer
wereld. In dien lach barstte de heer Hagen los; en het was niet omdat
de Raad van Indië het deed, maar omdat hij het zoo aanstekelijk deed,
dat allen met hem instemden.
Te midden dier vroolijkheid kwam freule van Waliënhove op een inval,
zooals lieve meisjes soms invallen hebben kunnen.
»Gertrude!« roept ze juffrouw Hagen toe, »is dit niet een wenk van de
Voorzienigheid? We waren straks zoo en peine over het duet, dat we
morgenavond zingen moeten zonder het nog een enkele maal samen te
hebben doorgezien. Zou mevrouw Verschuere ons willen veroorloven... ik
vrees dat we na den eten niet meer zoo gedisponeerd zullen zijn.«
Als het bericht had weerklonken dat er een goudmijn ontdekt was in de
binnengalerij, hadden de gasten niet vlugger kunnen opspringen om er
zich heen te begeven.
De vleugel staat opengeslagen; men schaart zich in het rond; de beide
frissche meisjesstemmen heffen het duet aan; niemand schijnt meer aan
dineeren te denken, niemand dan de Verschuere’s, wie de oogenblikken
minuten, de minuten uren schijnen, niemand dan mevrouw De Bruining,
die, zoodra ze het onbemerkt meent te kunnen doen, wegrent, om weldra
met haar zijden japon door de keuken te slieren, rechts, links, overal!
nu eens een aardappel grijpend, dan weer een mes, om eindelijk, als ze
de onmogelijkheid heeft ingezien van beiden tegelijk in handen te
houden, zich te bepalen tot het beurtelings uitschelden, vermanen en
prijzen der acht schillers en schilsters. Zij belooft ze ongehoord
groote geldsommen voor het ondenkbaar geval dat ze de aardappelen
binnen twee minuten op tafel brengen. En wel niet binnen twee minuten,
maar toch vrij spoedig, namelijk juist als de jonge dames in edele
zelfopoffering ten derde male het duet willen beginnen, komt Mingo met
het zoo vurig begeerde »soedah«.
In vroolijken optocht trekt men weer naar de achtergalerij. De visch is
als door een wonder goed gebleven; de aardappelen blijken er niet
minder om, dat ze zoo haastig gekookt werden; daarbij zijn al de
volgende gerechten keurig voorgediend en smakelijk toebereid; de wijnen
volkomen waardig zulke edele gerechten te besproeien, en het dessert
alles overtreffende wat Cavadino tot dusverre leverde op dit gebied.
Een fijn diner is geen bijzonderheid op Buitenzorg, maar een diner,
waar zoo geestig verteld, zoo vermakelijk geschertst, zoo hartelijk
gelachen wordt als hier, blijft een uitzondering. ’t Is dan ook na
middernacht, lang over den gewonen tijd, als men uit elkaar gaat, en
nog is dit niet met volle toestemming van den heer Hagen, die, na een
laatst welgemeend compliment aan zijn bekoorlijke gastvrouw, slechts
noode achter de statige gestalte aanloopt, die hem reeds is
voorgezweefd naar het rijtuig.
De anderen volgen nu spoedig hun voorbeeld, en als Verschuere de
laatste dame naar den wagen brengt, gaat mevrouw, die boven aan de trap
staan bleef, hem een paar treden tegemoet, den blijden glimlach,
waarmee ze hare vrienden groette, nog om de lippen.
Maar is dit de joviale gastheer van daareven? Is dit Gustaaf, die den
geheelen avond zoo opgewekt, zoo hoffelijk was? die toornige man met
bewolkt voorhoofd, met saamgenepen lippen?
Eenigszins ontsteld treedt ze achteruit. Hij gaat haar voorbij alsof ze
daar niet stond; regelrecht naar zijn kleedkamer, en het duurt een poos
voor ze den moed heeft hem daar te volgen.
»Kleed je je nu reeds uit?« vraagt ze en legt een bevend handje op zijn
arm. »Willen we niet een oogenblik napraten?«
Reeds heeft hij haar hand afgeschud.
»Napraten?« barst hij los. »Napraten? Waarover? Over ons mislukt
diner?« en hij gooit zijn jas op een stoel en rukt zijn das los, alsof
elke band hem benauwde.
»Mislukt? Maar Gustaaf! de menschen hebben zich uitstekend geamuseerd.«
»Geamuseerd!« herhaalt hij met schamperen lach. »Geamuseerd! ja, dat
hebben ze zich! Daar kun je zeker van zijn. Het is een aardigheid die
ze niet elken dag zien vertoonen... een diner zonder aardappelen!«
»Ze hebben het immers allen even goed opgenomen.«
»Natuurlijk! Je hadt hun geen grooter pleizier kunnen doen. En niet hun
alleen. Wees overtuigd dat mevrouw Van Waliënhove morgen een pret heeft
van belang; wees overtuigd dat het binnen een paar dagen op Buitenzorg
en Batavia, op al de soirées, in al de societeiten, op al de
dames-ochtendvisites het praatje van den dag is. Neen, dáár kun je
zeker van zijn, dat het eerste diner van mevrouw Verschuere, het diner
zonder aardappelen, legendarisch zal worden in Indië!«
»Hemel, Gustaaf, was het dan wezenlijk zóó erg?«
»Ik weet niet of jij het erg vindt om belachelijk te zijn. Ik vind het
verschrikkelijk, ondragelijk, het ergste van alles!«
»’t Was onhandig van me, maar... ik had toch mijn best gedaan... Zou je
’t me niet kunnen vergeven? Nu nog niet, dat begrijp ik wel, maar
morgen misschien, als je wat kalmer bent?«
»Dwaasheid! ik heb niets te vergeven. We zullen beiden in ons huwelijk
wel eens fouten begaan. Als het maar niet dikwerf zulke fouten zijn,
Nita; want die zouden op den duur in staat zijn me razend te
maken—begrijp je dat niet?«
Neen, ze begreep het niet. Ze begreep niet hoe het oordeel van vreemden
hem zoo aan het hart ging dat hij haar, die hij liefhad, er voor kon
grieven.
Met klokslag vijf wordt Verschuere gewekt. Hij springt op als iemand,
die weet dat een taak hem wacht; den vorigen dag liet hij alles liggen
om zich geheel te wijden aan de ontvangst zijner gasten; nu moet de
achterstand worden bijgewerkt nog vóór het bureau-uur slaat.
Het is bijna donker in het slaapvertrek, een enkele flauwe lichtstraal
slechts dringt door de jalouzieën, maar die lichtstraal valt op Agnita:
ze ligt naar hem gekeerd, het hoofd gesteund op de gevouwen handen, de
haren los gewoeld rondom het gezichtje, dat in die matgouden lijst nog
teerder, nog fijner schijnt dan gewoonlijk. Bij haar aanblik komt hem
de vorige avond voor den geest, hij hoort weer de bevende stem, die zoo
nederig smeekte om vergiffenis; hij voelt weer de kleine hand te
vergeefs de zijne zoeken; hij ziet weer die oogen naar hem opgeheven
met den angst van een kind, dat iets misdaan heeft, en hij vraagt zich
af, of hij het is geweest, die zich zoo wreed van haar afwendde. Hij
buigt zich tot haar, hij bespiedt op hare lippen den zoeten lach,
waarmede ze gewoon is hem te begroeten, hij vraagt een blik dier oogen,
waaruit een liefkoozing tot hem komt zoo vaak zij ze naar hem opslaat.
Als ze in dit oogenblik ontwaakt was, had hij haar op zijn knieën
kunnen smeeken om vergeving—maar ze ontwaakte niet, ze was zoo vermoeid
van het schreien—en hij kon niet wachten, de schrijftafel riep hem.
Het was een ingewikkelde zaak waarover hij rapport moest uitbrengen,
kort en zakelijk zooals de gouverneur-generaal alle rapporten
eischte—een zaak, die van het oogenblik af dat ze aanhangig werd
gemaakt, hem veel belang inboezemde. Maar juist omdat hij er zich zoo
geheel had ingewerkt, juist omdat hij het vóór en tegen zoo nauwkeurig
gewikt en gewogen had, viel het moeilijk om al wat hij zeggen wilde te
besluiten in het kort bestek hem toegestaan.
Echter, het gelukt—zooals trouwens zulke werkzaamheden hem altijd
gelukken. Als hij oprijst van de schrijftafel is het met de streelende
gewaarwording van een overwinnaar. Hij herleest de bladzijden, waarop
het ingewikkelde vraagstuk is opgelost op eene wijze, die het de
eenvoudigste zaak der wereld doet schijnen; hij geniet het glashelder
betoog, den gespierden stijl, de juiste woordenkeus of ze van een ander
geweest waren. Er zijn drie uren verloopen sinds hij voor de sponde
zijner gade stond, en in die drie uren heeft ze niet voor hem bestaan.
Hij bergt nu de dichtbeschreven pagina’s in zijn portefeuille, en het
hoofd vervuld van zijn werk, gaat hij naar de achtergalerij om haastig
zijn ontbijt te gebruiken. Als ze op het oogenblik dat hij uit Mingo’s
handen zijn hoed aanneemt te voorschijn komt, drukt hij haar een
vluchtigen kus op de lippen en gaat heen, zonder haar ook maar één
gedachte te wijden.
X