Op de invitatielijsten, die de heer d’Hannecour zijn gebiedster
aanbood, werd achter sommige namen een kruisje geplaatst; dit kruisje
beteekende in de taal der barones: »alleen geschikt om te laten eten.«
De aldus geteekenden zou de kolonel niet gewaagd hebben ook maar te
noemen als er sprake was van een soirée, een soirée musicale,
littéraire, dramatique, amusante of hoe de veertiendaagsche avondjes
ten paleize heeten mochten; maar daar mevrouw Van Waliënhove niet
zuinig was met hare kruisjes en de intendant min of meer
verantwoordelijk werd gesteld voor het welslagen der soirées, werden
deze voor den armen man dikwerf kruizen in den waren zin van het woord.
Wat de toehoorders betrof, die kwamen van zelf bijeen. De mijnheer die
zoo mooi viool speelde, bracht zijn drie bruine gansjes mee; de
geestige vrouw, onmisbaar voor de jeux d’esprit, haar goeden sukkel van
een man; de uitstekende pianiste had haar dooven papa bij zich; het
meisje dat zoo lief reciteerde, haar ongetrouwde tante... maar het was
niet genoeg dat er menschen verschenen, die geamuseerd wilden worden,
er moesten er ook zijn die amuseerden. En zij waren—als overal
elders—schaarsch te Buitenzorg.
Bij de troepen, die te Batavia mooie opera’s komen bederven, zijn nu en
dan wel eens goede artisten; ook verdwaalt er soms een violist,
pianist, ja zelfs een enkele chanteuse, die jaren geleden in Europa wat
naam maakte, naar Indië: met hen was de intendant den koning te rijk.
Ze werden ten paleize ontboden en op zulk een avond had hij rust,
behoefde hij geen dilettanten te smeeken om hun medewerking; de
artisten deden al het werk, want daar de heer Van Waliënhove er op
gesteld was dat ze ruim gehonoreerd werden, eischte mevrouw waar voor
haar geld.
Ze waren er echter slechts zelden. En dus bleef de kolonel steeds
zoekende naar nieuwe krachten; ja, hij hield er jonge luitenants op na,
die hem waarschuwden zoodra er iets van zijn gading was ontdekt. Dan
werd de barones onmiddellijk in kennis gesteld met het feit en het
duurde niet lang of de naam van de talentvolle persoon werd genoemd;
onder vele mindere bevoorrechten merkte men hem op; weldra kwam er zeer
toevallig een plaats open in Buitenzorg en hij werd aangewezen om die
plaats te vervullen.
Wèl hem, zoo hij op de eerstvolgende soirée beantwoordde aan den roep,
van hem uitgegaan! Voor hem geen reizen of trekken meer, geen nadeelige
venduties of dure verhuispartijen: Buitenzorg was en bleef zijn
standplaats. Ongelukkig konden de dames d’Hannecour hun echtgenoot en
vader weinig tot steun zijn. ’t Is waar, mevrouw d’Hannecour had
indertijd wel aan voordrachten gedaan, maar zekere oude hoedendoos,
waarin een lauwerkrans bewaard werd, was het eenige wat van deze gave
restte; Victoire bespeelde de cither, doch toen ze eens een feest had
willen opluisteren, werd haar spel niet gewaardeerd, terwijl een poging
van Elmire, om zich in het lierdicht te onderscheiden, met niet bepaald
gunstigen uitslag bekroond was. Het eenige wat haar dus restte, was
dienst te doen als speurhond en dit deden ze met een ijver, die wel
eens wat benauwend worden kon voor de bewoners der residentie.
Van dien ijver werd te haren tijd mevrouw Verschuere het slachtoffer.
Op zekeren vóóravond overvielen haar drie van de jonge dames; haar
optreden was zoo onschuldig mogelijk en ze was er verre van daan,
eenige bedoeling te zoeken achter haar komst, toen ze op de vraag of
het dan nooit zou ophouden met regenen—de vraag, die in Buitenzorg
meest gedaan wordt ter opening van het discours—ten antwoord kreeg:
»Doet u ook aan de schoone kunsten, mevrouw?«
Eenigszins verbaasd begon Agnita: »Als u wat bloemen maken en teekenen
zoo noemen wilt...«
»O, teekenen!« riep nu Elmire minachtend, »daar heeft men niets aan.«
»Hé, vindt u?« vroeg mevrouw Verschuere, weinig vermoedend waarin
Elmire’s minachting voor de teekenkunst haar oorsprong vond; »mij dunkt
juist, dat men er zooveel aan heeft.«
»Toch veel meer aan muziek,« viel Julia in, »daar houdt de gouverneur
zoo van.«
Nog begreep Agnita geenszins, waarom ze veel aan muziek zou hebben
omdat de gouverneur er zoo van hield.
»U doet toch aan de piano?« vroeg nu Marianne.
»Ja, zoo nu en dan,« stemde Agnita toe en ze had moeilijk anders kunnen
doen, daar men het gezicht had in de binnengalerij, waar de piano open
stond.
»Wat een heerlijke aanwinst!« riep nu Victoire.
»Wat zal mevrouw Van Waliënhove blij zijn!« juichte Elmire.
»Nu, maar papa dan, papa zal opgewonden wezen!« lachte Marianne.
»Ik begrijp niet recht...«
»O mevrouw, wat treft dat goed... En mijnheer? Mijnheer doet zeker ook
wel aan...«
»Aan muziek? Neen, hij kent geen noot.«
»Maar hij doet aan bellettrie, niet waar? Ik vond dadelijk dat hij iets
over zich had of hij aan bellettrie deed. Is het niet zoo, Elmire? Heb
ik je niet gezegd: dat is een man voor bellettrie?«
»Om je de waarheid te zeggen, dacht ik dat je hem voor het drama
bestemd hadt.«
»Neen, dat was een idée van Marianne.«
»Dat moet ik je tegenspreken, Victoire; mijn overtuiging was en blijft
tragedie.«
Ten derden male beproeft Nita tusschenbeide te komen.
»Tragedie? Verschuere voor tragedie? Lieve dames, ik begrijp hoe wij u
moeten tegenvallen en het spijt me verschrikkelijk, maar geloof me,
mijn man heeft geen tijd en ik... de geringe talenten, die ik heb, zijn
alleen geschikt om er mij zelve wat mede bezig te houden, niet om er de
soirées van mevrouw Van Waliënhove mee op te luisteren.«
De meisjes waren diep teleurgesteld. Niet minder de vader. En toen hij
eenigen tijd daarna de lijst ontving voor het muziekavondje dat zou
gegeven worden, zette hij achter den naam Verschuere een kruis zóó vet,
alsof hij er al die teleurstelling in wilde uitdrukken. Groot was
echter den volgenden morgen zijn schrik: de barones stond vóór hem, de
booze zwarte oogen op hem gericht, den vinger uitgestrekt naar het
vette kruis, en vroeg op den haar eigen snijdenden toon wat dat
beteekende?
»Alleen geschikt om te laten dineeren,« zei hij met een poging om zich
goed te houden.
»Ik geloof dat dit aan mij te beoordeelen staat, kolonel.«
»O zeker, mevrouw. Maar mijn meisjes hebben informaties genomen en...«
»U zult wel zoo goed willen zijn den heer en mevrouw Verschuere een
uitnoodiging te zenden?«
»Nog iets van uwe orders, mevrouw?«
Wel krijgt de heer d’Hannecour van vrouwlief telkens de opdracht zich
toch maar niet boos te maken, wel herinnert hij zichzelven telkens dat
mevrouw Van Waliënhove’s ongenade in zijn geval gelijk staat met
pensionneering, maar niettegenstaande dit alles heeft hij oogenblikken,
waarin hij vindt dat het een »onaangenaam baantje« is dat baantje van
intendant—en dan kan hij zijn drift niet altijd meester blijven.
»Dank u, op het oogenblik niet,« antwoordt mevrouw Van Waliënhove met
een kalmte, die bewijst dat zoo hij satire bedoeld heeft met zijn
vraag, dit voor haar verloren ging.
Onder de genoodigden van dien avond werd, behalve de Verschueres, het
meest opgemerkt een jong officier, niet om zijn buitengewone
persoonlijkheid echter—hij was een officier als een ander—maar omdat
men niet gewoon was de gastvrouw beleefdheden te zien bewijzen aan een
tweede-luitenant van administratie.
Het raadsel zou echter spoedig worden opgelost.
Er was een huit-mains gespeeld, een bravourstuk, zooals de intendant er
altijd gereed moest houden, meer om de gasten tot zitten en de
gesprekken tot zwijgen dan om muzikale zielen in verrukking te brengen.
Natuurlijk luisterde niemand.
Toch had het zware werk meer toejuiching verdiend, maar misschien werd
de opgewondenheid getemperd door medelijden, medelijden met de
instrumenten, die—nog lang nadat het slotakkoord had
weerklonken—stonden te trillen en te zuchten van uitputting; medelijden
ook met de beploegers daarvan: ze maakten den indruk van nog maar één
begeerte te hebben op aarde: »hun rok uit te gooien« en ieder wist dat
die begeerte niet vervuld mocht worden.
Op de huit-mains was een duet gevolgd, een duet van den heer en mevrouw
Paerel; ze deden in menig welmeenend gemoed den wensch opkomen, dat ze
in andere zaken eenstemmiger mochten wezen.
En nu zou het raadsel van den tweede-luitenant worden opgelost: de man
was niet alleen tweede luitenant, hij was ook echtgenoot en wel
echtgenoot van een mooie jonge vrouw, in een misschien wat opvallend,
maar zeer smaakvol toilet, gekapt op een bijzondere manier, en in dit
gezelschap—anders wel geschikt om een nieuwelinge te intimideeren—zoo
volkomen op haar gemak alsof al die vreemden goede kennissen waren.
Deze jonge vrouw viel de eer te beurt zich op een wenk der barones aan
hare zijde te mogen nederzetten.
»Wel, mevrouw te Leurse, hoe gaat het?« vraagt ze vriendelijk. »Reeds
uitgerust van de vermoeienis der reis?«
»Dank u, mevrouw. Niet alleen uitgerust, maar ik verbeeld me dat ik me
nooit zoo wel, zoo frisch en vroolijk gevoeld heb als hier op dit
heerlijke Buitenzorg.«
»Zoo, dat doet me genoegen. Dus ook zeker goed gedisponeerd?«
»Wie zou niet goed gedisponeerd zijn in zulk aangenaam gezelschap? En
met het vooruitzicht op zooveel muzikaal genot?«
»Niet alleen muzikaal genot, willen we hopen. Er zal toch ook wel iets
op ander gebied worden geleverd?«
»Zoo waarlijk? Dat is nog een verrassing.«
»Een verrassing? Voor u? Komaan, mevrouwtje, houd u zoo onwetend niet.
Of wilt u zich misschien eerst wat laten bidden?«
»Ik mevrouw?«
»Ja, u; er wordt stellig op u gerekend. Mijnheer d’Hannecour heeft het
u immers gevraagd?«
»Dat heeft hij. Maar ik heb geweigerd,« spreekt de jonge vrouw, nu met
hooger blos en op vrij beslisten toon.
Mevrouw Van Waliënhove richt zich op in haar causeuse, ze ziet de
spreekster zwijgend aan met haar doordringenden blik.
»Maar heeft de kolonel u mijn antwoord niet overgebracht?« vraagt deze
zonder de oogen neer te slaan, zonder ook zelfs de minste verlegenheid
te doen blijken. De barones is niet gewoon dat men haar blijft
weerstreven, ook als ze iemand heeft aangezien met dien blik.
»U is nog te kort in Indië, mevrouw, dan dat men u een onhandigheid ten
kwade zou mogen duiden...«
»Het zou mij zeer spijten, mevrouw, wanneer ik een onhandigheid
beging...«
»Waarlijk? Dan raad ik u aan toe te geven.«
»Dat mag ik niet.«
»Komaan, iedereen weet dat we een der eerste sterren van het hollandsch
tooneel in ons midden hebben, iedereen rekent er op, dat u ons het
genot niet zult onthouden—een genot zoo dikwerf aan het publiek
geschonken—van uwe gaven te bewonderen.«
»Wezenlijk, mevrouw,« en er speelt een spottend lachje om den fraaien
mond, »wezenlijk, ik had niet durven hopen dat iedereen zoo volkomen
omtrent mij op de hoogte zou wezen.«
»O, in Indië weet men alles. U moet denken, de kring van Europeanen
waarin wij leven is zoo klein.«
»Dat blijkt;—maar hoe goed men overigens ook moge zijn ingelicht, op
één punt schijnt men nog in onwetendheid te verkeeren. En dat is nu
ongelukkig in deze het kardinale punt. ’t Is dat, toen ik het tooneel
verliet, ik mijn echtgenoot beloofde nooit weer in het publiek op te
treden.«
»Ja, ieder onzer doet wel eens van die onvoorzichtige beloften,« zegt
mevrouw Van Waliënhove koeltjes.
»’t Was geen onvoorzichtige belofte, mevrouw,« spreekt de ex-actrice
ernstig, »’t was een vast voornemen. En u zult mij zeker niet van dat
voornemen willen afbrengen?«
»O neen, u hebt volkomen gelijk. Het is heel verstandig van u.«
»Niet waar? Om een gelukkige vrouw te wezen moet men wat opofferen.«
»Zeker, zeker. En dus, Buitenzorg bevalt u wel? Beter dan uw vorige
standplaats? U komt van Solo, meen ik?«
»Ja, mevrouw.«
»Dat is geen prettige plaats, is ’t wel?«
»O neen! ik voor mij vond het een waar verbanningsoord. Allereerst
ontbreekt er, wat nu eenmaal bij Indië behoort, natuurschoon.«
»En de conversatie?«
»Och, om u de waarheid te zeggen, geloof ik dat men in de Vorstenlanden
geboren moet zijn om er smaak in te vinden.«
»En—denkt u dat het u op Atjeh nog al bevallen zal?«
»Op Atjeh?« herhaalt mevrouw te Leurse... »Op Atjeh?«
»Ja, daar moet mijnheer immers binnenkort heen?«
»Binnenkort? Ik dacht...«
»Dat u altijd op Buitenzorg blijven zoudt?«
»Niet altijd, maar toch...«
»Nog heel lang. Ja.. ziet u... dat zou ook niet geheel onmogelijk
geweest zijn. U moet weten, de legercommandant vertelde me onlangs een
en ander; hij had u gehoord in Amsterdam en ik dacht toen zoo, dat met
uw talent... u een aanwinst zijn zoudt... Maar mevrouwlief, u is
heelemaal bleek geworden! Wat zijn die officiersdames toch allen bang
voor Atjeh! Is dat nu om de cholera? Of denkt u dat ze mijnheer zullen
tjingtjangen? Of om de berri-berri misschien? Ah! daar zie ik uw man.
Laat hij u een glas wijn geven en wandel de galerij eens met hem op en
neer.«
Een half uur later treedt mevrouw te Leurse op. Ze boeit aller oog door
den glans, die straalt van haar bezield gelaat, door den hartstocht,
die gloeit in haar diepe schoone oogen; ze streelt aller oor door het
zoetvloeiende harer stem: ze treft aller hart door de kracht van haar
woord. En haar echtgenoot lijdt weer al de helsche kwalen dier
jaloezie, die hem half krankzinnig gemaakt heeft in den tijd, toen ze
niet hem, maar het publiek toebehoorde; en zij geniet weer de
bedwelming, die het lang gemis dubbel bekoorlijk maakt... en de
landvoogdes glimlacht met den hatelijken glimlach eener
heerschzuchtige, die alles doet buigen voor haar wil.
De genoodigden ten paleize werden nooit—als te dikwerf andere
genoodigden—slachtoffers van den lust om zich te laten hooren, die de
menschheid bezielen kan. Het programma werd vooraf vastgesteld en telde
niet meer dan vijf of zes nummers. De lange pauzes echter, tusschen die
nummers gehouden, waren niet het minst prettige gedeelte van den avond:
er bevonden zich in de ruime vertrekken van die zitjes voor twee of
drie personen, die onwillekeurig den lust wekken tot een gezellig
praatje en waar het praten bijzonder goed ging; er was een buffet, waar
iemand die wist te genieten, heerlijke oogenblikken wachtten; er was
een groep planten en varens, die een vriendelijke voorzienigheid scheen
te hebben geplaatst om zielen, teeder gestemd door muziek en poëzie, in
de gelegenheid te stellen zich uit te storten in andere zielen; voor
hen die noch praten, noch drinken, noch minnekoozen wilden, waren
tafels vol van het nieuwste wat de wereld biedt in plaatwerken, photo’s
en aardigheden.
Wat misschien meer dan dit alles bijdroeg om de pauzes prettig te
maken, was de volkomen vrijheid die op deze avonden heerschte: men werd
er niet geplaatst in den traditioneelen ronden kring, dien vloek voor
de gezelligheid, ieder ging zitten of staan waar hij verkoos, ieder
liep rond zoolang en met wie hij wilde; de gastheer eischte bij deze
gelegenheid niets dan dat men zich amuseeren zou; de gastvrouw was
vriendelijk—iets zoo ongewoons, dat het alleen reeds in staat geweest
zou zijn om de stemming te verhoogen.
Na de voordracht van mevrouw te Leurse volgde eene lange pauze.
Er is misschien geen land ter wereld, waar een vrouw van ontwikkeling
meer wordt gezocht, een begaafde onder hare zusteren meer op de handen
wordt gedragen dan Indië.
Is dit omdat talent zoo zeldzaam wordt gevonden onder indische
dames—zeldzamer nog dan ontwikkeling—of misschien wijl de mensch, die
beseft dat hij langzamerhand ondergaat in materialisme, zich verheugd
als hij een oogenblik wordt teruggevoerd naar reiner, hooger sfeer?
Wat er van zij, mevrouw te Leurse, een paar uur geleden nog
onopgemerkt, is op eens de heldin van den avond. ’t Is niet genoeg dat
men haar heeft toegejuicht, men verdringt zich om haar, men overlaadt
haar met complimenten, men dankt haar of ze ieder persoonlijk een
weldaad had bewezen.
Schitterend van geluk en schoonheid, in het bewustzijn van haar triumf,
is ze weldra het middenpunt van een grooten kring bewonderaars. Buiten
dien kring staat één: hij wacht of ze er ook aan denken mocht hem te
zoeken, of ze hem wellicht tot zich roepen zal met een wenk harer
oogen, met een glimlach harer lippen; hij wacht te vergeefs—de
bedwelming van den roem heeft hem ten tweeden male zijn geliefde
ontrukt.
Mevrouw Verschuere verdiept zich nog in het genot daareven gesmaakt,
als de gouvernante zich naast haar komt zetten, en niet lang zit de
gouvernante naast mevrouw als zij ook mijnheer Verschuere tot zich
wenkt. Hij brengt op haar verzoek de beide dames een portie ijs, laat
zich neerzinken in den lagen stoel, die toevallig naast de gastvrouw
openbleef en luistert met een spottend lachje naar de opmerkingen die
zij maakt, opmerkingen, die veel te denken geven over de straks
betoonde vriendelijkheid.
Vooral mevrouw Heijlerts, die zich in een hoek van het tweede salon
heeft teruggetrokken—maar niet zoo of de heer van Sonnefelt is er haar
spoedig gevolgd—moet het ontgelden, en Agnita hoort het niet zonder
pijnlijke verbazing aan, hoe haar man—anders weinig kwaad sprekend—nu
zijn tong gebruikt als een tweesnijdend zwaard, om de gastvrouw te
amuseeren.
Gelukkig voor mevrouw Heijlerts en haar bewonderaar komt er afleiding.
De adjudant van dienst, kapitein Hausz, heeft met afgemeten pasjes de
zaal doorgewandeld en met suikerzoete beleefdheid, rechts en links
buigend, zijn weg gevonden naar den stoel, die een poosje geleden zoo
onrustbarend kraakte onder het gewicht dat daarop neersmakte.
Men heeft zich op Buitenzorg honderde malen afgevraagd, hoe het
mogelijk was dat de heer en mevrouw Hausz ooit een paar geworden
waren—en toch... ’t was zoo natuurlijk. In ’t goede stedeke
Hellevoetsluis had een piepjong luitenant kamers boven een
bakkerswinkel: hij was een nietig mannetje en de bakkersdochter—dank
zij het oude brood levenslang genoten—een groote, knappe meid. Wat kon
meer voor de hand liggen dan dat de kleine luitenant de forsche
bakkersdochter begeerde? Maar wat ook meer, dan dat hij nu, adjudant
van Zijne Excellentie geworden, met haar in zijn maag zat als wijlen
haar vader met zijn oudbakken kadetjes?
»Wat is er?« begint ze met een stem, die volkomen bij den vrouwelijken
kolossus past en door het plat accent er niet liefelijker op wordt.
»Ik wou je vragen, vrouwlief, of je... je nog al amuseert?«
»Me amuseeren? Een mooie boel! met die nauwe schoenen en dat lamme
kersjet! Als je hier komt om me voor den gek te houden, zeg het dan.«
»Neen, volstrekt niet, daar kom ik niet voor. Ik kwam je zeggen,
Jeanne, dat het tijd wordt de njonnja besaar te gaan groeten.«
»Dacht ik het niet?« roept Jeanne op een toon alsof in zijn voorstel de
vreeselijkste hoon lag besloten; »dacht ik het niet?«
»Natuurlijk dacht je het!« antwoordt hij knorrig; »je weet dat het niet
anders kan.« Dan bijna smeekend: »Wees me nu eens een beetje beleefd,
wil je?«
»Waarom zou ik niet?« vraagt ze, »mits zij het is? Maar dat beloof ik
je, als ze weer begint met haar gewone hatelijkheden, dan zal ik ze
dienen.«
De heer Hausz beproeft zelfs niet zijne Jeanne tot andere gedachten te
brengen; hij weet dat haar wil dezelfde eigenschappen heeft als de
krakelingen, waarvoor haar vader beroemd was: men kon ze breken, buigen
niet.
»En hoe gaat het thuis, mevrouw Hausz?« vraagt de gouvernante niet
onvriendelijk, schoon met een blik vol onverholen afschuw op de
grasgroene zijde, waarin de adjudantsche heden voor het eerst ten
paleize toog.
»O, heel goed,« antwoordt kapitein Hausz voor zijn gade; want niet
volkomen gerust over de gedragslijn die zij denkt te volgen, heeft hij
het veilig geacht in de nabijheid der beide dames te blijven.
»Heel goed?« roept nu Jeanne. »Heel goed! Heere, Hausz, hoe kun je ’t
zeggen? U moet weten, mevrouw, Sijaantje leit met de koorts op bed en
Allebertientje heit een steenpuist... zoo’n bommert! en dat op een
heele lastige plek.«
»Dan verwondert het me, dat u niet liever thuis zijt gebleven,« spreekt
de barones koel en verdwijnt achter haar waaier.
Hausz is doodelijk ontsteld; hij ziet het, Jeanne vat vuur, ze zal haar
boos voornemen volvoeren, de njonnja besaar dienen.
»Als u denkt dat ik hier voor me pleizier ben,« zoo barst ze los met
een verheffing van stem, die hem het angstzweet doet uitbreken; »als u
denkt dat ik hier voor me plezier ben, dan hebt u het mis. Ik verzeker
u—nee Hausz, laat me uitspreken!—ik zou veel liever mijn arme wurmen
zijn blijven oppassen dan hier opzitten en pootjes geven. Maar Hausz
beweert altijd, dat ik het niet laten kan—och, schei toch uit, je trekt
me de kleêren van ’t lijf—dat ik niet gemist mag worden.«
»Dat zou anders volstrekt niet hinderen,« spreekt mevrouw Van
Waliënhove snijdend. Dan maakt ze die beweging met het hoofd, waarvan
ze het geheim bezit en die den ongelukkigen adjudant geen andere keus
laat dan zijn wederhelft weg te voeren.
»Dat wordt nu toch wat erg! daar moet een einde aan komen,« roept de
barones buiten zichzelve. En dan, na een weinig ijswater te hebben
gebruikt, gaat ze kalmer voort: »Men moest eigenlijk alleen ongetrouwde
adjudanten hebben. Kapitein Hausz, op zich zelf genomen, is werkelijk
niet kwaad, ofschoon, ’t is waar wat de legercommandant altijd beweert,
rust roest, en de heeren adjudanten moesten, welbeschouwd, nooit langer
dan twee jaar op Buitenzorg blijven. Weet u niet een geschikten
plaatsvervanger voor hem, mijnheer Verschuere, in geval het door de
militaire autoriteiten mocht noodig geoordeeld worden mijnheer Hausz
weer eens in actieven dienst te laten treden?«
»Misschien, mevrouw, ik zal...«
»Verschuere, wat zou je denken van onzen James?« roept Nita op eens.
»Uw James! Is dat een broer?«
»Pardon, een neef. Hij is pas gedecoreerd op Atjeh. En een uitstekend
danseur, is ’t niet, lieve?«
»Dat is hij,« zegt Agnita met een lachje bij de herinnering aan zijn
dolle galoppades en onvermoeid walsen.
»En hij speelt ook comedie, is ’t niet?« vraagt Verschuere met een
onmerkbaar glimlachje.
»Zeker, we hebben menig stukje samen opgevoerd. Daarbij heeft hij een
mooien bariton en... ik durf zeggen, een bijzonder innemend voorkomen.«
»En,« vraagt mevrouw Van Waliënhove, terwijl ze den blik laat rusten op
het gezichtje, dat zich met hooger blos kleurde bij den lof van den
beminden neef, »zoudt u wenschen dat hij hier geplaatst werd?«
»O mevrouw, natuurlijk.«
»En u, mijnheer Verschuere?« vraagt ze weer, en bij die vraag gloeit er
in de zwarte oogen een vonkje, dat het jonge paar wellicht zou hebben
verontrust, als ze het hadden opgemerkt.
»Ik, mevrouw? Wel, ’t was gister pas een jaar dat we
trouwden—natuurlijk dat haar wenschen nog de mijne zijn!«