„Ik begrijp het niet.”

„Er is een bepaling.... ergens in de wet.... enfin dat doet er niet

toe.... en die zegt, dat als je het vraagt aan de Regeering, je met

Europeanen kunt worden gelijk gesteld.”

„O, is het dat? Daar heb ik iets over gelezen in het wetboekje van den

ouden heer.”

„Precies; nou, zie je, je moet Hollandsch spreken en schrijven,—dat doe

je; je moet in Europeesche begrippen zijn opgeleid,—dat ben je; je moet

christen zijn,—nou, dat zeg je maar en dan is het voldoende; en een

geslachtsnaam krijg je dan, den onzen natuurlijk.”

„En dan?”

„De assistent zegt, dat het altijd wordt toegestaan in zoo’n geval.

Welnu, dan ben je gelijk gesteld met europeanen. Dat is net zoo goed.”

Adam gaf geen antwoord en stond een oogenblik stil voor zich heen

kijkend, tot hij langzaam het hoofd schudde.

De „zuurdeesem” werkte reeds in zijn gemoed; het praten van njai Peraq

en van den priester had effect; hij zag geen heil meer in de

Europeesche samenleving. Nu hij wekenlang alleen omgang had gehad met

inlanders, was zelfs de toon, waarop Bram sprak, hem een walg; en wat

hem niet minder had geërgerd was de minachting, die zijn broer bij het

binnenkomen had betoond voor den penghoeloe en den mantri.

„Ik wil niet gelijk gesteld worden,” zei hij.

„Waarom niet? Ik zeg immers,” riep Bram, zich opwindend, „dat het

precies ’t zelfde is: rechten, lasten, verplichtingen....”

„Het kan me niet schelen, ik verlang geen andere rechten en

verplichtingen, dan die thans de mijne zijn; ik wil niet worden „gelijk

gesteld.””

Een oogenblik keek Bram hem aan, verbluft over zijn vasten toon, niet

gewoon hem zoo beslist te hooren spreken; toen voer hij, woedend, uit,

en het was of de krakende stem van John Silver nog door de houten

woning schetterde:

„Het is de schuld van dat vee, waarmee je je ophoudt, het....”

„Het zijn fatsoenlijke lieden,” viel Adam hem geërgerd in de rede.

„Fatsoenlijk? Gladakkers zijn het, ja! Fatsoenlijk? Als de oude vrouw

dien vader van Minah niet geholpen had door hem geld te leenen, was hij

al meer dan eens in de gevangenis gedwaald, waar hij beambte is.

Fatsoenlijk? Die smerige il-Allah roeper van een penghoeloe. Er is hier

op de plaats geen enkele knoeierij gebeurd of hij had er de hand in.”

De twee waren zeer bleek geworden; zij verstonden weinig van het

Hollandsch, maar dàt hadden zij in hoofdzaak zeer goed begrepen; het

was waar en zij wisten het.

„Ik heb er tot nu toe niets van gezegd,” ging Bram heftig voort, „maar

nou jij met die kerels koketteeren gaat, nou verveelt het me bliksems,

hoor! Ik heb me nooit met dat tuig afgegeven.”

„Je zult na vandaag geen last meer van hen hebben.”

„Het is ten slotte hier mijn huis, en ik verdraag niet, dat die

smeerlappen hier komen voor proselitenmakerij en om jou in hun vuilen

boel te halen. Wie belet me, gévédé, hun mijn stok over de gemeene

tronies te halen?”

„Ik,” zei Adam.

Bram in zijn opgewondenheid, had werkelijk den knoestigen koffiestok

hoog opgeheven en een schrede gedaan in de richting van den mantri en

den penghoeloe, die achteruit geweken waren naar een hoek. Toen Adam

zijn breede figuur schoof tusschen hen en zijn broer, en vastberaden

zijn „ik” uitte, liet Bram verbluft den stok zakken en keek in het

donker dreigend gezicht, dat iets had van een boozen bulhond, vond hij.

Het leed geen twijfel of hij zou hem beletten, die inlanders af te

ranselen; hij zou hem ongetwijfeld over zijn eigen balustrade gezet

hebben.

„Kom A.,” zei hij ineens bedaard, „wees nu toch zoo gek niet om je door

dat armzalige vee te laten meeslepen. Het zijn me kerels, waarachtig!

jaag hen de deur uit, en ga met me mee, dan laten we het request

schrijven.”

„Ik wil niet,” hield Adam vol met zachte stem; „ik wil niet met anderen

worden „gelijk” gesteld.”

„Loop dan naar de hel,” schreeuwde Bram woest, keerde zich om en vloog

naar achter, om zijn vertoornd gemoed verder te koelen tegen njai

Peraq, die hem liet uitrazen met een onverstoorbaar gezicht.

Maar nog gaf hij het niet op; ’t denkbeeld, dat Adam door „die kerels”

beheerscht werd, hinderde hem al te zeer. Hij ging weer terug.

„Geloof me,” zei hij, „het is zooals ik zeg. Iemand die als jij geen

ervaring van inlanders heeft, laat zich lijmen door de praatjes van die

kerels, want dat lijkt heel wat. Wie hen kent als ik, weet, dat er geen

verband bestaat tusschen wat ze zeggen en wat ze doen. Zelfs de oude

vrouw, die laatst zoo mooi zat te schelden op Europeanen, heeft haar

leven lang gewoekerd, wat de koran dan toch verbiedt, dat weet ik

zeker. En een inlander maakt, als hij wat geld heeft, het liefst zoo

gauw mogelijk op, want anders is er toch altijd een andere inlander,

die het hem ontsteelt. Het zijn dieven en schurken, geloof me, lui en

smerig bovendien. Voor menschen in Europa en voor baren mogen hun

praatjes erg gemoedelijk en mooi lijken,—wie het volk kent als ik, die

eronder ben opgegroeid, zal er niet inloopen.”

„Zij zijn een arm en onderdrukt volk, Bram; ik heb in een boek van den

ouden heer een vers gelezen, waarin stond, dat zij nooit hun eigen

meester zijn geweest. Zij moeten altijd werken voor anderen; en

iedereen spreekt altijd kwaad van hen. Zij worden altijd behandeld als

honden, en niemand vraagt ernaar, wat hem het recht geeft hen zoo te

behandelen; zij moeten altijd beleefd en onderdanig zijn, en iedereen

is onbeschoft tegen hen; zij moeten altijd tevreden zijn met heel

weinig en nog veel daarvan afgeven; de minste Europeaan neemt tegenover

hen de houding aan van een meester; zij moeten onderdanig zijn en zijn

ze dat niet genoeg, dan heet het meer als schande, zoo onbeschoft ze

zijn.”

Verbaasd en geërgerd keek Bram hem aan. Zooveel woorden achtereen had

hij hem nog nooit hooren zeggen.

„Hebben die twee je dat voorgepraat?”

„Neen, niemand. Ik heb het gehoord en gezien, sinds ik te Batavia aan

den wal kwam; en elken dag hier op de plaats en overal en van iedereen;

van jou ook. Je zoudt in Holland eens moeten probeeren een bedelaar toe

te spreken, zooals men het hier een inlandsch werkman doet.”

„Enfin,” zei Bram zuchtend en niet bij machte iets tegen deze

allervreemdste redeneering in te brengen, „je moet het zelf maar weten.

Ik zie nu wel, dat je er niet af te houden bent. Het spijt me wel,

Adam, maar ik heb mijn plicht als broer gedaan, en ik zal dien blijven

doen.”

„Ik dank je ervoor, Bram. Jullie bent heel goed voor me geweest. God

zegen je!”

Hij reikte hem zijn groote vleezige hand, die Bram zwijgend en

zenuwachtig tusschen zijn magere knokkels drukte. Het was, dat voelden

beiden, als een afscheidsgroet voor langen tijd. Bij hun uiteenloopende

karakters en de tegenstelling, die zij opleverden in alles, hielden zij

van elkaar, elk op zijn manier. En terwijl Bram, zenuwachtig en

gevoelig, had kunnen huilen, zóó hinderde het hem, gleed over het breed

gelaat van Adam een stille bleekheid, die er een lijdenstrek aan gaf.

„Adieu,” zei Bram, heengaande. „Onthoud, wat ik je zeg: vroeg of laat

zal je hun dupe worden. Op den duur worden ze dat allen van elkaar, en

als er een vreemde eend in de bijt komt,—des te erger.”

Toen Bram weg was, hurkten ze alle drie weer neer op de mat, en de

mantri ging verder op zijn teemerigen toon:

„Het is beter bij ons te komen en hier alles te laten, zooals het is;

het is niet goed iets mee te nemen, en het is niet noodig; er is immers

geld om te koopen, wat noodig is. Dáárom vraag ik: laat het Europeesche

goed achter en ook den naam, en blijf enkel Adam tot het tijd is een

goeden naam aan te nemen, zooals een mensch dien behoort te hebben.”

En hij praatte nog lang voort, telkens in herhalingen vallend; altijd

neerkomend op hetzelfde.

DERDE HOOFDSTUK.

HET EUROPEESCH VERNIS VERDWIJNT.

Adam Silver keek stil vóór zich, nu en dan knikkend met het hoofd, als

toestemming; zichzelven aandenkend, dat het wezenlijk beter was, zooals

hij dien avond al meer had gedaan. Hij zag den mantri een dichtgeknepen

doek openmaken, met een mooie donkere sarong erin, een eenvoudig

katoenen baadje en een hoofddoek; het was alles zeer goed van qualiteit

en netjes afgewerkt; njai Peraq en Minah hadden eraan gewerkt met al de

liefde, die zij voor Adam koesterden, en de mantri spreidde het uit met

welbehagen, zoo senang vond hij het.

Een half uur later wandelden zij met hun drieën den weg op, Adam ook,

als inlander, een hoofddoek, een sarong en een baadje dragende, met een

gek gevoel over zich, daar zoo te loopen als een gecostumeerde;

onwillekeurig denkend nu en dan, aan den betrekkelijk nog zoo kort

geleden tijd, toen hij in Den Haag flaneerde met jongelui van zijn

kennis; in het duister van den avond glimlachend bij zichzelven om deze

vreemdsoortige metamorphose, doch zonder eenig gevoel van spijt of

leedwezen daarover. Het was nu eenmaal zoo, en het moest dus wel waar

zijn, wat de penghoeloe had gezegd: gelijk God het wil, zal het een

mensch overkomen. Dááraan was absoluut niets te veranderen!

Bijzonder vreemd was het leven, dat nu volgde, niet voor hem; de menage

thuis had heel veel inlandsch. Enkel hinderde hem de weinige

lichaamsbeweging, want op den weg wilde hij zich niet vertoonen in zijn

inlandsche kleeding, die, vond hij, toch erg leuk en gemakkelijk was;

en het erfje van den mantri was zeer klein. Het deed echter zijn

robuste gezondheid geen nadeel; hij volgde de lessen van den

penghoeloe, leerde koranspreuken uit het hoofd en kwam tot de

allergewichtigste besnijdenis, waartegen hij zeer opzag en waarvan hij

zich volstrekt geen voorstelling kon maken.

Maar hoe bang hij er ook voor geweest was,—de werkelijkheid viel nog

erg tegen. Hij had het kunnen uitbrullen van pijn bij de operatie, maar

hij behield zijn van nature kalm zelfbedwang; zijn ijskoude handen

bewogen zich niet; de bleeke lippen op elkaar geklemd, keken de oogen

dof van smart recht omhoog; geen enkele kreet ontsnapte hem.

En daar allen zijn kloekheid bewonderden en beschouwden als een gunstig

voorteeken, ving dadelijk het feest weer aan der vele genoodigden,

neergehurkt in de pendoppo.

Doch het hielp niet, dat hij zich goed had gehouden; de operatie op een

volwassen forschen jongen man, naar de gebrekkige inlandsche manier had

hevige wondkoortsen ten gevolge. Twee dagen later lag de nu Aboe Bakar

geworden Adam Silver, doodziek achter de groezelige klamboe van het

ledikant, dat de mantri voor hem had gekocht op een vendutie, en,

zooals het was, in gebruik had gesteld.

In de kamer zaten de penghoeloe en de mantri op den grond neergehurkt,

en de broeder van den mantri en een zoon van dien broeder en een zwager

van dien zoon en de vader van dien zwager,—allen goedgeloovige

Mohammedanen.

Want er moest dikir worden; het ijlen dat Adam deed, was het werk van

den duivel; het was de setan der christenen, die hem betwistte aan den

God van den Islam; maar hun stem zou krachtiger zijn, dan die van den

booze; ze zouden hem overschreeuwen en zóó verjagen.

Uit het bed, waaroverheen njai Peraq en Minah gebogen stonden om

zooveel mogelijk de bewegingen van den zieke te beletten en zijn

brandend hoofd te verfrisschen, kwam het geluid van een zware jonge

basstem, die in het Hollandsch sprak met allerlei denkbeeldige

menschen; die vloekte en lachte, en als uitbarstend in een bui van

gloeiende kroegjool Fransche café-chantant liedjes zong van: Vive le

vin le jeu et le tabac en Chantez, ma belle. En in het halfduister der

door een hanglampje slecht verlichte kamer ging met hooge keelklanken,

telkens na een enkelen regel recitatief door den penghoeloe, het

gillend al-illah-Allah op, met heftig bewegen der bovenlichamen voor-

en achterwaarts op de daaronder gekruiste beenen; naarmate de

koortsvisioenen en het woeste ijlen van den lijder heftiger werden,

klonken heviger en opgewondener de aanroepingen van de in een cirkel

zittenden, zoodat het was of zij hun verstand verloren, zoo had het

slingeren der lichamen en het geschreeuw hen in een staat van geweldige

overspanning gebracht.

Tot Aboe Bakar, uitgeput in slaap was gevallen, het droogheete der

koorts afnam, en de geregeld wordende ademhaling aantoonde, dat de

bloedsomloop zich voor het oogenblik had hersteld.

De twee vrouwen zaten naast het bed, de armen lam van inspanning; het

zweet met groote kralen op de voorhoofden, die ze nu en dan zuchtend

afveegden met de slendangs.

Het al-illah-Allah had opgehouden, maar nog lang prevelde de penghoeloe

zijn gebeden met een zacht stemgemurmel, dat als eentonig gefluister

door het somber vertrek ging, omhoog langs de slecht gewitte houten

wanden, zich verliezend in het laag afschuinend atappen dak; tot de

mannen eindelijk opstonden, stil naar voren gingen, afgebeuld van

overspanning, en in de pendoppo een strootje opstaken, weder

neerzittend, deze op den enkelen wankelen stoel, gene op den rand van

het lage balustradetje, een ander op de boventrede van het trapje, dat

naar beneden leidde.

Zoo zaten ze nog een heelen tijd bijeen, zonder iets te gebruiken,

ernstig, in wat zij een gesprek van aanbelang noemden, nu en dan een

paar woorden, dan een lange stilte, daarna weer een enkel woord; alles

neerkomend op de herhaalde bevestiging, dat zij erin geslaagd waren,

den duivel, die den Islam zijn nieuwen aanhanger betwistte, uit het

lichaam van den patiënt te verbannen.

Aboe Bakar herstelde heel langzaam; toen de wonde geheeld was en de

koorts hem had verlaten, scheen hij in uiterlijk niet de helft van wat

hij geweest was. Hij kon zich niet in den spiegel zien, want daar was

er geen; wel bezat Minah een slecht stukje spiegelglas in een prullig

lijstje—de goedkoope waar van een klontong—maar Aboe Bakar wilde er

niet naar vragen; hij wilde zijn gezicht niet zien; hij zag wel aan

zijn magere handen, en toen hij zich voor het eerst aan den put ging

baden, aan zijn knokkig lichaam, hoe het met hem gesteld was.

„Het is alles gelukkig afgeloopen,” zei hem zijn moeder.

„Wat?” vroeg hij, het voorhoofd fronsend met moeite om aan iets

bepaalds te denken.

„Met het geld en het goed. Het huis en de meubelen zijn verkocht en het

geld is verdeeld.”

„O, zoo! Nu, dat is goed.”

Zij keek hem aan, verwonderd, dat hij in dat alles zoo weinig belang

stelde.

„Bram heeft me je geld gegeven; net zooveel als de anderen; het is

braaf van hem, dat hij zóó gedaan heeft. Je kunt het krijgen, als je

wilt.”

Maar hij maakte een afwijzend gebaar.

„Later, later; nu niet.”

„Het is beter ook,” zei njai Peraq zacht, denkend aan de financieele

omstandigheden van den mantri.

VIERDE HOOFDSTUK.

OPNIEUW VERLOOFD EN GETROUWD.

Bij de Tiele’s werd al lang niet meer gesproken over Adam Silver, en

mevrouw Verlande, die het heel dikwijls over hem had met haar man, vond

dat vreemd. Want de families kwamen in den laatsten tijd nogal bij

elkaar; mevrouw Verlande maakte zulke overheerlijke sandwiches bij de

thee en al de Tiele’s waren daar dol op.

„Ik vind het onhartelijk.”

„Maar kindlief, het is immers beter zóó. Het was een hoogst onaangename

verrassing.”

„Kasian, hij was zoo’n goeje jongen, en hij kon er toch niets aan

doen.”

„Dat maakt het voor hen niet anders.”

„Nu maar, de eerste maal, dat ik bij hen kom, begin ik erover.”

„Doe het niet. On ne parle pas corde dans la maison d’un pendu. Het zou

een hatelijkheid lijken.”

„Laat het. Zij, Nora, heeft, geloof ik, in ’t geheel niet van hem

gehouden. Verleden week, toen ze hier gewhist hebben, zat ze met

kapitein Slaters aan een tafeltje... En een koketteeren!”

Verlande lachte luid,

„Welnu, wat zou het? Kan je niet zien, dat de zon in het water schijnt?

Ze is jong.”

„Tamelijk; maar hij niet.”

„Wel, hij is ’n goed geconserveerde veertiger. Dat is niet precies

jong, maar nog erg..... huwbaar.”

„Huwbaar!” herhaalde zij met een gemaakte verontwaardiging over zoo’n

uitdrukking; maar ze kon zich niet goed houden en ze lachten nu beiden

om het idée.

„En dan,” ging Verlande voort, „zou hij ’n goede partij zijn voor

Nora.”

„’n Kapiteins tractement is ook zoo schitterend niet.”

„Best, maar hij kan, hoor ik, zeker zijn van den gouden kraag, en hij

is net een man om generaal te worden.”

Het was een sterk argument; als elke vrouw vond mevrouw Verlande de

afgedragenste generaals-uniform nog een ideaal, waartegen een dozijn

van de zwartste zwarte rokken niet opgewassen waren.

De generaal der toekomst, voor het oogenblik kapitein der infanterie

bij het Indische leger, met verlof in Nederland, stond wezenlijk zoo

goed aangeschreven als Verlande zei; hij was geen man met een martiaal

uiterlijk: blond en fijn gebouwd, met een dun kneveltje en een zachte

stem; wat alles niet belette, dat hij zoowel een dapper

troepenaanvoerder als een kundig man gebleken was, die te velde zijn

Willemsorde dubbel en dwars had verdiend. Sedert de Tiele’s veel bij de

Verlande’s kwamen, hadden zij Indische kennissen gemaakt, en ofschoon

de oude Tiele daar altijd erg bang voor was geweest, en na zijn

ervaring met Adam Silver er meer dan ooit voor vreesde, behaalden de

sandwiches toch de overwinning.

Ten slotte was het een kansje om van de meisjes af te komen, die

meerendeels al ’n beetje op den achtergrond raakten in de vroegere

kringetjes, waar nu jonge dames waren, die nog onder de kinderen

telden, toen de meisjes Tiele al uitgingen. Bij de Verlande’s en zoo

waren ze in elk geval nog vrij versch.

Wat mevrouw Verlande het „koketteeren” van Nora had genoemd, bleek in

elk geval succes te hebben. Dat zag zij aan ’t gezicht van het meisje,

toen Nora ’s middags bij haar kwam.

„Wat is er gebeurd?” vroeg ze.

Verwonderd keek Nora haar aan.

„U weet ervan.”

„Heusch niet. Ik weet nergens van.”

„Ja, dan zoudt u zoo niet vragen wat er gebeurd was.”

„Is er dan iets gebeurd?”

„Och kom, houd u nu maar niet zoo onwetend!”

„Wezenlijk, Nora, ik weet van niets. Ik vond alleen.... iets vreemds in

je gezicht. Iets, alsof je een gewichtige tijding kwam brengen.”

„Voor mij heel gewichtig. Ik ben geëngageerd.”

„Met kapitein Slaters?”

„Zie je wel, dat u ervan weet.”

„Maar beste Nora, ik ben niet blind. Als wij bij elkaar zijn en twee

wisselen met elkaar zulke lieve blikken als jullie deedt.”

„Foei.... dat is niet waar. Dat deden we niet.....”

Mevrouw Verlande werd er in haar oprechtheid een beetje akelig van. Zij

had om het meisje niet te grieven, nu niet eens gezegd, dat de „lieve

blikken” eigenlijk door haar alleen werden geworpen.

„In elk geval, ik feliciteer je. En dat geeft zeker gauw trouwen.”

„Ja, het is fameus. Binnen een half jaar moeten we in Indië zijn.”

„Als alles goed had gegaan met Adam Silver, zou je daar al geweest

zijn.”

Het was de eerste maal, dat zij na den fameusen dag, dien naam tegen

Nora uitsprak, en het deed haar plezier, dat het meisje ontstelde; zij

dacht, dat ze dan toch wel wat voor dien armen jongen gevoeld moest

hebben, wijl ze zoo van kleur verschoot bij het hooren van dien naam.

„God, mevrouw!” zei Nora zacht en vertrouwelijk, „zouden we hem in

Indië ontmoeten?”

„Ben je daar zoo bang voor?”

„Verbeeld je.... ja, dat ben ik zeker. Ik heb van die heele akelige

zaak niets aan Slaters gezegd. Pa zei, het was niet de moeite waard. Er

was feitelijk niets gebeurd, zei hij.”

Dus was het dàt alleen, dacht mevrouw Verlande, en een beetje bits

antwoordde zij:

„Dat moet je zelf weten; dáárin geef ik liever geen raad. En wat dat

ontmoeten betreft,—er bestaat even weinig kans op, als hier in Den Haag

iemand te ontmoeten, die in Denemarken woont. Waar jij komt, daar komt

hij niet.”

Een oogenblik keek Nora haar verwonderd aan; zij begreep het niet;

verschil van grootte en afstanden stond haar niet voor den geest; men

ging, meende zij, in zekeren zin naar Indië, zooals men naar Rotterdam

ging, waar de menschen, bij al de drukte, toch onwillekeurig elkaar

ontmoeten, ware het slechts op straat.

„Je gaat naar Batavia, niet waar?”

„Ten minste rechtstreeks; Slaters zegt, dat we er wel zullen blijven

vooreerst.”

„Nu, de plaats waar Adam Silver woont ligt ongeveer zoover van Batavia

als Den Haag van... wat denk je?”

Het moest een heel eind zijn, dacht Nora, en op goed geluk af zei ze:

„Brussel.”

Mevrouw Verlande begon te lachen.

„Neen kind, Petersburg of daaromtrent; met het verschil, dat je van

hier veel gauwer te Petersburg bent.”

Het meisje geloofde het niet; zij vroeg het haar vader, die het

bevestigde en zij vroeg het ook, als een bloote nieuwsgierigheid, wijl,

zei ze, het zoo moeilijk was zich eenig begrip van afstanden eigen te

maken, aan den kapitein. Nu, toen die het bevestigde, was haar hart

gerust.

VIJFDE HOOFDSTUK.

ONAANGENAME ONTMOETING EN WROEGING.

Een maand of vijf later aan boord, na een in alle opzichten welgeslaagd

huwelijksreisje te land, dacht Nora Slaters aan den heelen Adam Silver

niet meer; geen oogenblik. De herinnering aan hem was nu niets meer dan

een flauwe kinderachtigheid.

Toen zij te Tandjong Priok kwamen, nam de drukte hen erg in beslag,

maar toch niet zóó, of Nora zag wel op de kade een groot gewoel van

inlanders, dat haar eigenlijk meer vrees aanjoeg dan belangstelling

inboezemde.

Het was ’n aardig gezicht, die honderden mannen, vrouwen en kinderen,

allen in hun mooiste, kleurigste oostersche kleederdracht, met profusie

van helrood, hemelsblauw, grasgroen en wit, als domineerende kleuren,

en een mengeling van geel en bruin en Perzisch bont, in kleinere

kleurstukken daartusschen, in een langzaam gewriemel van overgangen bij

het rustig voortschrijden, zonder gedruisch.

„Als dat eens allen Europeanen waren,” zei kapitein Slaters, „dan zou

je een ander leven hooren.”

„Is het hier altijd zoo?” vroeg Nora.

„Wel neen; gewoonlijk is het erg kalm op de kade; er gaat zeker weer

een lading Mekkagangers.”

„Wat zijn dat?”

„Pelgrims, die naar Mekka gaan, naar het graf van Mohammed. Ze hebben

nu geld en zijn niets; als ze terugkomen, zijn ze straatarm, maar

hadji.”

Het jonge vrouwtje wist niet wat een hadji was; zij vroeg er ook niet

naar; met een strak gezicht en saamgeknepen lippen keek zij naar den

walkant; daar stond een inlander, groot en zwaar, met een zwarten

baard, het hoofd en de breede schouders uitstekend boven zijn omgeving,

en blank te midden van al dat bruine; veel blanker, dan Adam Silver

geschenen had in Holland.

Het was Aboe Bakar, die met Minah en haar zuigeling naar Mekka ging;

toen de boot met kleine voor- en achterwaartsche bewegingen aan den wal

meerde, had hij, den blik latende gaan langs de reizigers, die over de

reeling van het achterdek leunden, Nora herkend; onwillekeurig was hij

blijven staan en had haar aangekeken, strak maar kalm; verwonderd, niet

ontroerd. Haar was het, als werd zij plotseling aangegrepen door een

geweldige lamheid in de leden; zij keek naar de groote glinsterende

zwarte oogen, als trokken die haar aan met onweerstaanbaar magnetische

kracht; zij had geen woord kunnen zeggen; geen voet kunnen verzetten.

De eenige gedachte in haar hoofd was: van Den Haag naar

Petersburg,—zóóver moest hij van haar af zijn, en daar stond hij op

geen tien passen afstand.

Langzaam keerde Aboe Bakar zich om en wandelde op naar de noordzijde.

Zij zag hem verdwijnen in een opening tusschen twee loodsen en keek nog

strak naar die plek, toen hij al weg was.

„Hoe is het?” vroeg haar man lachend. „Droom-je?”

Zij streek met een rillinkje in haar hoofd strak de fijne handen langs

de oogen, zoodat die er rood van zagen.

„Het is me alles zoo vreemd, hier, ik kan er niet genoeg naar kijken.”

Ze werden gestoord door medepassagiers en de hurry van binnendringende

verwanten of familieleden van passagiers, die verwelkomden en van boord

kwamen halen; door opdringende koelies, zich meester makend van

gereedstaande kisten en koffers, om ze naar buiten te sjouwen; het was

onder den hellen gloed der zon een verwarring, waaruit men zou gedacht

hebben, met zijn persoon en zijn goed nooit terecht te komen, maar die

zich vrij spoedig en heel goed in een ordelijken exodus naar het

spoorwegstation oploste.

Aboe Bakar: Indische Roman · 第 8 / 15 段