koffers; het uitzoeken van het goed voor den waschman en het hulpeloos
getob met onverstaanbare bedienden, dacht Nora den heelen dag telkens
weer aan die vreemde ontmoeting, niet als aan iets aangenaams voor haar
gevoel, noch als aan iets nadeeligs voor haar nieuwe maatschappelijke
positie, maar als aan iets, dat haar persoonlijk schrik en ontzetting
inboezemde, en dat haar in ongeluk en ellende zou kunnen brengen, zoo
het haar ooit overkwam. En toen zij ’s avonds, moe, voor het eerst na
een lange zeereis, zich weer eens uitstrekte in een ruim bed, kwamen de
groote, zwarte oogen als glimmend metaal weer voor haar verbeelding,
tot zij met een angstigen zucht strak in het nachtlichtje ging kijken
om van dat benauwend visioen ontslagen te zijn.
Het was een zware tocht voor Aboe Bakar, en wat hem het meeste leed
deed was, dat hij vrouw en kind daaraan had blootgesteld. De
scheepsruimte was voor het aantal pelgrims veel te klein; de boot, een
gewone stoomer, voor zulk een transport niet ingericht. Heel gauw na de
afvaart begon de zeeziekte; en wat dat opleverde aan tooneelen vol
ellende en walgelijkheid!
Aboe Bakar hoorde het Hollandsche scheepsvolk spreken over hem en zijn
geloofsgenooten, mede Mekkagangers, met een minachting, zóó diep, dat
hij ervan rilde. Ja, zooals ze daar lagen, waren zij een troep beesten
gelijk; minder zelfs, want met de onverschilligheid der wanhoop ronkten
de meesten in eigen en andermans vuil. Nu en dan werd door het
scheepsvolk beproefd alles eens goed schoon te maken, maar het ging
niet. En voor de reis had haast geen pelgrim voldoende verschooning.
Naast dat beeld van vuile misère, doemde dan telkens in zijn geest op
dat der reis naar Indië als Adam Silver; de aangename, beschaafde
conversatie, de keurige rijk voorziene disch, de groote blinkende
zindelijkheid, en al het comfort ook in het uiterlijk. Dan was het of
een groot gewicht hem op de borst drukte; dan kreeg hij het gevoel van
een verbazend dommen streek te hebben gedaan, zóó groot, dat zelfmoord
er haast niets bij was; en dan bestreed hij dat ongelukkig gevoel:
trachtte het weg te werken, en eindigde met te zoeken of hij ergens op
het dek een plaatsje kon vinden, waar hij stil, voorovergebogen, het
hoofd in de handen, al maar bidden en bidden kon, hetzelfde
gebedsformulier, tot hij het overweldigend gevoel van jammer als het
ware had weggehypnotiseerd.
Tot zij te Djedda aan wal kwamen, gelukkig, dat de reis ten einde was;
blij aan het einddoel te zijn en den vasten grond van het heilige land
onder zich te voelen; maar om spoedig te ontwaren, dat zij gekomen
waren van den regen in den drop; dat zij in dit gezegende oord werden
behandeld als honden en geplukt als kippen.
Zij beklaagden zich bij Aboe Bakar; zijn persoonlijkheid, zijn kalme en
deftige manieren, zijn vele bidden en zijn welgesteldheid, hadden hem
reeds aan boord een soort van superioriteit gegeven tegenover de
anderen; hij hielp hen, zooveel hij kon; het enkele woord Engelsch, dat
hem van school was bijgebleven, kwam hem te pas; hij parlementeerde
voor hen; en het hielp ’n beetje, al was het niet veel. Ook hier had
hij zijn van de anderen zoo verschillende persoonlijkheid en manieren
vóór; men keek hem wel wat wantrouwend aan, maar liet toch eenigszins
af van de ontzettende afzetterij, welke de Maleiers en Javaantjes een
kwartje deed betalen voor elken pisang.
ZESDE HOOFDSTUK.
ABOE BAKARS TELEURSTELLING.
Het viel Aboe Bakar alles bitter tegen; de tocht naar Mekka en de
heilige stad zelf. Was dat nu de plaats, waarvan hij had gehoord, dat
uit alle deelen der mohammedaansche wereld talrijke karavanen er hun
kostbare gaven offerden? Hij had er gebeden in de groote moskee, lang,
met goed geloof en volgens het gebruik; hij had met diepen eerbied den
zwarten steen in de Kaäba gekust, en het had hem met een gevoel van
zaligheid vervuld, omdat hij zich voor een goed mohammedaan hield; maar
overigens trof het hem, dat Mekka, de heilige stad, een ellendig nest
was; een groote warong met het aanzien van een gevangenis, een
roovershol metterdaad. Toch had hij minder last van de vele
ongerechtigheden, dan de anderen; hij werd blijkbaar ook hier aangezien
voor meer dan een gewone inlander van Java of Sumatra; maar met een
wantrouwen toch, zóó groot, dat hij er haast in moeilijkheden door
kwam, toen Minah zich had verpraat en verteld, dat haar man vroeger
christen was geweest; voor een priester moest hij zijn waren staat van
mohammedaan bewijzen; en... dat kon hij.
Maar hier kreeg hij zijn afkeer beet tegen de Arabieren, en hij vond er
onder de vreemde pelgrims die ze met hem deelden. Het waren lieden uit
Achter-Indië, die ook, door hun handel op de kust, het gewone
strandmaleisch spraken; door hun meerdere ontwikkeling en gegoedheid
hadden zij zich bij hem aangesloten, en zij spraken veel over den
godsdienst, over den profeet, diens levensgeschiedenis, en ook over het
christendom. En toen een hunner het plan vormde met een karavaan langs
de kust der Roode Zee naar Jeruzalem te gaan, waren ze daar allen voor;
Aboe Bakar blij, dat hij niet met hetzelfde zoodje terugging, waarmee
hij was gekomen.
Ook al geen illusie! Niet zulk een afzetterij als te Djedda en te
Mekka; wèl groote hotels en villa’s, maar voor de bevolking in de
eigenlijke binnenstad, alles nauw, somber, vuil.
Aboe Bakar dankte God, dat hij dien pelgrimstocht, die hem zooveel geld
had gekost, zoo erg was tegengevallen en zooveel moeite en ellende had
bezorgd, achter den rug had, en hij op een boot met minder Mekkagangers
kon terugkeeren. Op het zindelijke dek, waar nu alles geregeld en goed
kon verzorgd worden, was het behaaglijk; het eten was eenvoudig
inlandsch maar behoorlijk; de behandeling goed. En de gesprekken liepen
over wat men had gezien en ondervonden, het geleden leed week met elken
dag meer op den achtergrond; de trots, dat men den tocht had gedaan
naar het graf van den profeet, kwam boven; nog vóór de boot straat
Soenda binnenstoomde, was er geen, die voor nog zooveel had gewild, dat
hij den pelgrimstocht niet had gemaakt. Aboe Bakar en Minah, die nu
reeds het gezicht halverwege bedekt droeg, allerminst.
Weer was de kade van Tandjong Priok vol verwelkomende bloedverwanten,
maar de familie Aboe Bakar werd niet afgehaald. Hem kon ’t niet
schelen, Minah hinderde het zeer, zij zag er, vond ze, zoo deftig uit
met den tullen doek met gouden sterretjes voor het onderste gedeelte
van het gelaat, dat het jammer was aan den wal geen bekenden te zien;
het les amis de nos amis sont nos amis vonden zij bewaarheid bij de
orang selam, vooral tegenover uit Mekka terugkeerenden. Daar waren er
die present waren geweest bij hun vertrek, die hem herkenden en
uitnoodigden.
Al pratende informeerde Aboe Bakar eens, en hij koos de gastvrijheid
van een mandoer, die in de stad Batavia werkte en daar woonde ook; dàt
trok hem het meeste aan, die oude stad! Hij deed er zijn intocht in de
kampong met een vertoon van waardigheid, dat hem daar hoog in de
algemeene schatting deed stijgen.
En ’s avonds bij het feest, toen ze allen met veel genoodigden in een
grooten kring op den grond zaten, limonadestroop drinkend en strootjes
rookend, vertelde Aboe Bakar langzaam en deftig van de Heilige Stad; en
hij loog, dat het een aard had, zonder zelf te snappen, dat hij zoo
loog; hij vertelde niet wat hij, Minah en de anderen, werkelijk hadden
gezien en ondervonden, maar wat zij van hun reis gemaakt hadden, nadat
zij haar al pratend zooveel dagen aan boord omgeven hadden met een
aureool van heerlijkheid.
Het was heel laat in den nacht toen de gasten heengingen met een hoog
idée van den Saïd Aboe Bakar, die met zijn gastheer nu zitten bleef op
de twee onvermijdelijke wipstoelen, die in het voorgalerijtje een
kleine ronde tafel flankeerden.
„Wat zal ik doen?” vroeg Aboe Bakar. Zijn heele preferentie om bij den
mandoer te logeeren zat eigenlijk in het feit, dat hij deze vraag
iemand wilde stellen, die ze hem waarschijnlijk goed beantwoorden kon.
„Hebt ge geld?” vroeg de andere.
En toen het antwoord bevestigend was:
„Hoeveel?”
Aboe Bakar aarzelde; hij wist zelf niet precies hoeveel hij bezat; njai
Peraq had hem gezegd, dat hij over al het hare kon beschikken; hoeveel
dat was, wist hij niet; zelf had hij nog achttien mille; hij wilde
voorzichtig wezen en niet het heele bedrag ineens noemen.
„Tien duizend,” zei hij.
„Het is niet genoeg en wel genoeg.”
Daar begreep Aboe Bakar niets van.
„Hoe kan iets tegelijk niet en wel wezen?”
„Het is genoeg om vrij te zijn, als je wilt doe ik er wat bij, dan
behoeven wij nooit geld vooruit te vragen.”
„Maar waarvoor eigenlijk?”
„Wees niet ongeduldig, Saïd Aboe Bakar.”
„Neen, ik vraag maar wat wij dan zouden doen.”
„Handel drijven.”
„Waarin? Ik heb er geen verstand van; ik heb het nooit gedaan.”
„Het verstand heb ik,” zei de mandoer met zekere plechtigheid. „Dat
komt er niet op aan. Ik heb het meer gedaan.”
Een fragment van wat hij in Holland wel eens had gehoord in gesprek,
schoot Aboe Bakar door het hoofd; Verlande zei, als hij van zaken en
compagnon-zijn sprak, altijd: dat als één er verstand van had en de
ander had het geld, dan na eenige jaren de ander ook het verstand
kreeg, maar zijn geld bij den een was. Met een effen gezicht zei hij:
„Ik dacht niet, dat de handel zoo gemakkelijk was.”
„Het is niet zulk een moeilijke handel als van de Europeanen en de
Chineezen, het is handel in vee.”
Dat kwam Aboe Bakar wel aantrekkelijk voor, en hij ging er meer op in.
Het was half vijf reeds toen ze besloten hadden, dat hij zich zou
vestigen als veehandelaar voor gezamenlijke rekening. Een koele wind
streek door de kampong en ruischte in de groote, rafelige en gescheurde
pisangblaren; huiverend trok de mandoer zijn baadje over zijn naakte
lichaam dichter aan; in een klapperboom sloeg een voorbarige koetjitja
een paar heldere tonen in den nog donkeren nacht; de lampen waren
uitgegaan, en een klein petroleumnachtlampje lichtte nog slechts
binnen; achter het gordijn, dat in de diepte der woning de slaapplaats
en het verblijf der vrouwen afsloot, kwam het gestommel van uitgeslapen
menschen, die haast willen opstaan.
„Ik ben koud!” zei de mandoer.
„Ja, het is frisch.”
„Als ik zoo koud ben, vrees ik altijd ziek te worden; de nachtlucht is
zoo ongezond.”
„Ja,” bevestigde Aboe Bakar machinaal.
„Daar neem ik altijd wat obat voor, wil ik je ook wat geven.”
„Is het erg leelijk?”
„In het geheel niet; het smaakt goed.”
De mandoer haalde in den schemerdonker een flesch uit een kastje,
waarvan hij den sleutel in zijn buikband droeg; hij schonk twee glazen
vol, loerend erdoor heen tegen het nachtlichtje om niet te morsen; toen
nam hij er een en goot het in z’n mond. Aboe Bakar had het dadelijk
geroken: het was cognac.
En begeerig stak hij, zonder een woord te spreken, de hand uit, het
glas ad fundum ledigend.
„Is het geen goede obat?” vroeg de mandoer.
„Uitstekend,” bevestigde de pas van Mekka teruggekeerde Mohammedaan.
Hij had het goed getroffen; niet alleen bleek zijn compagnon op de
hoogte van den veehandel te zijn, maar ook eerlijk onder
geloofsgenooten.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
EEN BESCHAAFD MOHAMMEDAAN.
Naast de woning van Pa Djalil, den mandoer, had Aboe Bakar er een
gehuurd, ’n heele mooie voor een inlander in de kampong. Hij voelde
zich nu zeer tevreden en gelukkig in zijn lot; als Europeaan was hij
een domoor geweest; een good-for-nothing; een, waarmee men niet wist
wat aan te vangen; een zelfs niet erkend in de boeken;—als inlander was
hij een gerespecteerd man, een vat vol wijsheid, een welvarend
handelaar, die goede zaken deed.
En hij was inderdaad geacht bij de inlandsche gemeente, die vooral hoog
tegen hem opzag, wijl hij altijd zoo kalm en deftig was, nooit
perkara’s had en streng volgens den koran leefde; maar de Arabieren
mochten hem niet; de haat tusschen hem en hen was wederkeerig; hij
imponeerde hen en zij behandelden hem met onderscheiding, maar men
bleef op een afstand zoo in als buiten den missigit, en Aboe Bakar liet
er zich openlijk over uit, dat hij hun haat tegen de christenen niet
deelde, juist omdat hij een goed Mohammedaan was; hij haalde er de
hoofdstukken en verzen bij aan uit den koran, die het wee! uitspreekt
over hen, die zich vergrijpen aan de christenen, en slechts aan God de
uitspraak overlaat tusschen christenen, joden en Mohammedanen op den
dag der opstanding.
Zoo leefde hij rustig door, zonder haast ooit eenigen omgang met
Europeanen; met Bram hield hij nu en dan briefwisseling, dàt was het
eenige. En Bram was nu een big boy geworden, zoo schreef hijzelf; hij
had een aandeel in een land, en men maakte groote zaken; hij had het
oude huis der Silvers weer teruggekocht, en voor den grond laten
gooien; op de plek stond nu een mooie villa; de plaats zelf was door de
welvaart der planters zeer vooruitgegaan; hij blufte in zijn brieven,
dat het een aard had, zonder dat Aboe Bakar dit begreep; die las het
alles steeds met de grootste bewondering en vertelde het Minah, die na
haar eerste kind geen verderen reproductieven aanleg ontwikkeld had,
zoodat het dáárbij scheen te zullen blijven.
De oude moeder, nu weer in het kamertje in de bijgebouwen, waar ze
zooveel jaren had gewoond, wilde niet naar Batavia komen, hoe graag zij
ook bij den liefsten zoon had gewoond; en op haar erfje stonden
klapperboomen, die ze zelf had geplant, en ook andere soorten groot en
schoon, die ze gekend had nietig en klein; dat gold ook heel zwaar.
Nu hun zaken zich na ’n jaar of zes zeer hadden uitgebreid, was Pa
Djalil geen mandoer gebleven; hij en Aboe Bakar waren voor die zaken
dringend noodig; zij reisden er vaak voor langs de kust, met prauwen en
ook wel, als er haast bij was, met stoomers. Dan ging Aboe Bakar meest,
die om zijn uiterlijk en deftigheid, om zijn fraaien witten tulband in
lang met gouddraad gestikte kleurrijke overkleeren meer in aanzien was,
en vormelijker behandeld werd. Dan nam hij een tweede klasse biljet, om
meer te kunnen gaan waar hij wilde; als er niets was, voegde hij zich
bij de inlandsche dekpassagiers, gedachtig aan de koraänische belofte,
dat de nederigen het eeuwige leven beërven; maar als er veel
Europeesche militairen op het dek waren, en zij vloekten en waren ruw,
dan kon hij met zijn biljet zich terugtrekken.
Hij had dat juist gedaan, en stond nu midscheeps op het tweede klasse
dek in zee te kijken, naar het gewriemel en gewoel, het opkomen en
vervloeien, het dansen en klotsen en schuins opspatten van de groote
watermassa, door het gele zonlicht in scherpe nuances getint.
Toen hij zich omkeerde, de oogen duizelig van het helle glanzen, week
een baboe eerbiedig voor hem uit, buigend voor den mooien toean saïd;
hij knikte goedig, en zijn groote hand uitstekend naar een blond
kindje, dat bij haar was, vroeg hij:
„Vindt njotje het pleizierig aan boord?”
De meid en het kind keken hem aan met stomme verbazing.
„Hij spreekt Hollandsch,” zei het kind in het maleisch: „Is hij gek?”
vroeg het met de volkomen oneerbiedigheid voor volwassen oosterlingen,
eigen aan kindertjes van Europeanen in Indië.
Aboe Bakar schaamde zich, het was hem wezenlijk ontsnapt tegenover dit
blonde kind; hij had Hollandsch gesproken zonder er verder bij te
denken; het kind had gelijk; het was heel gek. En nog gekker vond hij
het, toen een onderofficier, op ’n wipstoel een pijpje rookend, lachend
tegen een ander de opmerking maakte, dat de „Arabier” het kind in ’t
Hollandsch aansprak en die jeugdige blonde bataaf zelf niet anders
kende dan maleisch.
De baboe ging met het kind naar het achterdek, verlegen over de brutale
vraag; en daar vertelde zij het aan ’t groepje dames, dat handwerkjes
deed of ’n romannetje las, terwijl de heeren aan de andere zijde hun
partijtje maakten. Het was mevrouw Slaters, die erbij zat, of haar hart
werd dichtgeknepen, zoo’n benauwend gevoel kwam over haar. Dat moest
Adam Silver zijn; dat wist zij ineens zeker. Zij hoorde de beschrijving
door de meid van het uiterlijk van den toean saïd,—het kon onmogelijk
iemand anders wezen.
„Laten we hem eens gaan zien,” zei een der dames. En de anderen, die
zich mee verveelden, allen getrouwde dames, vonden dat ook. Maar de
vrouw van den majoor Slaters—de gouden kraag was er al!—wilde niet.
„Gut, hoe flauw!” meende een.
„Je bent toch niet bang op hem te verlieven?” vroeg een ander.
En men lachte haar uit, eigenlijk een beetje boos, dat zij ’t
kinderachtig excursietje niet mee wilde maken. Zij weigerde hardnekkig;
zij had nu al een gevoel, alsof de idée zijner aanwezigheid op
hetzelfde schip haar hypnotiseerde; zij wist, of had althans de
overtuiging, dat als ze hem zag, weer dat vreemde gevoel van strakheid
en van niet te kunnen denken over haar komen zou.
Een oogenblik hadden de andere dames geaarzeld, maar de lust om haar
zelfstandigheid te toonen, hield de overhand; lachend en fluisterend
omdat ze een mooien Arabier gingen zien, die Hollandsch sprak, liepen
ze de kajuittrap af en naar voren. En ze stootten elkaar aan met de
ellebogen, wisselend schuinoogende blikken: „Daar staat-ie!”
Toen ze voorbijkwamen richtte Aboe Bakar, die over de reeling leunde,
zich op, in een beleefdheidshouding om haar te laten voorbijgaan; ze
keken niet direct naar hem, maar zagen hem toch zoo nauwkeurig als een
staaltje van een modestof; de jongste, een levendig opgewekt vrouwtje,
keerde zich ineens tot hem:
„Is het waar, dat u Hollandsch spreekt?”
De anderen stikten haast van den lach; een beetje verlegen, niettemin,
om wat zij een enorme brutaliteit vonden.
Maar zoo de dames nu een beetje verlegen waren met haar figuur,—Aboe
Bakar niet; een glimlachje ging over zijn rustig gezicht:
„Ja, mevrouw.”
„Hoe is het mogelijk?”
„Ik heb het geleerd.”
Nu lachten ze allen luid. Wat had zij daar een gekke vraag gedaan, en
wat gaf hij daar een leuk antwoord op. Nu, die was goed! „Pour savoir
une chose,” riep een harer onder het lachen.
„Zeker,” zei Aboe Bakar zacht, „il faut l’avoir appris.”
Nu werd het nog gekker; het maakte de dames ernstig; ze wisten nu geen
van allen wat te zeggen; de jongste keek hem voortdurend strak aan, de
lippen op elkaar. Welk een schilderij van ’n man!
„U woont zeker in Indië?” vroeg ze.
„Te Batavia. Ik reis voor zaken... als koopman. Mijn naam is Aboe
Bakar.”
Zij voelden, dat ze daar niet langer konden blijven staan; ze hadden
ook niet geweten, wat te zeggen. Hij had zich voorgesteld, eenvoudig,
gewoon, als een man van de wereld, met het sierlijk en beleefd gebaar
van een beschaafd oosterling; zij knikten en zeiden „Goeden dag,”
zonder meer; men kon toch tegen zoo’n man geen „meneer” zeggen als
Europeesche dame!
Haastig liepen ze de trap weer op naar het achterdek, pratend over het
bijzonder voorval, en mevrouw Slaters aanvallend met den uitroep: „Nou,
je hebt iets gemist, hoor!”
Het heldenstuk van het „aanspreken” werd verteld; Aboe Bakar werd
beschreven van top tot teen; en wat hij aan had, en hoe hij eruit zag,
en wat hij zei.
Nora was het, als had zij erbij gestaan.
Zij was uiterlijk veel veranderd; het Indisch klimaat had haar goed
gedaan; ze had gevulder vormen gekregen, en dat stond haar
voortreffelijk; van een gewoon blondinetje om niets van te zeggen, was
zij geworden wat men een „knappe” vrouw noemt.
Het verhaal der reisgenooten maakte haar stil; zij dacht er haast den
heelen dag aan, onwillekeurig. Naast haar vrees voor een ontmoeting,
kwam een geweldige nieuwsgierigheid om hem toch eens te zien, zooals de
anderen hem hadden beschreven.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
ONGELUKKIGE FAMILIEBERICHTEN.
Het was avond en ’n mooi tropisch nachtgezicht op het onbegrensde
zeevlak, helder in het maanlicht, vol schemerige effecten van licht en
wisselend halfdonker; de heeren zaten alweer aan het partijtje, in de
rookkamer nu; enkelen liepen heen en weer te digereeren op het
achterdek; de meeste dames waren al naar beneden in de cabines.
Nora was opgebleven.
„Een heerlijke avond, mevrouw,” zei de kapitein haar passeerend.
Zij kreeg een idée.
„Het moet nu prachtig wezen op de brug.”
„Zoudt u eens willen zien?”
„Heel graag,” en tot het slanke jonge vrouwtje, dat Aboe Bakar ’s
morgens had aangesproken, „ga je ook mee?”
Ze volgden den gezagvoerder, en het was heerlijk, het uitzicht van de
brug op de groote schitterend geïllumineerde zee; maar na een
plichtmatige betuiging van het verrassend schoone, effectvolle, gingen
haar oogen onderzoekend over het voordek. De andere kneep haar stijf in
den arm: Aboe Bakar zat er, achterover geleund op een bank, denkend aan
zijn zaken en hoe hij die zou afhandelen op de kust; een strootje
rookend voor tijdpasseering.
„Daar zit-ie,” fluisterde zij Nora in het oor. „Wat ’n pracht van ’n
man, hè! Om alles voor te vergeten.”
Maar Nora schudde heftig het hoofd. Foei, neen! Zij voelde niets voor
hem; niets! Zij hield eerlijk veel van haar eigen man; zij was enkel
bang; wezenlijk heel bang voor een ontmoeting met dien Adam Silver als
Mohammedaan en hadji; zij vond hem, wat hij was: een physiek knap man;
overigens niets, en dat ze zoo ellendig werd, nu ook weer, toen ze hem
zag, was enkel uit vrees, dat er ooit iets zou uitkomen, van wat
vroeger was voorgevallen, en dat ze voor Slaters verzwegen had.
Zooals Aboe Bakar het zich in dien mooien maanavond aan boord zat voor
te stellen, gebeurde het ook; de soort van handel, dien hij dreef, was
eenvoudig en secuur; zonder veel risico en agitatie; juist zooals bij
zijn aard paste.
Kalm en welgemoed zou hij dan ook te Priok aan wal zijn gestapt, als
hem daar niet iets heel zonderlings had gewacht. Het waren Bram, van
wien hij in den laatsten tijd niets had gehoord, zijn moeder en zijn
zuster. Van boord af zag hij het troepje op de kade staan, Bram
magerder en ingebogener van borstkast dan ooit te voren; maar in zijn
gezicht niets veranderd; njai Peraq wit van haar geworden, maar dikjes
en vetjes, een Schotschen omslagdoek over het baadje geslagen en een
groote pajoeng in de hand; de eenoogige zuster met een slecht gemaakte
japon aan, waaronder de witte rok uitkwam en waarvan het split open
stond, en met een allergekst zwart stroohoedje op met ’n lange heen en
weer waaiende enkele veer.
In stomme verbazing stond Aboe Bakar het troepje te beschouwen, zonder
leed of vreugde; met enkel de vraag in het hoofd: wat in Mohammeds naam
komen die doen?
Maar hij was heel hartelijk, al bracht zijn positie zekere
vormelijkheid mee; zijn moeder kuste hem eerbiedig de vingertoppen; de
broer en zuster schudden hem de hand. En op zijn vragenden blik,
antwoordde Bram:
„Ja, kerel, ’t is een bedonderde perkara.”
„Is er iets gebeurd?”
„Of er iets gebeurd is? Ik ben blut, man; totaal geflaconneerd,”—en
zich over den knokkigen handrug blazend: „pfft! zóó kaal ben ik!”
„Ik dacht, dat het je goed ging.”
„Dat ging het ook, maar we hebben te veel hooi op onze vork genomen.”
Aboe Bakar, nog een en al verbazing, haalde de schouders op.
„Ik begrijp het niet.”
„Van de koffie; je weet toch wel van dat onverwachte kelderen van de
koffie?”
„Neen,” hij moest erkennen, dat hij daarvan onkundig was, hij begreep
de uitdrukking niet eens.
„Ik handel in vee,” zei hij.
„Enfin, we hadden breed opgezet, en ineens: bom! daar lag de boel. Tot
overmaat van ramp waren we borg voor achttien mille en werden
aangesproken.”
„Maar het geld van moeder?”
„De heele rataplan, zeg ik je! Wij zaten er in met alles, wat we
hadden: ik, de oude vrouw en—met z’n duim naar de zuster wijzende—zij
ook.”
„En nu?”
„Ja, zie je, in het landelijke gaat het niet meer; ik kan nu niet meer
opzienertje gaan spelen.... als je zelf baas bent geweest.... Ik zal
zien, dat ik hier een baantje vind.”
„Wie is hij?” vroeg Aboe Bakar, doelend op een kleinen indo, die achter
hen aan liep, blijkbaar eenigszins met z’n figuur verlegen.
„O! da’s waar ook; dat is onze zwager Boudrin de Chatonville. Zeg,
Josep, kom eens naar voren. Onze broer Ad....”
„Aboe Bakar,” viel de dus voorgestelde snel in de rede; en toen
zachtjes tegen Bram: „Heet hij werkelijk zoo?”
„Of hij Boudrin de Chatonville heet? Neen maar, dàt zal waar zijn. Hij
is van adellijke afkomst.”
Aboe Bakar vond, dat zijn zoo bij verrassing ontdekte zwager er niet
naar uitzag.
„Jullie hebt me niet eens kennis gegeven van haar huwelijk,” zei hij
verwijtend.
„Och, zie je, zóó ver is het om je de waarheid te zeggen nog niet; dat
zullen we hier wel in orde maken.”
„Zijn ze dan niet....”
„Niet voor de wet. Ze scharrelden zoo wat samen, weet je, en als je
goed kijkt dan kan je dat ook wel zien. Nou, ik heb gedacht dat ’t maar
het beste was hem mee te nemen en ze dan hier te laten trouwen.”
„Wat doet hij?”
„Eigenlijk niets; hij zoekt een betrekking, hij verkeert in ’t zelfde
geval als ik: aardig geld gehad, maar alles weg.”