Als die eindelijk, laat in den nacht soms, de dos-à-dos het erf opreed,

en Bram dan niet half zooveel huur kreeg als hij berekenen kon, dat

verdiend was, keek hij door den gouden bril zijns vaders weleens

beurtelings naar het onbeschaamde jonge gezicht voor hem en naar het

oude van njai Peraq, die op haar baleh-baleh rustig sliep.

En dan vond hij, dat, als iemand weinig uit een schipbreuk was

overgebleven, het dan hem, Bram Silver, was.—

EINDE.

Aboe Bakar: Indische Roman · 第 15 / 15 段