Toen het afscheid eindelijk genomen was, Nora schreiend naar haar kamer

ging en Adam in den kouden nacht op het trottoir stond, beheerschte hem

één groot, overweldigend gevoel: hij had zoo’n verschrikkelijken dorst.

En hij overlegde bij zichzelven naar welk bierhuis hij gaan zou. Zijn

vrienden wou hij niet ontmoeten, want dan werd het weer zoo laat, en al

om zes uren den volgenden ochtend zou Verlande hem komen halen met een

rijtuig. Daarom liep hij maar ergens heen, waar ze zelden kwamen en

schoof achter het groene gordijn, in het midden van het lokaal, dat dit

donker liet aan de straatzijde, als een dief naar binnen. Welk een

goddelijk bier! Bij den tweeden Seidel kon hij weer geregeld denken, en

hij dacht aan de lieve Nora, die hij zoo pas had verlaten, en aan dien

heelen avond; aan Nora met een gevoel van teederheid, aan de anderen

zonder gevoel. En daarna pikirde hij langzaam over het leven, dat hij

in Holland had geleid, en over de vermoedelijke toekomst; het eerste

was in den laatsten tijd onbetaalbaar geweest; ’t ging hem aan het

hart, dat ’t nu zoo heelemaal uit was; het andere,—nu ja, dat mocht

zijn wat het wilde!

Hij bestelde nog een glas bier en stak ’n sigaar aan; de vlam van den

lucifer ging hoog op, zijn donker gezicht verlichtend, en tegelijk

hielden twee jongelui op het trottoir aan den overkant op met loopen.

„Daar zit waarachtig Adam Silver,” zei de een.

„Wel verdomd,” riep de ander.

In een oogenblik zaten ze naast hem, den Seidel hoog; het was typisch,

vonden ze, hem hier te vinden; het was kranig, dat iemand, die den

volgenden dag naar Indië ging, nog zijn „afscheidspotje” ging halen in

de kroeg. En het was zóó typisch en zóó kranig, dat toen Verlande ’s

morgens vroeg Adam met een rijtuig kwam afhalen om hem naar ’t spoor te

brengen,—de juffrouw hoofdschuddend verklaarde, dat meneer nog in ’t

geheel niet thuis was geweest.

Juist kwam meneer aan, zeer berooid, maar met nog vrij veel besef van

z’n toestand; genoeg althans om er verlegen over te zijn en zijn

excuses te stamelen.

„Ik ben dadelijk klaar,” verzekerde hij.

Verlande zei maar niks; hij was boos, maar wat hielp het, boos te zijn

onder zulke omstandigheden.

„Haast je maar wat,” zei hij kortaf.

Nu, dat ging wonderwel, terwijl Verlande toezag; het koude water deed

op het sterk gestel wonderen, en een kwartier later reden ze door de

nog eenzame, grijze straten, voorbij de dichte vensters der gesloten

huizen.

Ze spraken geen woord. Adam te suf haast om iets te zeggen, worstelend

tegen zichzelf, Verlande uit het portierraampje kijkend, nog altijd te

nijdig om vriendelijk te wezen.

Aan het station was hij weer in een vergevensgezinde stemming geraakt,

maar toen hij een drietal rumoerige en dronken jongelui zag staan op

het perron, die een hoeraatje aanhieven bij Adam’s komst, werd hij

bleek.

„Ik wil je groeten, en goede reis verder.”

Daarmee ging Verlande weer terug naar de vigilante, die hem gebracht

had, en reed weg. En in de wachtkamer hield de oude heer Tiele zich

schuil. Hij had een bewijs van hartelijkheid willen geven, en was naar

het station gekomen om een laatste afscheid te nemen, maar toen hij het

drietal had gezien, en uit hun luidruchtig gepraat had gehoord,

waarvoor zij daar waren, kwam het zijn eer als hoofdambtenaar te na,

zich te vertoonen voor hetzelfde doel.

Adam Silver dankte God, dat de trein afreed; nog nooit had hij zóó het

land gehad aan zichzelven; hij had kunnen huilen.

In die stemming kwam hij aan boord van den mailstoomer, en vroeg enkele

inlichtingen; hij had een hut achteruit, zoo goed als boven de schroef;

een hut met couchetten, welke hij deelde met een ander passagier, die

daar nu zelf niet was, tot zijn vreugde; die nu waarschijnlijk boven

stond, afscheid nemend van ontroerde bloedverwanten, zelf ontroerd bij

het verlaten van z’n vaderland.

Adam dacht er niet aan, hij dacht in het geheel niet; hij had het niet

kunnen doen; hij was òp van het feestvieren de laatste dagen en

nachten; op den rand zijner couchette, zat hij zijn bottines uit te

trekken en onder de hand vielen z’n oogen dicht van overweldigenden

slaap.

Den volgenden dag ontwaakte hij, ’s ochtends heel vroeg, verbaasd en

met geen idee van tijd, maar volkomen uitgesoesd en opgefrischt,—wat

dat laatste aangaat door en door koud zelfs; een lang en rauw geluid

deed hem naar den anderen kant kijken over den rand zijner couchette en

in het flauwe lichtschijnsel zag hij boven den rand der

tegenoverliggende slaapplaats een bleek stuk gezicht met zweetdroppels

erop, akelig om te zien; en zich eenigszins opheffend, begon hij nu ook

te ontwaren, hoe zijn hutgenoot op gruwelijke wijze tol had betaald aan

de groote zee, zonder dat hij er iets van had bespeurd.

Met eenige moeite, door de beweging van den stoomer, stond hij op.

„Willen we eens kennis maken?” vroeg Adam den anderen jonkman.

Maar die, hem met een paar bleeke landerige oogen aankijkend, joeg zijn

hoofd met een plotse hevige beweging buiten de couchette, en, na de

akelige evolutie achterover vallend, zuchtte hij enkel:

„O God, ik ben zoo beroerd!”

Adam haastte zich zoo gauw mogelijk weg te komen uit de benauwde

ruimte, naar het salon, waar de passagiers, voorzoover die present

waren, hem met verwonderingsgezichten aankeken; hij groette met een

hoofdknik in het rond, zichzelf geheel meester, met zijn gewone rustige

kalmte, ontbeet stevig, en zocht, uit een gevoel, dat het zoo behoorde,

den commandant op om zich voor te stellen.

Die nam hem eens op met een stil glimlachje:

„Goed geslapen, meneer Silver?”

„Dank u, uitstekend.”

„Al ontbeten?”

„O ja en perfect. Ik had een kolossalen honger.”

„Dat kan ik begrijpen. Geen last van zeeziekte?”

„Ik... ik geloof het niet.”

„Nu, dan zal het wel schikken. Ik wou, dat al m’n passagiers bij het

begin van de reis zoo’n rustige vier en twintig uren doormaakten als u

hebt gedaan. ’t Zou de meesten te pas komen.”

Maar in dien tusschentijd was aan boord de reputatie van Adam

gevestigd, als de totaal mislukte zoon van rijke indische ouders, die

nog vóór z’n terugkeer uit Holland zoo had gesjouwd, dat hij als het

ware slapende in z’n kooi was neergevallen. Het was in dezen kring een

zeer ongunstige reputatie; de jongeren, die voor het eerst naar Indië

gingen, de ouderen, die erheen terugkeerden,—ze waren allen

werkmenschen, die door arbeid hun toekomst en hun bestaan moesten

verdienen; en dien éénen fainéant, als vreemde eend in de bijt, haatten

ze, nog vóór ze hem hadden gezien; zijn „rijkdom” hem benijdend;

zichzelven en elkaar verheffend door laag neer te zien op zijn gebrek

aan kennis en geleerdheid; de ouderen onder hen, den vader beklagend,

die zoo’n presentje weer op z’n dak kreeg.

Het viel Adam op, dat men onvriendelijk tegen hem was, en dit hem

belette zich bij de lui aan te sluiten; toen men de Engelsche kust

naderde, stond hij bij een paar jonge ingenieurs en zei ’n enkel woord

tusschen hun gesprek; zij keken elkaar eens aan; zijn uiterlijk en zijn

kalme fatsoenlijke manieren waren hun meegevallen; een hunner vroeg:

„Gaat u in gouvernementsdienst naar Indië?” terwijl hij heel goed wist,

dat dit niet zoo was.

„Neen. Ik ben naar Indië ontboden door mijn familie om de ziekte van

papa.”

„Nu ja! wat veel...?”

„Dat zou het niet geweest zijn. Het ging van begin af niet best. In het

begin gaf ik me moeite; naderhand niet meer. Waartoe ook? Als ambtenaar

zou ik maar de plaats innemen van een ander die er meer behoefte aan

had.”

Het was zijn verdedigingsphrase, en zij viel in goede aarde. De

jongelui keken elkaar nog eens aan, alsof ze wilden zeggen, dat hij

eigenlijk gelijk had. Zij lachten er hartelijk om, en waren nu ook

toeschietelijker. Toen volgden de anderen, en voor Marseille nog, waren

ze het volmaakt erover eens, dat die Adam Silver een nette en goede

jongen was, en het er voor zoo’n toekomstigen richard toch ook

eigenlijk niets toe deed of hij ’n baantje had of niet.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

IN INDIË TERUG, MAAR... AAN EEN STERFBED.

Het was een aangename reis; de jongeren vooral, vol hoop en illusiën

een nieuw leven in een ander deel der wereld tegemoet gaande, leefden

in de kalmer wateren van het zuiden en onder den invloed van het al

zachter wordende klimaat, op in de levenskracht en de frischheid hunner

volle jeugd; van alles verzinnend om het scheepsleven gezellig en

vroolijk te maken.

Toen men in de tropische luchtstreek kwam, veranderde er veel, wat de

meesten niet opviel, voor sommigen toch zeer opmerkelijk was.

Adam onderging die verandering ook, zonder er veel van te merken; wel

zeurde hij met de anderen mee over de warmte, maar hij meende daar

niets van; hij voelde zich veel prettiger dan bij zomerwarmte in

Europa; hij at de niet zeer smakelijke rijsttafel aan boord met het

grootste genoegen; hij liep in slaapbroek en kabaai rond ’s morgens, of

hij ’t zijn leven lang had gedaan; en daar de in Indië geborenen bij de

nadering van Poeloe Pisang als door een tooverslag weer minder correct

Hollandsch gingen spreken, dan ze het eerste deel der reis deden, was

Adam in één dag geheel onwillekeurig daar ook mee op—eigenlijk

van—streek.

Toen hij, na een lange vervelende kustreis in het huis kwam, dat... hij

eens met ’n rood kieltje aan had verlaten, had hij zoodoende al meer

„Indische” levensvormen overgenomen, dan ’n gewoon Europeesch baar in

een jaar; maar toch herkende hem niemand; gelijk ook hij niets

herkende.

Hij liep het erf op en zag boven in de binnen-voorgalerij jonge mannen

in witte kabaai, een oude inlandsche vrouw, een jonge bijna inlandsche

vrouw; en zij verdwenen, naar achteren wijkend, toen ze hem zagen.

Een jonge man kwam beneden in het huis naar voren; hij was mager en

beenig, met ingevallen borst en zwaar zwart haar; zonder baard of

knevel, de gladde huid als gespannen over de kaak-beenderen,—John

Silver uit diens jeugd.

Min of meer verlegen trad hij met kleine dribbelpasjes op den breeden

kolossus toe, een soort van onderdanige beleefdheid in zijn houding:

„Met wien heb ik de eer?” En de andere, ook door deze ontmoeting

bedremmeld en verlegen:

„Ik ben Adam.”

„Allah! ik ben Bram.” Zij monsterden elkaar eens goed, een oogenblik

verwonderd over de tegenstelling.

„Hoe is het mogelijk,” zei Bram. „Hoe ben je zóó?”

„Ja,” antwoordde Adam met zijn goedigen glimlach, „dat dacht ik ook.”

„Stil; weet je; Pa is zwaar ziek; laat ons naar achter gaan, naar het

oudje; ik wil het haar eerst zeggen; ze zou anders schrikken.”

Een paar minuten later haalden ze hem af met groote hartelijkheid, de

broers met hun beiden nu, zijn dikke handen fideel drukkend in hun

magere knokken, de zuster met het eene oog hem kussend, dat het klapte:

njai Peraq stil en ontdaan hem maar aankijkend door haar bril met een

uitdrukking op haar gezicht of ze versuft was; niets zeggend, zonder

eenig vertoon van genegenheid, toen hij haar, bewogen zelf nu, een kus

gaf.

Ze brachten hem zacht in de ziekenkamer; John Silver was al twee dagen

niet meer bij kennis en stervende; zóó mager lag hij daar, dat het

haast ongelooflijk was.

„Hij spreekt al in langen tijd niet meer,” fluisterde Bram. „De dokter

zegt, dat hij nog dagen zoo kan liggen, maar dat het ook ineens gedaan

kan zijn.”

Adam voelde niets voor het wezen, dat daar op het bed lag, langzaam

ademhalend, de oogen dicht, wezenloos en buiten kennis. Toen ze een

tijd hadden staan fluisteren, kreeg zijn zuster een ingeving; zij had

altijd het meest van den vader gehouden; zij huilde bij zijn sterfbed;

zij had nog zoo graag zijn stem eens gehoord, zijn oogen eens zien

opengaan.

Zij boog zich over haar vader; met haar gezicht vlak bij het zijne en

den mond aan zijn oor, zei ze dringend:

„Pa, paatje, daar is Adam.”

En de oogen gingen open, wel een oogenblik dwalend, den blik over de

groep voor het bed; dan stil op de breede figuur in grijs complet,

tusschen de witte kabaja’s.

Er kwam geen woord, al leefde het heele gezicht plotseling op met

gloed.

Adam, ontsteld, ging op den stoel zitten naast het bed, nam de hand,

die op de sprei lag, in de zijne en zei:

„Dag pa, hoe is het met u?”

Om de blauwige lippen van den breeden mond gleed een grijns als ’n

spotlach; de gloed in het gezicht nam af; het licht der oogen werd dof

en mat; een halve minuut duurde het misschien en zij waren er allen zóó

door getroffen; dat ze niet spreken, zich niet bewegen konden.

Toen kwam het reutelend geluid diep en langzaam wegstervend; de

verstijving der trekken, het heelemaal verdwijnen van den blik in de

oogen, die gericht bleven op het gezicht van Adam.

John Silver was dood.

Alleen Lucie nam jammerend het lichte kleine hoofd in haar armen, en

riep haar vader toe met lieve namen, en huilde haar leed door het huis.

„Het is gelukkig, dat je hem nog even hebt gezien,” zei Bram.

„Ja, dat is het,” gaf Adam maar willig toe, gedachtenloos, overvallen

door dien zonderlingen terugkeer in een omgeving, hem heelemaal vreemd.

„Kasian, hij heeft in den laatsten tijd veel over je gepikird.”

„Ik heb ’t uit je brief gezien. Het spijt me dat ik niet eer gekomen

ben.”

„Waarom kwam je niet eer?”

„Ik wist het niet; er is mij niets van geschreven.”

Bram dacht een oogenblik na; hij wou iets weten, maar hij durfde ’t

haast niet vragen.

„Kon je niet vroeger komen uit jezelven?”

„Waarom zou ik het gedaan hebben? Ik had een goed en pleizierig leven

in Holland.”

„En wat heb je er uitgevoerd?”

„Pret gemaakt en.... ’n beetje geleerd. Maar niet veel!”

Goedig en vriendelijk keek Bram hem aan; hij was bang geweest voor de

komst van dien jongsten broer; hij wist wel, dat het geen hoogvlieger

was, maar toch.... ’n jongen, die zoo lang in Europa was geweest, zou

hem met geleerdheid en groote woorden zeker overdonderen. In plaats

daarvan was Adam de eenvoud en de gewoonheid zelf in zijn manier van

spreken.

„Wat ga je nu doen?” vroeg Bram.

Adam voelde zich verlegen met de zaak. Hij had z’n hoofd niet goed bij

elkaar; hij was daar zóó van de reis, bij ’n sterfbed neergezet; en nog

heelemaal onder den indruk van het geval, moest hij plannen voor de

toekomst blootleggen, die hij niet had gevormd.

„Zeg jij het maar.”

Daar keek Bram weer vreemd van op; dat was, meende hij, ’n leuke kerel,

of hij had het mis!

„Op het land, dat zal het beste wezen.”

’t Was juist wat Adam altijd had gedacht; het ging voor hem op, als een

licht, en tevreden knikte hij.

„Juist; op een der ondernemingen van den ouden heer.”

„Ondernemingen van den ouden heer?”

„Nu ja,” verbeterde Adam, meenend verbaal ’n bok te hebben geschoten,

„van ons dan, na zijn dood!”

„Van ons?” vroeg Bram in de hoogste verbazing.

„Ja... wat anders?”

„Maar beste jongen, wie heeft je ooit van die dingen gesproken?”

Het was een pijnlijke vraag. Ja, de Verlande’s hadden altijd gezegd,

dat zijn vader wel zou zorgen, dat hij op een land kwam, maar hij

alleen had daar als vanzelf sprekend uit afgeleid, dat het poenja was,

en op die gedachte was hij steeds doorgegaan.

„Dat weet ik niet meer, ik heb het me altijd zoo voorgesteld.”

„Nu, maar dat is dan heel verkeerd geweest, hoor!”

Daar schoot hem iets te binnen.

„De perken!” zei hij triomfantelijk.

„Het aandeel daarin, bedoel je. Dàt is al ’n paar jaren lang naar de

maan, beste jongen; dat heeft pa moeten afstaan voor andere beren.”

„Beren!” riep Adam in de hoogste verwondering. „Kom, je fopt me.”

„Waarachtig niet, wat zou ik daaraan hebben. Betoel, hoor! beren bij de

Bank.”

„O zoo, bij de Bank. Maar pa was toch rijk.”

„Ben je wel heelemaal dwaas! Jongen, ik zie wel, dat jij leelijk in de

war bent. Wat er van den boel hier terechtkomt, kan ik haast op duizend

gulden nagaan; als we elk twintig mille voor ons erfdeel maken, zal het

heel mooi zijn.”

In Adam rees een gevoel van wantrouwen op; het kon niet waar zijn; het

was zeker de inleiding tot een plan om hem te misleiden en te

bedriegen; daarom gaf hij geen antwoord, en de andere, die daar eenig

besef van had, ging voort.

„Enfin, je zult het zien. Jij bent de eenige minderjarige nog, en

daarom zal de Weeskamer er wel bij komen. Dan zal je het ondervinden.

En als je verstandig wilt zijn, ga dan zoodra alles is afgeloopen, stil

als opziener dienen; ik weet; er is iets open, tachtig pop in de maand,

vrije woning, rijst, olie en brandhout. Dat kan ik je wel bezorgen. En

zet dan je erfportie secuur in deposito. Naderhand, als je kennis van

zaken hier hebt gekregen, kan ’t geld je te pas komen.”

Het was wel verstandig geredeneerd, maar sterker geesten dan Adam

zouden duizelig zijn geworden door zulk een val. Daar zonk alles onder

hem weg! Een handvol geld, en verder niets.... Van den goeden raad

begreep hij de helft niet... Vrij rijst, olie en brandhout.... dat zou

hij krijgen; hij, Adam Silver, die er zoo goed en zoo netjes als

millionnairs-zoon van geleefd had in Den Haag!... Van alles wat Bram

hem daar had gezegd, klonk hem niets zoo onmogelijk, zoo min en

vernederend in de ooren als die vrije olie en die rijst.

„En moeder?” vroeg hij om toch iets te zeggen.

„Het oudje? O, die komt terecht; die heeft haar eigen duitjes,

vermoedelijk meer dan wij; zij heeft haar heele leven geld geleend

tegen mooie rente. Anderhalf soms twee percent in de maand. Dàt kan ze

uitstekend. Maar daar moet iemand ondervinding en slag van hebben,

anders loopt hij er geducht in.”

Zijn moeder een inlandsche vrouw en een woekeraarster; het was, meende

Adam Silver een comble; wat kon hem nu nog overkomen?

„Zeg,” ging Bram voort, „wil je de koffers niet ontpakken.”

Hij had een stille hoop, dat er toch wel iets voor hem en de anderen in

zou zitten, een cadeautje uit Holland; de een of andere aardige

kleinigheid. En zij gingen samen naar de kamer voor Adam ingericht. De

tweede broer moest maar zorgen voor de toebereidselen tot de

begrafenis.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

HET GEVONDEN PORTRET.

Bram had het niet mis, schoon Adam part noch deel had aan de attentie;

die was het werk geweest van de Verlande’s; zij hadden wat snuisterijen

gekocht, ingepakt en geadresseerd; aardige kleinigheden uit

galanteriewinkels, in Holland goedkoop, in Indië op kleine plaatsen en

buitenposten, duur en zelfs niet verkrijgbaar. En allen vergaten er den

dooden vader om; kinderlijk blij, opgetogen van pleizier over de

„cadeautjes”, met een groot gevoel van genegenheid nu voor Adam, die

dat alles hoorde en aanzag, in het geheel niets begrijpend van deze

nieuwe omgeving.

Den volgenden ochtend zou John Silver worden begraven; een paar oude

baboes hadden het lijk „afgelegd”; een oude mandoer zou er bij waken;

het scheen voor de familie een „zaak”, die haar weinig of niet

regardeerde; alles liep over mandoers en baboes en een inlandschen

opziener der begraafplaats. Maar de deelneming, voor zoover die bestond

in het volgen van het lijk naar het kerkhof, was, buiten evenredigheid

tot wijlen John Silvers populariteit, groot; men mocht hem genegeerd

hebben bij zijn leven,—nu hij dood was, moest men hem toch geven, wat

men meende verplicht te zijn aan een „Europeesch ingezetene.”

Adam had het zich in zijn kamer zoo aangenaam mogelijk gemaakt, en was,

toen hij de formaliteit der begrafenis mede had vervuld, op z’n bed

gaan liggen. Het zag, vond hij, er gek voor hem uit; de omstandigheden

hadden hem heelemaal overrompeld; een beeld van zijn eigen toestand was

hij nog niet bij machte geweest zich te vormen. Niet aan

herseninspanning gewoon, schenen hem dit alles hoogst ingewikkelde

complicaties. Zou hij met z’n geld naar Europa teruggaan? In gedachten

zag hij het strak gezicht van den ouden heer Tiele, met de kleine

sleufoogjes voor zich uitstarend langs den grooten beenneus; hij hoorde

weer het categorisch verhoor en de aanbeveling om toch vooral secure

opgaven mee te zenden over zijn, Adam’s, financieelen toestand; hij

herinnerde zich, hoe hij te goeder trouw had gebluft met dat millioen,

waaraan hij geloofde, maar dat er niet was.

En als hij daar dan aankwam met die twintig mille of wat ervan

overschoot..... Neen, dàt kon niet. Hij moest Nora Tiele opgeven,

daartegen was niets te doen. Die gedachte deed hem verdriet. Hij hield

al heel veel van haar, toen hij uit Holland ging, en sedert was die

genegenheid zoo ver gegaan als zijn aard en karakter toelieten; hij had

te Marseille brieven van haar gekregen, zoo innig lief, zoo hartelijk

en vriendelijk, dat het beetje poëzie zijner eigenaardige jeugd erdoor

hoog werd opgevoerd; hij had die brieven gelezen met een groot gevoel

van teederheid, er zoo goed hij kon in denzelfden geest op geantwoord,

en zoodoende zijn liefde voor Nora gevoed en opgekweekt tot wat die nu

was, met al de illusiën voor de toekomst.

Ineens was dat uit; hij kon er geen minuut aan denken; hij nam haar

portret in de hand en bekeek het, zielsbedroefd, maar met de

overtuiging, dat de omstandigheden het uit hadden gemaakt tusschen hem

en haar. Geen oogenblik kwam bij hem de gedachte op van strijd tegen

die omstandigheden en van overwinning aan het einde. Wat dat aanging,

was hij zich instinctmatig zijner onmacht bewust.

Hij had wel eens gelezen van menschen, die met een kleinigheid begonnen

en door hun energie fortuin hadden gemaakt, maar dat hield hij voor

fabeltjes; hij had altijd geleefd in een atmosfeer van knapheid, waarin

hij dom werd genoemd, omdat hij zoo moeilijk leeren kon; hij was

doordrongen van het geloof, dat men zonder veel geleerd te hebben door

zichzelf tot niets kon komen; dat dus alle pogingen, die hij deed,

eenvoudig tot niets zouden leiden.

Hoe hij zich ook inspande, het hielp hem niet; hij zag nergens een

uitweg, en moe van het pikiren, na den zeer overvloedigen maaltijd,

sliep hij in, en lag daar groot, zwaar en breed, in een rustige

digestie.

Njai Peraq kwam zacht de kamer binnen, gevolgd door Bram, en stil keken

zij beiden toe, door het zachte licht, in het wit omklamboede bed.

„Allah, welk een man,” zei ze zacht in het Maleisch.

Bram, glimlachend, schudde het hoofd tegenover dit raadselachtig wezen,

dat daar zwaar sliep, met een lange krachtige ademhaling; hij had hem

aldoor met verwondering aanschouwd, vooral aan tafel; en zijn zuster

met haar ééne oog, had hem aangekeken vol stomme verbazing over de

hoeveelheid eten, die Adam rustig verwerkte.

„Weet-je,” fluisterde Bram tegen njai Peraq terug; „hij is net als

sommige perceelen; die moeten ook altijd zwaar bemest worden en ze

produceeren toch zoo goed als niets.”

Zij antwoordde niet; ’t was de vraag, of ze wel eens naar Bram had

geluisterd; ze ging naar het ledikant, boog zich over hem heen en trok

zacht en voorzichtig het portret van Nora onder zijn eenen arm uit, die

erop lag; zoo zacht en voorzichtig als een inlandsche vrouw dat kan,

zoodat er geen vlieg door van z’n plaats zou gaan, laat staan een

mensch door ontwaken.

Bram ging heen, toen hij even had meegekeken. ’t Was hem niet

aangenaam, dat Adam verliefd was; zoo’n europeesche vrouw in de

familie, daar zag hij erg tegen op; hij deed net zooals zijn vader had

gedaan en voelde zich wèl daarbij; hij had een inlandsche huishoudster

en die deed op de onderneming, waar hij opziener was, wat njai Peraq

altijd gedaan had in het vaderlijk huis; zij hield er een warong bij,

waar het volk, dat van haar geld leende en altijd door bij haar in het

krijt stond, wel koopen moest. Zoo sneed het mes van twee kanten!

De moeder dacht daar ook zoo over; het liep haar koud langs den rug,

bij het zien van het portret van dat bleeke meisje, zoo onbegrijpelijk

raar gekleed. Moest dàt haar menantoe worden? God in den hemel, zuchtte

zij, het was onmogelijk! Zij zou het niet gedoogen. Al zou het haar nog

zooveel geld kosten aan toovermiddelen en goena-goena, zij zou het

ervoor over hebben! Een knappe, aardige, inlandsche vrouw, waar zij,

njai Peraq, op haar ouden dag iets aan had, die moest hij hebben; en

hij zou een beste kunnen krijgen, omdat hij zoo’n mooie jongen was, en

omdat zijzelf er wel een voor hem zoeken zou.

Stil sloop zij de kamer uit, het portret van Nora Tiele onder haar

baadje. Buiten ging Bram haar achterna, de oude kamer binnen, die zij

al zooveel jaren bewoonde in de bijgebouwen, en in dezelfde groote

trommel, waar het portret van Adam, dat zij van John Silver gekregen

had, was geborgen, legde zij het andere, dat zij nu had weggenomen.

„Wat doe je, ma?”

„Ik berg het weg, Bram; hij mag het niet houden.”

„Hij is geen kind meer, ma; ik denk dat hij kwaad zal zijn.”

„Waarom kwaad? Op wie?”

„Wel op een van ons beiden, ma, maar niet op mij.”

„Hij zal het niet weten, Bram. Zou jij zoo’n mal bleek mensch hier in

huis willen zien?”

Aboe Bakar: Indische Roman · 第 5 / 15 段