Bram lachte hard en krakend; net het geluid van z’n vader in vroeger

tijd.

„Neen, niet graag,” bekende hij openhartig; „maar mal zijn die totohs

niet, ma; zij zijn heel wat slimmer dan wij.”

„Het kan mij niet schelen en het is niet waar ook; ja, zij kunnen

allerlei maken van ijzer, hout en steen, en zij kunnen sopi drinken en

brendy, maar pinter zijn ze niet.”

„Soedah! Ik weet het beter. Maar het is waar, ik zou zoo’n schoonzusje

niet graag hebben. Doch daarom zou ik het portret niet stelen.”

„Als hij het ziet, denkt hij aan haar.”

„Laat hem denken.”

„Dan wil hij haar trouwen.”

Bram lachte weer.

„Je wordt oud; je bent zelf niet zoo pinter meer als vroeger. Allah,

toch ma! hij is een Indische jongen. Laat hem maar eerst ’n week of wat

hier zijn, dan is hij gewend.”

„En dan?”

„O, welk een garnalenhoofd!” riep Bram zonder eenig respect voor de

moederlijke waardigheid van njai Peraq. „Dan geef ik hem een aardig

meisje om hem te pidjit.”

Daar moest nu de oude vrouw om lachen, het dom vindend van haarzelf,

dat zij dááraan niet had gedacht.

„Geef mij dus het portret terug,” ging Bram voort, „dan zal ik het in

z’n kamer leggen; het is beter.”

Maar zij was bang.

„Neen, ik doe het niet, Bram, ik doe het niet.”

„Geef het nou, zeg ik. Hij moet ons niet gaan wantrouwen; en als hij

dat ding mist, zal hij u of mij natuurlijk verdenken.”

Maar het was preeken voor doovemans ooren; aan zoo’n photographisch

portret schreef njai Peraq een buitengewonen invloed toe, had zij dien

niet zelf ondervonden en gevoeld, toen ze dat van Adam zag en ineens

voor haar oogen een beeld oprees, dat ze al lang was vergeten; en zoo

duidelijk, dat zij ervan schrikte? Neen, dat nooit!

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

EEN NIEUWE VLAM.

Adam rekte zich uit, dat de ledikantstijlen ervan kraakten. Hij had

heerlijk geslapen en de muizenissen waren hem uit het hoofd gegaan, aan

het portret dacht hij zoo dadelijk niet en miste het dus evenmin; hij

ging baden om wat op te frisschen, en deed ’n wandeling daarna met

Bram, die druk bezig was in den tuin.

„Het ziet er niet netjes uit,” excuseerde zich Bram, die dezelfde

liefhebberij in bloemkweeken had als z’n vader. „Het is in den laatsten

tijd erg verwaarloosd door de ziekte van den ouwen.”

„Het gaat nogal,” meende Adam met ’n onverschilligen blik over de

rozestruiken en de veelkleurige planten.

„Neen, waarachtig niet. Maar da’s niks; ik zal het wel weer gauw in

orde krijgen. Hou jij van bloemen?”

Bram zat op z’n hurken, met vette aardkluitjes aan en een groote kromme

schaar in z’n handen, en hoog boven hem uit stak het groote breede

lijf, dat in de witte kabaai nog forscher leek, van den jongeren broer.

Toen Bram geen antwoord kreeg, zag hij op naar den jeugdigen gebaarden

kop boven hem, en hij volgde tusschen de struiken de richting van den

blik, die er bovenuit keek.

„Aardig, ja?” vroeg Bram.

Langzaam knikte Adam van ja; zijn zwarte oogen, glinsterend als

karbonkels, boorden door de lichte gele zonnelucht over den pagger naar

het weggetje daar langs, en Bram lachte genoeglijk; dááraan herkende

hij ten minste zijn bloed bij dien vreemdsoortigen broer; die rare eend

in de familiebijt.

„Ja, ze ziet er goed uit,” vervolgde Bram; „zij is de dochter van een

mantri van de gevangenis; ze zal moeilijk te krijgen zijn.”

Adam oogde nog de slanke figuur na in het gebloemd katoenen baadje,

dat, strak gespannen, van onder haast vastgedrukt tegen de mede

engsluitend aangehaalde in bruin gewerkte sarong, de fijne ronde vormen

onberispelijk teekende, evenals de met die tengerheid van bouw

contrasteerende, sterke buste-ontwikkeling in conische vormen

vooruitspringend.

Het was ’n mooi gezicht vond Adam; hij had, toen ze voorbijging,

gekeken in haar vroolijke, ronde oogen, die hem toelachten gelijk het

meisjesoogen mooie jongens doen; zijn blik was gegaan over den

weelderigen schat van in een groote wrong gedraaid hoofdhaar, waarin ’n

wit bloempje stak, als hield dat die massa bijeen; en het aardig

ensemble had hem diep geïmpressionneerd; een stil vuur was langzaam als

door hem heengegaan van top tot teen, een gloeiende lavastroom, die hem

op zijn groote voeten deed staan trillen van begeerte.

Dat was hem nog nooit overkomen, zóó nog nooit! Bij de boemelpartijen

met zijn vrienden in Holland had hij meegedaan aan alles, maar zonder

veel opgewektheid; altijd met het indolente en onverschillige, dat hem

zoo typeerde in uiterlijk en manieren. Hij gaf zich geen rekenschap van

het andere, dat hem nu bezielde; hij vond het vreemd en keek er een

oogenblik later verwonderd over naar Bram, die opgestaan was, als moest

deze het raadsel oplossen. Of het kwam door het klimaat of door zijn

oostersche afkomst;—dat waren quaesties, die niet eens in zijn

gedachten oprezen.

Werktuiglijk vroeg hij:

„Zou het niet gaan?”

„Ik denk het niet,” zei Bram, „of je moest het heel stil behandelen.”

„Hoe bedoel-je?” vroeg Adam, die wezenlijk niet op de hoogte was, en

deze conversatie, welke hem geheel au fait vooronderstelde en in kwart

en halve phrasen werd gevoerd, nauwlijks volgen kon.

„Wel, dan naderhand met geld; een flinke som. Zie je, zoo’n kerel is

nauwelijks bij het gouvernement of van tweeën één: zijn dochter moet

huishoudster worden bij een Europeesch ambtenaar, die hem vooruit kan

helpen, of zij moet trouwen met een inlandsch ambtenaar; maar een

ambtenaar moet het zijn; dáár heeft zoo’n vent nu eenmaal zijn zinnen

op gezet, en hij gaat er niet af.”

„Ik kan nog niet eens met haar praten,” zei Adam met een spijtigen

glimlach.

„Och, dat is niks. Integendeel.”

„Hoezoo?”

„Wel, des te gauwer leer je de taal van het land.”

„Ja, dat zal wel waar zijn.”

„Nou,” zei Bram zacht en vertrouwelijk, „ik zal eens poolshoogte voor

je nemen. Loop je nog door?”

En toen Adam dat nog doen wilde:

„Dan groet ik je, want ik moet even met de ouwe vrouw praten.”

In het kamertje op het achtererf ging hij bij njai Peraq zitten en stak

een strootje op, z’n magere beenen in de lucht wippend en kruiselings

weer inhalend met groote lenigheid over elkaar tot ver achter het

kniegewricht.

Telkens luid op lachend, vertelde hij in het maleisch hoe Adam het

inlandsche meisje had aan- en nagekeken; dat hij al zoo goed als

verliefd was op het eerste gezicht; dat het dus alles maar onzin was

met dat totohmeisje, en Adam als hij eenmaal Minah van den mantri had,

voorgoed van die gekheid af zou zijn.

Ernstig en stil overwoog njai Peraq; de mantri stond bij haar in de

schuld; hij was achterstallig en zij kon hem in moeilijkheden brengen,

want hij knoeide met leveranciers; dàt kon ze bewijzen; het meisje was

wel een beetje koket en keek veel te veel de mannen in de oogen, maar

ze was werkzaam en bij de hand, en had ze eenmaal een laki als Adam,

dan zou zij zich heel gemakkelijk tot deugden schikken.

„Het kan misschien wel,” meende zij.

„Hm! Heb je hem vast?”

„Ja; maar hij kan me ontgaan, als er anderen zijn, die hem helpen.”

„Nou ja! Ik zou er gauw werk van maken. Loop er eens langs en vraag

haar mee te gaan om koffie te drinken en kwee-kwee te eten.”

„Wat zou dat helpen?” vroeg njai Peraq.

Zij had andere inzichten; zij kon niet afdalen tot het standpunt van

vernedering, vanwaar Bram het artikel vrouw beschouwde.

„Wat het helpen zou? Wel, als ze eenmaal hier is, komt ze ook wel eens

alleen met Adam. Dan moet hij maar zelf weten, wat hem te doen staat.”

Maar njai Peraq fronste de wenkbrauwen en schudde in korte nijdige

bewegingen het hoofd.

„Terlaloe, Bram. Het is gemeen, en zóó zal het niet gebeuren. Ik weet

wel beter en fatsoenlijker. Hij hoeft geen beest te zijn om haar te

krijgen.”

Bram lachte erom, zoo gek vond hij haar uitval, en stak, terwijl hij

zijn knokkelvingers luid en knappend liet kraken, zijn magere beenen

weer in de lucht. „Ouwe sok!” zei hij in ’t Hollandsch.

Zij kende het woord, als een uitdrukking, die John Silver vroeger

altijd veel in den mond had; maar zij begreep er niets van en liet het

erbij. En toen Bram uitgelachen had, spraken ze er ook niet verder

over, denkend ieder hun eigen gedachten.

Tot Bram opschrikte toen een baboe kwam zeggen, dat er bezoek was; de

meneer had een kaartje afgegeven, er stond op, dat hij agent was van de

Weeskamer.

Met een nijdig gezicht ging hij het huis in; dat was waar ook: de

vervelende Weeskamer zou zich er nu mee bemoeien, want Adam was

minderjarig.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ONTERFD.

Toen hij binnenkwam waren er twee personen, de agent van de Weeskamer

en een ander ambtenaar; en deze laatste was eigenlijk de woordvoerder;

daar er op de plaats geen notaris was, en die ook niet te bereiken

viel, had John Silver in zijn tegenwoordigheid een testament gemaakt

onder getuigen en eigenhandig, en dat had hij bij hem in bewaring

gelaten; de familie moest den volgenden dag maar op ’t kantoor komen.

Intusschen deed de ambtenaar van de Weeskamer verder zijn plicht en

alles werd opgeschreven en het gaf, vonden njai Peraq en de verdere

familieleden, een gezanik, om ziek van te worden.

Toen des anderen daags de voorlezing van het testament was afgeloopen,

keken ze elkaar aan, zóó vol verbazing, dat het was, als hadden ze hun

verstand verloren.

„De oude was gek,” zei Bram.

Daartegen protesteerde de openbare ambtenaar; John Silver was volkomen

bij z’n verstand geweest; dat konden de getuigen verklaren.

„Maar moeder dan?”

Njai Peraq kwam in het testament niet voor.

„Het is te mal, het is nonsense,” hield Bram vol...

„Daar!” riep hij opgewonden, „het bewijs heb ik!”

„Welk?” vroeg de agent.

„Wel, dat pa niet bij zijn positieven was. Hij heeft mijn broer Adam

vergeten.”

„Ja, dat heeft hij,” gaf de Weeskamer toe.

Maar de openbare ambtenaar niet; die streek eenigszins verlegen over

z’n gezicht, en schudde langzaam, ontkennend, het hoofd.

„Dat heeft hij niet.”

„Het is wèl waar; hij komt er in ’t geheel niet in voor.”

„Toen uw vader het testament maakte, heb ik zijn aandacht er ook op

gevestigd, ik wist... ik meende te weten, dat hij nog een zoon in

Europa had.”

„Ja, natuurlijk.”

„Het was mijn plicht hem erop te wijzen.”

„Ja, en wat zei hij?”

„Hij zeide... dat hij geen andere kinderen had erkend, dan die hij in

het testament had genoemd.”

„Hoe bedoelt u dat?” vroeg Adam bleek en met groote ontstelde oogen,

geïmpressionneerd, zooals hij ’t nog nooit was geweest.

„Wijlen de heer Silver was niet getrouwd voor de burgerlijke wet met

deze inlandsche vrouw; om de bij haar verwekte kinderen als de zijne

ingeschreven te krijgen in de registers van den Burgerlijken Stand,

moest hij ze erkennen.”

„En heeft hij dat niet gedaan?”

„Voor de anderen wel; voor u niet.”

„Dus... dus ben ik...?”

„Ja,” zei de ambtenaar, met wezenlijk medelijden tegenover dien

volkomen zuiver Hollandsch sprekenden en modern Europeesch gekleeden

jongen man, „het is een hoogst onaangenaam geval, maar het is heusch

niet anders. U bent niet ingeschreven en dus alleen de zoon van de

inlandsche vrouw, hier bekend onder den naam van njai Peraq.”

De broers en de eenoogige zuster protesteerden. Het was onmogelijk, het

leek naar niets en het rijmde zich met niets; hun vader zou dat niet

gedaan hebben, terwijl hij juist zoo’n voorkeur aan Adam had

geschonken, dat hij hem met uitsluiting van de anderen, een kostbare

Europeesche opvoeding had laten geven; en de ambtenaren gaven toe, dat

het onbegrijpelijk was; zij zouden waarlijk nu tot de meening zijn

overgeheld, dat iemand, die zulke dingen doet, niet geacht kan worden

bij zijn verstand te zijn.

„Maar al betwistte je het testament; dan zouden jullie daar wel nadeel,

maar geen voordeel bij kunnen hebben, en je broer evenmin.”

„Dan is toch uitgemaakt...” begon Bram, maar hij bleef erin steken; hij

wist eigenlijk in het geheel niet, wat zou zijn uitgemaakt.

„Het baat niets. Als jullie aan je broer een erfportie wilt afstaan en

aan je moeder ook, dan staat dat ieder vrij.”

Ja, dat wilden ze, er was geen quaestie van, dat ze zouden willen

bezitten, wat hun moeder en hun broer toekwam; Bram vooral was zeer

opgewonden, de tranen stonden hem in de oogen.

En njai Peraq, die ze alles hadden uitgelegd, beet even met een

zenuwachtig mondtrillen op haar onderlip. „Bangsat,” dacht ze; maar ze

zei het niet.

De eenparige hartelijkheid zijner broers en zuster trof Adam; hem stond

voor het oogenblik de maatschappelijke kant niet zoo helder voor oogen,

als de financieele.

„Ik wil jullie niet van je geld berooven,” zei hij pijnlijk, „het komt

me immers niet rechtmatig toe.”

Maar nu dreigde het een strijd van edelmoedigheid te worden, waarbij

Bram het hoogste woord voerde, en dien njai Peraq zich liet verklaren

door haar dochter.

„Het kan me niet schelen,” hield Bram vol, „wat pa gedaan heeft en

wáárom hij zoo heeft gedaan; dat gaat me niet aan en ik wil er niet aan

denken; maar jij bent mijn eigen broer, en al waren we niet van een en

denzelfden vader....”

Het hooge woord, het woord waaraan gedacht werd door de vreemden en

door de moeder, maar dat zij niet durfden en wilden uitspreken, was

eruit. De twee ambtenaren keken elkaar aan; Bram begon te stotteren,

toen hij de gezichten zag van zijn broer en zuster, die hem verslagen

aankeken.

Njai Peraq zette haar bril recht en stond op.

„Het is alles een vergissing,” zei ze. „Wij zullen naar huis gaan. Ik

heb genoeg geld om Adam zooveel te geven, als jullie elk krijgt. Er

behoeft geen twist over te komen.”

Maar Bram wilde niet weg; hij was altijd nogal breedsprakig; wanneer

hij zich had opgewonden en vond, dat hij gelijk had en hij deed zooals

behoorde, maakte dit hem sentimenteel; dan was hij niet van het woord

te slaan.

„Zou er niks aan te doen zijn?” vroeg hij de ambtenaren.

„Waaraan?”

„Wel, dat het geredresseerd wordt; dat hij nog als mijn broer en als

Europeaan wordt erkend.”

In hun hart betwijfelden zij het, maar om hem niet te verdrieten, zei

de een:

„Misschien wel.”

„Wat moeten we dan doen? Als er met geld iets te beginnen is, dan zijn

we graag bereid....”

„Neen, dat niet; daaraan moet u niet denken.... Misschien een

collectief request....”

„Wat voor request?”

„Ik bedoel, dat door de erkende kinderen gezamenlijk wordt

onderteekend.”

Ze vonden eerst het idée uitstekend, en praatten er heen en weer over,

tot ze het verwierpen, en besloten dat eerst Adam zelf het verzoek

moest doen; de Weeskamer-agent zou het voor hem opmaken.

Toen ze hiermede hun ongerustheid hadden bedaard en naar huis reden,

zwegen zij, geheel onder den indruk; ieder ging stil naar zijn kamer,

heelemaal vervuld van het zonderling geval.

Wie het hardste erover tobde, was Bram. Hij vond het, in één woord, het

verschrikkelijkste wat iemand kon overkomen; hij had wel een inlandsche

vrouw tot moeder, en hij dicteerde in zijn uiterlijk veel meer den

maleier, dan den westerling, maar dat belette hem niet zijn

maatschappelijken stand als Europeaan zeer hoog te schatten en laag

neer te zien op den inlander; had men hem de keuze gegeven tusschen

gelijkstelling met dezen en den dood, hij zou aan den laatsten de

voorkeur hebben gegeven.

En hij bedacht terdege, dat het voor Adam, die zoolang in Holland was

geweest en die zoo heelemaal een totoh was geworden; nog erger wezen

moest, dan voor hem.

Dat er ergens iets aan gehaperd had en wat het was, kon hij wel nagaan,

en als het waar was, moest dat voor zijn vader, zoo redeneerde hij,

onaangenaam zijn geweest. Hij dacht zichzelf in het geval. Wel, als hij

z’n huishoudster snapte, zou hij haar eenvoudig de deur uitschoppen, al

had ze een dozijn kinderen met hem. Men wist toch met een inlandsche

vrouw altijd wel, dat men zulke gevaren liep. Van den twijfel, dien

John Silver bij z’n leven haast gek had gemaakt en in den vorm van een

idée fixe hoogstwaarschijnlijk dat leven had verkort, wist hij niets en

kon hij zich geen voorstelling maken.

De oude had indertijd iets ontdekt, iets geweten, en hij had niettemin

toch zijn huishoudster gehouden, maar zich gewroken door het kind een

Europeesche opvoeding te doen geven om hem later des te meer te

„donderen.”

„God in den hemel,” riep hij zenuwachtig de kamer op en neer loopend,

in uiterlijk en manieren nu het sprekend evenbeeld van wijlen John,

„wat is dat ’n gemeene streek geweest, tegenover dien armen jongen, die

er toch dood onschuldig aan is.”

Hij kon het niet houden, liep naar Adam en keek er gek van op, dat die

rustig een deuntje floot. En direct klom nog zijn medelijden: „de

jongen begrijpt het niet,” dacht hij; „hij ziet niet eens in, hoe

ernstig het is.”

Het was ook zoo, althans betrekkelijk.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VERGEEFSCHE MOEITE.

Adam had direct vertrouwen gekregen in het fameuse request aan de

Regeering; immers, dacht hij, wat kon het haar schelen, of hij in die

registers stond geschreven? Daar had zij, meende hij, geen voor- of

nadeel van, en er was dus geen reden, waarom ze het, als hij het vroeg,

zou weigeren. Het was heel vreemd van zijn vader geweest, dat vond hij

ook; maar het kon toch alles niet anders dan op een misverstand

berusten. En daar het met het geld vanzelf terecht zou komen, was Adam

heelemaal gerustgesteld en trok er zich verder niets van aan.

Het gaf, toen hij zich zoo gemoedelijk erover uitliet, aan Bram een

gevoel van meerderheid, dat hem streelde, hij, die nooit in Europa was

geweest, was toch veel pinterder. En het verhoogde nog zijn sympathie

voor den jongeren broer.

Maar zijn geringe opvoeding bracht niet mee nu ook kiesch genoeg te

zijn erover te zwijgen. Waarom zou men dat doen, als iets nu eenmaal

zóó was en niet anders?

Daarom schudde hij ’t hoofd met een bedenkelijk gezicht.

„Ik geloof niet, dat je erop mag rekenen.”

„Waarom niet?” vroeg Adam zeer verwonderd.

„Ja, zie je, dat weet ik niet; die lui zijn zoo raar.”

„Ik begrijp niet wat het hen schelen kan. Het kost immers niets en het

geeft geen moeite.”

„Dat doet het ook niet.”

„Waarom zouden ze het dan weigeren? Iedereen kan het toch getuigen.”

„Wat getuigen.”

„Wel,” zei Adam met zijn goedigen lach, „dat ik de zoon ben van mijn

vader.”

Het werd nu, zelfs voor Bram, een moeilijk terrein.

„Ik geloof niet, dat het dáár zit, A. Ze hebben het erg op die

registers van den Burgerlijken Stand; wanneer je daar per abuis in

staat als iemand van het vrouwelijk geslacht, en je bent een man...”

„Nou, wat dan?”

„Dan ben je toch een vrouw!”

Adam lachte zoo hartelijk, als hij het in lang niet gedaan had; en Bram

kon er ook niet ernstig bij blijven, schoon hij volstrekt niet de

bedoeling had gehad een aardigheid of iets mals te zeggen.

„Je gelooft het niet—het is toch zooals ik zeg.”

„Laat je niks wijs maken,” zei Adam. „Het is zoo erg niet, hoor! De

menschen zijn niet stapelgek. Het kost wel wat moeite, maar veranderd

wordt het toch.”

„Ik mag het lijden voor jou; maar ik zie het nog niet gebeuren.”

„En wat dan?”

„Ja, dat mag je wel zeggen.”

„Ze spraken nog van een ander request, een gezamenlijk van jullie.”

„Weet je wat ik geloof?” vroeg Bram met een hoogwijs gezicht.

En toen Adam dat niet wist:

„Dat we daarmee hadden moeten beginnen.”

„Men moet niet al het kruit ineens verschieten.”

„Gekheid? Als ze het wilden toestaan, zou het dan zeker zijn gebeurd.”

„A propos,” zei Adam, „heb je ook ergens een portret gezien?”

Bram begreep het wel, maar hij vroeg:

„Een portret van jou?”

„Neen; van een jonge dame.”

„Zoo! Niet bij mijn weten. Ben je er een kwijt?”

„Ja, en ik heb er overal vruchteloos naar gezocht. Ik had het, herinner

ik me, ’s middags bekeken.”

„Waar?”

„Hier in de kamer, op mijn bed.”

„Een liefje van je?”

Adam aarzelde een oogenblik.

„Ja. Ik had de toestemming van papa willen vragen haar te trouwen.”

„Dat is dan een gedane zaak, hè?”

„Hoezoo?”

„Wel, vooreerst had de-n-ouwe je zien aankomen! Maar soedah, hij is

dood, en nu een van tweeën: je wordt nog erkend als Europeaan, en dan

heb je aan ’t geld nauwelijks genoeg voor je zelven.”...

„Als ik op een land ben...”

„Beste jongen, als ik mij niet vergis, zijn jij en een land er twee. En

een Haagsch dametje op een land, dat geeft ook niets! En als je niet

wordt erkend, dan is het heelemaal uit.”

Adam rookte zijn strootje en keek met een bedrukt gezicht naar buiten.

Zoo zaten ze beiden wel tien minuten lang.

„Trek het je niet aan, A.,” zei Bram, die weer heel veel kasian had.

„Als ik jou was en het liep heelemaal scheef, ging ik naar Australië of

Amerika en ik liet me naturaliseeren.”

Maar Adam weerde het denkbeeld af met ’n handbeweging.

„Dat verdom ik,” riep hij boos, „dat doe ik m’n leven niet.”

De waarheid was, dat hij er altijd vreeselijk tegenop had gezien met

vreemden te spreken; hij had zoo bitter weinig genoten van het

onderricht in talen!

„Het is goed en wel, maar wat zou je anders te doen staan?”

„Ik weet het niet.”

„In elk geval zou ik mijn idée maar niet langer op een Haagsch dametje

zetten, dáár kan toch niets van komen.”

„Dat vrees ik nu ook,” zuchtte Adam.

„En je behoeft er waarachtig niet om te zuchten. Er zijn mooie meisjes

genoeg, ook hier, onder de inlandsche.”

„Ja,” gaf Adam na eenige aarzeling toe, „dat is waar; die ééne laatst,

toen we in den tuin waren...”

„Welnu, neem haar.”

„Neem haar, neem haar...! ’t is wat moois; alsof ik haar voor het nemen

heb.”

„Een kerel als jij!” riep Bram met afgunst zijn broer monsterend van

het hoofd tot de voeten. „Een kerel als jij.”

„Het is heel mooi, waarachtig! Ik kan me niet eens behoorlijk

verstaanbaar maken.”

„Dat duurt ook geen veertien dagen meer; ik heb je hooren praten tegen

den mandoer en ik stond verbaasd; het is of ’t je is aangewaaid.”

Het streelde Adam meer, dan de ander kon vermoeden; nog nooit in zijn

leven had hij een compliment gehad over zijn vlug aanleeren van het een

of ander. En nu verklaarde een deskundige als Bram, dat hij zulke

snelle vorderingen had gemaakt in de landstaal; het leek hem een

wonder!

Het kwam precies uit zooals Bram het had voorspeld. Van een

boedelscheiding wilde niemand hooren, vóórdat de moeilijkheid met Adam

uit den weg was geruimd. Bram, in het testament als executeur

aangewezen, deed zooals vroeger zijn vader had gedaan met het beheer

van het geld en het huishouden; de andere broer ging naar de

onderneming, waar hij werkte. Of John Silver er niet meer was en of er

een Adam zonder naam was bijgekomen, het maakte in het gewone gangetje

des huiselijken levens maar weinig verschil.

Njai Peraq kwam zelden in het hoofdgebouw; het was haar gewoonte niet.

De „kinderen” dronken ’s morgens koffie in de achtergalerij en aten

rijst; dan ging Bram aan de bloemkweekerij; de zuster zorgde voor de

keuken en Adam doodde zijn tijd zoo goed en kwaad het ging; en

eigenlijk ging dat bij zijn natuurlijken aanleg heel goed. De mooie

Minah van den mantri had hij tot „erkende” huishoudster; zij woonde in

een kamertje naast dat van haar „schoonmoeder.” Adam amuseerde zich

perfect met haar en sprak nu maleisch, alsof hij ’t zijn leven lang

gedaan had. En de jonge inlandsche vrouw hield heel veel van hem; zij

maakte zich „mooi” voor hem; zij staarde met bewondering naar zijn echt

oosterschen kop; zij kipaste hem als hij sliep en putte zich uit in

lekkere sambals en kwee-kwee, die haar vergolden werden door een

genadigen glimlach van haar heer en meester, wat haar gelukkig maakte;

door levendige loftuitingen van Bram, waarvoor ze volmaakt

onverschillig was.

En dan had Bram pleizier. Hij wist nu al vrij precies, wat hij had aan

den broer, tegen wiens Europeesche wijsheid en kennis hij vroeger, toen

Adam nog in Holland was, zoo had opgezien in z’n verbeelding.

Dat die broer niet knap en ook niet pinter was, verheugde hem; maar als

hij dan het stille air van superioriteit zag, dat Adam zich niet

kunstmatig gaf, maar van nature had, stond hij verbaasd; dan kon hij

zoo en passant al lachend tegen zijn zuster zeggen: „Die vent heeft,

gévédé, iets over zich... Het is om je dood te lachen!”

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ADAM IS ONTEVREDEN.

De brieven van Nora Tiele, werden al opgewondener; de afwezigheid van

Adam scheen haar liefde voor hem te doen toenemen; zij schreef, wat zij

nooit gezegd zou hebben: hoe zij over hem dacht, wat zij voor hem

gevoelde, hoezeer ze naar hem verlangde. En zijn metterdaad

verminderend gevoel voor haar, werd telkens weer door die brieven

opgewekt en gevoed. Dan had hij schrikkelijk het land om het zoek raken

van haar portret, dat alle navraag niet terecht had gebracht; dan

herinnerde hij zich weer zijn avondje met haar,—den laatsten vooral, en

dan kon hij er niet toe komen haar ook maar ’t gedeelte der waarheid te

schrijven, dat zij weten mocht.

Aboe Bakar: Indische Roman · 第 6 / 15 段