maar doewit zond, ging Silver weer aan het schrijven; de regeling der
geldzaak was zijn minste zorg, die was met een paar korte briefjes, nog
denzelfden dag, dien van aankomst en sluiting der mail, in orde.
En eerst daarna zei hij aan njai Peraq, dat alles beslist was; dat Adam
met de volgende mail naar Batavia werd verzonden, en de oude mandoer
Kasim hem maar moest brengen. Zij vroeg wat het kostte, hij loog de
helft goedkooper. Toch stak ze de dikke bruine armen verschrikt omhoog:
„Waah! zooveel geld voor zoo’n klein kind. Het tractement van een
opziener blanda.”
„Als hij knap is naderhand, verdient hij het honderdmaal terug.”
Zij ging heen, hoofdschuddend en ongeloovig. Om die knapheid moest zij
lachen. Daar waren de europeanen zoo dol mee! Hij anders niet,—nu
ineens wèl voor Adam. En ’t mocht wat! Zij was maar een domme
inlandsche vrouw, maar hoeveel verdiende zij niet! Het gaf alles niets
dan soesah; hoe knapper, hoe meer soesah!
Zoo mopperde zij door, in de goedang en in de keuken, hardop, meteen
vertellend het geval aan de nieuwsgierig luisterende bedienden; die, in
stilte staanden, de koetsier bij zijn emmers om de gabah te ontvangen,
kokki bij haar kommen en bakjes voor rijst, olie en boemboe, een luie
baboe tegen een deurpost,—die dachten allen éénzelfde gedachte: waarom
was toean toch zóó gesteld op dien sinjo Adam? Waarom wou hij dàt kind,
dat het zijne niet was, dus bevoorrechten boven de anderen, en er
zooveel geld aan ten koste leggen, terwijl zijn eigen jongens haast
geen fatsoenlijk baadje aan het lijf hadden.
Njai Peraq zelf dacht daar heelemaal niet aan; haar gemoedelijke
onverschilligheid tegenwoordig voor alles wat geen geld was, wischte
veel uit haar herinnering; zij had zich afgewend, ook in haar
gedachten, oude koeien uit de sloot te halen; het gaf niets; het bracht
niets op; de kinderen waren de kinderen en daarmee uit. Ze ging weer
terug naar Silver.
„Hoe moet het met zijn pakéan?”
Hij had er niet aan gedacht, ’t kon hem ook niet schelen.
„Dat komt terecht.”
„Ik moet toch iets hebben om hem aan te kleeden, hij kan toch zóó niet
aan boord.”
„Zanik niet!” riep Silver barsch; „doe maar zooals je wilt.
Traperdoeli, maar zanik niet.”
De waarheid was, dat zij hem stoorde in het zoeken naar een akal; hij
moest er iets op verzinnen, om weg te komen vóór het vertrek van de
mailboot.
Op een avond schudde hij haar wakker.
„Ik heb een brief gekregen. Sta op.”
Slaapdronken en geeuwend streek zij met beide handen de grove zwarte
haren zich uit het gezicht, en haar: apa lagi? klonk als een:
vervelende vent, wat mot-je nou weer?
Hij hoorde het wel, maar ging op zijn druktetoon voort:
„Heb-je ’t niet gehoord? Ik heb een brief gekregen. Er is op de perken
een ongeluk gebeurd. Onze administrateur ligt te sterven. Ik moet er
dadelijk heen.”
’t Kon haar wezenlijk niet schelen; als zoo’n man dood ging, nam men
een ander! Doch ze wist wel, dat andere menschen drukte maakten over
zulke dingen.
„Maak me gauw wat eten en drinken klaar voor onderweg; ik heb al ’n
boodschap gestuurd om ’n prauw.”
Een half uur later was hij weg met het inlandsch vaartuig onder goeden
wind; en hij lachte tevreden in den mooien sterrennacht, wiegelend op
de zachte golfjes, achterover in een langen stoel den rook van zijn
strootje omhoog blazend. Zij had er niets van gesnapt, dacht hij, en
dat had ze ook niet. Op de pasar vertelde zij luid, dat mijnheer Silver
plotseling naar de perken had moeten gaan, wijl de administrateur heel
ziek was.
Wie is het? vroegen de europeanen, toen de bedienden met het nieuwtje
thuis kwamen; maar men kende hem niet; het was een nieuwe van de andere
zijde der eilanden; wat gaf men om een onbekenden man?
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE KNAAP VERTREKT NAAR BATAVIA.
Toen njai Peraq haar zoontje aan boord bracht, zag zij ook mijnheer
Verlande, die met vrouw en kinderen, naar Batavia ging; zij wist wel,
dat hij daar ging wonen en zaken doen. De eenige bagage van den kleinen
Adam bestond uit een boenkoesan katoenen goed in een oude sarong
geknoopt; verder had njai Peraq hem netjes aangekleed met een vuurrood
kieltje aan, een meisjes stroohoed op met groene en gele bloemen
gegarneerd en een kort broekje met een sarongstrook eraan; de mooi
gebouwde jongen had onder dezen door alle inlanders zeer bewonderden
opschik, meer van een grooten kermisaap, dan van een kind: de
Europeesche passagiers lachten erom.
„Laat hem maar bij mij blijven,” zei mevrouw Verlande goedig; „ik zal
onderweg wel voor hem zorgen.”
En wijl nu dadelijk daarop de niet-passagiers van boord moesten, sloeg
njai Peraq ineens over tot een woest vertoon van droefheid, dat de
Europeanen ontroerde, en hun de menschkundige opmerking ontlokte, dat
een moeder toch een moeder blijft.
Mevrouw Verlande was Adam’s moeder niet, maar meer en beter in dit
geval; het eerste, wat zij deed, toen de boot onder stoom liep, was den
jongen meenemen naar haar hut, hem ’t apenpakje uit, en ’n proper
broek-en-baadje aandoen. En zij bleef voor hem zorgen, tot groote
vreugde van den mandoer Kasim, die met andere inlandsche mannen en
vrouwen een gezelligen dobbelkring vormde op het luik van het laadruim,
zonder zich ooit over den sinjo te bekommeren.
En zoo Adam wel eens dacht in zijn gewoon kinderleven,—hier in deze
nieuwe omgeving, waar alles zoo vreemd was en zoo mooi, had hij daar
geen tijd voor, de aandacht heelemaal in beslag genomen door de zee,
het schip, de beweging. Met de jongens van Verlande had hij een nooit
gekend pleizier; hij dacht aan niemand; niets hinderde hem; eten,
slapen, pret maken!
Op de school te Batavia was dat anders. Daar leefde het kind
aanvankelijk als in een roes; de orde en gelijkmatigheid in dit bestaan
biologeerden den aan haast volkomen vrijheid gewonen knaap. Maar hij
verlangde niet terug naar huis; zijn sterk lichaam en aan physieke
ontwikkeling hard werkende organisatie, eischten veel en goed eten;
meer dan de rijst en een kleinigheid, die thuis zijn rantsoen waren;
hij verslond het vele en krachtige voedsel, waarvoor anderen dikwijls
den neus optrokken, niet omdat hij ’t lekker vond, maar uit aandrift
door behoefte.
Er kwamen berichten over Adam bij John Silver, geregelde korte
mededeelingen van den directeur der school; ongeregelde maar uitvoerig
van mevrouw Verlande, die van den jongen was gaan houden, en hem op
vrije dagen bij haar aan huis liet komen om te spelen met de kinderen.
Silver beantwoordde de eerste een enkele maal; hij vond, dat ze als
„dienst” vielen te beschouwen; maar om te toonen, dat hij „beleefd”
was, schreef hij altijd dadelijk aan mevrouw Verlande, met
dankbetuiging voor haar vriendelijkheid ten opzichte van „den kleinen
jongen” of van „Adam,” dàt wisselde hij zoowat om en om.
In gewone omstandigheden waren de berichten niet bepaald gunstig; zoo
hij een vroolijk klein kind was geweest in de oogen van John en njai
Peraq,—hij was geen „knappe jongen” voor zijn onderwijzers; van een
bijzonderen aanleg bleek niets en lust tot studie ontbrak haast geheel;
alleen was hij goed van aard; niet lastig of slecht van karakter;
vooral was hij gezond; koorts en cholera-epidemieën hadden gewoed en de
school kreeg haar onvermijdelijk deel,—maar wie ook ziek werd, Adam
Silver niet; hij groeide tegen alle invloeden rustig en lustig op tot
een grooten sterken boy, met op z’n twaalfde jaar de eerste
geprononceerde beginselen van een knevel, wat hem van vele
medescholieren de achting en de gunst bezorgde.
Het was John een raadsel. Hoe kon een jongen, die uit zichzelven lezen
had geleerd, zoo’n stommeling zijn als de directeur schreef en mevrouw
Verlande bevestigde? Deze vraag had John zich wel honderdmalen gesteld.
En het trof zoo eigenaardig, vond hij, dat z’n andere jongens precies
zulke stommelingen waren, als die vervloekte Adam.
Indien ’t kind nu toch eens van hem was geweest en niet van dien
hadramautschen hond?
Hij had er lang over gepikird; hij had boeken laten komen, waarin hij
weer dacht de natuur op bijzondere „spelingen” te betrappen; het hielp
niet; òf de natuur speelde er niet meer mee, òf hij, Silver, begreep
het niet... Hij beproefde een gesprek over zulke dingen met njai Peraq,
maar die keek hem erg dom aan, metterdaad volstrekt niet begrijpend,
wat hij bedoelde, en zich bepalend tot een herhaald en alles afdoend:
barang kali. Het duurde tot in een harer brieven mevrouw Verlande
gekscherend melding maakte van Adam’s aankomenden knevel. Daar schrok
hij van! Voor een der verweerde spiegels in zijn voorgalerij bekeek hij
door zijn bril aandachtig zijn gezicht; en toen een van z’n jongens—de
oudste werkte al „op” de perken—met hem rijst zat te eten, lette hij
ook aandachtig op diens bovenlip; maar het mocht wat! Geen spoor!
Neen, die gebaarde duivel zou nooit, zoolang hij, Silver, leefde, zijn
huis als zijn zoon betreden! Mevrouw Verlande hield zooveel van hem en
zij schreef erover, dat ze met haar man naar Holland ging,—wel, ze
moesten dien vervloekeling dan maar meenemen. Het ging hem wel aan ’t
hart, want het zou een „hoop” geld kosten, maar aan den anderen kant
was het toch ook aardig en speelde het geheel in ’t spel, dat hij nu al
jaren geduldig volgde, en waarvan hij zelf wel niet zeker was de
resultaten te zullen zien, maar waarvan hij dan toch zoo goed als de
zekerheid had, dat het doel zou treffen.
Hij schreef een vriendelijken en onderworpen brief aan mevrouw
Verlande; hij beklaagde zich over de slechte tijden; hij bezwoer haar,
dat, zoo Verlande al goede zaken maakte met zijn aandeelen in
landelijke ondernemingen, hij, Silver, niets dan tegenspoed ondervond;
maar hij zou alles willen opofferen om Adam een goede opvoeding te
geven.
En mevrouw Verlande, het alles opnemend voor goede munt, was er
ontroerd door. „Het is toch heel mooi van zoo’n man,” zei ze tot
Verlande.
Maar Silver kon hem, wat de dubbeltjes betrof, niets wijs maken.
„Nou ja,” zei hij, „’t is heel wel, dat hij den jongen naar Europa wil
zenden, maar om het geld behoeft hij het evenmin te laten als ik.”
Er tegen had Verlande overigens niets. Hij schreef Silver om het geld
te zenden en eenige stukken; het geld alleen volgde, en daar dit de
hoofdzaak was, liet men het erbij. Maar John Silver waren die twee
duizend gulden als van ’t hart gescheurd. Met den leeftijd werd hij
gieriger. Als hij nu nog had moeten beginnen met zijn plannen van
vroeger,—hij zou het niet hebben gedaan; hij zou Adam precies hebben
behandeld als de andere kinderen. Het kostte hem wat, toen hij nu erop
uit moest met de kostelijke twee mille in den zak, om er een
gouvernementswisseltje voor te koopen!
Voor geen geld zou hij het njai Peraq hebben verteld; het huis zou een
hel zijn geweest, dag in dag uit.
Nu, echter, kon hij niet meer terug. En de ambtenaren op het kantoor
hadden hem geprezen; geen sterveling was meer op de plaats van hen, die
er twaalf jaren vroeger waren; niemand wist iets van de oude, bij slot
van rekening toch onbeduidende perkara. Alleen stond Silver bekend als
een woekeraar, die geld schoot aan europeanen, arabieren en inlanders,
tegen fabelachtige rente, of met knoeierijen van koop en verkoop van
huisjes met recht van wederinkoop. Nu, dàt deed hij. De termijnsgewijze
terugbetaling van het geleende geld heette de uitoefening van dat
recht; maar, bij één termijn verzuim verviel het, en dàt was, vooral
bij inlanders, de speculatie; zij verzuimden ten slotte toch altijd wel
eens te betalen, en dan waren Silver of zijn njai erbij als de kippen
om de levering te eischen van het aan hen „verkochte” huis. Dit alles
was bekend, maar toch vond men het mooi van „zoo’n man,” dat hij
zooveel over had voor de opvoeding van een zijner zonen.
NEGENDE HOOFDSTUK.
LAAGHARTIGE WRAAKZUCHT.
„Wij vertrekken morgen met de Conrad,” schreef mevrouw Verlande later,
„en wij zullen goed voor A. zorgen; hij zal ons geen last aandoen, want
hij is een beste jongen. Ik denk wel, dat het in Holland met het leeren
beter zal gaan, dan hier; het klimaat eigent zich daar meer tot werken.
Hierbij A’s portret; wij doen u daar zeker genoegen mee; we hebben ook
onze kinderen laten photographeeren, afzonderlijk en in een groep met
A.; wij noemen hem altijd enkel A. en laten dat „dam” maar weg. Van de
groep sturen wij eveneens een exemplaar hierbij. Vele groeten ook van
Verlande: wij hopen, dat gij A. als een in alle opzichten flink jonkman
na zijn leertijd in Indië zult terugzien.”
Wat liep het toch raar in de wereld! vond Silver. Voor jaren had hij
dien Verlande zoo’n stommeling gevonden, omdat hij die pur sang
Europeesche vrouw had getrouwd. Zonder er zich rekenschap van te geven,
was zijn opinie veranderd. Nu had hij een groot respect, voor haar
eenvoudig maar altijd handelend en goed optreden. De enkele maal, dat
hij sprak met europeanen, had hij het altijd over haar; dan blufte hij
er op, dat hij met haar briefwisseling voerde; dan betoogde hij met een
gewichtig gezicht, dat zij een buitengewone vrouw was; dan zou hij
iemand voor stapelgek hebben gehouden, die over zulk een „dame”, zooals
hij zich bij voorkeur uitdrukte, en over een inlandsche huishoudster in
één adem sprak.
De mooie photographieën bekeek hij lang, en hij zuchtte er diep bij:
welk een kerel voor 12 jaar was dat hondenkind! En dat stond daar, zoo
netjes aangekleed—voor zijn, Silver’s, duiten,—met een rustige, breede
bazigheid en brutale aankijkers van oogen, alsof-ie ik weet niet wat
was! De latente haat giste op in John Silver’s hoofd, beliep zijn
oogenwit met gloeiig rood en fonkelde in de lichtende zwarte pupillen;
hij nam van de schrijftafel, waaraan hij zat, een pennemes en stak in
het portret, een kwaadaardigen glimlach om den breeden mond. Daar!
daar! Hij stak in de oogen, in het hart, overal! En eindelijk, toen er
geen herkenbare figuur meer te zien was, lei hij de photographie over
een aschbakje, hield er ’n brandenden lucifer onder en bleef er bij
zitten, telkens met nieuwe lucifers de verkoling doorzettend, tot
Adam’s vernietiging in effigie voltrokken was.
Toen ging hij met de groep in de hand naar de kamer van njai Peraq in
de bijgebouwen; hij moest erom lachen: het „jong” was al lang aan boord
en zij wist nog nergens van! Vol zenuwachtige drukte, maleisch
rabbelend buiten al, met den deurknop in de hand, ging hij de kamer
binnen.
„Dat is wat moois, hoor! Die lui doen maar wat ze willen. Heb ik
heelemaal niks meer te zeggen? Ik moet het immers betalen!”
„Apa, toch?” vroeg zij, opkijkend van haar naaiwerk over de dik in
zilver gevatte brilleglazen.
„Wel, de Verlandes hebben Adam meegenomen naar Holland.”
Het liet haar koud. Over de zee, was over de zee. Of het Java heette of
Holland,—’t was volgens haar geographisch begrip alles sama djoega. Was
John weer gek, dat hij daar nu zoo’n leven om maakte?
Hij zag, dat ’t haar heelemaal onverschillig was, en dat hinderde hem;
hij had ’t voor haar verzwegen omdat hij geen ruzie over de onkosten
wou hebben, maar toch ook ’n beetje, wijl hij vreesde, dat zij Adam
vóór zijn vertrek naar Europa, dat hem, die de reis nooit gedaan had
een kolossale onderneming toescheen, zou willen zien; bij al zijn
omgang met inlanders van allerlei soort, mannen en vrouwen, was hij
geen menschenkenner genoeg om ooit anders te oordeelen, dan naar eigen
conventioneel indo-europeesch begrip; en zoo had hij nu ook niet
ingezien, dat voor een inlandsche vrouw, die nooit van de kust was
geweest, waarop ze geboren werd, over de zee, over de zee was.
„Naar Holland,” riep hij met een dringerig stemgeluid, dat moest
aanvullen wat er ontbrak aan woordbeteekenis.
„Soedah, naar Holland; ik hoor het wel; wat maakt het uit, als hij toch
zoover weg is om knap te worden? Ik heb hem niet meer gezien, sinds den
dag, dat ik hem op de boot bracht in zijn mooi rood kieltje. Kasian,
wat weet ik van hem.”
John Silver was achter haar gaan staan; hij kreeg er nu pleizier in;
ja, dat hoorde hij wel aan den toon, waarop ze sprak: ze had op haar
manier er een stil verdriet over. Het was voor het eerst, dat hem dit
opviel, en voor geen geld, hoe lief dat ook was, had hij deze
gelegenheid verzuimd. En hoe het hem ook tegen de borst stuitte een
goed woord te spreken over het „hondenkind,” zoodat hij haast misselijk
werd van zijn eigen woorden, zei hij:
„’t Was een mooi kind, die Adam; hij zal nu wel een knappe jongen
zijn.”
Njai Peraq zei niets; haar bruine door de jaren al slapvleezig wordende
handen, lagen stil in haar schoot op de blauwe en roodachtige
kainfiguren, in de eene het half afgezoomde baadje, in de ander de
naald en draad en glinsterend aan den wijsvinger de zilveren vingerhoed
met aan den top een doorschijnend rooden steen, waarin zacht en doffig
het zonlicht speelde; het was zoo rustig en haast geruischloos in ’t
kamertje, met de gekke spitsneuzige wajangfiguren en de grillige
Japansche strooken aan den wand; met tot achtergrond de groezelig witte
klamboe; met het kleine driftig tikkende amerikaansche klokje op de
tafel, dat de aandacht bezig hield van den grooten zwarten kater, die
onbeweeglijk ernaar zat te kijken, óók op het tafeltje, voor njai
Peraq.
Silver zei eerst niets en begon op zijn matten sloffen heen en weer te
loopen over den roodsteenen vloer.
„Ze hebben me uit Batavia een portret gestuurd van de Verlandes en hun
kinderen; daar staat Adam ook bij; kan je hem herkennen?”
Hij lei de groep voor haar neer, en zij keek ernaar. „Itoe dia,” zei
ze, wijzend met de naald in haar hand. Het kind had ze niet zoozeer
herkend; tusschen het „roode kieltje,” dat ze, nu haast zeven jaren
geleden, had weggebracht naar den stoomer en de beeltenis van dien
grooten sinjo, in een openstaand buisje met ’n vest eronder en ’n lange
witte pantalon, bestond geen verband; maar de kalme somberheid van den
kop en de boeddhistische rustigheid der figuur had, zonder dat ze ’t
zich eerst bewust was, de herinnering tot haar doen spreken aan den
vader.
En naarmate ze langer keek, drong het begrip der gelijkenis meer tot
haar door; het verteederde haar; het deed haar zuchten keer op keer;
het wekte in haar een groot gevoel van teederheid en van verlangen om
dien jongen eens te zien, hem te hooren spreken; en hem te bedienen;
dat laatste vooral.
Terwijl John Silver een nieuw strootje opstak, zag hij, dat ze ontroerd
was, dat er tranen stonden in haar oogen en de blauwige lippen van den
grooten mond strak naar binnen trokken.
„Ja,” zei hij, inwendig genietend, „het is zoo ver naar Holland; zoo
erg ver. Als hij te Batavia was gebleven, hadden we hem nog eens hier
kunnen laten komen. Nou hebben ze hem mee naar Europa, en komt daar
niks meer van.”
„Hoe?” vroeg njai Peraq, die maar half geluisterd had.
„Wel, dat gaat niet. Hij moet daar in Holland leeren.... God weet
hoelang.... Je kunt zoo’n jongen niet eventjes naar hier laten komen.”
„Als wij willen.”
„Hè? Wat willen?”
„Ik zeg: als wij willen. Daarvoor hebben wij toch wel geld genoeg.”
„Je begrijpt niks; je bent maar een dom mensch; al had je een huis vol
goud, zou het nog gekkenwerk wezen.”
„Zullen we dan Adam nooit terugzien?”
„Dat zeg ik niet; misschien wel; als wij niet gauw dood gaan en als hij
met leeren klaar is.”
„Hoe lang?”
„Dat weet ik niet, dat hangt van hemzelf af; als hij goed leert, dan
misschien maar kort, en anders lang.”
„Mag ik het portret houden?”
Een oogenblik aarzelde hij; het was wel aardig om het in een lijstje te
zetten en op te hangen aan den wand, wijl mevrouw Verlande erop stond,
en hij dan bij gelegenheid dadelijk het bewijs kon leveren voor de
goede verstandhouding, waarop hij altijd blufte, tusschen hem en de
familie. Maar het vooruitzicht altijd het gezicht van dat „hondenkind”
voor den neus te hebben, was te erg.
„Och,” zei hij, „als je ’t graag hebt...”
Alsof ze bang was, dat hij van besluit veranderen zou, bergde ze het
portret haastig weg in de groote, groen geverfde ijzeren trommel met
roode banden, waarin achter een chubb-slot meer waardvolle dingen
verborgen werden.
TIENDE HOOFDSTUK.
TELEURGESTELDE VERWACHTINGEN.
Een lage bierkelder, waarin een lang man niet rechtop kon gaan; een
warme broeiige temperatuur, hoog door veel gasvlammen aan den wand; een
benauwende nevelatmosfeer van vervluchtigenden tabaksrook; aan kleine
tafeltjes tegen de witte welvende muren, door aankomende schilders met
schetsachtige teekeningetjes beklad, de gasten, de dampende sigaren
onder de knevels uit, de klepglazen met bier voor hen; tusschen de
rijen in, haastig heen en weer, twee zwarte Jan’s-figuren, de leeren
geldtaschjes om het midden door de witte sloven; nu en dan, als er een
gast kwam of ging, een koele luchtstroom uit de opening der groene
zwaarwollen tochtdeur naar binnen; het ineenloopend geluid van stemmen,
allerlei dooreen, tusschen het drinken; het flauw worden van het
drinken; het brood met Duitsche worst eten, het daarvan dorstig worden
en weer drinken; en boven alle geluid aanhoudend het gemaniereerd
geroep der kellners: één heel, twee half, één knak, een cervelaat,
half!
Doch bij dat alles erg rustig onder Hollanders; half zooveel Franschen
hadden tweemaal zooveel drukte en geluid gemaakt.
De rustigheid werd plotseling gestoord door heftig rumoer boven aan de
trap; gestommel en stokgetik op de steenen treden en tegen den muur;
een luidruchtig troepje opgewonden, jolig jong volk, met roode
gezichten en schitter-oogen van congestie, kwam met een bons de groene
deur binnen.
De kalme gasten keken hen eens aan, denkend dat het studenten waren,
uit Leiden naar Den Haag verdwaald, maar dat waren het niet; een paar
waren wel te Delft, maar de anderen nog van gewone scholen, enkel wat
achterlijk in hun studie, maar vooral met niet minder allures en
brutaal optreden en met geld in den zak; de meesten uit Indië, donker
van tint, met een groot vertoon van levendigheid en opgewekt zijn.
Zij waren nu heel erg uit op hun manier; ze bleven later dan hun
permissie; ze zaten een uur heel hard dooreen te schreeuwen in den
bierkelder, de dikke stokken omhoog, de kleine hoeden achter op de
hoofden; en ze goten zich het bier in uit de groote glazen, met airs
van beproefde kneipers, schots en scheef op de stoeltjes, de buiken
vooruit, de vesten ’n beetje opgestroopt, stukken overhemd er tusschen
uit over den broekband.
De bedaardste aanvankelijk was Adam Silver; hij deed wel mee, maar
zonder enthousiasme; het hinderde hem nog, dat hij op dien tijd niet
was, waar hij moest wezen: het instituut, waar hij interne was.
Want de Verlandes hadden hem wel eerst bij hen aan huis genomen, maar
zij zagen zich in één verwachting teleurgesteld: het koel klimaat van
het Westen hielp Adam zoo min aan vlugheid en aanleg, als aan lust tot
hard werken; hij kwam wel wat vooruit, maar heel, heel langzaam; elk
jaar minstens doubleerend. Alsof het bij wijze van compensatie was, zoo
ontwikkelde hij physiek; het ging niet, dien grooten, zwaren kerel,
lichamelijk met zijn zestiende jaar heelemaal een man, op de banken te
laten zitten der gewone bijzondere scholen, tusschen jongetjes van
tien, elf jaren. Verlande wanhoopte aan hem en was telkens boos;
mevrouw had kasian maar toch ook een zwaar hoofd in de toekomst.
Hij moest weg naar een onderwijsinrichting met internaat; dan waren zij
van een even noodelooze als vrijwillige verantwoordelijkheid af. Maar
ze aarzelden, want ze hielden van hem om zijn goedheid en meegaand
karakter. Tot één omstandigheid besliste. Adam had het werkmeisje tot
„speelmakkertje” gekozen, en daar kon de familie niet tegen!
Zóó was hij dan nu op een soort kostschool; had, omdat hij al „zoo’n
kerel” was, verlof gekregen tot negen uren uit te gaan, en zat, veel
later al, in ’n bierkelder met ’n troepje jongelui; zijn wroeging
verdronk in het bier, dat hem naar het hoofd steeg; hij werd óók
luidruchtig; zij liepen den kelder uit, naar café’s toe, grog
inslikkend na het bier; en eindelijk, toen ze allerlei gelegenheden
bezocht hadden, dronken en opgewonden, kwamen zij „in aanraking” met de
politie.
Adam werd ’s morgens door het hoofd van het instituut afgehaald om zijn
eersten jeugdigen kater thuis te brengen; hij kreeg straf en een
boetpreek, en daarmee was het op school wel uit, maar niet in zijn
hart, dat hunkerde naar meer uitgaan en „jool” hebben. De herinnering
deed hem bij zichzelf glimlachen; hij moest daar meer van hebben; en
wel wist hij niet hoe dat aan te leggen, eerst, maar bij het wederzien
van ’t vroolijke clubje, bracht men hem dat wel aan ’t niet vlugge
verstand.