had nooit iets geleerd, dan wat op sexueel verkeer, inlandsche kleeding
en snoeperij betrekking had. Wat wist zij van den aanleg tot fanatisme
eens renegaats, die nog diepen eerbied koestert voor wat, bij de
geloovigen van huis uit, geen grooter waarde heeft behouden, dan die
eener formaliteit?
Zij voelde alleen van dien kant het gevaar komen; het gevaar dat haar
laki voor haar verloren zou gaan.
Het gerammel van het goud deed haar verbaasd stilstaan, toen ze reeds
weer naar haar bed wou gaan. Wat was dat? Ging hij die kerels nu geld
leenen? Pindjem oewang,—daar dacht ze aan; het idée: geld geven kwam
zelfs niet bij haar op.
Zij keerde terug. Het was brutaal en ongepast voor een vrouw, dàt wist
ze; ze wist ook, dat Aboe Bakar, zoo hij haar snapte, woedend zou zijn,
en haar misschien slaan zou, al had hij dat tot nog toe enkel Minah
gedaan nu en dan.
De nieuwsgierigheid was te groot. Zacht sloop ze door de gang naar
achter; zij zag de geldkist met de drie sloten wijd open staan; zij zag
de tafel vol bankbiljetten en goud; zij zag de priesters er als het
ware in grabbelen met welbehagen en alles tellen, terwijl Aboe Bakar
erbij stond, onverschillig; als ging de zaak hem in ’t geheel niet
aan.... Zij ontstelde er zóó van, dat haar handen ijskoud werden.
Was Aboe Bakar gek geworden? Wie liet nu vreemden dus den baas spelen
over zijn schatten?
Maar hij stond er zoo ernstig en kalm bij.... het was onmogelijk.
Toch had ze wel naar binnen willen vliegen, en hem bidden, die kerels
weg te jagen en zijn goddelijke geld weer weg te sluiten in de kist met
drie sloten; ze had het hem toe willen schreeuwen en dan hard wegloopen
naar haar kamer.
Dailah durfde het niet; zij stond als verlamd met loodzware beenen, al
maar turend naar de bankbiljetten en het goud uit de kist op de tafel,
van de tafel in de kist.
Toen daarin weer alles verdwenen was, ging ze rillend of ze koorts had,
terug naar haar kamer, en wachtte angstig, met een voorgevoel van
tjelaka; ze hoorde gestommel, zwaar geschuif, gestamp van voeten, die
meer moeten dragen dan het gewone lijf erboven, en die hard neerkomen
op den vloer; ze zag, loerend achter haar gordijn, de priesters
aansjouwen met de zware kist, Aboe Bakar zelf meehelpend, allen
zuchtend onder de zware vracht voor menschen die nooit werkten. Zij
spraken geen woord. Dailah hoorde een oogenblik later karwielen krakend
rijden over het weinige grint op den weg; daarna hoorde zij enkel nu en
dan het Allah en Allahoe akbaroe overluid uitspreken in de voorgalerij;
het was Aboe Bakar die bad.
In diepe verslagenheid ging ze zitten op den rand der baleh-baleh, de
armen machteloos slap langs het lijf, starend in het weinige schijnsel
van het lampje in de gang, door de gordijnkieren vallend in ’t vertrek;
trachtend haar zwakke gedachten te verzamelen om te begrijpen, wat er
dan toch eigenlijk was gebeurd; tot ze het niet langer kon uithouden en
losbrak in luidruchtig geschrei.
„Wat is er, Dah?” hoorde zij Aboe Bakars zware basstem buiten, in de
gang.
Zij gaf geen antwoord.
„Ben je ziek?” vroeg hij binnentredend nu, en in het duister tastend,
de hand strijkend over haar overvloed van loshangend haar.
„Ik ben niet ziek, er is tjelaka, dat is het. Ze hebben je bestolen.”
Aboe Bakar trok zijn hand terug.
„Er is niemand die mij bestolen heeft. Het is alles goed, zooals het
is. Vrouwen hebben daar geen verstand van.”
Maar zij hield vol.
„Zij hebben je bestolen.”
„Ook past het een vrouw niet haar man te bespieden.”
„Kan ik het helpen; ik sliep niet; ik hoorde die lieden....”
„Spreek over hen met eerbied!” zei Aboe Bakar boos.
„Ik wil niet,” riep zij nu op haar beurt woedend en brutaal, met den
voet stampend op den grond, „ik wil niet. Zij hebben het geld van mijn
oom ook weggehaald en niet teruggegeven aan zijn kinderen toen hij dood
was; het zijn dieven, zeg ik.”
Hij liep de kamer uit, bleek van schrik; eerst had hij in de duisternis
al de zware hand opgeheven om haar te slaan, maar op dat zeggen van
dien oom, ontstelde hij zoo, dat hij vluchtte, naar buiten.
Toen hij haar niet meer hoorde schreien, ging hij terug in de kamer;
zij snikte nog bij tusschenpoozen, het hoofd op haar bantal. „Net ’n
kind,” dacht-ie, en een groote teergevoeligheid kwam over hem; hij nam
haar hand, die afhing van het bed.
„Ik wilde je nog wat vragen, Dah.”
En toen zij geen antwoord gaf:
„Je hebt daareven iets heel leelijks gezegd, maar erbij gevoegd, dat
een oom van je ook zijn geld had gestort in de priesterkas. Wat is
daarvan?”
„Vader sprak er dikwijls over.”
„Zoo; en wat zei hij dan?”
„Dat hij het zeker wist; het geld was door dat volk....”
„Dailah!”
„Door... de penghoeloes in bewaring genomen; toen oom stierf, beweerden
zij het nooit te hebben ontvangen.”
„Kan je oom het niet vóór zijn dood hebben opgevraagd en uitgegeven?”
In zijn ijver om de priesters te verontschuldigen, speelde zijn geringe
intelligentie hem een poets.
„Loh!” riep Dailah zich oprichtend. „En zij beweerden, dat zij nooit
iets van hem ontvangen hadden!”
Hij kreeg het land, dat hij er dus was ingeloopen.
„In elk geval,” zei hij, „kon je vader zich vergist hebben. Maar al had
hij het bij ’t rechte eind, Dah, wat geldt dit voor de vrome mannen
hier? Ieder mensch, zegt de koran, zal slechts voor zijn eigen
handelingen beloond of gestraft worden en het oordeel behoort aan God;
ook is een geloovig mensch verplicht alle zaken te beoordeelen naar
haar innerlijke hoedanigheden. Wat weet je daarvan? Is het goed iets af
te keuren, omdat het vroeger en elders en met andere menschen misschien
wel eens verkeerd is geloopen?”
Een droevige trek kwam over het mooie gezichtje der jonge vrouw,
terwijl zij hem daar hoorde met z’n zachte, goedigvolle stem, fraaie
theorieën uit den koran opdisschend met hoogen ernst. „Net ’n kind,”
dacht ze, medelijdend.
Den volgenden ochtend was Minah al vóór het dag werd op de been; zij
zag wel ’n beetje op tegen dat bezoek, en toen ze naar haar vriendinnen
ging, was het met looden schreden.
Maar alles was reeds klaar.
Het geld, dat zij schuldig was, had de penghoeloe al genomen uit de
kist van Aboe Bakar; door de handen der vrouwen was het gegaan naar het
huis van den mooien Javaanschen „neef,” die het leenen zou aan Minah,
die het als speelschuld zou betalen aan de vrouwen van den penghoeloe,
die het weer ter hand zouden stellen aan haar vromen echtgenoot, die
het terug zou deponeeren in de kist van Aboe Bakar!
Zóó bleef alles intact, behalve Minah, die heel goed begreep, wat het
haar kosten zou, als ze het geld in leen kreeg, en die niets liever
deed, dan op die manier de onkosten betalen.
Toen ze aan het huis van den penghoeloe kwam, zei ze verlegen:
„Ik durf niet, ik ben niet brani.”
Maar de anderen werden onvriendelijk.
„Dan moet je maar brani zijn,” was het antwoord kortaf. „Wij moeten
vandaag ons geld hebben. Wij hebben het noodig, en het was vooruit
afgesproken.”
Zooals zij er tegen had opgezien, zoo viel het haar mee; opgetogen kwam
zij terug bij haar vriendinnen, die de grootste moeite hadden om zich
ernstig te houden; alles wat gebeurd was, kon men haar zóó erg aanzien,
dat de penghoeloe-vrouwen eigenlijk het land erover kregen; ’t was
terlaloe op die manier! Dáárom, toen ze het geld terug hadden, spraken
ze maar over het geval heen, en namen haar mee naar het speelhuis, waar
Minah won tot groote woede harer partners.
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
„ZE HEBBEN HEM VERMOORD.”
In het niet te druk kampongleventje fleurde Bram ’n beetje op.
Ondanks de soesah met zieke paarden en luie koetsiers ging zijn
verhuurderij tamelijk goed; nu en dan gaf hem zijn spionnenbaantje wat
eigenaardig werk, dat hij met groote verliefde voorliefde deed.
Overigens zat hij maar liefst in nachtbroek en kabaai ’n strootje te
rooken in een luierstoel, met heel veel praats over alles; zich daar
soms bij opwindend, net als vroeger zijn vader, dat het scheen alsof
hij dronken was, terwijl hij haast nooit sterken drank gebruikte.
Toen een oppas van ’t postkantoor hem een maleischen brief bracht,
zette hij eerst nog een drukken boom op met den man, daarbij mopperend
over den postdienst, dien hij vond, dat veel te langzaam ging; maar
nanti doeloe! hij, Bram Silver, zou daar wel een eind aan maken; hij
zou wel dit en hij zou wel dat; en de Regeering moest zus en de
Regeering moest zóó.
Eindelijk liet hij den armen oppas, die nog meer brieven te bezorgen
had, los en scheurde de enveloppe open.
Het was of hij een beroerte kreeg.
Achter zijn bril met gouden rand—een gedachtenis aan den ouden
John—puilden de oogen hem haast uit het hoofd; zijn gezicht werd als
het ware achter het geel der huidskleur, doodsbleek; met de bevende
magere hand greep hij om zich staande te houden de zwakke ronde tafel,
die met hem mee waggelde; zóó stond hij ’n oogenblik te kijken als
krankzinnig; versuft, verslagen, niet in staat te denken. Dan ging hij
zitten op den luierstoel en las nog eens en nog eens den niet
onderteekenden maleischen brief, tot hij eindelijk opstond en trillend
van ’t hoofd tot de voeten, naar achter liep, naar njai Peraq, de
blinde moeder, die met den dag dikker van lichaam en minder helder van
hoofd wordende, op den grond zat.
Met zijn knokkelvingers greep hij haar in de vleeschmassa van den
schouder.
„Mâ, mâ, hoor-je me?”
„Saya Bram; ada apa?” zei ze onverschillig.
„Mâ, ze hebben Adam vermoord, mâ! Hij is dood, hij is dood!”
Zij deed alsof ze naar hem keek.
„Wie is er dood?”
„Adam, onze Adam,” zei Bram erg ontroerd, haast snikkende.
Maar njai Peraq schudde het grijze hoofd.
„Ik weet van geen Adam; die is al lang dood. Er was een kind van mijn
hart, dat een groote saïd is geworden. Aboe Bakar...”
„Ze hebben hem vermoord,” schreeuwde Bram, en toen, met al het
theatraal vertoon van wijlen den ouden John, liep hij woedend het
galerijtje op en neer, de vuisten gebald omhoog stekend, zwerend, dat
hij zijn broer zou wreken; dat hij de moordenaars verpletteren zou; dat
hij hen ten eeuwigen dage zou vervolgen; dat hel en duivel hem niet
beletten konden, bloedige wraak te nemen, en andere groote woorden
meer, terwijl njai Peraq onbeweeglijk op den grond zat, als starend met
de blinde oogen op één punt, en al maar bij zichzelf herhalend: „Zij
hebben mijn zoon Aboe Bakar vermoord.”
Toen hij uitgeraasd had, nam Bram, altijd door zenuwachtig en
opgewonden, zijn besluit. Hij zou erheen gaan en onderzoeken. Dàt wist
hij als spion der politie; alles moest eerst onderzocht worden.
Doch over dat ééne brak hij zich in den trein voortdurend en
vruchteloos het hoofd; wie kon hem dien brief geschreven hebben?
Hoe kon hij het ook weten? Wat wist hij van Aboe Bakar’s leven in den
laatsten tijd?
En er was niet veel bijzonders geweest aan dat leven. Aboe Bakar bad
veel, studeerde ijverig in den koran, sprak nu en dan met Dailah, die
zich gruwelijk verveelde, terwijl Minah elken dag ging dobbelen en de
rest.
Zóó ging het door, week in, week uit, tot Minah, bewerkt door haar
relaties, vertrouwd was geraakt met het denkbeeld, dat Aboe Bakar, dien
zij nu innig haatte, haar geluk in den weg stond en verdwijnen moest.
’s Avonds had haar Javaansche minnaar het haar gebracht in een heel
klein hoornen doosje; hij kwam achter aan de pagger, toen het donker
was, en zij had het van hem aangenomen, en beloofd den inhoud ’s
morgens te roeren door de koffie van haar man.
Zonder te aarzelen had zij dat beloofd; zij stak het doosje tusschen
den sarongband, onverschillig, zonder beven; zij ging naar haar kamer
en naaide er een baadje af, waarvoor zij het goed pas had gekocht; dan
blies ze de lamp uit en strekte zich geeuwend uit op haar bed; een
oogenblik later sliep ze; ze droomde geen akelige droomen, en ’s
morgens werd ze vroeg wakker, opgefrischt, heelemaal net als anders.
Toen ze in een groote wijde kom de gekookte ongefiltreerde koffie met
suiker zonder melk had ingeschonken, keek ze even rond. Ja, aan den
ingang van het keukentje zat een kind van een bediende, de ongekamde
haren over het gezicht, slaperig en soezerig.
Zij gaf het een gobang en stuurde het naar de warong om wat rijst te
koopen.
Nu was er betoel niemand meer.
Voorzichtig strooide zij het poeder in de koffie, nam een lepeltje van
arènhout en roerde het goed door.
Zij bracht als elken ochtend Aboe Bakar zijn koffie, terwijl hij de
tsoeboe bad.
Hij was juist gereed en stak dadelijk de hand uit, begeerig naar den
gewonen morgendrank.
Geen woord werd tusschen hen gewisseld; dàt was al sedert lang niet het
geval. Hij zou haar niet wegzenden, zoolang hij zich niet over haar te
beklagen had; dat was alles, wat hij nog voor haar gevoelde.
’s Middags greep het hem aan, plotseling, met groote benauwdheid. Hij
was altijd zóó kerngezond en zóó sterk. Wat was dat nu? Hoe kwam hij
aan dat gevoel van pijn en overvol-zijn in de maag en op de borst? Hij
zou, zooals de koran het voorschrijft, God aanroepen, en, zich bukkende
voor de houding van het gebed, ontvlood een volle, warme, haastige
stroom zijn mond; een oogenblik had hij gedacht aan onpasselijkheid,
maar helrood kleurden zich zijn baard en kleeren, de mat, de heele
omgeving....
Een groote vrees bekroop hem; hij kon niet roepen, niet denken, niets,
en ineenzakkend, steunend tegen den wand, met een inwendig gevoel van
hevigen brand, sloot hij de oogen.
Had een voorbijgaand inlander hem niet gezien, hij had daar een groot
deel van den dag kunnen liggen.
Dailah, ontsteld en hulpeloos, buiten, zonder buren, liet volk halen
uit de naaste kampong; men droeg Aboe Bakar in bed, en waschte hem; een
dokter-djawa kwam, die in ’t geheel niets van het geval scheen te
begrijpen; de penghoeloe las onbewogen met zachte stem soerah XXXVI.
Minah had de mat uitgewasschen en liet den vloer dweilen in de
voorgalerij; ’t leek wel, vond ze, of er een karbouw was geslacht!
Het was geen halve maatregel geweest.
Dailah schrikte toen ze Aboe Bakar zag den volgenden ochtend, zoo bleek
en ingezonken was hij. Ze verzorgde hem, zoo goed haar eigen
onbeholpenheid het toeliet, altijd onder den verschrikkelijken indruk
van den bloedstroom, dien ze gezien had, en bang haast van het
doodsbleek gezicht, dat tusschen den zwarten baard uitkwam, en de doffe
diepliggende oogen.
Het duurde eenige dagen, vóór Aboe Bakar weer op de been was, maar het
had hem vreeselijk aangepakt; zwak, mager, bleek lag hij in een
luierstoel in de voorgalerij, de oogen dicht, de rozenkrans langzaam
glijdend door de vingers; hij had van den penghoeloe verlof zóó te
bidden en niet in de voorgeschreven houding.
Minah was er verwonderd over; zij had eigenlijk gedacht, dat hij
dadelijk dood zou wezen; toen zij na de bloedspuwing de voorgalerij had
schoongemaakt, was het, dacht ze, of alles nu eigenlijk heelemaal
voorbij was. Nu werd hij beter. Nog een week of wat misschien, en het
zou zijn, of er niets was gebeurd. Zij sprak er haar minnaar over, maar
die hield zich tegen haar of hij bezwaren had; het was altijd
gevaarlijk; daarbij was ’t vergif moeilijk te krijgen en zoo meer.
Het maakte Minah driftig; zij had zulk een a niet gezegd om er de b
niet aan toe te voegen; zij drong er opaan, en eindelijk, een week
later, kreeg zij het.
Zij was er blij mee; dat moest een voldoende portie wezen, had men haar
gezegd, en het verheugde haar. Alles had zij liever, dan het voortduren
van dien toestand en het aanhooren van de kasianpraatjes van Dailah,
die meer dan ooit van Aboe Bakar hield en minder dan ooit geneigd was
met Minah uitstapjes te maken.
Koffie mocht de patiënt niet drinken; hij mocht slechts koud water
hebben en wat zacht gekookte rijst; het witte poeder zou het water
troebel maken, maar in de boeboer merkte het niemand. En met dezelfde
kalmte als vroeger roerde zij het er door.
Dien avond, toen zich de aanval, nog heviger dan den eersten keer, had
herhaald, was Aboe Bakar zoo goed als stervende. Stil, onbeweeglijk lag
hij op het bed, ’t hoofd terug, schuin tegen het kussen.
Van het leven voelde hij nog enkel de schroeiende pijn in zijn maag en
ingewanden. En zijn gedachten leefden. Maar die waren ver weg; zij
waren in Nederland, bij de vrienden zijner jeugd, bij de Verlande’s en
de Tiele’s; zij vervolgden naar den eersten tijd in Indië, waar zijn
leven zoo onverwacht was gesplitst; en de kleinste bijzonderheden van
dien tijd, waaraan hij nooit weer had gedacht, kwamen er nu bij: de
strijd met zichzelven, de aandrang zijner moeder, de tegenstand van
Bram.... „Vroeg of laat zal je hun dupe worden!”
Hoe kwam het, dat hem ineens die woorden nu voor den geest stonden?
Zóó werkte het voort in zijn hoofd, langzaam, maar ordelijk, als een
uurwerk, dat geregeld afloopt.
Was hij hun dupe?
Aboe Bakar sloeg een blik op naar Dailah, die bij het bed zat, de oogen
rood van ’t schreien, macht- en willoos, zonder hoop. Met een korte
handbeweging beduidde hij haar dichtbij te komen, tot haar oor vlak bij
zijn mond was; hij wist wel van den dokter-djawa, dat hij in ’t geheel
niet spreken mocht, maar nu wilde en kon hij ’t niet laten.
„Zou ik iets hebben ingekregen, Dah?”
„Zwijg in Godsnaam!” zei ze. „Ik geloof het Aboe. Maar spreek nu niet.
Van nu af zal je niets gebruiken, dat ik niet zelf heb klaargemaakt.”
Hij glimlachte en sloot weer de oogen. Wat zou zij klaarmaken! Zij kon
het immers niet; zij had het nooit gedaan, nergens geleerd!
En dan, het zou wel te laat zijn; hij zou wel sterven. Daar was hij nu
niet meer bang voor. God doet immers sterven en herleven! Wie Hem
liefheeft moet zich verheugen in den dood, in het uur, dat God zijn
ziel ontvangt om bij hem te worden verzameld. Zóó ging het rustig voort
in zijn hoofd: de beelden uit de werkelijkheid oprijzend in zijn
gedachten, bleven wortelen in het Europeesch deel van zijn leven; de
abstracte begrippen waren die uit den koran.
Langzaam kropen de uren voort; Minah had gevraagd, welstaanshalve, of
ze Dailah niet eens zou aflossen bij het oppassen van den zieke; maar
ze was erg blij, dat de jonge vrouw het weigerde.
Niet om haar geweten—dáár wist ze niet van,—ze vond het enkel
vervelend.
Reeds kraaiden de hanen in de dessas der vallei hooguit den opkomenden
dag tegemoet, toen Aboe Bakar ontwaakte uit een langen slaap van eenige
uren, die hem niet had verkwikt.
Integendeel, hij voelde het weer aankomen, en het angstzweet brak uit
op zijn voorhoofd, met koude droppels afloopend langs zijn zware
wenkbrauwen.
Den mond gesloten, benauwd en kort ademend door den neus, keek hij naar
Dailah, die op haar stoel was ingedut van vermoeienis.
Met een hevigen schok richtte zijn lichaam zich ineens op; Dailah
schrikte wakker en sloeg haar arm om hem heen tot steun.
Dáár was het weer, schoon slechts weinig in hoeveelheid.
Maar het lichaam, terugvallend achterover in het kussen, rekte zich;
het doffe licht uit de groote zwarte oogen verdween; de trekken spanden
scherp.
Een harde gil klonk door het huis; Dailah zag hem sterven; haar hoofd
viel naast dat van Aboe Bakar op het kussen neer, en haar weeklagen
vulde het huis.
Minah was er ook wakker van geworden. Zij hoorde Dailah schreien en
luid praten; zij verstond de woorden, en een doodschrik drong door haar
hersens, afrillend langs de ruggegraat; zij had het woord memboenoeh
gehoord!
Snel trok zij een ander baadje aan, en liep de achterdeur uit, den weg
op.
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
BESLUIT.
De penghoeloe, door Minah’s tusschenkomst gewaarschuwd, kwam in den
loop van den ochtend met zijn volgelingen; hij was kort en bevelend,
alsof hij de baas was in het huis; niemand durfde zich tegen iets
verzetten.
Dailah, nu half suf van emotie, minder dan iemand anders: allen
eigenlijk blij, dat er één was, die de soesah op zich nam.
Maar toen de begrafenis plaats had en zij met de bedienden alleen in
het huis bleef, liet zij een ouden klerk roepen, die vroeger wel eens
daar aan huis was geweest, en die schreef voor haar den brief aan Bram.
En toen hij kwam en met haar had gesproken, hij hoogst zenuwachtig, zij
erg bedroefd, maar kalm en gelaten,—toen ging hij naar voren, zitten op
den stoel waarop Aboe Bakar zoo dikwijls had gezeten; zijn ongeregelde
verbeelding en overprikkeld zenuwgestel, deden hem de meest
gecompliceerde en gruwelijkste wraakplannen vormen; hij zou, en hij
zou; hij kon er niet stil van blijven zitten; hij stond op, liep heen
en weer en bewoog handen en armen, alsof hij kneep, worgde,
verscheurde. O, die smeerlap, dacht hij, als die nu eens hier was! Maar
de penghoeloe, dien hij bedoelde, kwam niet; liet in ’t geheel niets
van zich hooren.
Bram schreef hem en verzocht dadelijke afrekening van het geld, dat
wijlen zijn broeder Aboe Bakar gestort had in de penghoeloekas; er
volgde niet eens antwoord.
Ten slotte kwamen al de gewelddadigheden, die Bram zich voorgenomen had
te bedrijven tegen de dieven en moordenaars, hierop neer, dat hij
eindigde met wat hij had moeten beginnen: hij ging naar het Europeesch
bestuur en diende een aanklacht in.
Hij was zeer bespraakt; hij kwam niet uit eigenbelang; wijlen de saïd
was zijn bloedeigen broer geweest, verklaarde hij, en het was niet om
iets van diens nalatenschap, dat hij zich het schandelijk misdrijf
aantrok. Hij wilde het geld, Aboe Bakar’s eigen geld, terug, voor diens
zoon, die—dat vergat hij erbij te voegen—tot een nietsdoener en een
leeglooper was opgegroeid, met groote kans een vagebond te worden.
Voor het familiezwak van den Europeeschen oom voelden de ambtenaren
iets, schoon zij zich bij voorkeur niet inlieten met zulke „vuile
inlandsche perkara’s.”
Zij zouden „een onderzoek instellen.”
Terug in ’t huis vond Bram zijn oudste schoonzuster Minah; zij pakte
haar barang; met veel drukte was zij bezig haar sarongs en baadjes,
heele stapels, haar menigte doosjes en doekjes in trommels te bergen en
in kains te knoopen.
„Laat dat nu maar wachten,” zei Bram gebiedend. „Luister naar mij.”
Minah stond op het punt een brutaal antwoord te geven; maar zij zag aan
Bram, dat hij heel nijdig was; daarom ging zij stil op een bankje
zitten, de handen op de knieën.
„Waar is het geld van A. gebleven?”
Zij haalde de schouders op.
„Hoe kan ik het weten; hij zei nooit iets tegen mij.”
„Daar stond zijn geldkist, daar in dien hoek, dat wist je toch.”
„Ik? Wist ik dat? Ik weet niet wat een geldkist anders is dan een
gewone kist....”
„Dailah zegt....”
„Wel ja,” viel zij boosaardig uit, „daar heb je ’t al! Vraag het
Dailah, die zal het wel weten. Ik niet; ik was maar zoowat de
dienstmeid hier, en ik weet van geen kist, ik heb mij niet bemoeid met
zijn barang, waarom zou ik me ermee bemoeid hebben?”
„Om uw zoon.”
„Om mijn zoon? Wat heeft hij zich ingelaten met zijn kind? Even weinig
als met mij. De eenige met wie hij sprak was Dah; voor de rest zat hij
ginds in het bidhuisje en in de missigit, altijd maar in het boek te
lezen en te bidden.”
Dat was Bram bekend, en toen nu Minah, die zich over zichzelve had
verteederd, haar geheime angst tot zenuwachtigheid meewerkend, aanving
zacht in haar slendang te schreien, kreeg Bram kasian, en daarmee
verdween zijn boos vermoeden, dat Minah aan de misdaad medeplichtig
was.
„Wat ga je doen?” vroeg hij.
„Ik weet het niet. Vooreerst ga ik bij een vrouw in de kampong wonen,
tot hier den boel geregeld is.”
„En dan?”
„Ik weet het niet. Misschien zoek ik werk als baboe bij blandas.”
Een oogenblik dacht Bram na. Het ging niet aan, haar terug te zenden
naar het land, waar ze vandaan kwam; zelf haar in huis te
nemen,—daarvan kon niets komen. Dailah zou weer teruggaan in haars
vaders huis.
„Goed,” zei hij, „je moet natuurlijk doen, wat je wilt. Ik zal je zoon
meenemen. Wat het mijne is, kan ook het zijne wezen.”
Voor haar was dat een ware uitkomst; zij was van den lastigen jongen
kerel af; van een moederschap dat haar oud maakte, zoo goed als
ontslagen, in een tijd dat haar belang vorderde jong te schijnen.
„Gij zijt zijn oudste oom,” zei ze op een toon van berusting.
En alles was naar beider begrip daarmee gezegd.
Het onderzoek naar den dood, dat zelfs een gerechtelijk werd, leidde
tot geen uitkomst; ’t was koerang terang.
Toen de tweede maan scheen op het graf van Aboe Bakar, het stille
plekje in het binnenland, waar een groep kambodja’s de doordringende
geuren harer witte bloemen over de sawahvlakte verspreidden,—toen reed
zijn eenige zoon te Batavia langs den Molenvliet als koetsier op een
huurdos-à-dos van oom Bram.
Oom Bram had veel last met hem; hij durfde ’s avonds niet naar bed gaan
vóór zijn neef weer goed en wel thuis was, zoo vreesde hij altijd, dat
er ’t een of ander met den bedorven jongen zou gebeuren.