en Bram dan niet half zooveel huur kreeg als hij berekenen kon, dat
verdiend was, keek hij door den gouden bril zijns vaders weleens
beurtelings naar het onbeschaamde jonge gezicht voor hem en naar het
oude van njai Peraq, die op haar baleh-baleh rustig sliep.
En dan vond hij, dat, als iemand weinig uit een schipbreuk was
overgebleven, het dan hem, Bram Silver, was.—
EINDE.