Ze waren opgewandeld tot het station. Bram en Aboe Bakar voorop; de

anderen in een ganzenrijtje erachter aan; ze togen in een derde klasse

waggon en onder het rijden hoorde Aboe Bakar meer bijzonderheden over

het „ongeluk,” dat zijn familie had getroffen; de jongste broer had

niet mee gewild naar Batavia, maar was weer gaan werken als

opzienertje; die was, zei Bram, heelemaal verwilderd; net ’n

boschmensch.

En bij het aanhooren dier bijzonderheden, die hem geen belangstelling

inboezemden, dacht Aboe Bakar na over hetgeen hem te doen stond.

„Ga jij nu met haar en dien Chatonville naar een logement...”

„Wel, neen, wij logeeren bij kennissen van hem, daar ergens achter

Molenvliet; als ik geweten had waar jij woonde...”

„Hier in de stad in de kampong. Ik heb nu zaken en wou enkel de oude

vrouw mee naar mijn huis nemen. Natuurlijk zal ik jullie helpen;

daarvoor behoef je niet bang te zijn...”

„Dat ben ik ook niet,” zei Bram.

„Goed, schrijf me dan je adres op; ik kom van avond bij je. Heb je nu

iets noodig?”

„Neen, zóó is het niet, dat ik geen cent in mijn zak heb. Maar meer dan

’n paar honderd pop, alles samen genomen, zit er niet aan.”

Met zijn moeder reed Aboe Bakar naar zijn woning.

„Ik heb zonde gedaan voor God,” zeide ze onder het rijden, „ik had het

geld moeten bewaren voor u, het hem niet moeten afstaan; ik meende, dat

hij in die zaken pinter was.”

Maar Aboe Bakar was het niet met haar eens:

„Het is heel goed zoo, moeder; het was het geld van... den ouden heer

Silver; ’t was dus dat van Bram ook.”

„Ik had het verdiend.”

„God vernietigt den woeker en vermenigvuldigt met woeker den prijs der

aalmoezen.”

Daar zweeg njai Peraq op; en een oogenblik reden ze stil voort, in het

op de slappe veeren slingerende karretje, tot zij weer zei:

„Het is zonde van het geld, waarvoor ik zooveel jaren heb gewerkt.”

„Ik had het toch niet mogen aannemen,” troostte haar Aboe Bakar met

islamitische onverbiddelijkheid. „De koran zegt, dat er geen zegen is

bij het geld van den woeker; ik had het uwe niet willen hebben in mijn

zaken; zij zouden er door vernietigd zijn, gelijk die van Bram en de

uwe zelf.”

Met al haar eerbied voor den in haar oogen zoo heiligen en geleerden

zoon, vond njai Peraq het niets prettig dus de les te worden gelezen,

en dat nog wel nu zij haar geld kwijt was; daarom zei ze in het geheel

niets meer, ook niet toen het karretje op een hobbeligen smallen

kampongweg stilhield, en Aboe Bakar haar eruit hielp.

NEGENDE HOOFDSTUK.

SCHOONMOEDER EN SCHOONDOCHTER.

Njai Peraq liep regelrecht naar achter, de scheidinggordijn wegslaande,

en daar stond ze tegenover Minah, die ervan schrikte. Het was geen

aangename ontmoeting. Bij Minah streden de vrees voor de schoonmoeder

en de zucht zich in haar eigen huis niet de wet te laten stellen om de

overhand; njai Peraq was woedend. Aboe Bakar, die de bekende trommel

zijner moeder in de voorgalerij had laten zetten, ging daar zitten op

een wipstoel naast het tafeltje in het midden. De eerste plicht der

gastvrijheid werd stil vervuld, de moeder ging op de „eeremat” zitten,

dronk een kop koffie en at met de vingers wat rijst uit een pisangblad.

Minah rammelde in het maleisch over de buurt-perkaras; maar toen njai

Peraq, die niets gezegd had, met eten en drinken klaar was, sloeg zij

van haar kaïn de korrels rijst, die dadelijk door een grooten haan met

harde tikken van den houten vloer werden opgepikt, zette haar bril op

en zei langzaam:

„Het is een vuile boel in het huis van mijn zoon.”

Daar had je ’t al, dacht Minah, en zich tot verweer gereed makende.

„Wij zijn tevreden.”

„Een man let daar niet op, hij ziet het niet, hij gewent eraan, een

vuile vrouw maakt een vuilen man.”

„Het is hier niet vuiler dan elders.”

„Bij mij aan huis was het zoo niet, bij den mantri, uw vader, ook

niet.”

En toen Minah, inwendig kokend van woede, zweeg, ging de oude voort.

„Wat doe je den heelen dag? Moet ik het nog vragen? Je doet niets; als

een lui beest lig je daar tusschen vuile bantals, die nooit gelucht

worden. Je moest de vrouw zijn van een koeli, dan zou die je slaan met

de rotan.”

„Ik behoef immers niets te doen! Aboe Bakar is rijk, ik kan alles laten

doen als ik het wil.”

„Maar je bent zelfs te lui om te laten werken. Wat ben je? Ik heb je

opgeraapt van den weg; je vader stond te krakal als een kettingganger,

wanneer ik hem niet geholpen had. Goed, ik zou je danken met mijn hart,

als ik zag, dat je een goeje vrouw voor mijn zoon was. Je bent vuil en

lui. En je hebt maar één kind.”

„Het is mijn schuld niet.”

„Traperdoelie, het is niet zooals het behoort. Ik had gedacht hier te

komen in een nette woning, met een goede flinke vrouw; ik kom in een

varkenshok met een slechte zeug.”

Dàt was te veel voor Minah; zij verschoot van grijs in zwart en

omgekeerd in het bruin der huid.

„Het is zijn schuld.”

„Het is nooit de schuld van den man.”

„Het is goed praten, als je van een ouden leelijken Europeaan de njai

geweest ben, en grapjes had met Arabieren; dan kan men dat van zoo’n

kerel verdragen. Ik ben een fatsoenlijke getrouwde vrouw, en ik kan me

niet zóó laten behandelen; ik hield van hem en hij behandelt me als een

hondenkind.”

Gelukkig schoof Aboe Bakar de gordijn op zij en kwam binnen; hij had

geluisterd, en vreezend dat njai Peraq handtastelijk zou worden—wat zij

al was—trad hij tusschenbeiden.

„Wat wil je zeggen?” vroeg hij Minah, die met een boozen trek om den

mond en de oogen neergeslagen tegen den wand stond.

„Ik wil hebben, dat je antwoordt,” herhaalde hij.

En toen ze nog altijd zweeg:

„Voor de derde maal: zal je antwoorden?”

Het was de eerste keer in zijn leven, dat hij de hand uitstak naar een

vrouw, maar hij moest het doen; moest hij, levend naar den koran, de

ongehoorzame vrouw niet slaan?

Daarom liet hij zijn zware vuist een paar malen neerkomen op haar

schouders, greep haar in de kondé en slingerde haar door een achterdeur

het binnenplaatsje op, waar ze neerviel bij den put, een paar gendies

brekend bij het vallen.

Wat had hij daar een berouw van!

Minah zette een keel op, die de heele kampong deed uitloopen.

Verschrikt stapte Aboe Bakar naar voren en ging met ’n kleur van

schaamte weer naast het tafeltje zitten. Wat was zij toch een brutaal

beest!

Het kamponghoofd kwam zijn erfje op, met een vriendelijk gezicht,

plichtshalve.

„Ada apa, toean saïd.”

Hij haalde de breede schouders op, reikte den inlander de vingertoppen,

en zei lachend:

„Ah, gila behasa; trada ada apa apa.”

Njai Peraq had het zóó niet bedoeld; zij had nooit slaag gehad van John

Silver op die manier; nu en dan had hij in een stadium van erge

opgewondenheid, zich verstout haar met zijn magere knokkels op het

dikke vleesch der bovenarmen te stompen, maar zoo’n pak was haar te

erg; zij zou het ook niet hebben verdragen.

Zij trachtte nu Minah te troosten, die vastbesloten scheen te blijven

doorjammeren bij den put.

„Slaat hij wel meer?” vroeg ze.

„Het is de eerste maal; ik dacht wel dat het komen zou; hij zal me nu

wel meer slaan; hij heeft maar een voorwendsel gezocht; ik begrijp het

wel; maar ik wil niet; het zal niet gebeuren; hij mag me dood slaan;

laat hij mij maar dood slaan, dat kan me niet schelen; hij heeft me

geslagen; hij zal me nu altijd slaan.”

Zoo brulde zij voort, den arm opgestoken tegen de bamboezen heining,

het hoofd heen en weer rollend over den arm.

En toen ze eindelijk bedaard was, kwam het hooge woord eruit:

„Hij wil er nog een vrouw bijnemen.”

Dat keurde njai Peraq af, maar zij wilde toch haar zoon verdedigen, en

met een schijn van onverschilligheid zei ze:

„Wat zou het?”

Minah keek haar strak in het gezicht.

„Ik zou u wel eens hebben willen zien, als....”

Maar dat liet geen vergelijking toe.

„Meneer Silver was een Europeaan en ik was niet met hem getrouwd

volgens de adat; als hij mij had willen wegzenden, zou hij dat gedaan

hebben; als hij een ander had genomen, zou ik zijn huis hebben

verlaten. Hoe heb ik zijn huishouding bestuurd? Hoe heb ik hem geholpen

met alles? Had hij niet drie zonen....”

Hier lachte Minah schamper.

„Iedereen zei, dat hij er maar twee had.”

„De menschen zijn kwaadsprekers en jij praat hen na,” zei njai Peraq

kalm.

„Waarom kon Aboe Bakar dan geen Europeaan blijven?”

Een oogenblik dacht de oude na; dan zei ze onverstoorbaar kalm:

„Toewan Allah heeft het zoo gewild; hij heeft Silver doen vergeten, dat

kind te laten opschrijven in het boek der blanda’s; het is een wonder.”

Minah trok de wenkbrauwen op, diep en hoorbaar ademhalend door den

neus; nu, vond ze, dàt wonder, dáár was een luchtje aan!

„Hoe het ook zij, het zal niet gebeuren,” herhaalde ze, toen

terugkomend op de hoofdzaak.

„Heeft hij erover gesproken?”

„Hij is begonnen met praatjes; het werk in huis was me te zwaar.”

„Daar heeft hij gelijk aan; dat kan men dadelijk merken.”

„De zorg voor onzen zoon Amat eischte meer van mij.”

„Dat is ook waar; ik heb den jongen daar straks op het voorerf gezien;

hij liep haast naakt en speelde in de goot; het is een schande.”

„Ik moest meer rust nemen en iemand in huis hebben, jonger en sterker

om mij te helpen.”

„Astage!” riep njai Peraq uit, „wat ben je voor een schepsel! Dat alles

heeft hij je gezegd, en in plaats van nu je best te gaan doen; te

zorgen voor de huishouding en je kind, ben je dezelfde luie slons

gebleven, die je geworden waart. En je durft me zeggen, dat het niet

zal gebeuren; dat hij geen tweede vrouw mag nemen, terwijl jij niet

meer deugt en niet eens wilt deugen. Wil ik je iets zeggen: mijn zoon

is veel te goed voor je.”

Het kijven begon nu opnieuw tot ergernis van Aboe Bakar, die naar

achter moest komen om stilte te gebieden.

Van zijn idée om zijn moeder bij zich te houden, zag hij nu af; dàt zou

geen leven zijn; die twee zouden elken dag standjes hebben; daar moest

hij iets anders op vinden.

TIENDE HOOFDSTUK.

EEN TROUWELOOS MOHAMMEDAAN.

’s Avonds bij Pa Djalil, zijn compagnon, vertelde Aboe Bakar wat er

gebeurd was; zij zaten op een bamboezen bank onder een mangaboom, in

den donkeren avond op het kleine erfje; armoedig en eentonig schemerden

hier en daar kleine petroleumlichtjes door de paggers en het groen; in

de verte op den grooten weg ratelden langzaam aankomende karren; een

enkele maal klonk ’t hoog geluid van een, zijn warong langs den weg

pikoelenden Chinees; maar anders was het stil.

„Ik ben het verplicht,” zei Aboe Bakar.

„Zeker; men moet zijn ouders helpen en zijn broers en zijn zusters.”

„Maar het zal veel geld kosten.”

„Wat gebeuren moet, dat moet gebeuren,” zei de oude Djalil. „Ook kan je

het doen. Als je het niet deedt, zou het een vloek zijn op onzen

handel.”

Geen oogenblik had Aboe Bakar er aan gedacht zijn noodlijdende familie

niet te helpen; hij had er alleen behoefte aan het goedgekeurd te

hooren door een ander. En nu begon hij langzaam zijn plannen te

bespreken, tot de oude het als naar gewoonte ’s avonds laat te koud

kreeg, en zij samen obat namen. Wel verweet zich Aboe Bakar soms, dat

hij daar verkeerd aan deed, maar goed beschouwd vond hij de zonde tegen

den koran zoo groot niet; en nu hij eraan gewoon was ’s avonds zijn

glas cognac te drinken, kon hij het niet meer laten.

Zooals hij het met Pa Djalil had vastgesteld, voerde hij het ook uit.

Hij betaalde de onkosten van het huwelijk zijner zuster, gaf haar en

Bram elk een maandelijksche toelage en een extra aan zijn moeder, die

weer bij Bram haar intrek nam. En toen dat alles geschikt was en

geregeld, volgde de eene maand na de andere, zóó, dat het was of er

voor hun veehandel een gouden tijd aanbrak; alles liep even gelukkig

af; alles gaf beter winsten dan ooit, en bij Aboe Bakar stond het vast,

dat dit door hoogere macht zoo in zijn voordeel was geordend.

Aboe Bakar kreeg zoo’n surplus van geld, dat hij er geen raad mee wist.

„Waarom leen-je het niet uit, zooals ik?” had al meer dan eens Pa

Djalil gevraagd.

Maar dan schudde hij het hoofd, onverzettelijk.

„Het is in strijd met den koran, die verbiedt het leenen tegen rente op

straf van Gods toorn.”

„Een mensch kan te veel uit de heilige boeken leeren,” had dan Pa

Djalil met een leuk lachje opgemerkt.

„Nooit,” pleitte Aboe Bakar. „Ik ben geen heilig man, maar ik zou voor

alles ter wereld niet handelen tegen het boek in zoo iets belangrijks.”

„Allah is groot,” zuchtte Pa Djalil met zachte ironie in zijn stem.

„Mijn vader was een braaf man; hij deed het ook.”

Nu wist Aboe Bakar, dat, als een maleier zóó redeneert, geen

voorschrift uit den koran hem van zijn stuk brengt.

Hij zweeg erop, en ten slotte, bij wijze van advies, eindigde Pa Djalil

met te zeggen:

„Koop dan huizen voor je geld.”

Hij was daar wat lui voor; bovendien moest hij dan in het publiek

komen, ook het Europeesche, op het vendukantoor en bij het kadaster;

dat deed hij liefst zoo zelden mogelijk. Doch ten slotte werd het al te

dwaas; zijn groote kist raakte vol geld, meest zware rijksdaalders; het

was een mooi gezicht, maar het kon zóó niet blijven; hij dorst haast

niet meer uit te gaan, uit vrees bij zijn afwezigheid bestolen te

worden.

Hij kocht een huis op een mooien stand, en hij liep op den langen

cementvloer der voorgalerij met het pleizierig gevoel, dat hij hier

baas en meester was; dan in de kamers met de hooge muren, beneden

geteerd met rouwranden boven het doffe rood der vloersteenen; door de

open vensters weerglom het licht van het pas geverfd grijs der

zoldering; hij liep het door ’t leeg staan slecht onderhouden, dicht

begroeide erf op, waar van de bijgebouwen heele stukken kalk waren

afgevallen, door de open plekken den baksteen toonend van een rood als

oude niet geheelde wonden. Nu ja, dàt zou men alles in orde maken,

dacht hij, weer binnengaande; dat kwam terecht; en hij gaf maar

dadelijk last aan een ouden inlander, die dag en nacht het leege huis

bewaakte, met als eenig meubilair een baleh-baleh in een der

vertrekken, en de man, diep gebogen voor den rijken deftigen toean

saïd, den eigenaar, sloop dadelijk weg om een toekang batoe te halen,

maar stond voor het huis verwonderd stil, toen een deelemankar het erf

opreed.

„Kom eens hier,” riep een heldere vrouwenstem tegen den bewaker. „Is

het te huur?”

„Belon priksa,” antwoordde hij ontwijkend, en met den duim over z’n

schouder naar achter wijzend: „De eigenaar is er.”

De man ging zijn boodschap doen; de dame, met een sprongetje uit haar

klein rijtuig, liep de paar treden van het huis op, keek eens rond in

de voorgalerij, ging dan vlug naar binnen en stond er tegenover Aboe

Bakar, die had hooren rijden op het erf, en ook eens kijken kwam.

„Allemachtig!” riep zij verwonderd en half verschrikt uit, een kleur

krijgend als een kers. „U bent dezelfde, die... de Arabier van boord!”

Hij knikte kalmpjes glimlachend, haar vlak in de oogen kijkend.

„...Die Hollandsch spreekt. Ja, mevrouw.”

„Gut, dat is al heel toevallig.”

„Bergen en dalen ontmoeten elkaar niet, de menschen wel.”

„U kent onze spreekwoorden ook al!” riep ze lachend. „Nu, dat is mooi

hoor! Is het uw huis?”

En ze keek weer naar hem net als zij gedaan had aan boord, toen ze

tegen mevrouw Slaters zeide, dat hij een man was „om alles voor te

vergeten.”

„Ik heb het pas gekocht.”

„Mag ik het zien? Ik zoek een huis.”

Toen de inlander terugkwam met den toekang batoe, vond hij de voordeur

gesloten; zacht sloop hij naar achter, maar daar was ’t zelfde. En de

deelemankar wachtte nog...

„Kang,” zei hij zachtkens tegen den ouden metselaar, dien hij had

meegebracht, „we moeten nog wat wachten op den toean saïd; ga maar mee

naar den warong, dan kunnen we een strootje rooken.”

Ze kwamen eerst terug toen de deeleman wegreed; verstrooid gaf de toean

saïd zijn orders; hij dacht niet meer aan zijn nieuwe positie van

huiseigenaar; hij was verstrooid en uit zijn humeur; hij had zich laten

meesleepen door dien ouden Europeaan, die in hem was gebleven uit den

offertijd aan „wijntje en Trijntje” in een groote westersche stad door

een bemiddeld jongmensch.

Was dat handelen als een braaf volgeling van den grooten profeet! Hij,

die zooveel ophad met den koran,—hij dronk dagelijks den drank, welke

een gruwel was door satan uitgevonden, en hij had de honderd

zweepslagen op het overspel verdiend....!

Aboe Bakar stapte haastig den eindeloozen Molenvliet langs; de zon

brandde op zijn lang rood overkleed; het stof opgeworpen door de

voertuigen, voortgezweept door den heeten wind, dwarrelde om zijn

grooten sneeuwwitten tulband; voerders van leege karretjes riepen hem

aan,—hij lette op niets, zóó bezig was hij met zichzelven, zóó beklemd

door het gevoel, dat hij een slecht Mohammedaan was; dat hij dus

handelend nooit het beloofde Paradijs zou beërven, waar de maagden met

groote zwarte oogen en met zwellenden boezem bestemd zijn voor de

gelukzaligen, voor de geloovigen zonder smet! En als hij daartusschen

door dacht aan het wezenlijk avontuur van zooeven, dan zonk het

toekomst-Paradijs met de zwartoogige maagden ineens weer in het niet.

Een oogenblik stond hij stil, en wischte zich het gelaat af; maakte

zijn handen nat aan een artesischen put, bevochtigde zijn vermoeide

oogen, en steeg zuchtend in een dos-à-dos, die met hem wegsnelde naar

zijn kampong.

ELFDE HOOFDSTUK.

HOE ZAL IK STERK ZIJN?

Het was of hij dien dag geen rust zou hebben van de vrouwen. Toen hij

uitgestapt was en betaald had voor het weggetje door zijn kampong, en

nog altijd over zijn eigen zonden dacht, kwamen een man en een meisje,

een kind nog haast, hem op ’t smalle pad tegemoet; de man stil

mompelend, het meisje, dat huilend zich verzette, voortduwend.

„Toean,” riep zij, „help mij! Hij wil mij verkoopen...”

De inlander, verlegen en woedend, sloeg haar met de vlakke hand ruw op

den mond.

„Zij is mijn dochter en zij is ondeugend.”

Aboe Bakar gaf hem een gevoeligen tik op de hand met den beenen knop

van zijn wandelstok.

„Hij wil mij verkoopen,” riep het meisje weer, nu dapper door den

bijstand; „hij wil mij verkoopen aan een Chinees.”

Zwijgend, de oogen neergeslagen, bang voor den invloedrijken hadji, zoo

groot, zoo sterk en zoo rijk, stond de inlander zijn hand te wrijven,

zich dicht in de groene levende pagger dringend.

„Diam!” gelastte Aboe Bakar het meisje, dat niet zoo mocht spreken

tegen haar vader. „Is het waar?” vroeg hij dezen.

In een nu loskomenden woordenstroom, verdronk de man de gedachte; hij

had zoo’n roegi gehad met dit en met dat; hij kon zijn belasting niet

betalen en hij had geen goed om te beleenen; dus zou hij in de

gevangenis komen. Wat hij deed, hadden al zoovelen gedaan en mocht hij

doen...

„Je moogt het niet!”

„Nu dan, het is toch adat.”

„Toean,” smeekte het meisje zacht. „Help mij! Ik wil niet bij een

Chinees; ik wil bij een orang selam, niet bij een vuilen kafir.”

Hij glimlachte tegen haar; zooals ze daar stond, zag ze er wel aardig

uit, en haar gezicht zei zoo duidelijk als woorden het slechts konden

doen, dat ze met veel genoegen zich verkocht zou zien aan den mooien

toean saïd.

„Volg me,” gelastte hij den inlander; en zoo gingen ze verder, achter

elkaar. In zijn woning sprak hij erover; zij werden het eens wat den

prijs aangaat, terwijl het meisje op den dorpel zat, blij, dat ze niet

naar den Chinees behoefde; kalm, nu, afwachtend wat volgen zou, toen

haar vader heenging, diep boog voor den toean saïd wiens hand hij aan

z’n lippen bracht, zonder haar met een groet of een blik te

verwaardigen.

Aboe Bakar wenkte haar naar zich toe en zij volgde hem naar achter.

Minah schrok ervan. Daar zou je het hebben!

„Ik heb dit kind van haar vader gekocht,” zei hij zacht, poseerend, met

groote waardigheid. „Haar vader wilde haar verkoopen aan een

ongeloovige.”

En toen Minah niets zei, maar met booze oogen naar het slachtoffer zag,

dat bij haar neerhurkte en haar hand kuste, ging Aboe Bakar voort met

de zalving van een volleerd penghoeloe:

„Zij kan u dienen, tot een goed Mohammedaan haar als vrouw verlangt,

behandel haar goed en het zal ons voordeel aanbrengen.”

Het was Minah een pak van het hart; zij zag op naar haar man met groote

verwonderde oogen. Ook het meisje begreep er niets van, zij keek in

stomme verbazing door een gordijnkier den grooten breeden man na, die

zooveel licht wegnam in het gangetje, dat hij langzaam doorstapte.

Het viel haar bitter tegen! Had die zooveel geld aan haar vader

betaald, om het genoegen haar cadeau te doen aan zijn vrouw, die veel

goedkooper een beter meisje als baboe krijgen kon?

Minah, die het evenmin begreep, wantrouwde de zaak. Wat kon het zijn?

Zij wist, dat hij geen voorwendsels zou zoeken, en niet een meisje als

bediende zou binnensmokkelen, dat hij van plan was tot zijn vrouw te

maken. Neen, dan zou hij komen met groote deftigheid in houding en

gebaar; zijn zware hand zou hij dan leggen op haar schouder en haar

zeggen: dit is mijn tweede vrouw; wees goed voor haar of gij zult mij

zijn als de rug mijner moeder.

Habis perkara.

Zij hoorde het meisje uit, maar dat kon niet anders dan gewoon

vertellen wat er gebeurd was. Het maakte beiden niet wijzer.

Zij zagen door een venstertje Aboe Bakar buiten achter den hoogen

pagger gaan en hoorden hem baden aan den put; Minah luisterde

aandachtig; de wijze, waarop hij blijkbaar zich baadde, beviel haar

niet; zij hoorde hem er den naam van Allah bij aanroepen, en alles

driemaal.... Wat was er dan toch gebeurd?

Aboe Bakar daarentegen voelde zich zoo plezierig als was er niets

onbehoorlijks voorgevallen. Hij had berouw gevoeld over zijn daden, en

door een Mohammedaansche vrouw van de ongeloovigen af te houden met

opoffering van geld, had hij een goed werk gedaan, waarvoor God zijn

slechte daden ook in goede zou veranderen.

Doch hoe niet meer te zondigen? O, hij was nu op ’t moment heel sterk.

Hoe echter zou het zijn, als hij weer eens samen was met dat opgewonden

gekkinnetje, dat zoo verliefd op hem was, en zijn huis had gehuurd?

Hoe, als hij bij Pa Djalil zat en die nam obat tegen de avondlucht?

Wat moest hij doen om daar af te komen?

Zijn compagnon maakte het hem niet moeilijk.

Een beetje geraakt over de koranwijsheid van Aboe Bakar, nam Pa Djalil,

toen ze ’s avonds weer hadden gepraat over hun zaken, stil zijn obat

alleen, en presenteerde hem niets. Hij rook den lekkeren cognacgeur en

watertandde ervan; hij zag den ouden langzaam het glas ledigen, en zich

onder ’t baadje over den buik strijken, hij hoorde hem zacht smakken

met een klein gesteun van genot.

En Aboe Bakar zuchtte diep, met innig verlangen; en hij vond het veel

moeilijker over een aangewende kleinigheid heen te komen in het leven,

dan op een gegeven moment een groot besluit te nemen.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

ZONDERLINGE ONTMOETING.

De eenige malen, dat de Verlande’s iets hoorden van hun vroegeren

pleegzoon, was uit de brieven van Nora, die nu en dan schreef. Eerst

was het een brief vol jeremiaden. Met haar komen in Indië, was alle

vroegere Hollandsche misère weg; vergeten waren de jaren van verdriet

en teleurstelling over haar langdurig jongedochterschap, dat zich al

begon te teekenen op haar lief gezichtje in fijne, scherpe trekjes, die

er nu door het huwelijk voor vele jaren van weggevaagd waren; vergeten

was de deftige en daarom dubbel pijnlijke beperktheid van middelen in

het ouderlijk huis; vergeten waren ook de bitse en verdrietige

humeur-scènes tusschen de met den oudevrijsterstaat bedreigde zusters;

vergeten waren narigheden en bekrompenheden, waaruit het huwelijk met

een hoogst fashionable man, die een goede toekomst had, haar letterlijk

had gered.

Het maakte Verlande, die met den leeftijd ’n beetje knorrig begon te

worden, woedend. De brieven van Nora gaven den indruk, alsof zij een

paradijs had verlaten, om in de hel te komen, en de doorloopende

gedachte was: wat is dat Indië een akelig land!

Terwijl haar middelen haar nimmer veroorloofd hadden een druk gebruik

te maken in Den Haag van opera’s en concerten, klaagde zij nu steen en

been, dat men zoo weinig kunstgenot kon smaken te Batavia; terwijl zij

in Holland haar ouders een nieuwe japon als het ware van het hart moest

scheuren, en den hemel danken mocht, als ze kreeg wat men wilde

geven,—vond zij het „zoo onaangenaam,” dat men in de toko’s te Batavia

nooit precies kon krijgen, wat men wilde.

Het was in die periode, dat zij ook schreef over haar eerste ontmoeting

met den gewezen Adam Silver; iets, waaraan de Verlande’s niet hadden

geloofd, denkende dat zij zich in het uiterlijk had vergist.

Later kon Verlande meer vrede hebben met Nora’s geschrijf; ze kreeg,

door het gewoon meeleven in Indië, meer kennis van wat haar omringde;

daarmee kwam vanzelf de belangstelling; juistere schatting en, in menig

opzicht, waardeering, volgden.

Aboe Bakar: Indische Roman · 第 10 / 15 段