bakkebaarden in punten omlaag, den grooten smallen neus op het wijkend
gezicht, heelemaal geen face haast, met overdadig profiel als een
vogel, keek hem uit kleine blauwe kraaloogjes vriendelijk aan, ’n
welwillend glimlachje om de dunne lippen; zijn famielje had altijd
behoord tot den eersten burgerstand; zij hadden altijd hun hoogst
respectabele maatschappelijke positie gehandhaafd, maar daar hadden ze
dan ook voor gestreden; geworsteld letterlijk. Nooit was er ook maar
eenig kapitaal gekomen; in vier, vijf geslachten achtereen was het
altijd door zuinigheid met zelfbedwang voor en na geweest, en nu was
over Tiele op z’n gevorderden leeftijd als ’n gouddorst gekomen. Die
Adam Silver, die werk maakte van Nora, mocht dan een Indische jongen
zijn, het kind eener inlandsche vrouw, er mocht aan zijn fortuin „een
luchtje” zijn, zooals naar goed-hollandsche begrippen aan alles is wat
uit Indië komt; hij was de zoon van een rijken vader; hij zou zelf
eenmaal rijk zijn.
En hij was zoo dom en zoo goed, dat de heele familie Tiele eigenlijk
dat fortuin zou trouwen... Dat dit alles zoo uitgemaakt was, vermoedde
Adam in de verste verte niet, dat hij bij de Tiele’s reeds als
toekomstig schoonzoon was ingelijfd, en in zekeren zin de grondslag
was, waarop de familie haar geldelijke toekomst bouwde,—het kwam niet
bij hem op.
Hij dronk ’n kopje thee mee in het minder modern dan gezellig salon, te
klein voor het huisgezin, en te vol met pouffes en andere zitjes, met
tafeltjes en overladen hoekjes en étagèretjes, meest het resultaat van
de huisvlijt der dochters, die met tapisserie, of smaak- en
schilderwerkjes wonderen deden, de onoogelijkste houten geraamten
omzettend in wezenlijk smaakvolle voorwerpjes door het overtrekken met
zijde en satijn; door goudborduursel en miniatuur aquarelletjes. Alles
lief, aardig, honneponnig, snoezig!
Tusschen de blonde, blanke slankheid der jonge Tiele’s en de magerheid
der ouderen, waarvan de booze Haagsche mindere wereld zei: dat men hen
kon hooren rammelen,—zat Adam Silver in het koude licht van den
zonloozen herfstnamiddag als een pagode, moeilijk met zijn breedte op
een klein stoelzittinkje, den wandelstok onder de hand, den hoed op een
voetenbankje vóór hem, een goedig lachje om de lippen, pratend met de
meisjes Tiele het onnoozel geleuter van den dag. En nu hij weer zoo
dicht bij Nora zat, en in haar mooi-blanken hals keek of naar haar
vriendelijke oogen of smalle sneeuwwitte handjes, raakte hij erger op
haar verliefd; zou hij in staat zijn geweest het dadelijk ernstig te
meenen, zonder reserves, met gereede plannen.
Maar heel even had hij gelegenheid haar alleen te spreken; hij vroeg
haar uur en plaats, en zij gaf het hem voor den volgenden dag, op het
gewone wandelterrein van iedereen. Adam kon niet zeggen, dat ’t hem
meeviel; het zou dus dadelijk zich afficheeren wezen, en al aarzelde
hij voor niets tegenover haar bekoorlijkheden,—als hij alleen was,
dacht hij weer anders.
Het kwam niet bij hem op weg te blijven, al betreurde hij zijn
voorbarigheid.
’t Viel hem erg mee, dat Nora niet alleen, maar met een der jongere
meisjes liep; ’t was juist zóó vol dien dag en net of alle vrienden en
kennissen elkaar rendez-vous hadden gegeven.
Maar nu er iemand bij haar was, hinderde dat niet; nu kon hij haar
veilig aanspreken en mee opwandelen; anders alleen met haar, zou
dadelijk een praatje van „engagement” de ronde hebben gedaan.
Nu kwamen er ook heel gauw meer jongelui bij, groetend en pratend, even
stilstaand voor de winkelétalages, sommigen een eind mee opwandelend.
Zelfs de oude mevrouw Tiele sloot zich aan en op een gegeven moment kon
Adam nog enkel goeden dag zeggen en heengaan, wijl de familie
huiswaarts keerde.
Hij wist nu niet meer of hij blij wezen zou of er spijt van hebben, dat
het zoo gek gegaan was. Wel had hij Nora dikwijls aangekeken en zij
hem, buitengewoon lief en aanmoedigend;—maar dàt was toch de bedoeling
niet geweest. Toen hij haar vroeg: waar en wanneer, dacht hij aan heel
iets anders, dan een ontmoeting, die zonder afspraak, precies eender
had kunnen zijn.
Thuis bij de Tiele’s had Nora ’s avonds te voren haar mama verteld, wat
Adam Silver haar gevraagd, en wat zij geantwoord had. En mama keek
bedenkelijk.
„’t Is wat haastig,” zei ze.
Nora vond dat eigenlijk ook.
„Het is me ontsnapt, hij vroeg het zoo opeens, en zoo ronduit....”
„Je hadt voorzichtiger moeten zijn. Hij is nog niet serieus genoeg.”
Daar lachte Nora luid om op. „Verbeel-je, dat die goeie Adam Silver
„serieus” moest worden!”
„Je begrijpt me niet,” zei haar moeder, „ik ben een beetje bang voor
hem.”
„Maar ma!”
„Zeker. Met al z’n goedigheid en weinige kennis, heeft hij iets over
hem... Ik weet het niet, maar zoo koel, zoo cynisch zou ik haast
zeggen.”
„Hij is niet demonstratief...., dat mag ik juist in hem.”
„Het is alles goed en wel, maar zoo er met den tijd veel
verandert,—verliefde jongelui blijven altijd dezelfden; men kan het hun
aanzien; aan hem merkt men haast niets.”
„Nu,” zei Nora, „ik ben blij, dat hij niet zoo’n aansteller is; niets
is akeliger dan een „verliefd jongmensch” zooals u het bedoelt. Zoo
jong als hij is, is hij daar teveel man voor.”
„Teveel man, dàt geloof ik ook; dat is het juist, waarvoor ik bang ben.
Er is zoo’n tegenstrijdigheid in hem. Wij weten heel goed, dat hij
weinig heeft geleerd; zóó weinig, dat het beschamend is; hij heeft
zelfs nooit admissie-examen kunnen doen. En als hij u aanziet met zijn
groote oogen en over de banaalste dingen praat met goedigen ernst, dan
maakt hij een oppervlakkigen indruk van superioriteit.”
„Het is waar,” erkende Nora, eenigszins verwonderd, nu haar eigen
indruk door haar scherpzinniger moeder zoo duidelijk werd weergegeven.
„Het is waar, ma; God, wat hebt u hem geobserveerd.”
„Dan zit hij daar,” ging mevrouw Tiele voort, het bleeke magere gezicht
steunend met de beenige hand, „als een oudere onder de jongeren,
vrijmoedig, kalm, als met een vorstelijke waardigheid. En het is geen
poseeren van hem, dat in ’t geheel niet; het is de aard van zijn heele
wezen. Dan zou men hem, zoo op het oog, voor een diepzinnig jongmensch
houden, en als men hem kent, zooals wij hem kennen, is dat zoo
dwaas.... Ik kan er niet overheen komen.”
„Het is waar, ma; het is waar, doch het doet er immers niet toe. Beter
zoo, dan dat hij er een onnoozel uiterlijk bij had.”
„Maar hij is niet onnoozel, Nora; geloof me, ten minste niet zooals wij
dat hier begrijpen, hij heeft een je ne sais quoi...”
„Dat niet in zijn nadeel is.”
„Neen, maar dat ik wantrouw. Dáárom blijf ik erbij: je bent te haastig
geweest.”
„Afwijzen kon ik hem toch niet; ik wilde het ook niet. Ik houd van hem,
meer, veel meer, dan van de anderen, misschien juist om wat u daareven
zei.”
„Natuurlijk niet. Maar je moet hem nog zelfs den vinger niet geven,
laat staan de hand.”
Zoo kwam het, dat Adam in zijn verwachtingen werd teleurgesteld; wèl
had ’t hem genoegen gedaan, dat hij zich nu niet had moeten
„afficheeren,” maar het rendez-vous, dus verloopen, had toch zijn
ijdelheid gekwetst, en zeer onvoldaan over het eindresultaat ervan,
ging hij een restaurant binnen en bestelde er een eenvoudig maal,
zooals hij in het eten altijd matig en slechts in het drinken onmatig
was onder vrienden, en als hij „meedeed” met de zucht om vooral niet
onder te doen.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
EEN ONAANGENAME VERRASSING.
Het kwam er weer toe, dien avond; nauw ’n half uur later, zat men om de
tafel, waar hij alleen was gaan zitten, met z’n vieren; het diner werd
uitgebreid; goede wijn volgde, en het ging er later, op los, tot hij ’s
nachts thuis kwam en uit gewoonte zijn kamer en zijn bed vond, moê en
duizelig, slapend bijna voor hij zich had ontkleed.
En toen hij ontwaakte, den volgenden ochtend, zag hij eerst, dat op
zijn toilet een brief uit Indië lag, niet van „den ouden,” want die
schreef altijd keurig, maar met een slordige ruwe hand aan hem
geadresseerd.
Het bovenschrift: „Waarde Adam,” leerde hem niets, maar de
handteekening: „Bram Silver” wees hem den weg. Het was dus een brief
van zijn broer, den eersten, dien hij ooit in z’n leven had ontvangen.
Hij deed z’n best zich iets te herinneren van z’n broer of z’n ouders,
maar vruchteloos. Met moeite las hij het schrift, door de ruwe halen
onduidelijker dan het scheen. „Op last van moeder schrijf ik u. De oude
heer is al lang erg zenuwachtig, maar in den laatsten tijd nam die
ziekte zóó toe, dat hij er suf en malende van geworden is. De dokter
zegt, dat pa een idée fixe heeft, en er iets is, waarover hij altijd
tobt, doch dat hij uit gewoonte verzwijgt. Het eenige wat hij
uitspreekt, soms in dagen achtereen, is uw naam. Dan loopt hij maar
door het huis, praat tegen niemand, maar schudt telkens het hoofd en
zegt: Adam, Adam! Deze omstandigheid en de toenemende zwakte van pa,
brachten den dokter op het idee, dat het misschien goed kon zijn, als
jij hier waart. Daar je toch in Holland niets omhanden hebt en dus best
komen kunt, heeft moeder mij opgedragen je te schrijven met de eerste
boot passage naar hier te nemen. Ik heb ook moeten schrijven aan
mijnheer Verlande, die voor het geld en zoo zorgen zal.
Voor de rest gaat hier alles tamelijk wel; alleen zijn de perken erg
achteruit gegaan en heeft pa dit jaar met andere dingen veel geld
verloren. Enfin, dat komt terecht. Hopende je spoedig hier te zien.
Je toegenegen broer
Bram Silver.”
Zoo suf kon John Silver niet wezen als Adam, nadat hij dien brief
gelezen had, op den rand van zijn bed zat te kijken. Wel, hij had
altijd geweten, dat hij naar Indië moest; dat er een eind zou komen aan
het lui en lekker leventje in Den Haag; hij had daar zelfs meer dan
eens over gesproken, zoo, ter loops, als het in de rede te pas kwam; nu
bleek het ermee ernst te zijn als met den dood, die ook iedereen weet,
dat onvermijdelijk komen moet, maar op wien niemand, als hij komt, ook
maar in het minst is voorbereid.
Naar Indië! Weer trachtte hij zich iets te herinneren, maar het ging
niet; hij kwam niet verder dan de kostschool te Batavia, en dat zei hem
eigenlijk niets. Van vader, moeder, broers, zusters, eigen woning aan
de kust van een ander groot eiland dan Java,—niets, niets! Het lachte
hem niet toe; in ’t geheel niet! Hij was in het Europeesche leven
heelemaal ingegroeid, en hij had daar veel mee op; Indische menschen
beschouwde hij, een echten totoh gelijk, eigenlijk als een graadje
minder; zij trokken hem niet aan, en als hij er nu en dan een ontmoette
bij de Verlande’s, hield hij zich op een afstand en had nimmer gevolg
gegeven aan invitaties om ’reis ’n visite te komen maken en de
kennismaking voort te zetten.
Die gedachten kwamen zoo allemaal bij hem op en voor zijn doen was dat
overweldigend veel. Met diepe rimpels in zijn voorhoofd van dat
moeilijke en hem hoe langer hoe ongewoner wordend denkwerk, kleedde hij
zich, ontbeet als machinaal, en ging de deur uit, regelrecht naar de
Verlande’s.
Ja, die hadden hun brief van Bram ook ontvangen, daags te voren in den
namiddag, en ze hadden Adam eigenlijk ’s avonds al verwacht.
„Ik heb je passage direct besproken; over acht dagen moet je aan boord
zijn.”
En toen Adam hem zoo onnoozel aankeek, alsof hij van ’t heele geval
niets begreep, en tegelijk zoo bedroefd, als iemand, die gevonnisd
wordt, moest hij in zichzelf lachen, en deed met opgetrokken
wenkbrauwen een langen haal aan z’n sigaar.
„Ja, beste jongen, het was toch altijd je voorland; dat wist je.”
„En Indië is een goed land,” bevestigde mevrouw Verlande met nadruk.
Nu lachte haar man luid en spottend; hij, een njo, was nergens liever
dan in Europa; hij kon zich maar niet begrijpen, dat zoo’n pur sang
Hollandsche als zijne vrouw, altijd zooveel goeds zei van Indië.
„Zeker,” zei ze, „ik heb altijd veel van Indië gehouden, en dat doe ik
nog.”
„Ik heb liever een broodje met kaas,” spotte hij voort... „Maar laat
ons geen gekheid maken; het is kort dag voor Adam, hij moet zijn
uitrusting hebben.”
Dáárvoor zou mevrouw zorgen; Adam had niets te doen, dan bij den
leverancier zich de maat te laten nemen, zei ze. Maar toen Verlande hem
meenam naar het kantoor, bleek het, dat er nog dozijnen dingen waren,
die hij noodig had en zich moest aanschaffen; Verlande maakte er een
lange lijst van en gaf Adam geld om zich alles aan te schaffen; doch
hoe gemakkelijk en eenvoudig dat leek, het gaf Adam een gevoel van
ongewone drukte, dat hem bingoeng maakte.
En dan Nora Tiele! Hij kon, meende hij, nu in allen ernst, niet zóó
maar weg gaan; hij voelde ineens meer voor haar dan ooit vroeger,
buiten haar tegenwoordigheid; hij had de sterke overtuiging, dat hij
zich aan haar declareeren moest en er ook over spreken met haar vader.
Wel had hij geen vaag idée van wat hij moest uitvoeren, in Indië en bij
zijn ouders,—maar hij dacht dat dit vanzelf wel terechtkwam, en zij,
Nora, dan over een jaar of wat, zou kunnen „uitkomen” als zijn vrouw.
Hij moest haar schrijven, kort en bondig; een onderhoud vragen onder
vier oogen en met de mededeeling erbij, van zijn aanstaand gedwongen
vertrek.
’t Was bij de Tiele’s ’n heele consternatie; een donderslag bij heldere
lucht; het speet mama nu geweldig dat zij „politiek” had willen zijn,
en niet maar liever de eerste gelegenheid de beste had aangegrepen.
Nora was erg ontsteld, met een gevoel nu, dat zij doodelijk was van
Adam Silver. De oude heer keek ook zeer bezorgd, knorrig over de
„flauwe kunsten” zijner vrouw, die hij eerst zoo verstandig had
gevonden.
Maar dáárover waren allen het eens: er moest op afdoende wijze voldaan
worden aan Adam’s verzoek; het was een drang in die richting, als wilde
men hem met Nora een apartje geven in haar slaapkamer. Zóóver kwam het
wel niet, maar toch zou de heele famielje gaan wandelen en een uurtje
weg blijven; als ze terugkwamen zou dan, naar zij hoopte en vertrouwde,
„de kogel wel door de kerk” zijn.
En Nora, die had opgemerkt, wat Adam bijzonder mooi aan haar vond en
wat hij, in verband daarmee, haar goed vond staan, kleedde zich
daarnaar, zoodat van haar blanken hals veel te zien was; van voren
vooral.
Toen ze hem ontving, zoo alleen, was ze werkelijk verlegen en ontroerd;
hij ook; de omstandigheden hadden hem overrompeld; hij had er zijn
gewone, rustige kalmte glad bij ingeschoten, en nu vooral, nu hij zulk
een stouten stap ging doen, was hij zenuwachtig. Nora merkte het aan
zijn handen, anders altijd warm als bij gezonde sanguinische naturen,
nu koud en klam; het stelde haar gerust; zij had er hem te liever om;
zij had het akelig gevonden, als hij nu zoo gemoedelijk was geweest als
altijd anders.
„Je neemt me niet kwalijk?” vroeg hij, om wat te zeggen.
Nora schudde zacht het blonde hoofd.
„Neen,” zei ze.
„Je zult wel begrepen hebben, dat ik niet heen kon gaan, zonder eerst
met je te hebben gesproken.”
„Ja,” zei ze.
Hij haalde diep adem; hij had nooit eenig examen gedaan; dat kon, dacht
hij, niet moeilijker wezen.
„Hier is de brief.”
Hij gebruikte dien brief, als een reddingsplank, wezenlijk niet
wetende, wat hij verder nog zeggen zou; en zij nam dien aan, wijl ze
met haar antwoorden zat te houden en het toch te gek was, dat een
meisje, steeds zoo goed bij het woord als zij, nu niets anders had
kunnen zeggen, dan „neen” en „ja.” Onder het lezen klom hare
belangstelling; zij zag daar veel meer in dan Adam en de Verlande’s;
zij maakte eruit op, dat die vader in Indië, die voor dezen éénen zoon
zooveel geld had uitgegeven om hem in Holland te laten grootbrengen, en
nu, als in een droom, telkens diens naam uitsprak, groote plannen had
met Adam, plannen om hem veel geld te vermaken of landgoederen te
geven.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
EEN DECLARATIE IN OPTIMA FORMA.
De bleeke straal van een ondergaande na-herfstzon gleed bescheiden
tusschen de bruine staatsiegordijnen door op de twee jonge menschen;
het was een knap paartje, zooals het daar zat op de chaise longue; mooi
in de groote tegenstelling van haar blond-blank en figuur-fijnheid,
tegenover zijn donker robust.
„Heb je geen herinnering aan je pa?”
„Niet de minste.”
„God geef, dat je hem nog levend vindt.”
„Ik hoop het; ik denk het wel; men zegt, dat sleepende kwalen meest
lang duren in Indië.”
„Er is dan misschien nog kans, dat hij beter wordt?”
„Wellicht,” zei Adam, zonder overtuiging of hartelijkheid.
„Dan kon je misschien weer terugkomen naar hier.”
Maar daar had hij voor zichzelf geen de minste hoop op en hij wilde
haar niet bedriegen.
„Er zal wel geen kans op zijn; dat denken de Verlande’s ook.”
Verwonderd keek ze hem aan.
„Pa zal mij zeker op een onderneming plaatsen, of, als hij mocht
sterven, zal ik er wel voor de zaken moeten blijven.”
„En dan?”
„Je weet Nora, hoeveel ik van je hou.”
Nu hij zoo eenvoudig en oprecht van wal stak, moest zij lachen.
„Ik geloof er niets van.”
„Plaag me niet; je weet het al lang, ik wou vragen of je je met me wilt
engageeren. Ik zal vandaag nog aanzoek doen bij je pa, en dadelijk in
Indië zal ik er thuis werk van maken.”
„Maar mijn goede, beste Adam, geef me nu eens duidelijk en verder
antwoord op mijn vraag: en dan?”
Zij had haar hand vertrouwelijk op de zijne gelegd, en keek hem aan met
een lief, vriendelijk gezicht. Hij, nog geheel onder den invloed van
zijn sentiment, lette niet op haar andere schoonheden, en zij dacht
daar zelf volstrekt niet aan; zij had heel goed hoog en stijf gekleed
kunnen zijn; het was alles hetzelfde geweest.
Adam sloeg zijn arm om haar heen, trok haar zacht tegen zijn breede
borst en kuste haar; zij gaf hem volkomen argeloos en zonder iets
anders dan een diep gevoel van onschuldige genegenheid, dien eersten
kus terug; ze waren allebei beter en reiner mensch nu, dan ze zelf
vroeger hadden geweten of gedacht.
En hij vertelde zijn plan; om als alles daarginds in orde was, haar te
trouwen bij volmacht en haar dan uit te laten komen naar Indië, waar
zij een heerlijk leven zou hebben; zoo goed als gefortuneerde lui in de
binnenlanden, waarover zij in Den Haag zooveel had hooren spreken, het
maar hebben kunnen.
De terugkomst der familie verraste hen; zou hen altijd verrast hebben,
al was zij uren later thuis gekomen.
Men hield zich goed; men veinsde de gewone verwondering over een
onverwacht bezoek. Een kwartier later kwam het toevallig zoo uit, dat
hij met den ouden heer alleen zat.
„Voor ik naar Indië ga, had ik graag nog eens met u gesproken over
mijzelven en over Nora.”
Tiele keek met een effen gezicht langs z’n grooten neus naar buiten,
het hoofd langzaam op en neer, als ’n Chineesch beeldje.
„Zoo, zoo!”
„Ik wou u verzoeken mij toe te staan met mijn vader te spreken en
daarna een aanzoek...”
„Ja. Hoe oud is je vader?”
Het was voor Adam een slim geval. Vooreerst bracht hem die onverwachte
vraag van z’n stuk, dat toch al niet erg stevig was; maar bovendien:
hij wist het niet.
„Heel precies kan ik het niet zeggen... om en bij de zestig.”
Wat ’n raar slag van volk toch, dacht Tiele, die Indische lui! Zoo’n
jonge man wist niet eens hoe oud z’n eigen vader was! Hij, Tiele, kende
de geboortejaren van al zijn bloedverwanten, zelfs van overledenen.
„Hoeveel broers en zusters heb je?”
Toen Adam peinzend opzag naar het plafond, als berekende hij in
gedachten het aantal, keek de oude heer hem in bange verwachting aan.
Welk een oostersch reproductievermogen zou hij hier ontdekken? Welk een
ongelooflijk aantal varkens zou deze spoeling dun maken?
„Wij zijn met ons vieren, thans; daar zijn er dood.”
„Met je hoeveel?”
„Vier.”
Het was sterk, meende Tiele; daar had zoo’n kerel voor gekeken als
werkte hij uit het hoofd een rekenkunstig vraagstuk uit. Neen, als hij
niet erg gefortuneerd was, zou Adam nooit voor schoonzoon in aanmerking
zijn gekomen. Aan een departement had hij het in een heel menschenleven
niet verder gebracht dan adjunct-commies, en misschien zelfs dàt niet.
De waarheid was, dat Adam ook het gevraagde aantal niet goed wist; hij
had zich nooit met die broers en die zusters beziggehouden, en zij
evenmin met hem; hij had zijn jeugd doorgebracht met de Verlande’s, en
met hun kinderen onbezorgd meegeleefd. Hoe oud zij waren, wanneer ze
hun verjaardagen vierden en al zulke kleine levensbijzonderheden meer,
wist hij precies.
„Op hoeveel taxeer je den ouden heer?”
Adam Silver begon te transpireeren; het scheen hem toe, dat Nora’s
vader nu ook in ’t geheel geen vraag kon doen, die hij bij machte was
te beantwoorden. Wat wist hij van de fortuin zijns vaders?
„Een millioen,” zei hij in zijn angst.
Tiele dacht na. Een millioen, dat was op zichzelf heel mooi; en ze
waren met hun vieren slechts. Dat was voor Nora een toekomst van twee
en een halve ton. Heel mooi! Maar..... een Indisch millioen was altijd
précair. Vandaag heette het, dat de menschen puissant rijk waren, en
een paar maanden later, na een flinke daling in den marktprijs van een
of ander product, waren ze veel minder; moesten ze hun equipages
wegdoen en uit hun groote huizen trekken.
„Weet je misschien, waaruit dat millioen bestaat?”
„Pa heeft aandeelen in perken en landgoederen.”
Hm! Daar had-je ’t al!
„Suiker?”
Nu moest Adam lachen. Suiker in perken! Daar was hij ineens à cheval,
want bij de Verlande’s had hij altijd veel gehoord over de perken; zij
zaten met het grootste deel van hun geld daar ook in. En om den
lastigen ouden heer in het doen van verdere vragen zooveel mogelijk
tegen te houden, putte hij al de wijsheid uit, die hij over dit
onderwerp bij de Verlande’s had opgedaan, en gaf in haar geheel de
beschrijvingen, welke hij dozijnen maal bij stukken en brokken daar had
gehoord. Beter dan hij dacht, was de indruk, dien hij daarbij maakte;
het was, vond Tiele, verduiveld mooi, en hij had nooit gedacht, dat die
Adam daar zooveel van wist. Er scheen ten slotte in dat jongmensch toch
meer te steken, dan men zoo oppervlakkig zou vermoeden, als er maar
iemand den slag had het eruit te krijgen; het streelde hem, dat hijzelf
dien slag bleek te hebben, en aandachtig luisterde hij naar de breede
uitweiding, nu en dan door een enkel woord of heel gewone vraag toonend
hoe goed hij bij de zaak was.
„Kijk,” zei hij, „ik heb persoonlijk niets tegen je. Je bent nog wat
jong, maar dat betert vanzelf. Als je nu in Indië bent, en je hebt met
je vader gesproken, dan moet je het zóó regelen, dat hij het aanzoek
voor je doet aan mij, en dat hij daarbij nauwkeurig opgeeft wat en hoe
je financieele positie is, want je hebt geen betrekking; niet bij het
gouvernement en niet particulier. Dus is dat noodzakelijk. Begrepen? En
als dat in orde is, zal ik mij niet tegen uw geluk en dat van Nora
verzetten, en mevrouw Tiele, daar ben ik zeker van, zal dat evenmin.”
Mevrouw Tiele dacht daar reeds nu niet over. Zij had een der meisjes
als het ware uitgehuwelijkt en een rijken schoonzoon in ’t zicht; zij
dacht niet aan broers en zusters, of aan de onvastheid van suiker in of
buiten perken; zij vond Adam voor Nora als geknipt, ware het slechts
omdat hij door zijn zachten aard en goedigheid het ’t meisje
gemakkelijker zou maken, dan zijzelf het in haar huwelijk had gehad.
En Adam, die geïnviteerd werd om te blijven eten, wijl daarop vooraf
was gerekend, voelde zich geheel tehuis en volmaakt gelukkig; hij en
Nora gedroegen zich nu en dan, alsof ze al betoel geëngageerd waren, en
de familieleden deden maar alsof ze dat niet zagen, drinkend met
vriendelijke gezichten en stille verstandhouding op de gezondheid, den
voorspoed, het geluk en nog veel meer, van Adam en zijn familie in
Indië, denkend daarbij aan de eigen dito’s, nu de toekomst zich zoo
prettig liet aanzien.
In één roes ging het door, de weinige dagen, die hem nog overbleven,
een droom gelijk. Den laatsten avond zou hij bij de Tiele’s
doorbrengen; de familie Verlande kwam daar ook nu, en zijn vrienden,
enkelen bij wie Adam wel aan huis kwam, met hun families. Het was een
rustig praatavondje eerst, met daarna een innig en hartelijk slot van
tranen, kussen en zenuwachtige handdrukken; van allerlei beloften en
toezeggingen: van niet vergeten, brieven schrijven, dikwijls aan
denken, portretten zenden, groeten overbrengen,—tot hij eindelijk
alleen met Nora op den corridor stond, suf gepraat en misselijk
gezoend. De Tiele’s hadden dit laatste apartje maar stil toegelaten.
En het duurde heel lang, zoo lang, dat de oude heer er ongedurig van
werd en in den salon op en neer ging loopen, hemmend en kuchend, om den
indruk te geven, dat hij elk oogenblik naar buiten kon komen.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
AAN BOORD VAN DEN MAILSTOOMER.