„Ze wordt ’n boel genietbaarder,” meende Verlande.

„Het is ’n gewone geschiedenis,” meende zijn vrouw.

„Toch niet....”

„Zeker, de mijne ook. Je hebt mijn brieven uit dien tijd naar Holland

niet gelezen.”

Eindelijk, na jaren, kwam Nora weer op Adam Silver terug, met het

verhaal van de stoomboot. Zij was nu zeer ongerust en moest en zou ten

slotte met hem spreken, want zij was soms in doodelijken angst, dat

haar man er iets van vernemen zou.

Doch de Verlande’s trachtten haar gerust te stellen. Hoe kon zij zich

nu nog muizenissen in het hoofd halen om die oude, onschuldige tjerita,

schreven ze. Die moest ze vergeten, negeeren, beschouwen als nooit

gebeurd.

En Nora deed er haar uiterste best voor, maar het was er zoo ingeroest,

dat ze toch altijd schrikte als ze een rijzigen Arabier zag of een

hadji, en het was haar op een goeden dag of ze verstijfde van het hoofd

tot de voeten, toen Aboe Bakar haar erf opkwam, in zijn kleurig gewaad,

groot en breed tusschen het bontgroen der rijen crotons door.

De Slaters woonden in een huurhuis, wijl er van gouvernementswege geen

hoofdofficierswoning open was; ze hadden er niet op gelet, dat het huis

ten publieken verkoop was geannonceerd. En Aboe Bakar, die het geld,

dat hij overhield, nu voortdurend in huizen bleef beleggen, had ook

niet geweten wie de huurders waren. Hij had het huis gekocht, eenvoudig

op de omschrijving en het advies van een inlandsch beambte bij ’t

kadaster, en nu kwam hij zich eenvoudig als de nieuwe eigenaar

aanmelden bij den huurder.

Het trof hem zeer; ook dat ze zoo knap was geworden in haar huwelijk;

maar hij had zich heel gauw vermand en groette haar als een vreemde, en

sprak haar aan in het maleisch:

„Ik vraag verschooning, dat ik u kom lastig vallen, mevrouw. Ik kom

alleen u zeggen, dat ik dit huis heb gekocht.”

Zij keek hem aan, verwezen; en toen ze niet antwoordde, ging hij door

in ’t maleisch:

„Het is niet, dat u moet verhuizen, volstrekt niet; u kunt blijven

wonen zoolang u wilt; het is enkel als er iets is over reparatie of

zoo....”

Dat was dan geworden van dien netten jongen, dien ze in haar

meisjesjaren had liefgehad; dàt was dan de naar de laatste mode

gekleede mooie jeugdige oosterling, dien ze gekend had in Den Haag! Zij

had de niet beredeneerde maar traditioneele minachting van den

Hollander in Indië voor al wat hadji is. En zoo stond hij daar nu

tegenover haar, maleisch sprekend; bescheiden, als een mindere; den

trek van onderworpenheid, die bij den oosterling tot de beleefdheid

behoort, op den fraaien mannenkop. Een groot gevoel van compassie kwam

over haar; het deed haar aan; ze moest opstaan en naar binnen gaan om

niet te laten zien, dat van tranen haar de oogen vol schoten.

Aboe Bakar zag het natuurlijk wel, maar begreep er niets van. In dien

gedachtengang had hij zich niet kunnen verplaatsen; dàt was hem nu zoo

vreemd. En hij had toch niets verkeerds gedaan! Integendeel; hij had,

vond hij, het haar zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt; zij had hem kunnen

antwoorden in het maleisch en hem behandelen, als had zij hem nooit

gezien; enkel als de huisbaas.

Nu ging zij schreiende naar binnen!

Hij had nog niet uitgepikird, toen zij terugkwam en hem wenkte in de

binnengalerij.

„Ik heb u een verzoek te doen!” zei ze zenuwachtig, toen hij

binnentrad.

Zwijgend boog hij, den blik latende gaan over het glinsterend marmer en

het glimmend gecireerd der nette meubels, meteen het huis, dat hij

gekocht had, eens opnemend.

„Het is: nooit te spreken, nooit en met niemand over ons.... onze....

verhouding in Holland.”

Een spottende glimlach ging over zijn gezicht, en hij liet den

golvenden zwarten baard door de zware hand glijden. Wat was dat nu? Wat

verbeeldde zich zoo’n Europeesch vrouwtje, dat een man, een Mohammedaan

als hij, zou spreken over haar!

„Ik heb het nooit gedaan,” zei hij.

„Beloof me, dat het nooit zal gebeuren.”

Zij was zoo dicht bij hem komen staan, zij zag hem zoo vlak in het

gezicht, en hij had zulk een eigenaardige ervaring opgedaan met een

andere, ook zoo blond en blank, dat hij dacht aan een grapje; zijn

donker gezicht kleurde op, en hij boog zich voorover tot zij met een

rilling van schrik zijn baard voelde tegen haar wang.

„En dan mijn belooning?”

Nora was woedend; hij zag haar bleek worden als het steenen tafelblad,

zoodat hij ervan schrok; de uitdrukking van minachting trof hem zoo,

dat hij de hand op z’n borst lei en een stap terugging.

„Ik wist niet, dat je zoo’n gemeene kerel waart geworden.”

„Dat ben ik niet,” protesteerde hij met ongewone levendigheid. „Ik ben

geen gemeene kerel.”

„Dat ben je wel.... Mijn huis uit! Het uwe zal ik ook verlaten.”

Een oogenblik stond hij sprakeloos; verstomd zóó te worden weggejaagd,

als een hond, juist nu hij meende heel slim te zijn en iets bijzonder

goed te begrijpen.

„Als ik u beleedigd heb....”

„Dat weet je heel goed.”

„Ik vraag er vergeving voor.... Wij, Mohammedanen, moeten deugdzame

vrouwen eerbiedigen, en dat doen wij ook.... Ik meende...”

„Van mij?”

„Ik weet het niet. Met uw soort menschen houd ik geen omgang, al vele

jaren niet. Maar één heb ik ontmoet.”

„En die ééne?”

Hij maakte een afwerend gebaar met de hand, den linkerarm uitgestrekt.

„Ik mag geen kwaad spreken. Vergeef het mij. Voortaan zal ik hier niet

meer komen. En ik zal er nooit over spreken; ik zweer het u bij den

koran.”

Aboe Bakar groette haar eerbiedig; zij stak onwillekeurig de hand uit,

getroffen door zijn oprechte spijt; doch hij deed, als zag hij het

niet, boog in, op oostersche wijze, en ging heen, bedaard en rustig in

houding en gang.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

ABOE BAKAR KIEST ZICH EEN TWEEDE VROUW.

Mevrouw Slaters was er heelemaal door gekalmeerd; zij had nu de

volkomen zekerheid, dat hij nooit reppen zou over hun vroegeren omgang,

en tegelijk zag ze in, dat ze zich eigenlijk noodeloos ongerust had

gemaakt.

Maar die ééne... ja, dat kon haast niemand wezen, dan dat aardige

levendige vrouwtje, dat ze nu nog wel eens ontmoette op ’n partij in de

societeit of in private gezelschap. Zij dacht eraan haar uit te hooren,

overtuigd, dat het jong en overmoedig schepseltje al heel gauw zou

laten doorschemeren, wat ervan was; maar het boezemde haar te veel

afkeer in; c’était fini nu, dacht ze, en onwillekeurig zuchtte ze diep,

het was nu zóó goed, dat niets bedorven mocht worden.

Aboe Bakar, zeer ontevreden over zichzelven, nam onder het naar huis

gaan ook een besluit. Eerst had hij zoo lang gedraald om een tweede

vrouw te nemen bij Minah, wijl hij bang was voor scènes; nu had in den

laatsten tijd die zondige en met het heilige boek geheel strijdige

relatie hem ook al van dat plan teruggehouden,—hij had nu, dacht hij,

een goed voorbeeld in het flink gedrag van Nora; hij zou die relatie

afbreken en een mooie jonge, inlandsche vrouw erbij nemen.

Als hij eens informeerde bij de inlandsche ambtenaren en hij gaf er

flink geld voor, dan zou er wel gauw een te vinden zijn; hij zou het

dan maar dadelijk doen, en hij nam er een rijtuig voor; geen gewoon

karretje of een dos-à-dos, maar een mylord.

Het was in ’t geheel niet moeilijk; de eerste de beste, die hem met

veel betoon van hartelijkheid en onderscheiding ontving, kende er wel

een, die een mooie dochter had en haar graag als vrouw aan den rijken

hadji wilde afstaan.

Maar eerst moest hij haar zien.

Zij was niet, als Minah in vroeger jaren, een kind van het binnenland,

donker, sterk, in volheid van lucht en licht opgewassen, met hard,

veerkrachtig vleesch,—zij was meer een kasplant, heel licht van huid,

bij blank af, zacht en poezelig; met iets kwijnends in de oogen en

sentimenteels in het gezichtje; maar zoo mooi van vormen en begeerlijk

van persoon in haar wiegelenden gang, lengang-lengang door het huis,

dat het Aboe Bakar voor de oogen schemerde.

Zeker, hij wilde haar hebben, heel graag!

Maar het zou niet behoorlijk zijn geweest, als hij iets van zijn

begeerte had doen blijken; langzaam ging hij heen, uitgeleid door den

vader, die hem voorstelde over deze „zaak” nog eens te komen praten.

En als altijd bij zijn persoonlijke aangelegenheden, praatte hij er ’s

avonds over met zijn compagnon op het bankje voor diens huis.

„Ik ben bang, dat ik te veel van haar zal houden,” zei Aboe Bakar.

„Men kan nooit te veel van een vrouw houden,” meende Pa Djalil.

„Niet? waarom niet?”

„Het wordt vanzelf wel minder; ten slotte gaat het heelemaal over.”

Maar Aboe Bakar schudde het hoofd; neen, dat was het niet; hij wist

heel goed, dat het niet altijd was als in het begin; neen, dat bedoelde

hij niet.

„Wij mogen meer dan één vrouw hebben.”

Pa Djalil, die den nadruk op mogen niet snapte, glimlachte om het

onnoozele gezegde; alsof een kind niet wist, dat een orang selam dat

mag! Wat leuterde Aboe Bakar hem, ouden man, nu aan de ooren?

„Maar wij mogen de een niet meer liefhebben dan de andere.”

„Waarom niet?”

„De koran verbiedt het.”

„Och kom,” zei Pa Djalil ’n beetje knorrig, nu zijn compagnon weer kwam

aandragen met den koran. „Het is niet mogelijk.”

„Betoel, het staat er,” verzekerde Aboe Bakar met den grootsten ernst;

„wie zijn eene vrouw liefheeft boven de andere, zal op den dag der

opstanding met ongelijke billen verschijnen.”

Pa Djalil keek hem aan met wijdopen oogen; een oogenblik verstomd; toen

riep hij met een hooge stem:

„Bilang apa?”

En toen Aboe Bakar het had herhaald, sloeg hij met een harde klets de

vlakke handen op de knieën, en schoot in een luiden lach, zooals ’t hem

in jaren niet was overkomen, met daar tusschen een herhaald, terlaloe,

terlaloe, pantatnja tida rasa; en dan lachte hij weer voort, tot hij

met de punt van zijn baadje zich de tranen van ’t gezicht veegde.

Aboe Bakar lachte niet mee; hij ergerde zich, en ook was, vond hij,

luid lachen ongepast, als men ernstig sprak over het heilige boek.

„Het is Soerah IV....” begon hij weer met overtuiging.

Maar de oude liet hem niet uitspreken.

„Schei uit,” riep hij, „ik wil er nu niets meer van hooren; ik zeg u,

laat dat alles loopen en doe wat ieder onzer doet en door iedereen

wordt goedgevonden. Er zijn geleerde menschen, die alles in den koran

napluizen, dat weet ik al veel jaren; de één zegt het is zus en de

ander het is zóó, maar het verandert niets aan wat wij allen, goede

Mohammedanen, doen, en wat onze vaders en grootvaders hebben gedaan.

Laat de geleerden twisten, zeg ik u; wij handelen in koeien en

schapen.”

„Ik ga naar huis,” zei Aboe Bakar, „het mag wezen, dat je volgens de

menschen gelijk hebt, maar het staat duidelijk in het boek; ik kan het

laten zien.”

„Ik wil het niet zien.”

Zoo scheidden zij zonder boosheid; Aboe Bakar een weinig gekrenkt,

omdat het beetje koran-wijsheid, dat hij van den penghoeloe had, die

hem leerde vóór zijn tocht naar Mekka, dus werd miskend door een niet

onderwezen man; Pa Djalil ernstig ongerust over den geestestoestand van

zijn compagnon; daar pikirde hij nog lang over; hij had het in zijn

leven meer bijgewoond, dat een mensch gek werd door te veel te denken

over den godsdienst, en hij vreesde, dat Aboe Bakar al een aardig eind

op weg was. Dat kwam, dacht Pa Djalil, van dat veranderen van

godsdienst. Als men in een religie was geboren, gelijk hij zelf, nam

men al die dingen zoo zwaar niet op; men deed gelijk zijn vrienden en

familieleden en bemoeide zich niet met de rest. Maar zij, die

overgingen van het een op het ander, maakten zich noodeloos druk over

dingen, waaraan een ander nooit dacht, en zij wilden van alles het

fijne weten. Nu, wanneer die Aboe Bakar eens gek werd, als hij op reis

was om vee te koopen met een groote som geld, wat dan?

Dan was het geld weg!

Pa Djalil zuchtte diep bij de enkele gedachte aan zoo iets, en daar het

koel werd in de avondlucht, trok hij z’n baadje dichter om zich heen en

nam wat obat.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

GELDELIJKE VERWIKKELINGEN.

Het was een lange conferentie, die Aboe Bakar had met de mannelijke

familieleden van zijn aanstaande tweede vrouw.

Over het godsdienstig bezwaar had hij zich heengewerkt; er stond toch

ook in den koran, dat men alleen dan geen tweede vrouw moest nemen, als

men vreesde onrechtvaardig te zullen zijn; nu, dat zou hij niet wezen

tegenover Minah; zij was wel een erg onsmakelijk mensch geworden, en

dat werd erger met den dag, nu ze wist wat er gebeuren zou en zich er

aan doodergerde,—maar hij zou ’t haar nooit aan iets laten ontbreken en

haar nooit anders slaan, dan wanneer ze het overeenkomstig den koran

verdiende.

En verder zou hij een grooter huis betrekken met betere, mooier

gekleurde kelamboes voor deurgordijnen en nieuwe van kant voor de

bedden; en hij zou ’n paar zindelijke dienstboden zoeken om voor alles

te zorgen; en nieuwe fijne matten voor den vloer; andere tafels met

marmer; mooie gebeeldhouwde stoelen; nieuwe kussens en bultzakken; ook

zou hij veel reukwerk koopen om te branden, en voor het haar.

Dat alles nam hij zich voor te doen,—maar onrechtvaardig wezen

tegenover de moeder van zijn zoon,—neen, dat niet.

Op die lange conferentie werd niet veel gesproken. In het midden der

pendoppo zaten ze bijeen, ieder op een mat, de beenen gekruist onder

het lijf, het rookgerei in waterglazen om hen heen; en nu en dan werd

er iets gezegd over de huwelijksgift, die Aboe Bakar zou schenken aan

zijn tweede vrouw in den zak haars vaders.

Het bedrag werd, meende de patiënt, akelig hoog opgevoerd; de honderd

dinars uit den koran, haalden er, dacht hij, volstrekt niet bij; maar

telkens als hij lang aarzelde, zag hij toevallig rechtuit in een

vertrek, waartegenover hij zat, de jonge mooie aanstaande, hetzij komen

of gaan; en dat maakte hem dan weer williger.

Toch was het niet zoozeer de hooge huwelijksgift, waarover zij het dien

avond eens werden, die diep in Aboe Bakar’s geldkist greep; het was ’t

nieuwe voornamere leven, dat hij tegemoet ging.

Minah was, meende hij, nu in het geheel niet meer te vertrouwen, en

daar hij, ondanks de dreigende ongelijkheid, heel veel gevoelde voor

Dailah, zijn tweede vrouw, hield hij ze zooveel mogelijk van elkaar af;

en hij kreeg er ook tal van inlandsche familieleden bij, deftig

ambtelijk, maar altijd arm. Wat niet wegnam, dat hij nog in aanzien

steeg door bezoeken van aangetrouwde ooms en neven, die achter zich

oppassers hadden, pajongs dragend met een vergulden rand.

Hij was in die rol al heel gauw thuis, hen met buigingen en

beleefdheden ontvangend, maar direct klagend over den slechten tijd en

de weinige winsten, die hij maakte; want hij wist wel, dat ze altijd

geld kwamen leenen, en wanneer zag men dat terug!

De waarheid was, dat hij, ondanks zijn tweede huwelijk, dubbele

huishouding en arme aanverwanten, met den veehandel gelukkiger was dan

ooit.

Njai Peraq kwam nooit in zijn huis; de zuster was getrouwd en de in het

geheel niet adellijk uitziende Boudrin de Chatonville wilde, nu hij een

betrekking had, van geen ondersteuning door den islamitischen zwager

meer weten.

Bram was een Pechvogel; hij verdiende geld genoeg met een

karrenverhuurderij en met allerlei knoeierij voor inlanders, maar hij

was „een minnaar van het spel, voornamelijk van de kaart,” en dat

bracht hem vaak in ongelegenheid.

Hij werd, net als wijlen John Silver, zenuwachtiger met den leeftijd;

Aboe Bakar stiller, teruggetrokkener, devoter. Door zijn schoonvader

was hij in aanraking gekomen met een priester uit het binnenland, en

die bezocht hem vaak.

Dan hielden zij lange gesprekken over den koran, en Aboe Bakar schokte

dat meer en meer in zijn oude stellingen; langzamerhand begon hij in te

zien, dat er geen andere uitverkorenen konden zijn, dan de ware

geloovigen; dat alle anderen kafirs waren.

Zacht sprekend, den tasbih door de hand latende glijden, zaten ze weer

bijeen, in de ruime houten voorgalerij van Aboe Bakar’s nieuwe huis, op

een lage bank in een hoek bij ’n klein tafeltje; het lamplicht brandde

rossig flauw; de scherpe lijnen op het gezicht van den penghoeloe in

een lijst van aan de wangen kort geknipt wit haar, puntig uitloopend

aan de kin, krompen of zetten uit in het dringend betoogen; de slimme

kleine oogjes blonken lichtend onder de ruige grijze wenkbrauw; de

groote gladgeschoren bovenlip met den haviksneus erover en de mond,

ingevallen eronder als een groef met verticale rimpels daarop, door de

leegte van tandeloosheid eronder, gaven iets diabolieks aan het masker,

tegenover het goedig donker gezicht in een profusie van grof blauwzwart

haar tegenover hem.

Een driftige hand lichtte de neergelaten keré op.

„O, heb je gezelschap,” zei Bram, zich vlug tusschen de opening naar

binnen werkend. „Het is anders maar een oogenblik.”

Aboe Bakar liet niet blijken, dat hem dit bezoek onaangenaam verraste.

Hij stond op, en stelde met groote deftigheid de „heeren” aan elkaar

voor; met een vertoon van vriendelijkheid gaven Bram en de priester

elkaar de hand; zij zagen elkaar even maar in de magere tronies en

kregen geen van beiden een pleizierigen indruk.

Bram kwam spreken over paarden; hij had een prachtig span bijeen

gekregen, heel toevallig en erg goedkoop.

„Je kunt het krijgen voor wat ze mij kosten,” zei hij tegen Aboe Bakar,

„het is te geef.”

En hij beschreef de paarden en hun teekens. Maar Aboe Bakar had er geen

zin in.

„Mag ik ze eens komen zien?” vroeg de penghoeloe, een groot liefhebber.

„Zeker; maar u kunt ze voor dien prijs niet krijgen; met hem is dat wat

anders; aan hem zou ik niet willen verdienen.”

„Laat ze den penghoeloe zien,” zei Aboe Bakar zacht, „en geef ze hem

voor wat hij wil betalen.”

Daar had Bram verduiveld weinig lust in, maar weigeren kon hij niet;

hij knikte dus toestemmend, grimmig schuinoogend naar den vreemden

bezoeker.

„Ik wou je nog wel even apart spreken,” zei hij.

En toen Aboe Bakar, na een excuus aan den penghoeloe, met hem buiten

was, zei hij:

„Ik moet je voor dien kerel waarschuwen, Adam. Hij is een echte patser,

en bij het bestuur vertrouwen ze hem ook niet.”

„Hij is een braaf godvreezend imam, en als men kwaad van hem spreekt,

geloof ik, dat men lastert.”

„Wees nu niet gek,” hernam Bram kwaadaardig; „ik zeg je, dat hij een

gemeene vent is. Je hebt trouwens zijn tronie maar aan te zien.”

„Ik zeg je,” en ditmaal was Aboe Bakar werkelijk zeer boos, „dat hij

een goed mensch is.”

„Nu,” hernam Bram, ook erg uit zijn humeur, „ik herhaal, wat ik je

jaren geleden al heb gezegd: vroeg of laat zal je hun dupe worden.

Bonsoir!”

Toen hij nijdig wegliep, verdwijnend in het avondduister, waarin het

erf wegzonk, keerde Aboe Bakar zich zuchtend om en stapte het

galerijtje op.

„Is hij uw oudere broeder?” vroeg de penghoeloe.

Toen Aboe Bakar toestemmend antwoordde, streek de oude zich met een

bedenkelijk gezicht over het voorhoofd en zei toen met een sinister

lachje: „Men mag geen kwaad spreken, maar in den koran staat, dat er

vroolijke en bedroefde aangezichten zullen zijn den dag der

opstanding.”

Ofschoon Aboe Bakar wel begreep wat de priester wilde zeggen, gaf hij

er geen weerwerk op. Hoe konden toch, dacht hij, goede menschen op het

eerste gezicht zóó tegen elkaar zijn ingenomen! Want Bram was goed en

hij hield van hem; en de penghoeloe was een hoog en heilig man; aan den

een dankte hij zijn geld, aan den ander de toenemende onderscheiding,

waarmee hem de menschen tegenwoordig behandelden; hij kon het zien op

straat, als ze hem groetten, in ’t voorbijgaan, en diep inbogen om zijn

hand te kussen; ook werd hij genaakbaarder voor de Arabieren, sedert

hij zooveel omging met den penghoeloe...

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

MEN KAN GEEN PRIESTER EN KOOPMAN ZIJN.

Het deed Aboe Bakar leed, dat Pa Djalil met den dag minder

vriendschappelijk werd. Wel ging hij nog ’s avonds met den oude over

zaken spreken, maar het vlotte niet zoo goed, en Djalil had allerlei

aanmerkingen. Eens had hij beproefd te reageeren op de gewoonte van

zijn compagnon ’s avonds obat te nemen,—hij dacht daar, voor zichzelf,

allang niet meer aan, en schaamde zich de herinnering—maar dat was hem

slecht bekomen. Nu had hij zorgen over dit alles en hij stortte zijn

hart uit voor den penghoeloe, die heel lang zweeg, nadat Aboe Bakar had

uitgepraat. Eindelijk zei hij:

„Pa Djalil is zwak; hij is geloovig, maar onwetend; daarom zal hem

wellicht vergeven worden, dat hij zondigt tegen den koran. Gij hebt hem

vermaand en uw plicht gedaan; tracht geen macht over hem uit te

oefenen; zoo hij volhardt, wend u van hem af.”

„Ik kan niet; wij hebben samen een belangrijken handel.”

„Dat weet ik. Misschien kunt gij het eene doen zonder het andere na te

laten.”

Aboe Bakar begreep het niet, en toen de priester dat uit zijn

stilzwijgen afleidde, ging hij voort:

„Het is niet goed, dat gij dien handel drijft, zooals gij doet. Het is

geen werk voor u, die de schriften beoefent en wellicht een

uitverkorene...”

En op het nederig gebaar vol bescheidenheid van den ander:

„Ik zeg niet dat het gebeuren zal; maar de werken zijn het water, dat

de plant doet groeien.”

„Als ik wist hoe ik doen moest.... Het is zoo moeilijk.... Hij houdt

onze boeken.... Hoe krijgt men zulke zaken uit elkaar!”

„Niet noodig. Gij drijf een handel in vee; gij kunt u neerzetten in de

binnenlanden en daar koopen en naar hier zenden. Een ander zou hier uw

werk kunnen doen.”

Het was een goed idée, vond Aboe Bakar; wel had hij geld genoeg om van

te leven, meer zelfs dan hij noodig had; maar hij durfde eigenlijk met

een voorstel om zich terug te trekken niet bij zijn ouden compagnon

aankomen.

„Er zijn,” ging de penghoeloe voort, „bij ons in de buurt kleine

landerijen, mooi gelegen, waarop men een goede woning kan laten bouwen;

het hout is goed en goedkoop, de bamboe en de atap ook, de menschen

kunnen beter huizen maken dan hier.”

„Als ik zoo iets gedaan kon krijgen, zou ik graag willen.”

„Langzaam aan; men moet zich niet haasten. Spreek er over met dien

Djalil. Hij zal wel willen.”

Ze gingen er verder over door op die manier, en bij Aboe Bakar was het

reeds gerijpt tot een bepaald plan; het lachte hem toe, daar in de

binnenlanden rustig te leven; niet van huis te moeten voor zaken, en

zich ’t hoofd daarmee niet te moeten breken; voortdurend om te gaan met

den penghoeloe, om een man te worden als hij, vroom en geleerd in den

koran.

„Nog iets moet ik u zeggen,” zei de penghoeloe bij het scheiden. „Wees

voorzichtig voor uzelven tegenover uw vrouw Dailah.”

Aboe Bakar schrikte.

„Voor Dailah?”

„Ik vrees dat ge te veel van haar houdt; men moet zijn hartstochten

bedwingen; zich geen afgod maken van eene vrouw.”

Verlegen keek Aboe Bakar voor zich: het was waar; hij was dol van zijn

tweede vrouw, en hij keek in ’t geheel niet om naar Minah, die voor

weinig meer telde in het huis, dan een noodzakelijk kwaad; voor minder

dan een slavin. Zij had haar partij gekozen, naar het scheen, en leefde

haar eigen leven in luiheid en buurtpraatjes.

In stilte bewonderde Aboe Bakar den priester, die dat alles scheen te

begrijpen en te doorzien.

Tot laat in den nacht bleef hij bidden. Wat was het toch moeilijk zóó

te leven, als men moest! Maar hij zou het in dit opzicht beproeven; dàt

nam hij zich ernstig voor. Ook met Pa Djalil zou hij spreken over zijn

plan om Batavia te verlaten; te gaan wonen in de binnenlanden en

niettemin te blijven in de zaken.

Den volgenden avond, toen ze afgedaan hadden met hun loopenden handel,

zittend op het bankje, begon hij erover; de oude liet hem uitpraten.

„Ik moet daarover denken,” zei hij, en een minuut of wat later: „Ik

geloof niet dat het gaan zal.”

„Waarom niet?”

„Men kan geen twee dingen tegelijk doen. Wie handelaar is, moet dat ook

zijn zonder iets anders. Ik heb allang begrepen, waarheen ge wilt. Ga

uw gang, het is misschien beter voor u. Voor mij is het wat anders;

voor mij is het niet beter een compagnon te hebben op die manier.”

„Wel,” hernam Aboe Bakar, „als wij van elkaar af kunnen.”

„Waarom zouden wij niet? Ik heb de boeken duidelijk gehouden en bij tot

vandaag. Het is gemakkelijk te zien, wat wij in de zaak hebben op het

oogenblik, de eene helft is mijn aandeel, de andere het uwe.”

Het griefde Aboe Bakar toch dat de oude blijkbaar zoo weinig prijs op

zijn medewerking stelde, en Djalil, toen hij dat hoorde aan het zwijgen

van zijn compagnon, zei goedig:

„Het spijt me dat het zóó loopt, maar het is niet anders. Ge spreekt

tegenwoordig altijd over den koran en ik weet er maar weinig van, doch

er staat toch ook in, dat niemand twee meesters kan dienen...”

„Soerah XXXIX...” begon Aboe Bakar onwillekeurig.

Aboe Bakar: Indische Roman · 第 11 / 15 段