De gevreesde avond brak aan. En als iets mevrouw Verschuere had kunnen
doen vergeten, dat er over weinige minuten gedineerd moest worden in
haar huis, aan haar tafel, dan zouden het de genoodigden geweest zijn;
immers het was een uitgelezen gezelschap, volkomen geschikt om een
eerstbeginnende in de kunst van recepieeren op haar gemak te zetten.
Voelde de heer Hagen, toen hij zijn gastvrouw den arm bood hoe het
handje, dat ze op dien arm legde, beefde? Zag mevrouw Hagen hoe angstig
het gezichtje stond, toen ze tegenover elkander plaats namen? Zooveel
is zeker, dat de eerste zich haastte haar mee te deelen, hoe hij altijd
gaarne de uitnoodiging voor een dineetje aannam—al was het eten voor
hem geheel bijzaak—omdat men nergens zoo gezellig praten kon als aan
tafel; dat de tweede haar toeknikte met een bemoedigend knikje, alsof
ze reeds vooraf de verzekering wilde geven dat—mocht het een of ander
in de war loopen—zij de laatste zijn zou om het kwalijk te nemen.
Maar het scheen dat er niets in de war zou loopen. De jonge vrouw met
haar kindergezichtje had wel weinig ervaring, maar zij bezat den
kieschen takt, dien men van eene beschaafde moeder overneemt; daarbij
gaf zekere schroom, zoowel in haar manieren als in haar wijze van
spreken, haar een eigenaardige bekoorlijkheid.
De eetzaal, de tafel, de bloemen, het toilet der gastvrouw, waren elk
op zich zelf een bewijs van haar goeden smaak en de heer Hagen, een
kenner, keek met innig welgevallen rondom zich. De bediening was vlug
zonder druk te wezen, de soep bleek overheerlijk, de pasteitjes, die op
de soep volgden, waren kunstgewrochten.
Verschuere, niet zoo kalm als hij wel wilde schijnen, zag de
tevredenheid van zijn gasten en voelde zich beter, at zijn soep en werd
rustiger, proefde zijn pasteitje en zegende Cavadino, hoorde hoe aardig
Nita zich met den heer Hagen onderhield, en lachte haar toe met een
blik zoo vol waardeering, dat de hartklopping, die haar plaagde,
onmiddellijk bedaarde.
Van nu af begon hij meer aandacht te schenken aan zijn buurdames. Aan
de eene zijde had hij mevrouw Paerel, een vroolijk dikkertje van even
dertig. De directeur van ’s lands plantentuin bezat het voorrecht haar
zijn gade, zeven alleraardigste dikke jongentjes het nog grooter
voorrecht haar hun moeder te noemen. Ze zou even beminnelijk en zeker
amusanter zijn, wanneer ze niet altijd zoo overstroomende was van
teederheid voor haar achtdubbelen schat; immers ook de aardigste vrouw
schijnt langdradig als ze over haar kroost spreekt, voor ongehuwden
omdat ze oningewijden zijn, voor getrouwden omdat ze popelen van
begeerte om over hun eigen wonderkinderen te beginnen.
De gastheer kende haar zwak en bracht haar zonder dralen op het
geliefkoosd onderwerp, in de hoop dat, als ze het met hem in het breede
behandeld had, het zijnen gasten bespaard zou blijven. Reeds was de
groote parel verklaard te zijn van het zuiverste water, reeds waren de
kleinere parels aangeduid als kostbare sieraden in de kroon hunner
moeder, van twee nog kleinere met vochtigen blik getuigd dat ze
onschatbare schatten waren, toen de geduldige toehoorder een blik
opving van Mingo.
Die blik boeit Verschuere met toovermacht, ook terwijl mevrouw Paerel
het pareltje bespreekt, dat frappant op het portret van Victor Hugo
gelijkt.
»’t Is te hopen,« zegt de gastheer vaag en staart naar Mingo, die zich
nu niet meer bepaalt tot kommervolle blikken, maar ze vergezeld doet
gaan van mondverdraaiingen, het uitspreken voorstellend van een
woord—zeker van vreeselijke beteekenis.
Eindelijk is ook de Victor Hugo in spé afgehandeld en Verschuere, die
zich hersteld heeft, slaakt een zucht van verlichting bij de gedachte
dat het de laatste was.
Maar een moeder vertelt zich niet.
»Wat nu mijn allerjongste betreft...«
»O mevrouw, dat is nog een pareltje in de schelp.«
»Neen, zeg dat niet. Hoewel pas zeven maanden...«
Maar Verschuere vindt dat het tijdsverloop tusschen croquetjes en visch
reusachtige afmetingen begint aan te nemen en met een: »Neem me niet
kwalijk, mevrouw! een oogenblikje,« wenkt hij Mingo.