familie zoo vriendelijk was ontvangen; aan de Verlande’s schreef hij in
’t geheel niet; hij miste er den moed toe.
Zoo ging het door een paar maanden, tot de beschikking kwam op zijn
request: gehoord, gezien en overwogen; het verzoek van den zich
noemenden Adam Silver was gewezen van de hand.
Dat het hem erg schokte, zag Bram, en ofschoon hij het resultaat van
den begin af had voorspeld, ging hij nu ineens overstag, met een
voorgewend onwankelbaar vertrouwen op het collectief adres van de
wettige erven.
Daar moest „spoed” achter gezet worden; daar had men mee moeten
beginnen; dat zou ’n heel ander effect maken; men zou begrijpen, dat
hij geen indringer was; dat alles neerkwam op een verzuim uit
nalatigheid.
Voor zichzelf had hij de overtuiging, dat het „mis” was; ver ging zijn
kennis niet, ook niet in zulke zaken; maar dat de beslissing der
Regeering op zoo’n verzoek niet afhankelijk was van den persoon, die
het deed,—dàt begreep hij toch wel.
Adam, die leukweg voortlevend maar, in den dagelijkschen omgang onder
den invloed was gekomen van Bram’s grootere scherpzinnigheid en
slimheid, geloofde het. Hij hield nu ook zijn eigen verzoek voor een
ondoordachte handeling, zich geruststellend met de redeneeringen van
Bram; vertrouwend op wat hij wenschte en tegelijk zoo heel natuurlijk
vond.
Het was een vroegen ochtend, toen Adam in de voorgalerij zat en met den
ouden kijker uitzag in zee; de mailboot stoomde op aan den
gezichteinder, het was alles haast onveranderd zooals het tien, twintig
jaar vroeger was geweest.
Bram was op de varkensjacht; njai Peraq en haar dochter naar de pasar;
Adam had het rijk in huis alleen met Minah, die ziek was, zei ze, en er
lang zoo netjes en fleurig niet uitzag, als toen zij pas bij hem kwam;
in het besef eener inlandsche vrouw, dat, in haar „omstandigheden” het
niet behoorlijk was zich aan te stellen.
Hij verveelde zich; hij had in den laatsten tijd ’n hekel gekregen aan
dit eentonig bestaan; de stilte, de gelijkvormigheid van het leven
elken dag; de ongestoorde rust en het eeuwige nietsdoen,—het had hem
alles eenigszins geoefend in wat hem vroeger te midden van het drukke
vermakenleven in een groote westersche stad vreemd was gebleven:
geoefend in het denken. Het had zijn geest verruimd, zijn hoofd
helderder gemaakt, zijn oordeel gescherpt. En dat alles bijeen, deed
een behoefte ontstaan, die hem altijd onbekend was geweest; hij wilde
iets doen. In zijn omgeving had hij rondgezien naar dat „iets,” maar
hij had het niet gevonden; een drukkend gevoel was over hem gekomen;
een van groote ontevredenheid, en lusteloos hing hij over de
balustrade, droomerig en somber starend over het groote onrustige veld
der zee.
Als hij naging, hoelang het had geduurd vóór de afwijzende beschikking
op zijn request gekomen was, dan werd het nu zoowat tijd, dat op het
collectief adres van de „erven Silver” een beslissing kon verwacht
worden.
Als dàt óók werd afgewezen, wat dan? Zou hij dan.... inlander worden?
Ineens stond het hem voor oogen, dat hij eigenlijk niets behoefde te
doen of te worden; dat hij vanzelf inlander was.
En hoezeer hij zich in die weinige maanden ook „verinlandscht” had; hoe
goed en gemakkelijk hij zich had gewend aan de rijstvoeding, aan het
loopen op bloote voeten in nachtbroek en kabaai; aan het leven met een
inlandsche vrouw,—kortom aan de eigenaardigheden, ook de minder
smakelijke, van dàt leven,—de gedachte aan wat zijn wettigen en
werkelijken toestand dreigde te worden en te blijven, deed hem zeer;
nu, meer dan dat vroeger het geval zou geweest zijn.
Terwijl hij zich eerst had gevleid met de hoop, dat het request zou
baten,—scheen hem dit nu, hij wist niet waarom, onwaarschijnlijk. Als
een voorgevoel kwam het over hem; het zal wel weer worden afgewezen.
Wat dan, wat dan?
In de kampong gaan wonen? Och, dáár zou hij op zichzelf zoo niet tegen
hebben opgezien. Maar hij had in het kantoor van wijlen John Silver,
zijn vader, zooals hij hem in gedachten betitelde, een wetboek
gevonden, en daarin gebladerd; hij had ’s morgens de gestraften langs
den weg zien werken in de indigo-blauwige katoenen gevangenisliverei;
hij had uit dat wetboekje gezien, hoe bitter weinig overtreding er
noodig is voor een inlander om die straf te beloopen; hij had gehoord
en gezien hoezeer het overheerschte ras tot door den geringsten
Europeaan of „daarmee gelijkgestelde” uit de hoogte werd behandeld; hoe
er haast nimmer tegen den inlander werd gesproken, dan snauwend en
bevelend; en dat alles had hem zoo diep geïmpressionneerd, als waarvoor
zijn natuur vatbaar was; het had hem geslagen met vrees en schrik.
Aan dat alles dacht hij, doelloos starend uren achtereen in de
onmetelijke ruimte; en hij schrikte van het geluid achter hem, dat Bram
maakte, die was binnengekomen.
„De boot is aan,” zei deze.
Adam knikte: dat kon hij nagaan. Langzaam richtte hij zich op, stijf in
de lenden van den gebogen houding zoolang achtereen.
„En, wat nieuws?”
Hij kreeg geen antwoord.
Bram had zich afgewend met zijn rug naar hem toe; maar Adam zag toch
wel, dat hij huilde.
„Is het ook weer afgewezen?” vroeg hij zacht.
„Ja.”
„Ik dacht het wel; ik had het verwacht.”
Een oogenblik meende Bram, dat hij het opvatte met onverschilligheid;
dat het hem niet kon schelen. Toen zag hij het erg bleeke gezicht in
den jongen zwarten baard, die het omlijstte, en het leed, dat sprak uit
de groote goedige oogen.
„Verdomme, kerel!” zei hij met bevende stem. „Het doet me zoo’n zeer.
Hoe kon de-n-ouwe toch ook zoo wezen!”
Adam moest het stuk zien; het was haast precies als het vorige; geen
discussie, geen argumenten: gezien, gehoord en overwogen, en....
gewezen van de hand.
Hij zei niets meer en ging naar zijn kamer.
Bram liet hem gaan; hij had hem willen troosten of moed inspreken, maar
hij wist niet, wat hij zeggen zou, zoo’n verschrikkelijk geval was het.
Hij hoorde, dat Adam, zoo onvriendelijk als hij ’t nog nooit had
gedaan, Minah de kamer uitzond.
„Wat is er toch, mijnheer?” vroeg zij aan Bram, verwonderd en ontsteld
over zulk een ongewone behandeling.
„Er is niets; ga jij maar naar achteren bij ma. Adam is ontevreden.”
„Ik heb toch niets gedaan,” ging zij voort, meer uit nieuwsgierigheid.
„Soedah, ga nu maar, en praat niet verder.”
Hijzelf liep den tuin in, werktuiglijk de snoeischaar meenemend, als
hier of daar iets weg te knippen viel, uit gewoonte, zooals zijn vader
had gedaan, maar met zijn gedachten voortdurend bij dien onaangenamen,
dien wreeden toestand in zijn familie.
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
MOEDERLIEFDE.
Nu het een feit was, kon Adam niet denken; hij viel op een stoel neer,
sloeg de handen voor het gezicht en trachtte vruchteloos zich een
voorstelling te maken van hetgeen zijn positie worden moest; hij kwam
er niet toe. Hij hoorde den schuivenden voetstap van njai Peraq op de
houten vloer der galerij; zij kwam zacht de kamer binnen, maar hij keek
niet op; zij hurkte neer voor zijn voeten op den grond, en hij voelde,
dat zij haar hand lei, heel even, op zijn breede knie.
Hij hoorde haar stem, zacht en gedempt, als van iemand, die veraf
staat; maar duidelijk verstaanbaar, woord voor woord: „Kind van mijn
hart, wees niet bedroefd. Als gij zijn moet wat uw moeder is, dan heeft
de Heer God het zoo gewild, en gij zult er niet minder om zijn. Ik zal
u dienen, als waart gij een koningszoon, en al wat ik bezit is voor u
en van u. Gij zijt een sterke man en uw hart is eenvoudig en goed.
Waarom zult gij bedroefd zijn, als zij u verstooten? Zijn zij zoo goed?
Ik heb er zooveel zien komen en gaan; de meesten vloeken, eten onrein
vleesch en drinken sterken drank. Zij zeggen een geloof te hebben en
een God; zij leven alsof het niet zoo was. Zij hebben veel akals om te
maken van allerlei, dat een mensch niet noodig heeft, maar zij zijn ruw
en kasar, zij haten en benijden elkaar. Zult gij, die jong en sterk en
schoon zijt, en die geld hebt, bedroefd zijn om menschen, die u
uitstooten, wijl een ander u niet liet opschrijven in een boek? Ik ben
een oude, domme vrouw, en ik heb niets gezien van de landen achter de
zee, maar ik zeg u, dat bij mij en de mijnen een goed mensch meer is,
dan al het geschrijf in papieren boeken.”
Hij hoorde het stil aan; hij had de sensatie, dat het geen redeneering
was die sloot; het was als gleed een spiegelbeeld der westersche
beschaving langs hem heen, bij wijze van tegenstelling tot wat de oude
vrouw sprak: de gecompliceerde samenleving; de groote resultaten van
wetenschap en kunst voet voor voet veroverd, in een eeuwenlangen
ontwikkelingsgang van scherpzinnigheid en vlijt,—het was niet heel
duidelijk, dat beeld, voor zijn geringe kennis en ontwikkeling; hij had
het niet in woorden kunnen brengen; hij voelde het als de opgeroepen
geest van een groot en omvangrijk zijn, waarin hij zorgeloos en
onwetend had meegeleefd, met in zijn hersens enkel een machinalen
ervaringsindruk, maar die hem nooit verlaten zou. En tusschen dat
gewirrewar in zijn hoofd, dat hij niet grijpen kon met zijn gedachten,
toonde de stem door van njai Peraq, hoog inzettend een zin, dalend in
het midden, met een klein klankslingertje omhoog weer aan het slot:
„Wij zijn slecht voor den Heer God en wij leven niet gelijk de koran
wil. Maar in de kleinste kampong is een plaats, waar de mannen kunnen
bidden en dikir, en de kinderen hebben wat de ouders hebben, en de
ouders leven met de kinderen, tot zij slapen gaan onder de kambodja.
Wij weten, dat de Blanda’s sterker zijn dan wij en prentah geven om te
doen gelijk zij het willen, de een zóó en wat later een ander weer
heelemaal anders. Soedah, dat heeft de Heer God zoo gewild; hij zal hun
prentahs laten geven hier, en prentahs daar, en altijd maar prentahs,
zoolang Hij wil. Maar een bedehuis hebben zij niet op deze plaats; wèl
een huis waar zij samenkomen om te drinken, dikwijls tot zij dronken
zijn. En de ouders sturen de kinderen weg om opgevoed te worden in
verre landen door anderen; en later zien de kinderen niet om naar de
ouders. De macht der prentahs hebben zij gekregen van den Heer God: het
is onze straf; het is ook hun straf, kind van mijn hart, want wat ons
vernedert, ontneemt hun het geluk; het is de vloek, die op hen rust; de
prentahs bidden zij aan, de prentah is hun God, en wie de meeste
prentahs geven mag is zijn profeet; daarom zijn zij kafirs.”
Eenigszins verschrikt trok Adam de handen weg van voor het gezicht, en
hief het hoofd op; njai Peraq was zacht blijven spreken, niet harder
eindigend, dan zij begon; maar er waren groote nadruk en een vreemde
bijklank gekomen in haar stem; een intonatie van diep gewortelde
verachting en haat; en toen hij haar in het gezicht keek, was het niet
meer het onverstoorbare masker, glad en zonder plooi als van een
hindoesch afgodsbeeld, maar een gezicht vol trekken en leven, met oogen
erin niet mat-zwart als altijd, maar helbruin, glinsterend als van een
jonge vrouw. Het viel dadelijk weg, toen hij haar zoo aankeek; zij
schaamde zich voor haar opgewondenheid, en hij zag, hoe het hevige
leven weer verdween uit het gezicht en het licht weer uitging in de
oogen, die hem nu zoo dof en gelijkmoedig aankeken als altijd.
„Geloof mij Adam,” zei ze, op haar gewonen toon, langzaam opstaande;
„zij zijn niet waard, dat een mensch zich om hen bedroefd maakt; het is
alles valsch, het is alles schijn; zij willen maar geld en
betrekkingen, niet om er mee zaken te doen of om er geacht door te
worden, maar om te schijnen wat zij door hun zelven niet zijn; om veel
vertoon te maken; om zich ziek te eten en te drinken, en om veel
prentahs te kunnen geven. Zij weten niet wat het geluk is, dat een
mensch kan hebben van de jaren, die hij leven mag. Gij zult het hebben,
kind van mijn hart, en gij zult beter en tevredener zijn.”
Verstomd keek hij haar na. Van wat hij ook had kunnen droomen, dien
ochtend,—niet van zulk een flux de bouche, van zulk een beredeneerdheid
dier stille bejaarde vrouw, die zoo weinig meetelde in de familie, al
was zij dan ook onbetwist aller moeder. Maar het had hem, vond hij,
veel goed gedaan. Onder haar praten was het beeld der machtige
tegenstelling afgeflauwd; het had geen steun gevonden in een krachtigen
eigen geest, en was door de activiteit der werkelijkheid verdrongen.
Hij dacht nu, dat het waar was, wat njai Peraq had gezegd, en het
scheen hem, dat hij bij dien gedachtengang weinig moeite zou hebben om
over het denkbeeld heen te komen.
„Dat was een lang bezoek van het oudje,” zei Bram, als met de deur in
de kamer vallende.
Adam knikte zwijgend, en stond op van z’n stoel; de ander ging voort:
„Zij heeft een heele speech gehouden.”
„Heb je het gehoord?”
„Ja, ik heb geluisterd aan de deur.”
„Aan de deur?” vroeg Adam, verwonderd en eenigszins geërgerd.
„Zeker. Als ik binnengekomen was, zou zij gezwegen hebben; ik wilde
weten, wat zij te zeggen had. Ik moet zeggen, dat ik wel zoo iets van
haar verwachtte.”
„Wat voor iets?”
„Wel, dat ze er lekker mee zijn zou; zij houdt op haar manier heel veel
van jou; meer dan van ons, dat heb ik al lang in de gaten.”
En toen Adam daartegen wilde protesteeren:
„Zanik niet A.; het is zoo, en mij kan het waarachtig niet schelen. Zij
heeft bliksems mooi gepraat, dat erken ik. Nooit in mijn leven heb ik
zoo iets van haar gehoord. Het is gedeeltelijk nonsense, maar er is
toch veel van waar. In elk geval ben jij haar lieveling, en zij zou er
voor sterven om jou hadji te zien worden.”
„Mij... hadji!” herhaalde Adam, wien dit gezichtspunt geheel vreemd
was.
„Zeker. En als kandjeng Gouvernement nu toch je niet wil opnemen onder
de Europeanen, dan is het misschien nog het verstandigste, wat je doen
kunt.”
„Mij... hadji!” zei Adam nog eens, zacht, het idée vervolgend, zonder
te luisteren naar wat de andere verder zei.
„Ja; je kent mijn opinie; in jouw plaats ging ik er van door naar
Amerika of Australië.”
„Nooit! Dat doe ik van m’n leven niet.”
„Nou, dan zit er ook niets anders op.”
„Het is me onbegrijpelijk.”
„Mij ook. Ik kan me heelemaal niet in jouw toestand verplaatsen, want
als ik er niet van door ging in zoo’n geval...”
„Wat dan?”
„Dan schoot ik me dood.”
Adam dacht erover na, of, althans, hij scheen dat te doen. In
werkelijkheid zou hij nooit de hand durven slaan aan zichzelven.
„Omdat je dáár ook geen zin in hebt, is er voor jou geen andere
uitweg.”
„Ik moet over alles eerst nadenken.”
„Ga gerust je gang A. Je zit hier niemand in den weg, hoor! Ik zei het
maar, omdat je ten slotte toch een partij zult moeten kiezen. En wat
het geld van de-n-ouwen betreft,—daar krijg je je portie van, zoo goed
als een onzer; met twintig mille in den zak, sta je dan toch vooreerst
niet op straat, hoe je landaard ook zijn mag.”
„Ik moet mevrouw Verlande schrijven.”
„Weet zij er nog niets van?”
„Neen, ik hoopte....”
„Ja, dat begrijp ik. Maar doe het nou ook, nou de kogel door de kerk
is.”
’s Avonds deed Adam het; rustig en kalm stelde hij een langen brief op,
waarin hij eenvoudig en juist de toedracht meedeelde van alles wat
gebeurd was sedert hij in Indië aankwam; ook over Minah schreef hij;
waarom zou hij daar doekjes om winden? „Gij zult hieruit zien, lieve
mevrouw,” zoo eindigde hij, „dat alles voorbij is; dat ik voor vroegere
bekenden en vrienden zoo goed als dood ben. Ik dank u wel, voor al de
vriendelijkheid, die ik van u en van mijnheer Verlande zoo dikwijls heb
ondervonden, en die ik niet waard was. Mijn laatste verzoek is of u
juffrouw Nora Tiele alles wat ik u hier schrijf wilt vertellen. Er
behoeft niets bijgevoegd te worden, geloof ik; haar lieve brieven heb
ik verbrand; ik hoop dat zij het mijn brieven ook zal doen; het is
beter.”
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
TWEEDE DEEL.
EERSTE HOOFDSTUK.
VERVLOGEN HOOP EN EEN NIEUWE VERBINTENIS.
De Verlande’s, die nog altijd in Den Haag woonden, hadden al dikwijls
over Adams gruwelijke ondankbaarheid gesproken. Zoo’n jongen, dien ze
altijd hadden bejegend als hun eigen kind, schreef hun geen enkelen
regel. Ze waren er boos om.
Maar toen ze dien brief hadden gelezen, zaten ze elkaar verslagen aan
te zien, mevrouw met tranen in de nog altijd mooie blauwe oogen.
„Mijn God!” riep zij het eerst, „dat is nu toch al te gek.”
„Ja, gek of niet, het is zoo en niet anders.”
„Maar zou daar hier in Den Haag niets tegen te doen zijn?”
„Hoe meen je dat?”
„Wel... bij het Ministerie; bij de Kamers.”
„Ik vrees van neen.”
„Toe, Lande, probeer het, ja? Het is zoo’n vreeselijk geval... Wat kan
dien Silver toch indertijd bezield hebben...!”
Verlande ging naar het Ministerie, waar men zeide, dat Adam feitelijk
een inlander was, en over het geval dus niet verder viel te redeneeren.
Dat hij in Europa was geweest... ja! Dat hij Hollandsch sprak... ja!
Maar hij was de zoon van een inlandsche vrouw, dat stond vast; wie zijn
vader was, kon zelfs niet onderzocht worden; een Christen was hij, als
ongedoopt en niet-lidmaat, ook al niet.... Er was dus in Indië goed
gezien, goed gehoord en goed overwogen; aan de zaak viel niets te
veranderen.
Tegen het bezoek aan Nora Tiele, dat nu volgen moest, had mevrouw
Verlande zeer opgezien; maar zij was een kloeke vrouw, die iets niet
uitstelde, omdat het onaangenaam was.
Het gaf in de familie Tiele een oogenblik van hevige consternatie. Zij
hadden zich het idée, een kwart millionnair als aanstaand familielid te
hebben, nu al zóólang eigen gemaakt; zij hoopten hem spoedig met zijn
groot erfdeel te zien aankomen; en daar verdween dat kapitaal
plotseling in het baadje van een inlander!
Nora was erg bedroefd eerst; doch toen zij hoorde hoezeer de erfenis
was tegengevallen, bedaarde zij. Dàt zou immers toch onmogelijk zijn
geweest. Men kon geen man zonder positie of talent trouwen, enkel om
zoo’n beetje geld.
De oude Tiele keek grimmig langs zijn grooten beenigen neus; hij had
een gevoel of hij opgelicht en bestolen was; en terwijl de anderen, ook
Nora, den armen Adam ten minste beklaagden,—kon bij Tiele geen woord
van compassie ertusschen.
„Hij had mij dadelijk moeten kennis geven,” zei hij.
„’t Was zoo’n treurig geval voor hem,” pleitte mevrouw Verlande.
„Bovendien hij had nog hoop.”
„Het doet er niet toe. Als fatsoenlijk mensch had hij mij dadelijk
moeten schrijven.”
En ofschoon niet bleek, dat dit ergens toe zou gediend hebben, vooral
wijl Nora geen spoor van een partij door het langer uitblijven der
tijding had misgeloopen, bleef de oude Tiele hardnekkig bij zijn
bewering, als een gloeiend verwijt tegen Adam Silver.
Maar dáárover waren allen het volkomen eens: men moest het in Den Haag
stil houden. Het was wel geen bepaald schandaal, maar haast net zoo
erg; in zoover zelfs erger, dat het Nora en de familie belachelijk zou
maken. Koud liep het den ouden Tiele langs den rug: de Hagenaars zouden
hem uitlachen! Dàt was om niet te overleven!
Mevrouw Verlande moest wel zesmaal beloven, dat zij er met niemand over
zou spreken, wat zij met genoegen deed. Zij dacht daarbij niet aan haar
man; en zij schrikte toen ze, er ’s middags met hem over sprekend,
hoorde, dat hij het al in den loop van den dag, als een extra pikant
nieuwtje, aan eenige oud-gasten had verteld.
„Die dragen het den heelen Haag door,” zuchtte zij.
„Daar hebben ze groot gelijk aan; het doet er immers niets toe.”
„Ik heb het de Tiele’s zóó beloofd.”
„Dat wist ik niet; je hadt het niet moeten beloven.”
„Kon ik anders?”
„Wel zeker, ik wist het immers.”
„Daar kunnen ze nog plezier van hebben.”
Verlande lachte.
„Dat gun ik ze van harte,” zei hij, „eigenlijk ben ik blij, dat ik het
al verteld heb; natuurlijk zou ik ’t nagelaten hebben, had ik geweten,
dat jij je woord had gepasseerd; nu is er niets meer aan te doen.”
„Kan je de anderen niet vragen het te verzwijgen.”
„Die is naïef! Vooreerst hebben ze het rondgebazuind en in de tweede
plaats zouden ze dat toch doen, al hadden ze honderdmaal het tegendeel
beloofd; bedenk toch, kind, dat het allen menschen zijn, die niets om
handen hebben!”
Adam Silver was op een goeden dag met Minah uit het oude huis
verdwenen; hij had tegen niemand iets gezegd; hij had niemand gegroet.
Alles, wat hij had meegebracht, uit Europa, had hij achtergelaten.
Avonden achtereen had te voren zijn „schoonvader”, de mantri van de
gevangenis, bij hem gezeten met den penghoeloe, en de laatste was dan
aan het woord geweest; hij had gepraat van onderwerping en berusting in
den wil van God, en altijd maar weer van berusting en onderwerping tot
Adam er door gehypnotiseerd was; zijn goedige meegaande natuur, zijn
trage geest,—het werkte er alles toe mee om hem al doende te brengen
tot het geloof: God is alles, de mensch is niets, laat hem dus niet te
veel beproeven, niet te veel willen weten,—het baat toch niet; verder
de vredelievendheid en zachtzinnigheid onder elkaar; het ideaal van
rust, kalmte, onopgewondenheid. Ook dàt strookte zoo wonderwel met het
indolente van zijn karakter, dat hij gemakkelijk ervoor te vinden was.
Wel had ook hier weer het beeld zich opgedrongen aan zijn geest, van
het rusteloos, opgewekt, ijverig en beweeglijk leven der westerlingen,
in wier midden hij zoolang had gewoond,—maar het verdween weer gauw,
nog gauwer weggepraat door den penghoeloe nu, als vroeger dat van het
begrip wetenschap door njai Peraq. Want hij had wel geleefd te midden
van die bedrijvigheid, maar zonder zelf ooit eraan mee te doen, gelijk
hij de wetenschap en kunst van niet meer kende dan hooren zeggen en
oppervlakkig zien.
Het was dus geen moeilijk spel, dat zij met hem hadden, en het streelde
zijn ijdelheid; want niet enkel behandelden de twee inlanders hem met
onderscheiding, maar zijn moeder en Minah, ja zelfs de eenoogige
zuster, die door geboorte en opvoeding tienmaal meer inlandsch was, dan
europeesch, zagen nu tegen hem op met ontzag. De broers hadden besloten
niet in huis te komen vóór alles was afgeloopen; zij konden het
eenvoudig niet aanzien, hadden ze gezegd.
Tot op een avond de penghoeloe en de mantri vonden, dat Adam genoeg
voorbereid was; zij zaten in de kamer alle drie op de mat op den vloer,
de beenen onder het lijf gekruist, de kleine petroleumlamp op de tafel.
De priester zei een lang gebed, met koranspreuken in het Arabisch
ertusschen, die hij zelf niet verstond; in het gesloten vertrek klonk
de prevelende stem zacht en eentonig; door het zitten op den grond kwam
alles anders uit in het gele licht; de schaduwen der meubels teekenden,
dus gezien, vreemde figuren op het grauwe matwerk; het zag er alles
droevig eentonig uit in kleur en licht, maar rustig, oneindig rustig;
om bij in te slapen! En de waarheid was, dat Adam moeite genoeg had om
z’n oogen open te houden; de mantri, onbeweeglijk, staarde maar recht
voor zich uit, als had hij een visioen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
IK WIL NIET GELIJK GESTELD WORDEN.
Toen de priester met bidden gereed was, begon de mantri te spreken, ’n
beetje verlegen eerst, draaiend met het bovenlijf in ’t nauwe zwarte
dienstbaadje; met den wijsvinger trekkend over de mat, net als iemand,
die figuren teekent in ’t zand, en met het hoofd den loop der
denkbeeldige lijnen volgend als in een reflex-beweging;—zij hadden dan
gemeend, zei hij, dat er voorloopig genoeg was gesproken, en Adam nu
ook wel wijs was geworden; zij hadden gemeend, dat hij nu niet langer
kon blijven zooals hij was en in dàt huis; zij hadden gemeend, dat het
welvoeglijk was, als hij in het huis kwam van zijn schoonouders,
levende als een gewoon orang islam en zich kleedend naar landsgebruik;
zij hadden gemeend, dat hij alles moest achterlaten, zonder iets mee te
nemen, want wat hij noodig had, brachten zij; zij hadden dat alles
gemeend en nog veel meer, en nu wilden zij vragen, wat hij daarvan
dacht.
Knarsend draaide het ijzer van de deurkruk; Adam rees snel op van den
grond; het was Bram Silver.
Met een nijdig gezicht keek hij naar de twee inlanders, die hem
groetten en de oogen neersloegen beiden bevreesd, de lange magere
penghoeloe in zijn wit kleed, zoowel als de kleine bejaarde mantri;
want Bram was de oudste zoon en dus de heer des huizes; hij hield niet
van familiariteit met inlanders; dàt wisten zij evengoed, als zij hem
kenden van zijn jeugd; als zij hem in vrijheid hadden zien opgroeien,
een „brandal” van de ergste soort!
„Zeg,” zei hij tot Adam. „Er is nog een kans voor je.”
„Wat voor kans?”
„Ik heb er met den assistent-resident over gesproken. Je kunt gelijk
gesteld worden.”
Adam haalde de schouders op en glimlachte verlegen.