„Het kan me niet schelen; ik weet van geen soerah,” viel Pa Djalil hem

in de rede, „maar je hadt moeten begrijpen, dat men geen priester en

koopman kan zijn tegelijk; men doet dan toean Allah te kort of zijn

deelgenoot.... Voor mijzelven zou het minder zijn, maar als goed

Mohammedaan mag ik het eerste niet toestaan.”

Van den spot, van het sarcasme voelde Aboe Bakar niets; hij was zoo

vlug niet van geest; niet slim genoeg daarvoor; hij had een waarheid

gehoord, en erkende die; alleen: de penghoeloe had het mogelijk

gevonden, en die kon het in zulke dingen toch niet mis hebben.

„Dus je wilt niet,” zei Pa Djalil met een zucht, „het is zooals ik

gezegd heb en niet anders.”

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

EEN LISTIG MENSCH.

In de oogen van den penghoeloe lichtte het kwaadaardig op, toen Aboe

Bakar hem vertelde, hoe het verloopen was bij Djalil. Hij kende dat

volkje! Met een eerlijk maar dom individu, dat wat overhelde naar den

fanatieken kant, kon men doen wat men wilde; dat was een werktuig in de

hand van een man als hij. Maar zoo’n oude geslepen patser, als die

Djalil, liep er niet gemakkelijk in; met zóó een moet men voorzichtig

zijn.

En òf hij reden had tot voorzichtigheid! Hij stond aan het hoofd van

een uitgebreid geheim genootschap; zij hielden vergaderingen in

missigits, zelfs in de bosschen ’s nachts; zij hadden bergplaatsen van

wapenen en oorlogsgewaden; zij hadden al lang den „heiligen oorlog”

gezworen tegen de kafirs; maar het was alles nog onrijp, hoofdzakelijk

wijl ze geen geld hadden. Een enkele onvoorzichtigheid en alles zou

hier verloren gaan.

„Indien het Gods wil is,” fluisterde de priester op zachten onderworpen

toon, „zal het Pa Djalil wèl gaan.”

„Ik hoop het,” zei Aboe Bakar, „hij is altijd eerlijk en trouw geweest

in onze zaken.”

„Dan zal zijn belooning ook niet verloren raken. Ik vertrek met den

eersten trein morgenochtend. Zal ik ginder een woning voor u zoeken?”

„Heel graag. Ik reken dezer dagen met Djalil af; dan heb ik nog enkel

mijn huizen.”

„Verkoop ze; trek u terug uit al die nietige dingen. Wat baten zij u?

God zal hem beloonen, die het land verlaat om zijn zaak te omhelzen.”

Aboe Bakar mocht den penghoeloe naar het station brengen. Tusschen de

bedrijvigheid der beambten, zaten de inlanders, die op reis moesten, op

hun barang of stonden ernaast op den gelen cementvloer van het perron;

droomerig in den nog vroegen morgen, keken zij voor zich uit met

onverschillige gezichten, naar het rangeeren van den trein; het haastig

heen en weer gevlieg van de daarbij dienstdoende machine, wier drukte

en snelle geluiden zoo afstaken bij de algemeene kalmte der oostersche

omgeving.

De penghoeloe en Aboe Bakar verschenen in hun Arabische kleeding, en al

de aandacht van het inlandsch publiek was voor die statige mannen, zoo

mooi gekleed en die in hun langzaam en deftig opwandelen, veel hoogere

wezens schenen, dan de weinige Europeanen in hun witte jasjes hier en

daar met elkaar pratend in nonchalante houding.

Niemand had daar zoo’n sentiment voor, als Aboe Bakar; dàt deed hem

zoo’n genoegen, die soort van grootheid; dáár behoefde ’n mensch geen

vreemde talen en geen wis- of andere kunde’s voor te leeren op de

schoolbanken; dáár had je maar voor naar Mekka te gaan, wat uit den

koran te leeren, en zich te kleeden. Maar daarvoor moest je hebben die

rustige deftigheid en die aangeboren superioriteit in houding en

manieren, die hijzelf vond, dat hij in hooge mate bezat. Behaaglijk zag

hij rond over de hoofden, onder het praten met den priester.

„Dat de ijdelheid ons niet omtrent God bedriege; laat ons enkel

dankbaar zijn,” zeide deze.

Daar had-je het weer! Wat was het toch een wonder! Het was, dacht Aboe

Bakar, of de priester iemands gedachten raadde. Het stemde hem

onderworpen; hij nam afscheid met de grootste eerbieds- en

onderdanigheids-betuigingen, die de aandacht trokken der inlanders en

hen op een afstand even deden wachten, tot de heilige mannen gereed

waren.

Hij kreeg het druk na dien tijd; de afrekening met Djalil viel hem zeer

mee, maar duurde toch nogal lang; want die moest geld opnemen; hij had

wel altijd veel verdiend, zoo goed als Aboe Bakar, maar hij had een

menigte dochters, en die hadden weer veel zoons en dochters, en zij

leefden allen van hem!

Zijn huizen verkocht Aboe Bakar prachtig; voor veel meer, dan ze hem

hadden gekost. Maar met zijn pogingen om geld uit te geven, lukte het

minder goed. Hij wou zijn zoon bij een Europeesche familie in den kost

doen, want dàt was nu eenmaal zijn idée: men moest Hollandsch kunnen

spreken, en dat kon men niet leeren, zooals het hoort, dan in het huis

van pur sang Hollanders; maar de families, bij welke hij deed navragen,

hadden bezwaren; zij wilden hun eigen kinderen niet blootstellen aan

het zedenbederf door zoo’n inlandschen jongen, met wien ze als met ’n

broer zouden omgaan; en de families die ervan gehoord hadden en Aboe

Bakar, den rijken hadji, lieten polsen, die stonden hem niet aan.

Dus vorderde hij niet.

Voor Bram wou hij een aandeel koopen in een bestaande goede zaak, wat

hij dacht dat met geld altijd te doen was; maar de goede zaken

bedankten er tot zijn groote verwondering voor, wijl ze nooit, op zulk

een manier, iemand verlangden als deelgenoot, die volstrekt geen

verstand van het vak had en weinig of geen administratieve kennis; en

van de zaken, die dat wèl wilden, die zelfs met brieven en bezoeken er

bij hem op aandrongen, zei Djalil, van al die dingen bijzonder op de

hoogte, dat ze boesoek waren. Wat was dat lastig!

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

WACHT U VOOR ZULKE VRIENDEN.

Met groote stappen liep Aboe Bakar een zonnig pad op, parallel met den

grooten weg naar de bovenstad; in de verte zag hij de woning van Bram;

het nieuwe lichtroode pannendak op het houten huis, hel in de zon

afstekend tegen het dichte donkere groen van groote mangaboomen op het

erfje. Toen hij het hekje binnenstapte, zaten ze daar allen op

wipstoelen; Bram in slaapbroek en kabaai in een luierstoel. Een kapotte

dos-à-dos scheef overhellend stond terzij van het voorerf; het was de

eenige stoffeering.

Njai Peraq zag hem niet; een oogziekte had haar ’t gezicht benomen; zij

zat nu maar stil op de mat in het galerijtje over dag, een enkel maal

naar achter scharrelend, als ze wat eten wou of zoo.

„Bonjour!” riep Bram al uit de verte. „Hoe gaat het? Huizen verkocht,

hè? Bom duiten verdiend, ja? Je bent toch ’n gelukkige pisang! Ik wou,

dat ik ook maar Mohammedaan was geworden!”

„Het is nog niet te laat!”

„Juist wel!”

„Nooit, dan op het sterfbed,” zei Aboe Bakar met overtuiging.

„Dat denk-je maar,” spotte Bram. „Neen, amice, daar komt nu niets meer

van; toen was toen en nu is nu.”

„Weet-je, dat ik een landje heb gekocht?”

„Dat heb ik gehoord.”

„Ik ga er rustig wonen; uit de zaken heb ik me ook teruggetrokken.”

Bram knikte; Pa Djalil had hem er alles van verteld.

„Het geld voor moeder en voor jou heb ik in de bank gebracht.”

„Waarom niet hier?” vroeg Bram, eenigszins geraakt door het onverholen

wantrouwen.

„Omdat het beter is; het is voor een jaar; elke maand kan-je het

ontvangen voor moeder en voor jou. Hoe gaat het in den laatsten tijd?”

„Och, là là! Smerig volk, die dos-à-dos-voerders. Kerels zetten me

geregeld af. Brengen nooit thuis wat ze schuldig zijn. Altijd dit of

dat.”

„Hoeveel dos-à-dos heb-je nu?”

„Drie, en twee karretjes; tien paarden in ’t geheel, als er een ziek is

of een kerel niet binnen, staat één voertuig stil.”

„Ja... Dat heb je me onlangs ook geschreven... Er is dezer dagen

paardenvendutie... Koop er ’n paar bij.”

„Kan niet, heb geen crediet,” riep Bram lachend; hij had zich die

manier van spreken tegenwoordig aangewend. „Als ik bied, zij roepen:

„kontan!”

„Koop maar op mijn naam; ik zal een qualificatie geven.”

„En de duiten?”

Aboe Bakar lachte goedig.

„Maak je niet bezorgd; wij zijn nog lang niet quite.”

Daar zweeg Bram op; hij vond het altijd een pijnlijk onderwerp; het

stond nu eenmaal bij hem vast, dat het met de verdeeling der erfenis

niet anders dan plichtmatig was toegegaan onder hen als broers en

zusters, dat Aboe Bakar hem nu hielp, vond hij heel natuurlijk, hij zou

het immers ook gedaan hebben, als de toestand andersom was geweest.

Maar wat hem hinderde was, dat Aboe Bakar volhardde in het idée bij die

verdeeling een aalmoes te hebben gekregen, welke hij nu moest

teruggeven; dat hij hem, Bram, meer beschouwde als een crediteur, dan

als een broer.

„Ik hoop, dat het je hier bevalt,” ging Aboe Bakar voort.

„Hier in deze tampat? Wis en waarachtig bevalt het me. Goeie boel hier.

Lekker wonen, frisch en droog.”

„Dat doet me pleizier. Ik bedacht te laat, dat ik had vergeten daar

eerst naar te informeeren. Het was dom van me.”

„Wat informeeren?” vroeg Bram verwonderd. „Waarom?”

„Ik heb ’t huisje en erf voor je gekocht.”

„Voor mij gekocht?” vroegen Bram en diens inlandsche vrouw in één adem,

maar in diverse talen.

Aboe Bakar knikte en stond op.

„De akte van overdracht en de andere stukken krijg je morgen. Ik moet

nu weg, want ik heb meer te doen. Voor ik heenga, kom ik nog goeien dag

zeggen. Ik hoop, dat je veel geluk hier hebben mag. Slamat tinggal.”

Bram greep de zware hand in zijn magere knokken en kneep haar met

kracht; ontroerd, de tranen in de oogen, bleek en zenuwachtig.

„Adam,” zei hij dringend, „geloof me, blijf hier; ga niet naar boven,

ga niet naar dat vervloekte land; ik heb een voorgevoel.”

Maar Aboe Bakar schudde het donker baardig hoofd, gekroond met den

grooten witten tulband.

„Gij wilt het goede beletten Bram, door kwaad te denken en te spreken

van hen, die ge niet eens kent. Als Mohammedaan zoudt ge het niet

doen.”

„Niet ken!” riep Bram opgewonden uit. „Of ik hem ken, dien...”

Met de hand hield Aboe Bakar als het ware het scheldwoord terug, dat

hij verwachtte aan het adres van den penghoeloe; hij vergiste zich in

zoover, dat het geen banaal scheldwoord zou geweest zijn, doch iets

heel anders.

Bram zelf schrikte ervan; bijna had hij iets verklapt, dat hij geheim

moest houden. De waarheid was, dat hij niet alleen een

dos-à-dos-verhuurderij hield, maar soms ook als spion in dienst was der

politie; en nu was deze er juist achtergekomen, dat er iets heel

leelijks broeide in de streek, waar de penghoeloe woonde, en dat die

daarbij was betrokken, ja eigenlijk zoo wat aan het hoofd moest staan.

Hoever het zich uitstrekte wist het Bestuur nog niet, maar aan Bram was

ook iets ter onderzoek opgedragen, en daardoor was hij achter meer

gekomen.

„Enfin,” zei hij met een zucht, „ik hoop er voor jou het beste van; ik

dank-je voor je goedheid, en ik wensch je veel geluk.”

Eerbiedig groetend boog Aboe Bakar voor zijn blinde moeder, en lang zat

hij dichtbij haar neergehurkt op de mat, zacht met haar sprekend, haar

oude hand in de zijne, terwijl de inlandsche wederhelft van Bram door

allerlei joolgezichten tegen hem te trekken, stil haar vreugde

vertolkte over het nu in eigendom hebben van hun huisje.

Toen hij naar huis terugliep, denzelfden weg dien hij vroeger was

gegaan, had hij een groot verlangen; hij wou, dat hij al buiten zat,

uit de soesah van het opbreken en verhuizen; hij moest erkennen, dat

Minah, zoo slordig en vuil ze geworden was, goede diensten deed;

Dailah.... kasian, dacht hij. Neen, zij werkte niet; daar was geen

quaestie van; hij had het ook niet willen hebben; de penghoeloe had hem

wel gewaarschuwd niet toe te geven aan zijn groote liefde voor zijn

tweede vrouw; en hij had ook wel getracht matiger te zijn—maar dan kon

zij hem met haar groote zwarte oogen zoo vreemd aankijken; eens zelfs

had ze gepruild, als een kind; en gezegd, dat hij niet meer van haar

hield, dat hij maar naar Minah moest gaan of een andere vrouw nemen;

toen was hij bij haar gaan zitten, den arm om haar zacht, lenig

lichaam; zijn oogen had hij laten gaan langs de zachtgolvende lijn van

haar mooien haast blanken hals naar de fijne schoudertjes en de

opglooiende buste; zijn krachtig lichaam, trillend van begeerte, was

tegenover zijn zwak willen direct de baas geworden en.... gebleven.

Neen, Dailah moest niet arbeiden; zich niet vermoeien. Hij zocht geen

andere aardsche genietingen; hij kon, zoo dacht hij, leven in matigheid

en zonder buitensporigheden, zich wijdend, zooals hij tot nu toe deed,

aan zijn zaken en den godsdienst, of wel, zooals hij nu voornemens was,

aan den godsdienst alleen; maar die eenige, hem dan toch wettig

geoorloofde levensvreugd kon hij niet ontberen; dàt zou hem te machtig

zijn.

Thuis vond hij tot zijn verwondering Djalil bezig den boel te

beredderen, alsof het voor hemzelf was; hij had een soort inventaris

gemaakt van de meubelen.

„Laten we het maar taxeeren,” zei hij, „dan neem ik het van je over.”

„Wat wil je ermee doen?”

„Och, er zijn er bij mij zooveel, die van alles noodig hebben, en er

komen er altijd bij. Nu gaat weer een kleinzoon van me trouwen.”

„Heel graag; taxeer ’t maar zelf; zooals je doet is het goed.”

„Ik heb leege kisten laten brengen en ben aan het pakken gegaan; jullie

schoot niet op.”

De oude mandoer was bij den veekooper weer bovengekomen; hij kon het

niet aanzien, dat er zoo op de inlandsche manier met den boel werd

omgesprongen; dáárvoor had hij te lang in een Europeesche toko gewerkt.

Aboe Bakar stond er werkeloos bij, met verbazing toeziende, hoe netjes

Djalil alles boenkoesde; met hoeveel tact hij de kisten pakte, zoodat

er niets kon schudden of breken. En verlegen met zijn eigen

hulpeloosheid, liep Aboe Bakar telkens eens links en rechts, als een

August de Domme aandragend, wat voor ’t moment niet noodig was, uit de

enkele zucht om er niet zoo heelemaal voor niets bij te staan.

Het was een nare tijd; hij dankte God, toen er een eind aan was, en hij

uit de voorgalerij zijner nieuwe landelijke woning, die voor zijn

rekening de penghoeloe heel aardig had ingericht, op de balustrade

leunend genoot van het frissche berggezicht vol schilderachtige

afwisseling.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

TOENADERING TUSSCHEN DE VROUWEN.

Zacht ruischte de rivier aan in een klein grijs gewriemel van golfjes,

brekend op, glijdend over de uit haar ondiepe bedding opstekende

rolsteenen; de oever omzoomd met het groote donkergroene blad der lage

pisangs, het bruinig grauw der atappen daken er doorheen kijkend, de

slanke gladde stammen der klapperboomen erboven uit, zwaaiend in den

wind het hard geglinster hunner bladkronen; en daarachter tegen het

sterk ophellend terrein, een dicht bosch van allerlei boomen, aanplant

en wild hout, in veelvuldige nuances van eenzelfde kleur,—een

reusachtige symfonie van groen; hier en daar, als ertusschen geslagen,

stukjes bibit-sawah, heel teer, bij geel af; en op den achtergrond de

zware donkere massa van het gebergte, te veraf al voor het merken van

schakeeringen; te dichtbij voor het blauwschijnen; een sombere muur van

grillig dessin met opkomende en verdwijnende strepen invallend licht;

de breede kroonlijst van toppen in massale slingerlijnen, als gesneden

uit de blauwe lucht.

Aboe Bakar zag het zoo niet; hij onderging alleen de stemming van het

geheel en dat, vond hij, deed hem goed, maakte hem zoo rustig en kalm,

als hij bij voorkeur was; dreef elke gedachte aan zaken en gewone

dingen weg uit zijn hoofd; het weinigje leven en bedrijf der inlanders

in de rivier hinderde hem haast; dat was weer het alledaagsche

mierenwerk; de mannen, drie, vier achtereen, langzaam en voorzichtig,

voetje voor voetje goederen pikollend van den eenen oever naar den

anderen, de vrouwen kleeren wasschend, het natte goed slaande op de

rolsteenen; mannen, vrouwen en kinderen zich badend en hun behoefte

doende alles in denzelfden stroom levend water; hier en daar een

kleurige kain, als de eenige brekende punten in de groote omgeving van

zachte tinten.

Een hooge gil, hevig uit boven alles, de lucht vullend met schel

geluid, in echo’s teruggeworpen door het gebergte, deed Aboe Bakar

opschrikken uit zijn droomerig soesen; in de richting, die hij uitkeek,

pluimde een driftig wolkje op boven het gebladerte, snel vervliegend;

een witte wegwaaiende veer; door de openingen in het groen flikkerde,

voortschietend, het blinkend koper der machine, de glimmende

verfstrepen der wagens; grommend en brommend als een vertoornd dier,

joeg in groote bochten de trein over de kronkelende berglijn.

Om den hoek zijner nieuwe woning over het smalle omloopende pad kwam

hem de penghoeloe verwelkomen; hij stond ook even stil, omkijkend naar

den trein.

„Het is toch mooi,” zei Aboe Bakar, hier ineens getroffen door iets,

wat hij altijd had gehouden voor de meest eenvoudige en alledaagsche

zaak ter wereld.

De penghoeloe knikte.

„Ja, het is heel mooi,” gaf hij toe; „maar toen het er niet was, en dàt

ook niet,” wijzend op de telegraafdraden, „vond ik het er niet minder

om.”

Aboe Bakar begreep het niet. Waarom was het evengoed zonder spoorweg en

telegraaf als met? Maar hij vroeg er niet naar, en de penghoeloe zei

niets; daar had hij zijn goede redenen voor; hij toch schreef het toe

aan dien spoorweg en die telegraaf, dat de onderdanigheid bij den

inlander eruit ging, en dat niets meer geheim bleef; hij had in

doodsangst gezeten, toen hij gehoord had, dat het door hem op touw

gezette complot zoo wat ontdekt was; hij had bespeurd, dat men er hem

op aankeek op „het kantoor,”—dat alles deden die spoorweg en die

telegraaf. Mocht Allah hen vernietigen!

Hij gaf zijn plan niet op; een jaartje uitstel was geen afstel. Daarbij

moest hij geld hebben, en dat had hij niet. Dat was ook al de schuld

van die nieuwigheden; opkoopers van nog te veld staand gewas

scharrelden overal rond, en nauwelijks was de padi van het veld, of

rrrt! weg was het grootste deel; vroeger was er voor een man als hij

nog altijd wat te halen bij de bevolking,—tegenwoordig zat er geen wol

meer aan; men kon even goed probeeren een klapperdop te scheren!

Zoo dacht hij, langzaam voortschrijdend, over die zegeningen der

beschaving, en nog, toen Aboe Bakar hem begroette, en ook terwijl deze

hem vertelde van zijn laatste dagen te Batavia, zijn vertrek en de

reis, luisterde hij maar met ’n half oor.

Toen schudde de penghoeloe het hoofd met ’n paar rukjes, als om zich

van zijn eigen gedachten te bevrijden, en levendig begon hij mee te

praten over zaken; stukje voor beetje haalde hij eruit, wat hij hebben

wilde, en toen hij van zijn stoel opstond, wist hij ten naasten bij,

hoe zwaar Aboe Bakar woog.

„De zon staat reeds hoog,” zei hij, opziende naar de lucht, deels

bedekt met kleine witte wolkjes, die zich om den bergkam vereenigden

tot een vervaarlijk groote dampkroon.

„Wij moeten denken aan het gebed; het wordt tijd voor den tlohor.”

„Waar?” vroeg Aboe Bakar.

De penghoeloe strekte den langen, mageren arm uit:

„Ginder achter die klappers in mijn kleine missigit. Ga mee.”

Niets deed Aboe Bakar liever; hij zou heel druk naar het bedehuis gaan,

stelde hij zich voor, dan zou hij spoedig een geloovige zijn, zooals

hij wenschte er een te worden; hij was reeds aan zijn voorhoofd

geteekend, door de aanraking in ’t gebed met den grond. En deze zijn

lust was koren op des penghoeloe’s molen; hij nam hem mee naar zijn

huis, of hij bezocht hem, en dan baden zij samen en zaten tot laat in

den nacht zacht en met overtuiging te spreken over den koran, de

soerah’s, de ajats en de djoet; en de heilige nachten brachten zij met

modins en anderen heelemaal biddende door.

Het hypnotiseerde Aboe Bakar meer en meer; hij veranderde van

gewoonten; at en dronk weinig; werd magerder, sprak minder, was meer in

zichzelven gekeerd, bemoeide zich minder met zijn huisgezin. En wat het

sterkste was: er kwam verkoeling in zijn liefde voor Dailah; zij, den

ganschen dag luierend binnenshuis in haar eigen vertrekken; zag met

verbazing, hoe zich bij Aboe Bakar een metamorphose ontwikkelde, niet

bevorderlijk voor haar huwelijksgeluk; zijn huid werd geler en tanig,

en hij had zijn baard kort geknipt met een langen sik, wat hem

foeileelijk stond.

Er kwam ’n beetje toenadering tusschen haar en Minah; die had Dailah

ook zeer verbaasd; die was integendeel heelemaal opgeknapt in het

binnenland, en scheen nu niet meer zulk een hekel te hebben aan haar

opvolgster.

„Waarom ga je ook de deur niet eens uit?” vroeg Minah op een ochtend.

„Ik ben het niet gewoon.”

„Het is lekker buiten.”

„Koud, ja?”

„Gekheid; het is heel lekker. En dan, het is gezellig; je ziet nog wat,

en je ontmoet menschen.”

„Spreek je met anderen?” vroeg Dailah nieuwsgierig. Zij had sedert ze

Aboe Bakar’s vrouw was, nog met geen enkelen vreemden man gesproken.

Minah lachte hoonend.

„Natuurlijk; waarom niet? Ik kan dat best doen; ik ben oud en leelijk.”

Oplettend keek Dailah haar aan.

„Je bent niet oud en je bent niet leelijk.”

„Ouah!” riep Minah hoog uit, met een blijkbaar pleizier.

„Betoel niet; de lucht hier is zeker goed voor je; ik vind je met elken

dag jonger en knapper.”

De dochter van den mantri op een kustplaats buiten, richtte zich op;

zij was flink gebouwd en sterk; de zorg, die ze in den laatsten tijd

aan haar toilet besteedde en haar reinheid nu, ineens, zoo afstekend

tegenover haar vuilheid der laatste jaren, hadden haar opgeknapt; het

dikke zwarte haar zat onberispelijk; zij was goed gewasschen met zeep;

zij droeg propere en net gemaakte baadjes en mooie kains; zij zag neer

op de andere, die achterover lag op de slaapmat, ongebaad nog en

ongekamd, met verveling en vermoeidheid in de trekken en gemis aan

kracht in de weeke blankheid van haar slap vleesch.

En, als vrouwen, voelden ze heel goed, dat er iets was, waardoor de een

er nu weer bovenop kwam, terwijl de andere bezig was onder te gaan.

„Ik zie hem tegenwoordig maar zelden,” zei Dailah landerig.

„Sta op, ga baden, kleed-je aan, en ga met me mee naar de passar,”

drong Minah aan.

Maar Dailah wou niet.

„Ik ben te lui,” zei ze.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

MINAH OP EEN VERBODEN WEG.

Minah drong niet verder aan dien dag; zij ging alleen naar den passar,

die vrij druk was; zij bekeek van alles, bevoelde alle kains en batiks,

nam alle galanterie-waren in de hand, rook aan alle vruchten om zich te

overtuigen, dat ze gerijpt waren aan den boom; snoepte gesuikerde

tamarinde; dronk een glas stroop met selassie; zond haar dienstbode

naar huis met wat zij gekocht had en liep zelf den anderen kant uit.

Door een deurtje in een hooge pagger kwam ze op een achtererf vol van

allerlei bamboezen opstandjes met atap gedekt; de weinige

tusschenruimte door pisangboomen nog grootendeels versperd; hanen en

kippen kakelden er in koor; een jonge geit rukkend aan het touw,

waarmee ze was vastgebonden, blaatte aanhoudend in klagelijk schel

timbre; een dik erg bruin kind, met niets aan dan bloedkoralen

armbandjes, zat, verlaten, op een baleh-baleh allerjammerlijkst te

schreeuwen, tot de adem stokte, het een oogenblik stil was, en daarna

opnieuw begon; een lauwe geur van plantaardigen afval steeg op uit de

in den grond gegraven geulen tot waterafvoer: ’t was het achtererf van

den penghoeloe.

Minah liep over de smalle wegjes naar het hoofdgebouw; aan dien kant

waren de vrouwenvertrekken; het houten huis, oud, bruinrood geverfd,

aangedonkerd door den tijd, met zwarte lijsten om deur en vensters,

grijs van stof en spinneweb, had iets sombers, door de onzindelijkheid

verhoogd. De meubels waren ook zoo. Voor de deuropening, dicht, een

donkerrood, helgeel gebloemd gordijn, frisch en nieuw uitziend, scherp

afstekend bij het geheel; tafel, stoelen, banken en kasten oud, donker

van vroeger japansch lakwerk, vol vegen en plekken van afgebrokkeld

belegsel, de eens vergulde randjes in flauwe grijsgele streepjes nog

maar zichtbaar hier en daar; verder eraf; de overtrekken der divans met

vlekken en scheuren, verschoten en vies.

Maar er werd gelachen; er was vroolijkheid; de vrouwen deden wat zij

wilden; ze waren opgewekt; ze hielden van een pretje; en de penghoeloe

had er zelfs niets tegen, dat mindere priesters en jonge santri’s een

praatje kwamen maken in de vrouwenvertrekken, mits zij van de familie

waren, en dat waren ze allicht, als het goed werd uitgerekend.

Minah had er haar eerste bezoek gebracht, en de vrouwen waren ook eens

bij haar geweest. Sedert kwam zij er geregeld, bracht gewoonlijk wat

lekkers te snoepen mee, en was eerst wel verwonderd over de mate van

vrijheid en zelfs van zekere ongegeneerdheid in de woning van den

buitenshuis zoo ongenaakbaren, heiligen man, maar vond het heel

pleizierig; veel te aangenaam om er iets van te zeggen.

Aboe Bakar: Indische Roman · 第 12 / 15 段