ontmoet, heel fijn van uiterlijk, met een klein zwart kneveltje en een
scherp belijnd adellijk javaansch profiel; van de familie van den
penghoeloe; hij had haar aardigheden gezegd, niet banaal zoo maar, maar
in een bloementaal, die eigenlijk vruchtentaal was, want hij had
allerlei vleiende zinspelingen gemaakt op heerlijk ooft. Zij had hem
dan aangekeken met blikken van: hou-je-me-voor-den-mal, of:
wat-denk-je-wel-van-me; maar ze was er erg gelukkig mee, niet verwend
in haar huwelijk!
Nu was ze betoel verliefd, en het speet haar erg, dat de jonge man niet
present was.
„Komt die andere niet eens mee?” vroeg een der vrouwen, bezig een
kindermond te vullen met groote proppen rijst met pisang en die met den
duim verder naar binnen te werken, het keelgat door.
„Ze zegt dat ze te lui is,” zei Minah.
Daar moesten ze om lachen.
„Is ze vervelend?”
Minah haalde de schouders op.
„Wij spreken niet veel.”
„Neen, dat zei je laatst. Hoe is het mogelijk, dat vrouwen van één man
niet met elkaar omgaan! Met wie moet men anders omgaan.”
„Ja, ik zie het ook in nu. Ik ben wel gek geweest.... soedah.”
„Was het jouw schuld.”
„Dat was het. Verbeeld-je, dat ik boos was, omdat er een bijkwam!”
Het was, vonden ze, een gek idée; een tweede vrouw beteekende in een
Mohammedaansch gezin voor de eerste gezelschap, aanspraak en hulp
desnoods; bovendien nog ontheffing van veel verplichtingen tegenover
een meestal reeds vervelend geworden man.
„Het zal wel niet zoo blijven,” meende een der vrouwen met een wijs
gezicht.
„Het is al niet meer zoo.”
„Al lang?”
Aarzelend zei Minah:
„’n Beetje lang, ’n beetje kort.... Ik behandel haar goed, maar ze is
boos op hem; hij schijnt haar te vergeten tegenwoordig.”
„En u?”
„O mij.... het is om te lachen. Ik geloof, dat hij mijn broer is.”
Ze schaterden het ook werkelijk uit van den lach; de moeder, die haar
kind volpropte, rolde over den ouden divan van pleizier, de sarong hoog
op, wat Minah hinderlijk ongepast vond. Zij wist wel, dat men hier zoo
nauw niet keek. Nu praatten ze verder over den passar, en wat verder
onbeduidend was, met groot maleisch gerabbel, keelgeluid en heel veel
mimiek en gestes, de monden onder het praten wijd open, rood van binnen
door de sirih, die als omdroop tusschen de afgevijlde zwart gemaakte
tanden.
Toen het gordijn werd weggeschoven en de jonge man, die Minah het hof
had gemaakt, met een zacht salam binnenkwam, zwegen ze ineens, veegden
de monden af aan de slendangs; de plooien der kains neerslaand met de
hand, de baadjes recht trekkend.
Hij had het heel gauw weer uitsluitend tegen Minah, die allerlei kleine
airtjes aannam en zich zooveel mogelijk aanstelde als een preutsch jong
meisje, dat ’t hof wordt gemaakt; de vrouwen van den penghoeloe vonden
het bespottelijk; zij knepen elkaar in de dijen van pleizier over zoo’n
gekkin!
„Hij is aardig, ja?” vroeg de een, toen de aanbidder weg was.
Minah glimlachte even, de oogen neergeslagen; ze zei eerst niets;
daarop werd haar gezicht heel donker.
„Wat kan het mij schelen; ik ben immers de vrouw van....”
„De zuster,” verbeterde de andere lachend, en Minah, denkend aan wat ze
zelf had gezegd, lachte mee tegen wil en dank.
„Kan je niet weg van Aboe Bakar?”
„Hoe zou ik kunnen.”
„Maak ruzie; scheld hem uit en de andere ook.”
„Dan slaat hij.”
„O zoo, slaat hij dan; neen, dat is iets anders. Wil ik....”
De vrouw keek haar lotgenoot in den priesterlijken echt eens aan, en
krabde zich het hoofd; de andere scheen haar gedachten te raden; zij
knikte langzaam en herhaaldelijk.
„Ik geloof, dat het goed is.”
„Wat?” vroeg Minah, nieuwsgierig.
„Als wij er den penghoeloe eens over spraken.”
„Zou je dat durven?” vroeg Minah, vervuld van ontzag en vrees voor den
heiligen man.
Daar moesten ze weer om lachen. Het was ook wat! Ze durfden wel heel
andere dingen.
De penghoeloe was eerst heel nijdig, toen ze hem erover spraken; in
zijn kamer, waar alles even oud en vuil was als bij de vrouwen, werd
toch nog min of meer de hand gehouden aan eenig vertoon door mooie
matten en ander vlechtwerk, door heel aardige snuisterijen in hard
donker palmboomenhout met lichte vlekjes en streepjes als amandelkoek
van binnen. Hij bad machinaal en hanteerde de tasbih als een oude
Europeesche vrouw de breikous, zonder eraan te denken; dan pikirde hij
over heel andere wereldsche dingen, daarbij naar het uiterlijk
verzonken in het gebed; en dan had hij altijd het land en was boos, als
ze hem kwamen storen. Ze deden het toch; zij trokken zich niet veel aan
van het humeur van den ouden geitensik!
Ditmaal wekte het zijn hooge belangstelling. Hij had Aboe Bakar al
aardig bewerkt; die was nu vroom tot vervelens toe; ook voor hem; die
had zelfs erover gesproken niet meer naar de missigit te gaan, maar
altijd liever hetzij in afzondering, dan wel met den penghoeloe samen
te bidden. Het oogenblik om hem terdege te bewerken naderde.
„Ik zal zien, ik zal zien,” zei hij tegen zijn vrouwen. „Ga nu heen, ik
moet er toch nog over denken.”
„Doe je het gauw?” vroeg de een.
„Dat weet ik niet; het hangt ervan af; misschien heb ik de vrouw nog
noodig en jullie ook; er is geen haast bij; in het geheel niet; alles
moet wachten tot ik gereed ben.”
Toen ze weg waren, glimlachte hij; het was reeds een groote stap, dat
die door Aboe Bakar als het ware verlaten vrouw, die in huis werd
geduld omdat het niet anders ging, maar waarmee hij geen omgang had
hoegenaamd, erin was geloopen en grifweg verliefd raakte op den
persoon, dien de penghoeloe op haar had afgezonden. Niet dat hij eraan
had getwijfeld,—maar het was toch altijd goed zekerheid te hebben.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
ABOE BAKARS ONDERGANG VOORBEREID.
Het was Vrijdag toen de penghoeloe met Aboe Bakar uit de missigit kwam;
hij was de talrijke en fanatieke mannen, die in hun beste plunje
gestoken, het bijna te kleine bedehuis vulden, vóórgegaan in het gebed;
hij had heel mooi gepreekt over de rijkdommen, die de menschen slechts
in verzoeking brengen; die men niet mag begeeren; die tot hoogmoed
brengen en waarvan het bezit niet zoo goed en voordeelig is, als de
genade en de barmhartigheid van toean Allah; hij had betoogd, dat men
zijn rijkdommen moest besteden op den weg Gods, om te worden gelijk een
graankorrel, die zeven halmen voortbrengt, waarvan ieder honderd
korrels bevat.....
De mannen hadden aandachtig geluisterd, schoon het in geen hunner ook
maar één oogenblik was opgekomen nu iets anders te doen met zijn geld,
dan wat hij totnogtoe er altijd mee had gedaan. Op Aboe Bakar had het
een diepen indruk gemaakt.
„Ik begrijp niet hoe men doen moet,” zei hij, toen ze het met
vruchtboomen beschaduwde koele pad afliepen naar den zonnigen weg vol
grijs stof.
„Men moet erover nadenken,” antwoordde de penghoeloe, die zich vooral
niet wilde overhaasten.
Na een oogenblik zwijgend te hebben doorgestapt onder het gefladder
hunner lange gewaden in den wind, de penghoeloe in zwart met
donkerrood, de andere in blauw met wit gevoerd en afgezet, vroeg Aboe
Bakar:
„Wat hebt gij gedaan?”
„Ik deed wat wij, priesters, allen doen, en wat ook veel andere vrome
menschen doen: ik heb mijn geld gestort bij de djakat en de pitra en de
andere opbrengsten der geestelijkheid.”
„Kan ik het ook doen?”
„Het kan; waarom zou het niet?”
Onder de neergeslagen oogleden en de borstelige wenkbrauwen van den
penghoeloe schitterden de oogen van vreugde. Het ging zoo mooi! En
juist nu hij zooveel noodig had, terwijl de priesterkas zoo leeg was
als een uitgeholde klapperdop!
’s Nachts kon Aboe Bakar zijn gedachten niet wegwerken; hij ging naar
buiten, naar de rivier, waar hij een klein houten paviljoentje had
laten bouwen, om in volkomen afzondering te bidden; hij boog zich neer
op de knieën, het voorhoofd op den grond, de handen uitgestrekt; hij
bad alleen en vurig tegen de inblazing der duivelen; tegen de booze
geesten.
Het hielp niet; telkens als hij weer zijn conscientie onderzocht, vond
hij vrees en wantrouwen op den bodem zijner gedachten; het was als
woeien zij op in zijn hoofd.
Dàt was de duivel in hem, dacht hij; de oude aan het persoonlijk bezit
van geld en goed gehechte mensch; de Adam, die hij eens geweest was.
Hij moest zijn geld storten in de penghoeloe-kas, dus trachtte hij zich
te suggereeren; hij moest het afgeven zonder eenig bewijs van
ontvangst, geheel te goeder trouw; hij moest het daar gedeponeerd
laten, behoudens, dat hij er altijd van kon nemen, wat hij noodig had
voor zijn behoeften of zijn genoegens. Maar of hij zich dit al opdrong,
en of hij al trachtte zich tegen zichzelven op te hitsen en zich een
nietswaardige te schelden,—het baatte niet; HET wilde hem niet
verlaten; HET zat hem in de keel als een brok, dien hij niet kon
doorslikken; HET behaalde voor dien nacht de overwinning.
Mistroostig en ontstemd, moede en slaperig ging hij naar huis, toen
reeds de koetjitja haar eerste tonen opzond in den aanbrekenden dag;
zacht sloop hij binnen; alles sliep nog in luie onverschilligheid. Hij
opende zijn groote geldkist; het zware ijzeren deksel opbeurend tot de
steunveeren uitsprongen; daar lagen zijn schatten; daar lagen de pakjes
bankpapier, de zakken sovereigns, gouden tientjes, rijksdaalders en
guldens.
En dat moest hij afgeven aan een ander, om het nimmermeer zóó in zijn
schoon geheel terug te zien.... Zuchtend sloot hij de kist met de drie
sleutels, die hij in een afzonderlijken ring aan den gordel droeg. Wat
had een mensch toch zwaren strijd!
Het viel den penghoeloe tegen, dat Aboe Bakar niet weer begon over het
geld; hij wilde niets vragen; dàt was de verkeerde weg; dàt zou den
patiënt wellicht wantrouwend maken en afschrikken; die was wel een dom
koebeest, dacht de priester, maar hij had toch lang onder de blanda’s
verkeerd; was zelf er een geweest en in sommige opzichten wellicht
pinterder, dan men zou vermoeden.
Thuis liep hij ’t vrouwenkwartier binnen.
„Komt Aboe Bakar’s vrouw vandaag?”
„Misschien,” zei een der zijne.
„Speelt zij met jullie?”
Algemeen protest. Neen, zij speelden nooit. Dàt moest hij niet van haar
denken. Brani soempah, geen kaartspel.
Hij moest erom lachen. Wat konden die vrouwen toch prachtig liegen!
Maar hij trok een boos gezicht en riep luid, stampend met den voet op
den vloer:
„Dat de leugenaars vergaan! Het is slecht elkaars bezittingen af te
nemen door woeker en dobbelspel; het is altijd slecht te liegen. Als
vrouwen voornamelijk spelen voor haar genoegen, waarvoor moeten zij dan
liegen tegen haar man?”
Hij had er haar dozijnen standjes over gemaakt vroeger, als zij door
het dobbelen in schulden waren geraakt. Nu hij zoo veranderd scheen,
begrepen zij dat de wind uit een anderen hoek woei.
„Maar wij hebben toch nooit kaart gespeeld met Minah van Aboe Bakar.”
„Doe het dan.”
„Als zij wil.”
Hij grinnikte, trekkend aan zijn sik.
„Heeft een mensch een wil? En wat zal een vrouw hebben?”
„Nu, en als zij dan wil.”
„Vraag het haar; het is een verstrooiing. Laat zij de tweede vrouw ook
meebrengen.”
„Hier in huis?” vroegen beiden verbaasd.
Daar werd hij betoel boos om.
„Jullie bent gek. Mijn huis is dat van een imaam en geen speelhol. Gaat
met die vrouwen, waar je altijd gaat. Laat haar winnen een paar dagen.”
Nu begrepen zij het; dáár had de oude iets mee voor; maar zij dachten
er niet aan er verder naar te vragen. Wat kon het haar schelen! Zij
hadden nu de vrijheid bij een inlandsche vrouw, die stilletjes een
dobbelhuis hield, te gaan spelen. Dàt was al pleizier genoeg.
Met Minah ging het erg gemakkelijk. Toen ze ’s middags na het eerste
partijtje vrij laat thuis kwam, had ze gewonnen; zij liet het geld zien
aan Dailah, die ze nog altijd vruchteloos getracht had over te halen
met haar mee te gaan.
„Ga je morgen weer?” vroeg deze.
„Betoel. Als het kan ga ik elken dag.”
„Elken dag!” zuchtte Dailah, het hoofd op haar bantal neerlatend, de
mooi gevormde witgele armen omhoog, gekruist over het blauwzwarte haar.
„Hoe is het mogelijk?”
„Wat?”
„Elken dag uitgaan en zich opwinden. Welk een soesah!”
Het ging goed een paar dagen, zooals de penghoeloe had gecommandeerd,
maar het partijtje kwam, waarop Minah, veel minder goed spelend dan
haar partners, die nog valsche kaarten gebruikten bovendien, begon te
verliezen. Alles wat zij ruilde, kwam averechts uit.
„Ouah!” riep zij dan teleurgesteld. „Ik ruil sajoer, ik krijg lodeh!”
Maar ze zei er niets van aan Dailah, toen ze thuis kwam. Enkel, dat ze
zoowat gelijk gespeeld had, daarbij hoog opgevend van het vermaak, dat
ze dien ochtend had genoten.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN DUBBEL OFFER GEBRACHT.
De penghoeloe had gepreekt over het vuur, en somber had zijn stem
geklonken tusschen de troosteloos kale wanden van de missigit, slecht
verlicht door het weinige, dat de brandende soemboes, drijvend op de
klapperolie, verspreidden; daar waren, zei hij, geloovigen, wier hart
zoo aan aardsche dingen was gehecht, dat zij daardoor God andere goden
ter zijde stelden. Het vuur zou hun woning zijn! Zij waren als de
ongeloovigen, die het vuur ontsteken en de oogen sluiten voor het
licht. Zij waren gelijk aan de afgodendienaars boven wier hoofden en
onder wier voeten een hel van vuur zal zijn op den dag der opstanding.
Zoo ging hij voort, herhalend, aanvullend, aantoonend hoe uiterlijke
belijdenis of het omhelzen van den islam nog geen bewijs is van geloof;
dat wie zegt te gelooven op de proef moet gesteld worden, en dus ook
zichzelven op de proef moest stellen.
Voor Aboe Bakar klonk het als een strafpredikatie, schoon de toon
gemoedelijk was, zonder stemverheffing of intonatie, langzaam,
gelijkmatig, indringend. Hij herhaalde de woorden in zijn gedachten. De
penghoeloe had gelijk. Als hij naging welk een invloed het zien van
zijn geld op hem uitoefende, moest hij erkennen, dat het een macht was,
sterker dan zijn godsdienstig gevoel.
Daar moest hij overheen komen.
Hij zou een ongeloovige gelijk zijn, hij, Aboe Bakar! Hij, die zoo
innig bad en zoo trouw den koran volgde, zou enkel een mensch van
uiterlijk vertoon en formaliteit zijn, zonder wezenlijken godsdienst!
Dat zou men zien!
Hij groette den penghoeloe, kuste hem de hand en verdween in den
donkeren avond, niet wachtend, als anders, tot de priester ook
heenging, om samen op te loopen.
Het was stikdonker, en Aboe Bakar kon slechts zóó zeker en met zulke
flinke secure stappen voortloopen, omdat hij dien weg zoo goed kende
als zijn voorgalerij; intens zwart hing de wolkenzee over het dal; de
anders frissche berglucht drukte neer, zwaar als lood, lauw, zwoel.
Ineens een helle geel-streep, lang rechtuit, mooi zichtbaar, dan
afwijkend in kort zig-zag, flikkerend door de wolkenpartij, zich
dadelijk weer oplossend in de dichte duisternis. Een oogenblik ’n
brommig drenzen bij den berg; dan een vreeselijke ontlading, knetterend
slaande in korte venijnige patsen, als moest er telkens iets overwonnen
worden; een doortocht met hindernissen. Hard tikten groote
regendroppels op de bladeren; het onweer hief aan, uitbarstend met
woeste windvlagen.
Zijn pajong in beide handen, worstelend tegen aanvliegende lucht en
water, werkte Aboe Bakar zich naar zijn woning.
Achter de neergelaten krees, lichtte droevig een eenvoudig
petroleumlampje, de gele vlam inbruinend de tinten van het djatihout
der wanden; somber, melancholiek.
Dailah riep hem uit haar kamer.
Hij ging ’t donker gangetje in naar achter, en een kier makend in het
gordijn, vroeg hij zacht:
„Wat is er?”
„Welk een weer! Ik ben zoo bang.”
Hij wilde antwoorden: zeg den tasbih, maar het was waar, dien kende zij
niet; dáárom zei hij weer zacht en geruststellend:
„De donder wordt voortgebracht door een engel. Waarom zoudt ge
vreezen?”
Dailah was dicht bij het gordijn komen staan; hij voelde erdoor heen
haar lichaam tegen het zijne; hij zag, door den kier, haar zwarte oogen
schitteren.
„Kom hier,” fluisterde zij, „kom bij me binnen, ik ben zoo bang.”
De zachte warmte, de lieve klank der stem, de herinnering aan uren van
genot, alles en nog meer, deden de begeerte in hem opvlammen.
Hij aarzelde.
Zóó was hij tehuis gekomen van de godsdienstoefening, vol vrome
denkbeelden en voornemens, en daar stond hij nu, door slechts een
enkele, zeer wereldsche gedachte als beheerscht!
Een oogenblik beproefde hij te strijden.
„Ya, A. kamarinja?” klonk het vleemend met Dailahs lokstemmetje achter
het gordijn.
En Aboe Bakar ging naar binnen.
Als pijpestelen zoo aaneen vielen de regenstralen, kletsend
uiteenspattend op het dak; het onweer daverde nog door het dal, als van
den eenen bergtop geworpen naar den anderen, titanenspel; helle lichten
vlogen langs de lucht, door de boomgroepen, in de huizen, alles een
deel van ’n seconde in lichtelaaie zettend; dan een niets van donkerte.
Aboe Bakar hoorde en zag het niet; zijn sterke physiek zoolang
onderdrukt door de opgedrongen idée fixe van bidden en vasten, en
vasten en bidden, en leeren uit den koran en zich verdiepen in
commentaren, hernam ineens en volop haar recht; zij barstte los met
ontoombaar geweld, gelijk het zware onweer daarboven in de lucht.
In de duisternis op den divan glimlachte Dailah als tegen haar eigen
gedachten; zij was niet bang meer.
Een uur later stond in de door het onweer gezuiverde lekker koele
lucht, Aboe Bakar buiten, ook opgefrischt van geest. In het ijskoude
bergwater uit de pantjoeran achter zijn huis, in vollen straal
doorstroomend, altijd voort, een perpetuum mobile, had hij gebaad,
zorgvuldig overeenkomstig den koran. Eerst was hij boos geweest op
zichzelven, doch nu was er rust en vrede over zijn geest gekomen; hij
had toch niet gezondigd, want zij was zijn eigen, wettige vrouw. En als
er nog iets mocht haperen aan zijn hoedanigheid van verdienstelijk
geloovig Mohammedaan, dan zou hij nu denzelfden avond toonen wie hij
was.
Hij had een brief geschreven aan den penghoeloe; hij wilde zijn
vermogen storten in de priesterkas bij de djakat en de pitra en de
andere vermogens der heilige mannen, welke meende hij zeer groot
moesten zijn.
Er kwam geen antwoord dien avond. De penghoeloe was een man van
zelfbedwang, hij haastte zich niet.
Het maakte Aboe Bakar onrustig. Zou men hem versmaden? Zou men hem
willen straffen, om het slechte werk van zijn hart?
Kort na het bidden van de tsoeboe, kleedde hij zich en ging naar de
woning van den penghoeloe; de ketib, die in de voorgalerij op den grond
zat, hield hem terug; hij mocht niet binnengaan; de penghoeloe bad.
En het duurde heel lang vóór de heilige man gereed was, naar buiten
kwam en zich eerbiedig liet begroeten.
„Ja, hij had dien brief ontvangen.”
„En wanneer zal het u behagen?” vroeg Aboe Bakar ootmoedig.
De penghoeloe fronste het voorhoofd, als dacht hij na.
„Hedenavond na de Ijaa.”
„Hoe laat?”
„Dat weet ik nu niet; zoodra ik gereed ben; misschien al vroeg,
misschien laat.”
En toen Aboe Bakar boog, als ten teeken van onderwerping, gleed een
vriendelijke glimlach over de magere tronie van den ouden.
„Mijn vrienden zijn,” zeide hij, „God, zijn apostel en de geloovigen,
die met stiptheid het gebed verrichten, aalmoezen geven en zich voor
God buigen. Aboe Bakar, gij zijt mijn vriend.”
Terwijl deze zich van dankbaarheid doordrongen voelde over de
verklaarde vriendschap van den priester, zat Minah in de
vrouwenvertrekken van hetzelfde huis heel onaangenaam gestemd; zij had
vrij veel verloren en stak in schulden.
De vrouwen hadden van haar vromen echtgenoot prentah, om de
duimschroeven een beetje aan te zetten, en dat deden zij.
„Vraag het je man,” zei de een.
„Wel ja, waarom niet? Hij is immers zoo rijk!”
Maar Minah schudde het hoofd, de tranen in de oogen.
„Durf je niet?”
„Waarom zou ik niet durven? Ik ben nu niet meer bang voor hem. Ik haat
hem. Ik zou hem dood kunnen maken. Zoo’n man vraag ik niet om geld.”
„Het is ook wat!”
„Ik wil niet; nog liever steel ik het.”
„Van hem?” vroeg een der vrouwen lachend. „Dan vroeg ik het hem toch
nog liever.”
„Leen het van je aanbidder,” schertste de andere.
Daar werden zij ineens alle drie erg stil door; het was eigenlijk het
denkbeeld, dat in haar hoofden voortdurend present was geweest; de
vrouwen moesten haar in die richting drijven, en Minah had er ook al
aan gedacht.
Als zij eens naar hem toeging? Zij wist, wat hij haar vragen zou, en
eigenlijk verlangde zij niets liever. Alleen de schaamte en de vrees
hielden haar terug.
„Het kwam maar zoo in mij op,” ging de andere voort, „maar het is toch
nog het eenige, als je het Aboe Bakar....”
„Neen, ik wil niet,” riep Minah boos.
„Dan is er ook niets aan te doen. Als je het aan je man niet vragen
wilt, wie anders zal het je dan geven, wanneer je het vraagt, dan
die... neef van ons.”
Zij had zoo gauw niet geweten, welken graad van bloedverwantschap moest
worden genomen.
Minah bloosde zwart op.
„Ik ben verlegen.”
„Och ja, dat kan ik begrijpen; ik heb dat ook onderv.....”
Midden in het woord hield de vrouw op, zelf verlegen thans, dat zij
zich zoo iets liet ontvallen.
„Heb je?” vroeg Minah verwonderd.
Ze keken elkaar een oogenblik aan en lachten luid; toen gingen ze weer
voort in zacht gepraat; zij zouden eerst erover spreken; als Minah dan
des anderen daags ging, wist hij er alles van en zij was zeker het geld
te krijgen; de creditricen zouden dan welwillend nog een etmaal
wachten.
Het zware pak was daarmee weggenomen van Minah’s hart; de slotsom was,
dat ze weer met haar drieën over het achtererf verdwenen en ergens in
een dobbelhuis in de kampong hun partijtje gingen maken, dat Minah nog
dieper in de schuld deed komen dan ze al zat; maar ze was er blij om;
zij had nu niet willen winnen, nu ze haar zoo bereidwillig gingen
helpen om... twee vliegen te slaan in één klap.
Toen ze weer thuis waren, hadden ze er pleizier over. Welk een dom
garnalenhoofd! Die... neef was zoo arm als een kerkrot! Maar de oude
had gezegd, dat het zóó moest gaan, en het grappig spelletje brak de
eentonigheid van haar leven!
Op de blokken in de wachthuisjes sloeg het elf uur, toen zachtkens en
gedruischloos de penghoeloe met vier van zijn trawanten in het huis van
Aboe Bakar slopen.
Het wachten had hem niet lang gevallen; hij had al maar gebeden om
bevrijd te worden van het loodzwaar gewicht, dat hem als het ware op de
borst drukte; hij ontving hen deftig, bedaard, vriendelijk, en om
direct door den zuren appel heen te bijten, ontsloot hij maar dadelijk
zijn geldkist met de drie sleutels. De bankbiljetten en het geld werden
eruit gehaald; alles moest, zei de penghoeloe, zorgvuldig nageteld en
opgeteekend worden; niet omdat men Aboe Bakar mistrouwde,—volstrekt
niet; maar die wist ook wel, dat het zoo hoorde bij een goede
administratie, en dat men nauwkeurig wezen moest om verantwoord te zijn
tegenover zichzelven. Aboe Bakar toonde zijn vertrouwen te stellen op
God, en daar deed hij goed aan, als braaf geloovige; maar er was een
wet in het land en een penghoeloe stond voor het gouvernement
daaronder.
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DAILAH ONTDEKT HET GEVAAR.
Terwijl in haar kamer Minah in diepen slaap lag, vermoeid van de
inspanning van het spel, dat haast den heelen dag had geduurd,—lag
Dailah wakker; zij kon niet slapen; zij had zoo weinig lichaamsbeweging
en zij sliep zoo lang elken namiddag! Daar hoorde zij het geschuifel
van voeten over de mat in de gang, en verschrikt, denkend aan dieven,
stond ze op van den bultzak en loerde, bevend van het hoofd tot de
voeten, door het gordijn.
Het was, dacht ze, toen ze het bekende gezicht van den penghoeloe zag,
toch te erg, zóó te schrikken; gevaar vreesde zij nu niet langer, maar
niettemin stemde dat bezoek van al die priesters haar hoogst
onaangenaam. Waar bemoeide Aboe zich toch mee? Zij had voor dien
penghoeloe en zijn trawanten zoo’n respect niet; zij was uit een
Mohammedaansche familie geboren, en had al in haar jeugd veel gehoord
van die soort menschen, zoodat de reuk van heiligheid er al lang af
was. Ze kwamen vroeger vaak in haar eigen vaders huis, toen ze nog een
jong meisje was, en dan zag zij wel aan hun oogen, wat ze bedoelden! Nu
haatte zij dien geitensik! Wat deed hij Aboe van haar weg te halen en
te vervreemden? Waarom liet hij hem niet met rust, maar stelde hij zich
tusschen Aboe en haar?