Zij vonden, dat hij zich moest laten gelden, dat hij meer

zelfstandigheid aan den dag moest leggen; „wâ-bliksem,” hij was geen

kind! En zij vloekten erg flink, als vertoon van eigen groote

zelfstandigheid. Hij moest niet schrijven naar Indië; hij moest maar

„beren” maken, die zouden zelf wel aan „de-n-ouwe” schrijven om duiten.

Adam vond dat wezenlijk goed gedacht; hijzelf, van nature zonder

streken of listen, zou nooit op zoo iets zijn gekomen; uit den mond

zijner vrienden klonk het hem als bezonken geleerdheid; hij zou toch

niet tot een universiteit toegelaten worden en promoveeren; hij zou

nooit aan de Delftsche academie komen en ’t groot ambtenaarsexamen

doen; ook zou hij zelfs nimmer op een hoogere burgerschool of een

gymnasium gaan en eenig eindexamen doen. Och, wat was dat nu? Er kon,

dat besefte hij, geen quaestie van zijn, dat hij ooit eenig examen deed

of daar moesten er worden ingevoerd in het bier drinken, rooken en de

meisjes naloopen. Dàt kon hij uitstekend.

Hij trok het zich niet aan, overtuigd dat hij ’t niet helpen kon. Het

was nu eenmaal zoo. En dan, hij zou immers op het land gaan werken,

zooals zijn broers deden; keerde hij terug naar Indië, dan behoefde hij

niet bepaald „een betrekking” te hebben. Zijn vader was rijk, dat

hadden de Verlandes gezegd. Nu moest hij nog praten met den directeur

der school: hij moest meer vrijheid hebben. En toen hij daarmee

aankwam, keek die hem eens aan, en schudde het hoofd; och, hij mocht

hem wel; precies als iedereen, omdat het zoo’n goeie, aardige vent was;

ook had hij het indische geld zoo lief als een Nederlander het slechts

hebben kan; maar de reputatie van zijn instituut was hem nòg liever, en

hij zag heel goed in, dat die bij Adam Silver niets te winnen had.

„Heb je daar al over gesproken met meneer Verlande?”

„Neen,” zei Adam. „Ik dacht niet dat het noodig was.”

„Dan zal ik het wel doen.”

De directeur deed het, maar heel anders; hij proponeerde voor Adam

ergens bij een familie een kamer met pension te huren en hem dan

privaatlessen te laten nemen in het instituut.

Verlande dacht erover na.

„Zou er iets van hem terechtkomen?”

„Bedoelt u door studie?”

„Ja, natuurlijk!”

„Zoo heel natuurlijk vind ik dat niet; mijn knapste leerlingen kwamen

niet het best terecht. Maar als u bedoelt of hij door studie in de

gelegenheid zal komen carrière te maken, dan: neen, stellig niet!”

Daar Verlande’s jongens het heel goed maakten, vond hij het

verschrikkelijk.

„Zijn ouders zijn immers zeer gefortuneerd?”

„Dat wel. John Silver heeft aardig geld.... Bovendien, Adam kan op het

land werken.”

„Zoo heb ik ook gedacht. Al maakt hij hier dus een beetje pret, dan kan

dat geen kwaad; hij is physiek zoo sterk als hij intellectueel zwak is

en toch heeft hij een goed verstand; geen vlug, geen geoefend.... Ik,

die zooveel en zoo verscheiden jongens onderhanden krijg, heb over dien

Adam nagedacht. Weet u wat ik zou zeggen?”

„En?”

„Dat hem zekere erfelijke aanleg ontbreekt, zooals dat met kinderen het

geval moet zijn uit geslachten, die nooit iets aan leeren of studeeren

hebben gedaan.”

Verlande, die de geschiedenis kende, dacht aan njai Peraq, van huis uit

houdster van ’n warongje in de kampong, en aan den grooten arabier, die

niets kende dan ’n paar koranspreuken en deftig buigen. Zelf een njo

werd hij gauw wantrouwend tegenover pur sang europeanen, en hij dacht

eerst, dat die „schoolmeester” de klok had hooren luiden en nu eens

wilde vernemen waar de klepel hing, maar hij zag wel dadelijk aan de

heele gezichtsuitdrukking, dat hij zich vergiste.

„Weet u een geschikte gelegenheid voor hem?”

Doch ook die verantwoordelijkheid werd niet geaccepteerd.

„Het beste zou zijn.... een advertentie.”

’t Was erg gauw in orde!

Toen Adam het hoorde was hij dolblij. Van den kostjongen werd hij nu

ineens een soort van student, een heer, want hij en al z’n vrienden

waren het daarover eens, dat ’n jongmensch op kamers wonend en buitenaf

les krijgend een heer en een student was; ’n universiteit, nu ja, dat

was eigenlijk maar ’n bijzaak, waar men, om student te zijn, best

buiten kon.

Hij „betrok” zijn kwartier, een eenigszins ouderwetsch met second

hand’s goed gemeubelde kamer, in een prettige buurt en bij vriendelijke

menschen, wier eenig doel al spoedig bleek hem lang te houden, omdat er

zoo goed voor hem werd betaald. Wat hèm ’t best beviel, was de

vrijheid; de groote vrijheid van te gaan hoe en waar-je-wil en te doen

op je eigen kamer, wat-je-wil.

Het was wel koud, maar hij schoof een der ramen hoog open, en ging

ervoor zitten, de armen op de vensterbank, een lange sigarenpijp voor

hem uit buiten het raam, loerend naar de vensters aan den overkant, of

er ook meisjes waren tusschen de schuine overgordijnen en achter de

horretjes, boven of in de benedenhuizen, bij de étalages van mode- en

toiletartikelen, pleizierig gestemd de drukke buurt overziend; het

gejaag van bezige menschen met haast langs den weg; het hard trappelen

van mooie glimmende equipage-paarden en het sleurig opbonken van doffe

vigelantenknollen. Het was heerlijk, vond hij, dat alles te zien van

zijn eigen „kast,” en niet meer in die ellendige kamer met vier bedden

in het instituut als gevangen te zitten met drie kwajongens, die haast

al hun vrijen tijd doorbrachten met den neus in de boeken; niet meer te

hebben, dat voor hem èlken dag wederkeerend pijn-in-den-buikachtig

gevoel van een les overhoord te zullen worden, die men niet kent, van

vragen te zullen hooren, die men niet kan beantwoorden; van werk te

moeten meemaken, dat men niet begrijpt en dus onvermijdelijk fout

maakt.

ELFDE HOOFDSTUK.

ONAANGENAME BRIEVEN UIT HOLLAND.

De mail had drie brieven meegebracht voor John Silver; het waren er

twee meer, dan hij ooit uit Holland had ontvangen. Wel ontving hij

„kabar” van de Verlande’s zoo nu en dan, en hij wist dus ook welke

maatregelen zij hadden genomen,—nu, dàt was hem onverschillig,—maar met

andere menschen in het Westen briefwisselde hij niet. En daar lagen nu

vóór hem twee dikke brieven, geen prijscouranten of prospectussen, want

die waren in open couverts en met drukwerk-postzegels er op; neen, ze

waren goed dicht en met briefport gefrankeerd.

Het waren Adam’s beren, die voor de eerste maal bescheiden en

beleefdelijk brulden in het Oosten.

In het eerst snapte John het niet; hij zat eenigszins sufferig te

kijken op die groote enkel-vellen papier, en las de reusachtige hoofden

met afdrukken van koninklijke wapens in het midden, zag de groote

versierde aanvangsletters der firma-namen, en aan beide hoeken

opsomming van alles wat in de magazijnen te krijgen was, en dan op een

regel in geschreven schrift „WelEdelGeboren Heer; en vervolgens de

mededeeling, dat zekere WelEdelGeboren Heer Silver te ’s Gravenhage

debet was aan.... wegens aan ZWEdG. geleverd als volgt...”

Nog nooit had John Silver zoo iets gezien; wat hij noodig had, kocht

hij al z’n leven lang op de plaats zelf in de eenige Europeesche toko

of bij den chinees, en daarvoor kreeg hij eens in de maand een rekening

op ’n gewoon velletje blauw gelijnd papier, met twee roode dwarslijnen

voor de guldens en de centen. Welk een geurmakerij zoo’n Haagsche

rekening! En dan die „WelEdelGeboren Heer”; dat was Adam!.... Adam!...

Toen zijn eerste verbazing over was, schoot hij in een lach!

Wel gévédé! dat was toch sterk! Adam, dat „hondenkind”!

Maar hij nam de rekeningen weer op, en keek ze door, bedaard en

ernstig. Het was onmogelijk; in zijn heele leven had hij, John Silver,

zooveel jassen, broeken en vesten niet gehad, als die Adam in een paar

jaren; en dan die andere, de groote, voor wijnen, dranken, sigaren,....

er stonden zelfs woorden op die hij niet kon uitspreken of begrijpen!

Ja, de begeleidende briefjes—nu, dàt snapte hij gemakkelijk genoeg; men

maande den Hoog WelGeboren Heer John Silver aan om het debet van den

heer Adam Silver te voldoen. Ten naasten bij twee duizend gulden!

Brutaalweg de mededeeling erbij, dat als niet binnen zes maanden de

rekening was voldaan, de kerels rente gingen berekenen.

Dan sprak men nog van woekeraars in Indië! Als hij ’n jas noodig had,

kocht hij ’n stuk wit of ander goed en liet het maken bij den chinees;

en daar stonden op die rekeningen enkele jassen tot prijzen, waarvoor

hij er een dozijn had!

Wat een afzettersboel toch in dat Holland! Bij de tweeduizend pop!

„Kom eens hier!” riep hij hoog en scherp tegen zijn huishoudster, die

hij hoorde op de galerij. En toen zij binnenkwam: „Dat is me een

gladakker, die meneer Adam! Dat is me een toean besar, hoor! Wel

gévédé!”

Zij schrikte ervan; in lang had ze weer niets van den jongen gehoord en

ze dacht voortdurend aan hem, hoe langer hoe meer, maar ze durfde niet

vragen; ze had wel gevoeld, dat er iets niet in den haak was, dat

Silver iets in z’n schild voerde en veel te bijzonder was ten opzichte

van dat kind. Nu scheen hij weer heelemaal gek geworden; nu schold hij

hem voor een „gladakker” en noemde hem tevens een groot heer.

„Wat is er?” vroeg ze.

„Wat er is: hier, hier!” riep hij, haar de rekeningen met de eene hand

voor het gezicht houdend en met de andere erop slaande, dat het velijn

papier trilde en knetterde: „Hij maakt schulden! Dat draagt jassen, ja,

van tachtig gulden; dat drinkt fijnen wijn en rookt havanah sigaren;

dat speelt in Holland den toean besar. En mij sturen ze hier in Indië

de rekeningen om te betalen. Zoo’n satansch honden....”

Silver schrikte van zijn eigen vervoering, ineens ophoudend.

„Is hij gezond?” vroeg njai Peraq.

Daar stond Silver van te kijken. Zij, zij, die het geld zóó liefhad,

die zoo gierig was, dat hij zelfs nooit had durven zeggen, wat hij

maandelijks uitgaf voor dien Adam,—zij maakte geen misbaar, toen hij

het groote bedrag genoemd had; het was alsof het niets was.

„Stik!” zei hij in ’t Hollandsch en ging de kamer uit.

Het was waarachtig te erg! Onderaan de rekeningen was met een slordig

schrift iets gekrabbeld; als men goed keek; zag men, dat het een

voor-accoord-verklaring was, onderteekend: A. Silver. Wat ’n gemeen

schrift! De minste djoeroe-toelis kon het netter. En dat had zooveel

geld gekost! Enfin,—’t kwam wel alles terecht; hoe meer hij nu genoot,

des te beter.

Toen hij zich dáármee had verzoend, kwamen andere overwegingen. Want

hij had nu wel opgespeeld over het geld, en zijn haat eens gelucht—maar

het zou hem nu niet hinderen, al betaalde hij het nog tienmaal; het

liep financieel toch alles mee in den laatsten tijd.

Er was iets aardigs in, vond hij; iets aardigs, dat die Haagsche

tokohouders hem voor zoo’n groot heer hielden en hem zoo hoog

betitelden. Het streelde zijn ijdelheid. Dat pleizier had hij er dus

bovendien nog van! Natuurlijk zou hij de duiten sturen; niet om dat

„hondenkind”, maar om zijn naam; die daar zoo’n goed figuur maakte

achter het klinkend praedicaat.

„Ik wou wat zeggen,” zei njai Peraq bij hem komende.

„Wat is het?” vroeg hij norsch.

„Als je het geld voor Adam misschien liever niet betaalt, zal ik ’t wel

geven van het mijne.”

„Wat jij? wat jij?” riep hij kwaad. „Denk je, dat ik zelf niet kan

betalen? Daar heb ik jou niet noodig voor.”

Zij sloeg, nu ook uitvallend in toorn; met de hand op de tafel.

„Wel, schreeuw dan zoo niet? Ben je een gek? Ben je een beest? Maakt

een mensch zulk een leven als hij moet betalen voor zijn eigen

kinderen?”

Zij bemerkte niet in haar opkomende boosheid, wat zij trotseerde; haast

werd het hem te machtig; het was de vrees voor haar, die ten slotte

sterker was dan zijn opwellende drift; dáárom zweeg hij, schoon zijn

ingevallen borst van groote aandoening zwoegde.

Kort en daardoor uit de hoogte, waren zijn briefjes aan Adam’s

crediteuren; maar de wissels staken erin en hij schreef erover aan de

Verlande’s, want op den brief van Adam wilde hij niet antwoorden; hij

had dien al met tegenzin geopend en met diepe minachting voor het

slordige adres; de aanhef: „Waarde vader” bracht hem geheel uit den

koers; hij dacht een beroerte te krijgen van kwaadheid; hij verscheurde

den brief ongelezen; neen,—betalen zou hij, maar daarmee uit; zich door

dien welp van zoo’n smerigen arabier, „vader” te hooren noemen, en

diens brieven te lezen, dàt was hem te machtig; dàt verdroeg hij niet.

„Heeft het kind niet geschreven?” vroeg zijn huishoudster.

„Het kind... het kind... ’t is waarachtig een lief kind!”

Zij schudde er het hoofd over. „Ik kan hem niet anders voor mijn oogen

krijgen, dan als een kind.”

„Nou, maar ik dan wèl, hoor, en voor mijn portemonnaie ook!”

„Schrijft hij nooit?”

John Silver lachte hoonend.

„Ja hij zal nog schrijven!” loog hij ontwijkend. „Denk maar niet, dat

je ooit een brief van hem zult krijgen.”

„Ik niet. Wat zou ik er aan hebben? Ik kan het immers toch niet lezen.

Maar waarom schrijft hij niet aan jou? Doet hij het niet? De mandoer,

die naar het postkantoor is geweest, zei, dat er drie brieven uit

Holland waren; de rekeningen waren maar twee....”

„Een was van mevrouw Verlande,” loog hij.

„Vertelde zij niets over hem? Je was kwaad, toen ik vroeg of hij gezond

was. Mag een moeder niet meer vragen of haar kind wèl is? Begrijp je

dat niet?”

„Ik was kwaad om dat geld. Zeur toch niet, hè? Is het misschien nog

niet genoeg, dat die rakker me zooveel duiten kost? Moet jij me nu nog

vervelen met je gezanik?”

„Ik vraag enkel maar of hij gezond is en je wilt me niet antwoorden; je

zegt maar zoowat... zoowat... je spreekt altijd maar kwaad van hem...

Wat is een vader; die zijn eigen kind haat?”

Zij speelde hoog spel; ze was zich daarvan volkomen bewust; ze wilde

eindelijk weten of haar vrees gegrond was; ze had hem straks

aangekeken, toen ze nadruk lei op het anaknja sendiri, en zij had

zekerheid! nu was het haar volkomen helder, nu wist ze, dat hij

vermoeden had van de waarheid.

Want toen ze hem die woorden als in het gezicht wierp; haar groote

goedige oogen recht op de zijne en haar gelaat rustig, onverstoorbaar

in het volle licht, de trekken onbewogen als een Vishnoe; was het hem

of hij het ondersteboven ging; hij voelde, dat hij hevig ontstelde en

dit te zien moest wezen aan z’n gezicht; hij stamelde een paar losse

woorden, die hij zich een minuut later niet meer herinnerde; hij

trachtte minachting te veinzen voor haar gepraat, en ging heen, den

tuin in, als een dronken man.

Het was verschrikkelijk! Had zij zóó kunnen wezen, als het waar was,

wat hij nu al zooveel jaren vast geloofde? Kon zoo’n gewone inlandsche

vrouw zóó brutaal, zoo verregaand, zoo onovertroffen listig en

bedriegelijk zijn, als zij had moeten wezen om hem met zulk een gezicht

en op zulk een toon dat „eigen kind” naar ’t hoofd te gooien? En

toch... Neen, het was geen zoon van hem; het kon er geen zijn! Dáár,

dáár kwam er een aan, van het land, op z’n bloote voeten, de slaapbroek

opgestroopt, en ja, dat was nu een dikke vette kerel geworden net als

njai Peraq met heel veel in figuur en gezicht van de moeder, maar toch

zag men in één oogopslag, dat het ’n kind was van hem, John Silver.

Daaraan viel niet te twijfelen.

Maar ’t hielp niet of hij al redeneerde,—hij kon de manier niet

vergeten, waarop ze hem dàt had gezegd; het was terlaloe! En elk

oogenblik van den nacht en den dag, zag hij haar weer in die groote

kalmte, die geloof opdringt.

Het werd een idée fixe; uren kon hij voortaan stil zitten pikiren, met

de hardnekkigheid van een lijder, die denkt aan zijn ongeneeslijke

kwaal, die geheel erdoor wordt in beslag genomen en ten slotte over

niets anders haast meer denken kan, dan zijn kansen van levensduur.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

EEN MISLUKT JONGMENSCH.

Adam pikirde niet. Binnen de drie maanden had hij al beleefde brieven

van zijn leveranciers, dat zijn papa geremitteerd had; zij waren erover

uit; zij recommandeerden zich. Crediet? Wel als ’t ware ongelimiteerd!

Juist dat korte briefje van John Silver had zoo’n effect gemaakt samen

met het geld. Het leek zoo uit de hoogte en dat had imponeerend

gewerkt. En Adam, die wel ’n beetje bang was geweest al dien tijd,

leefde heelemaal op. Dien dag gaf hij er de privaatlessen aan, waarvan

hij toch al zoo weinig profiteerde, bestelde hij van alles wat hij

noodig had, niet mondjesmaat, maar op de royaalste manier, onthaalde

zijn vrienden op zijn kamer, tot ze in gloeiende toasten het bewijs van

hun lichtbewogenheid gaven, en nam zich voor Nora Tiele serieus het hof

te maken. Nu „de oude” zich zóó royaal toonde en zelfs niet mopperde,

was het toch waar, wat hij al zoo dikwijls van anderen had gehoord; dat

de Silvers wezenlijk gefortuneerd waren.

Welk bezwaar had het dan in, dat hij Nora vroeg, den een of anderen

dag? Een positie... neen, zelfs geen idée van ’n kans daarop. Maar

waartoe ook? Een fortuin was beter. Wie dàt kon aanbieden, zou men toch

zeker niet naar een armzalig „baantje” vragen!

Den ochtend na zijn feestje, dat hij de eerste overwinning zijner beren

noemde, werd hij zeer berooid wakker; bij het kwartlicht van een

donkeren regenochtend, zag hij hoe beestachtig zijn kamer er uitzag,

hoe wanhopig zijn oppasser het stond aan te zien; hoorde hij hoe

kijvend de stem van zijn hospita op het portaal klonk, waar zij stond

uit te cijferen, wat Adam haar moest betalen voor het bederven van

karpetten, tafelkleeden en gordijnen door wijn- en andere vlekken.

Het leek hem alles met een grauwgrijs overgoten, wat hij hoorde als wat

hij zag; in zijn warm hoofd bonsde het met groote regelmatigheid; droge

mond en rauwe keel eischten water en lucht; zoo guur als het was,

gooide hij de ramen open en hield zijn gezicht wel een minuut lang in

het water van een lampetkom; de oppasser was intusschen bezig met het

opruimen van glazen, flesschen en de rest.

Langzamerhand kwam er weer orde en frissche lucht in de kamer en

grooter genietbaarheid over den persoon van Adam. Wel zagen zijn oogen

rood en was zijn gezicht wit toen hij geeuwend, huiverend en rekkerig

voor het open venster ging zitten, geheel gekleed nu; wèl smaakte hem

de sigaar niet, en wierp hij die weg, op de straat,—maar hij knapte

toch op, en genoot van zijn kop thee, toen het binnentreden van een

dame hem verschrikt deed opstaan; het was mevrouw Verlande.

Zij zag er nog heel goed uit, al was ze de veertig voorbij; zoo goed

geconserveerd, zoo vlug en veerkrachtig, met frissche blozende kleur,

relief gevend aan het blauw en blond van oogen en haar, dat ze had

kunnen doorgaan voor tien jaren en meer, jonger. En hij, Adam,

opstaande tegenover haar, in de vroegrijpheid zijner physiek, een

volwassen man.... Mevrouw Verlande snapte ineens de nooit gedachte

mogelijkheid, dat er voor de wereld iets geks kon zijn in een

ochtendbezoek van haar aan Adam Silver; aan den kleinen A. het

roodkieltje!

Eenigszins bedremmeld keek zij rond, ruikend de alles doortrokken

hebbende kroeglucht van sigaren en wijn; aan den wand floretten, sabels

en schermmaskers; op de tafel en den schoorsteenmantel portretten van

min of meer gekleede „tingeltangelinnen”; de penantspiegel geflankeerd

met duitsche pijpen,—en tegenover haar die groote, zware kerel met z’n

donker uiterlijk en aankomend baardje. Was het mogelijk?

„Hoe maakt u het?” vroeg hij goedig en eenigszins onthutst een stoel

aanschuivend: „Gaat u zitten.”

„Heel goed, dank je... Neen, ik ga niet zitten... Ik moet weer dadelijk

heen. Je pa heeft geschreven.”

Daar zweeg hij op, knikkend enkel met het hoofd.

„Dat gaat zoo niet.”

„Waarom niet?” vroeg Adam glimlachend.

„Wat moet er op zoo’n manier van je worden A.? Je leert haast niets

meer, en... en eigenlijk weet je nog niks.”

„Pa is immers rijk. Laat mij nu maar wat pret hebben hier, zoolang het

duurt.”

„Zoolang tot het je pa verveelt, en wat dan?”

„Dan ga ik naar Indië, werken op het land.”

„Het is wat moois! Dáárvoor heb je dan zooveel geld gekost en een

opvoeding in Holland genoten.”

„Ik kan ’t niet helpen, mevrouw; ik geloof niet, dat ik zooveel dommer

ben als de rest, maar ik kan niet leeren, niet onthouden, dàt is het.”

„Malligheid, je geeft je geen moeite, je bent lui.”

„Ja,” zei hij met overweldigende openhartigheid. „Dat is waar, ik ben

lui, het is ongelukkig.”

„Als een jongmensch zich beteren wil, dan kan hij ook.”

„Dáárvan niet, mevrouw. Geloof me, ik wilde wel, dat het anders was;

maar als ik een boek in handen neem en ik span me vijf minuten in...

in...”

„Dan?”

„Dan val ik in slaap.”

Zij moest erom lachen. Neen, ze wist het wel van vroeger, dáár was

niets tegen te doen! En ze nam hem nog eens op, dien brute, van top tot

teen, wiens stoffelijk bestaan zulk een scherpe tegenstelling vormde

met zijn geestelijk. Maar tegelijk dacht ze eraan, dat ze niet langer

kon blijven.

„Probeer het, A., en maak geen schulden; dàt is altijd slecht; het

behoeft immers niet, want je hebt zonder dat van alles voldoende; meer

dan de meeste andere jongelui.”

Hij beloofde zijn best te zullen doen, wijl zij het graag had; maar hij

dacht er in ’t geheel niet bij, meer beziggehouden door het geklop in

z’n hoofd, dat opnieuw en erger was begonnen.

Toen ze hem de hand reikte, nam hij die, en wou, net als hij van ouds

gewoon was, toen zij hem als kind met de andere kinderen te bed lei,

haar ook een zoen geven. Maar zij trok zich snel terug en liet haar

voile neer, niet willende laten zien, dat ze een kleur kreeg. Drommels

neen, dat ging niet, vond mevrouw Verlande; zij was niet oud genoeg om

zich door zulk een jongen man op diens kamer te laten kussen, al had ze

hem ook als kind op den schoot gehad.

Hij zag het en lachte erom, tevreden over het effect van zijn persoon.

In al zulke zaken was hij in ’t geheel niet dom; niet traag van begrip.

Integendeel, daar had hij een scherp oog voor, als iets hem zelf

betrof, want nog meer dan van Nora Tiele, die hij ’t hof wou maken en

ten huwelijk vragen, hield hij van zijn eigen persoonlijkheid.

Zich beteren! Als hij het goed inzag, viel er in ’t geheel niets te

beteren. Nu ja, schulden maken is niet goed, voor wie geen vader heeft,

die ’t betalen kan en wil. Maar zoo gelukkig was hij immers! En in den

loop van den dag verdween met den kater, het weinige effect der

vermaning van mevrouw Verlande.

Toen hij zoo, goed gekleed, het Noordeinde inliep, ’s middags tusschen

de talrijke flaneurs, had hij volkomen het air van een deftig jonkman,

door zijn ernstig, donker gezicht den indruk makend van iemand, die

iets omhanden heeft bij de diplomatie of zoo. Hij overwoog wat en hoe

hij doen zou met Nora Tiele.

Dat ze van hem hield, wist hij; trouwens, dat wist hij van zooveel

meisjes uit de kringen, die de Verlande’s frequenteerden, en waartoe

ook sommige vrienden behoorden: deftige menschen met mooie

betrekkingen, maar levend boven hun krachten meest; de gewone

geschiedenis. Hij kon in die kringen meisjes à prendre vinden bij

dozijnen: hij had de reputatie van een millionnairszoon te wezen;

dáárom was hij voor de meesten onweerstaanbaar; maar er waren er ook;

die hem bijzonder graag mochten om zijn persoon. En dan, hij was niet

zoo wijs. Hij vond het gewone jongedames-conversatie-peil niet beneden

zich, en dat was het ook niet. Als er jongelui in gezelschap waren, die

hun beetje geleerdheid te luchten hingen, zweeg hij maar en keek enkel

met zijn goedige zwarte oogen naar de meisjes, die dan toch nog meer

naar hem keken, dan ze luisterden naar de praters; doch als het niet

gevaarlijk was en zijn onwetendheid niet dreigde hem koopjes te geven;

als er werd gesproken over de kennissen, over uitgaan en pret maken of

de geschiedenisjes van den dag, dan sprak hij heel gezellig mee.

Zou hij zich nu ineens en officieel aan Nora Tiele binden en haar zóó

het hof maken, dat hij fatsoenshalve niet anders doen kon dan haar hand

vragen aan haar vader? Zij trok hem aan, heel sterk; hij verlangde er

dol naar, haar in de armen te nemen, te kussen..... och, dat laatste

niet zoozeer; daar hield hij eigenlijk in ’t geheel niet van; enkel uit

gewoonte en vriendschappelijk, vond hij, kon het erdoor; als

liefdebetoon niet; dat eischte bij hem iets anders. En als hij zoo

pikirde meende hij, dat het verkeerd was zich te haasten, hij kon het

wel plan-plan aanleggen, en een heel stil vrijagetje met haar beginnen;

dat zou best gaan; dan bleef hij vrij, en er waren honderd redenen voor

één, die hij kon aanvoeren.... Hij drukte op den belknop in de

deurpost, en hij werd hartelijk ontvangen.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

EEN VOORZICHTIGE MOEDER.

Aboe Bakar: Indische Roman · 第 3 / 15 段