Aan zijn huishoudster had hij verder heelemaal niet gedacht;

ABOE BAKAR

INDISCHE ROMAN

DOOR

MAURITS

BATAVIA ’S-GRAVENHAGE

G. KOLFF & Co. LOMAN & FUNKE

INHOUD.

EERSTE DEEL

Hoofdstuk. Bladz.

I. Kennismaking met een onaangenaam mensch 1

II. Een jaloersch heer 10

III. Een treurig voorval 20

IV. Niet zonder reden jaloersch 31

V. De in ongenade gevallen president 39

VI. Het vierde kind 45

VII. Adam wordt een knappe jongen 52

VIII. De knaap vertrekt naar Batavia 61

IX. Laaghartige wraakzucht 70

X. Teleurgestelde verwachtingen 80

XI. Onaangename brieven uit Holland 91

XII. Een mislukt jongmensch 103

XIII. Een voorzichtige moeder 113

XIV. Een onaangename verrassing 122

XV. Een declaratie in optima forma 132

XVI. Aan boord van een mailstoomer 143

XVII. In Indië terug, maar.... aan een sterfbed 152

XVIII. Het gevonden portret 164

XIX. Een nieuwe vlam 174

XX. Onterfd 182

XXI. Vergeefsche moeite 192

XXII. Adam is ontevreden 201

XXIII. Moederliefde 210

TWEEDE DEEL

I. Vervlogen hoop en een nieuwe verbintenis 1

II. Ik wil niet gelijk gesteld worden 9

III. Het Europeesch vernis verdwijnt 20

IV. Opnieuw verloofd en getrouwd 28

V. Onaangename ontmoeting en wroeging 36

VI. Aboe Bakars teleurstelling 44

VII. Een beschaafd Mohammedaan 53

VIII. Ongelukkige familieberichten 63

IX. Schoonmoeder en schoondochter 73

X. Een trouweloos Mohammedaan 82

XI. Hoe zal ik sterk zijn? 91

XII. Zonderlinge ontmoeting 98

XIII. Aboe Bakar kiest zich een tweede vrouw 107

XIV. Geldelijke verwikkelingen 115

XV. Men kan geen priester en koopman zijn 124

XVI. Een listig mensch 131

XVII. Wacht u voor zulke vrienden 137

XVIII. Toenadering tusschen de vrouwen 147

XIX. Minah op een verboden weg 156

XX. Aboe Bakars ondergang voorbereid 166

XXI. Een dubbel offer gebracht 174

XXII. Dailah ontdekt het gevaar 186

XXIII. „Ze hebben hem vermoord.” 196

XXIV. Besluit 210

EERSTE DEEL.

EERSTE HOOFDSTUK.

KENNISMAKING MET EEN ONAANGENAAM MENSCH.

Het parelgrijs van den jongen dag bij zwaar bedekte lucht, gaf het

Indisch landschap een westersche tint. Er ontbrak iets aan: de groote,

gloeiende vuurbol wierp er zijn heete gouden lichtbundels niet over;

hulde niet alles in het zware oostersche geel, met omhoog het

scherp-blauw gewelf, beneden de hevige luchttrillingen boven den bodem.

Nu lag alles in een heiïgen toon als in Zondagsrust.

Ver over de alluviale vlakte gingen de weidegronden, door leidingen

gedeeld in breede strooken; bont en lakenveldsch vee in afwisselend

grillig robe-dessin, wierp grazend de koppen naar rechts en links,

zoekend de fijne beetjes in den groenen voêrbodem; en had niet hier en

daar een groepje palmen de kronen van groote bladerrissen hoog

opgestoken boven de dunne gladde basten,—men had zich kunnen verbeelden

een stukje Holland te zien.

In de lekkere stille koelte kwam maar heel even de zeewind over, met

kleine beweginkjes in de bladeren, een ideetje van fluisterend geluid

door den grooten bloementuin; niet eens sterk genoeg om er de

overstaande rozen te ontblaren.

Behoedzaam liep John Silver tusschen de struiken door, op het gelaat

den grooten ernst van heel gewone menschen bij geringe bezigheden; dat

was zijn liefhebberij, zijn eenige; dit vroegere stuk weide had hij

herschapen in zoo’n mooien grooten hof; de oppervlakkig waarneembare

geschiedenis van elke plant kende hij; zijn lust in bloemkweeken had

hem tot leeren aangespoord, en zijn dagelijksche zorg had hem het

egoïstisch individueel „verstand” ervan doen krijgen, niet vatbaar voor

overdracht.

Hij keek, toen hij klaar was, nog eens om, als voor een generale

inspectie; van de houten trap zijner ruime paalwoning over de groote

variëteit van kleurvlekjes, in het à jour groen langs de paggers en in

de perken. En zijn bruine kop knikte goedkeurend, de blauwige lippen

wegtrekkend in een breeden tevreden glimlach, toonend twee rijen mooie

sterke manstanden.

Er was gedekt binnen met grof, groezelig tafelgoed, een gebarsten bord

van aardewerk en tinnen tafelgerei. Een pisangblad, dichtgespeld met

een lidi, lag in het midden. John nam het, liet zich neer op een laag

kinderstoeltje en at, ’t geopend blad op de scherp opstekende

beenknieën, de rijst eruit met de vingers, die stijf in de massa gingen

en het dus uitgewigde langs in den mond werkten; zóó dejeuneerde hij

lekker met een glas schoon water erbij; een strootje als

after-breakfast sigaar.

Dan slofte hij langzaam door een gangetje tusschen de zijkamer naar

voren, waar hij ver over ’t vlakke strand uitkeek in de groote Indische

zee, die, door duizenden eilandjes gebroken, in korten golfslag

aanbolde met bij oostersche langzaamheid onharmonische drift. John

greep een kijker, die aan een touwtje hing boven de balustrade en

loerde in de verte of hij ook een schip zag, gelijk hij wel twintigmaal

op ’n dag deed, na het tuinonderhoud, zijn belangrijkste bezigheid. Er

was niets te zien dien ochtend; inlandsch getuigd klein goed

balanceerde gemoedelijk op het water, binnenvallend na slechte

vischvangst door de wolkenlucht. Geen rookzuiltje van een stoomer,

nergens het zeilentuig van een ranken klipper; zelfs geen schoenertje

onder den wal; alles „flauwe kul” dien ochtend, dacht hij.

Een span batakkertjes vloog voorbij; een hand met ’n zakdoek en een

andere wuifden op onder het rijden, en Silver handzwaaide en boog met

groot vertoon van vriendelijkheid terug. Maar toen ze uit ’t gezicht

waren, schudde hij er het hoofd over. Zoo’n gekke vent! Was hij niet

een njo, net als hij zelf?

De omstandigheden van dien Verlande waren heel erg gelijk aan de zijne!

Allebei hadden ze fortuin, in huizen, in perken op de eilanden en in

goede papieren; allebei konden ze het stellen buiten den arbeid, geld

overhoudend bij hun geringe behoeften.

Daar had nu die malle vent, die Verlande, een pur-sang vrouwtje

getrouwd en .... uit was het met zijn goede leven; nu moest hij gekleed

en wel met haar toeren, met haar visites maken en de lieden

recepieeren. En dan de soesah in huis, met die Hollandsche wrijf- en

poets-dames, die geen bedienden kunnen houden, zich dood ergeren aan

vlekjes en stofjes, en altijd aan klimaat-ziektetjes sukkelen. Wat ’n

leven! Verbeel je dat hij ....

John Silver moest erom lachen. Neen, zoo „stom” was hij waarachtig niet

en zou hij ook nooit worden!

Hij hield zich maar aan zijn gewone njai; zij had al drie kinderen met

hem en dreigde met het vierde.

Soedah, wat kon ’t hem schelen! Hij had er geen last van; ze leefden in

de bijgebouwen bij hun moeder; ze kostten haast niks; veel minder dan

hun moeder door een stillen handel in batiks en diamanten verdiende; ze

stonden op zijn naam en hij zond ze naar de gouvernementsschool. Habis

perkara! Voor de rest geen bemoeienis. Als het meisje niets leerde dan

kwee-kwee maken, zou ze toch wel trouwen want ze was knap en ze had

geld; als de jongens dom bleven, dan maar het land op.

En zoo’n Verlande nu, met een Hollandsche vrouw, de opvoeding later van

die totok kinderen, die natuurlijk allemaal in Holland moesten

studeeren om geleerden te worden .... Nu die zou er pleizier van

hebben!

Plotseling trok zijn gezicht, uit de plooien van vroolijke

zelfgenoegzaamheid glad, met een uitdrukking van groote verbazing de

wenkbrauwen op. Wat zag hij daar? Bukkend doorgaand onder het atappen

overdek der gangetjes langs de bijgebouwen, kwam rechtop in het licht,

vlak vóór hem de groote figuur van een arabier, den kleurigen tulband

’n beetje scheef op den mooien van gitzwart krulhaar ombaarden kop;

helder wit fladderde zijn lang onderkleed, tusschen de opening van zijn

ruischend gewaad van hemelsblauwe zijde; onderdanig groetend, maar

rustig, in groote gemak-stappen, ging hij heen, over de grind met het

dof geglinster van de verlakte lage schoenen om zijn bloote bruine

voeten.

Maar Silver had niet teruggegroet; het lichtte rood op in zijn

diepliggende zwarte oogen. Zoo’n gladakker! zoo’n brutale hadramautsche

smeerlap! En dat terwijl hij, honderdmaal was maar eens, zijn

huishoudster had gezegd, dat er nooit of nimmer een arabier op zijn erf

of in zijn huis mocht komen! Met driftige stappen, het hoofd gebogen

over de weinig ontwikkelde ingevallen borstkast, liep hij naar omlaag,

in zijn haast met zijn gezicht tegen een lijntje, wat hem boozer

maakte, en hij stoof de kamer in van zijn njai, juist, de armen omhoog,

bezig te verwisselen van baadje.

Ook dàt stemde hem niet beter; hij vloekte en schold en dreigde, razend

van opgewondenheid, al maar herhalend, dat hij „het” niet hebben wilde;

zij zweeg, en toen hij uitgeraasd had, wees ze naar een doos op de

tafel. „Ik kan geen zaken doen en geen geld verdienen, als ik met de

menschen niet praten mag.”

Hij had de doos wel gezien, en door al zijn schelden heen, was hij er

nieuwsgierig naar geweest. Nu nam hij haar op en haalde er de dikke

opgerolde lapjes uit, waarin diamanten haarspelden geprikt zaten; hij

ging bij het open venstertje staan en liet het invallend licht door de

steenen spelen, scherp oplettend, het hoofd ook mee bewegend bij het

bespieden van straalbreking en kleurwisseling.

„Prullen zijn het, die de smeerlap brengt. Dáár, dáár!” riep hij luid,

smadelijk haar de steenen vlak voor het gezicht houdend, en aanwijzend

met de knokkelvingers, „die heeft een vlek; die ook; dat is een erge

gele; dat ook! en ik geloof waarachtig dat er foelie achter zit.

Prullen, anders niet!”

Met groot vertoon van geringschatting, wierp hij de steenen terug in de

doos.

„Dàt zeg ik je: als ik den smeerlap ooit weer zie op mijn erf, hem of

een zijner vuile Arabische kontjo’s, jaag ik ze een schot ganzenhagel

in hun bast. Ik zal m’n geweer naast m’n stoel zetten in de galerij; ik

schiet ze dood. Ziedaar!”

En onder die bedreiging had hij, grimmig, haar herhaaldelijk geslagen

op de dikke schouders en armen; tot ze ook woedend adoe! had geroepen,

minder als een klagelijken uitroep van pijn, dan alsof ze ermeê

terugschold.

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN JALOERSCH HEER.

’t Had Silver heelemaal zenuwachtig gemaakt; hij greep, boven, ’n volle

gendie, schonk zich ’n groot glas water en dronk het achtereen uit;

maar kwaad bleef hij; zachtjes door razend, in woeste jaloerschheid;

telkens eraan denkend, dat ze van baadje had verwisseld; zich opnieuw

opwindend als hij begon te bedaren.

Eindelijk wilde hij weer standjes gaan maken en slofte driftig de trap

af, maar een inlander, buigend, de rechterhand steunend met de linker,

gaf hem een brief. Dat leidde hem af. Het was „van wege” de societeit,

zijn grootsten trots. Men had hem tot president „gebombardeerd,” zooals

de jongelui zeiden.

Hij was op de plaats gevestigd; hij had geld en niets te doen,—zoo’n

man moet „maar” president van het kleine clubje zijn, dat eens in de

week, Zaterdagsavonds, in ’t gebouwtje met steenen buitenmuur en

bamboezen binnenwanden, de societeit Belvedère, bijeenkwam. Dáárom

hadden zij het hem gemaakt.

John Silver zette zijn gouden bril op en ging met presidiale

waardigheid aan zijn schrijftafel zitten. Er was een „voorstel”

ingekomen, natuurlijk voor een pretje, andere voorstellen kwamen er

nooit in, en de secretaris, die den brief geschreven had, meende dat

over dit voorstel moest vergaderd worden; hij was het eens daarmee,

geheel eens, en hij zette zich aan het pennen van het antwoord, ernstig

met een business-gezicht; en hij snauwde een bediende af, die hem iets

kwam vragen, met een: „Zie je niet, dat ik zit te werken?”

Daar men reeds dienzelfden avond een prealabele bestuursvergadering zou

houden, hield hem dat ’t verdere van den dag bezig; maar hij vergat den

schilderachtigen arabier niet, den „stinkert” zooals hij zei; den

„woestijnschurk,” den hadramautschen roover, en hij bleef ongenaakbaar,

de honden schoppend, die jankend naar buiten vlogen, schreeuwend tegen

de kinderen en bedienden, in groot bangmakerig vertoon met zijn geladen

geweer, dat, als hij het hard neerzette op den houten vloer der

paalwoning, ondanks de fijne matbedekking een daverend geweld

veroorzaakte.

’s Avonds voor hij heenging, haalde hij er zijn njai nog eens bij, en

hield een quasi-gemoedelijke speech in het Maleisch; zij zag daar nu

het geweer staan, en hij zwoer bij God en bij de graven zijner ouders,

dat hij elken arabier, die ooit of immer op zijn erf mocht komen, zou

neerschieten als een hond en den kerel van dien ochtend,—ja, als hij

dien onder schot kreeg ...! Haar kalm gezicht van rustige, welgedane

inlandsche trouw, vertrok er geen spier bij.

„Ik zou het geweer maar in de kamer zetten,” zei ze. „Er zou nog

ongeluk van kunnen komen.”

Eigenlijk vond hij dat ook; hij voelde zich niet zoo veilig tegenover

een geweer, als hij deed voorkomen. Uit zijn verhalen wist ieder die

hem kende, dat hij een Nimrod was. Zoodra het jagen ter sprake kwam,

raakte hij in extase; dan vertelde hij van jachten op tijgers,

bantengs, rhinocerossen en wilde varkens; van ongelooflijke

hoeveelheden snippen en wilde duiven, gevallen door zijn moordend lood.

En men geloofde het wel niet, zooals hij het zat op te snijden, maar

hield hem toch voor een jager. Nu, dat was hij in ’t geheel niet. Zijn

eerste stuk wild moest hij nog schieten. Zijn geweren waren goed

onderhouden en een enkele maal schoot hij ze door voor het onderhoud,

eigenlijk blij, als dat was afgeloopen; hij hield er niet van.

Maar nu zou hij, omdat zij zoo bang was en omdat zij het verzocht, voor

ditmaal het geweer terugzetten in het rek; doch indien ooit van z’n

leven.... en nogmaals volgde de geheele serie scheldwoorden tegen

arabieren en de vreeselijke bedreigingen, die hij casu quo ten uitvoer

zou brengen. Zij zou, meende hij, nu wel bang genoeg wezen.

De waarheid was, dat zij hem uitlachte in haar hart, wetende welk een

druktemaker hij was, en hoe bitter weinig er stak achter zijn praatjes;

maar zij was wel zoo slim het door niets te laten merken, en zij ging

zwijgend, stilletjes weg, terug naar haar gewoon dagverblijf in de

bijgebouwen, hem in den waan latend, dat hij door zijn demonstratie met

het geweer grooten indruk had gemaakt.

In de bestuursvergadering van de societeit hield hij zijn waardigheid

hoog op; hij sprak er met bombastische boekenwoorden en termen uit

ambtsbrieven, over de geringste dingen, wenkbrauwfronsend achter den

gouden bril, afgepast in zijn bewegingen, een dikke gouden

horlogeketting bungelend op een wit piqué vest; vreeselijk royaal, maar

altijd even deftig, in het volle gevoel van zijn presidiale positie;

hij vroeg dadelijk aan „de heeren” hem het genoegen te doen „iets te

gebruiken.” En oplettend sloeg hij onder het vergaderen de vorderingen

der heeren gade in het rooken en drinken, altijd op het juiste moment

bij de hand met zijn sigarenkoker en de gebruikspropositie.

Het liep dien avond alweêr af naar wensch; over het ingekomen

„voorstel” werd veel gepraat, tot men het na „ampele discussie” eens

werd over het pretje. Men zat nog een uurtje rustig bijeen in de

achtergalerij, aan een zwarte ronde tafel met een ijzeren rand eronder,

voor het opzetten van de voeten; en boven, aan een lat van de

dakbedekking, een slechte petroleumlamp met dunne roodachtige vlam.

Daarbuiten over de groote zee lag alles in het zachte glimlicht der

maan, zoo mooi weerspiegeld bij het zacht bewegen van het water. Maar

de menschen gaven er de voorkeur aan in huis te zitten bij leelijk

lamplicht.

„Wat heb je toch kranige kerels onder die arabieren,” zei, onder het

napraten, een jong officier, ook ’n bestuurslid.

Het gezicht van John Silver betrok; de opmerking, dat zag hij, was

rechtstreeks tot hem gericht, en hij zei: „Ja,” niet voornemens verder

iets te zeggen.

„Ik zag er van morgen één bij u het erf afkomen,” ging de luitenant

voort, „’n mooie kerel, een kranig type. Jongens, ’n bataljon van zulke

kerels, dat moet ’n gezicht wezen.”

„Hij had zaken met me gedaan,” zei Silver haastig. „Zulke kerels komen

nooit in mijn huis of zij moeten zaken hebben met mij persoonlijk. Het

is gemeen volk.”

„Och, waarom zouden ze gemeener zijn, door de bank, dan ander volk?”

„’t Zijn bedriegers en oplichters.”

„En dan,” viel de postcommies in, „zijn ze gevaarlijk bij inlandsche

vrouwen; met hun praatjes en hun mooie kleêren en hun gescharrel in

preciosa, hebben ze al menigeen ’n koopje gegeven. Neen, ik ben het met

mijnheer Silver heelemaal eens.”

Maar de luitenant was een aanhouder.

„’t Is beroerd voor wien het treft; maar de inlandsche vrouwen kan ik

waarachtig geen ongelijk geven.”

Silver en de postcommies, beiden indo’s, zwegen daarop; het was een

gedachtengang, waarin ze niet treden konden; beiden hadden belangen te

verdedigen, waarbij van onpartijdigheid of objectiviteit geen sprake

kon zijn; het ontbrak er nog maar aan, dat zij die smerige kerels

gingen voorspreken, hun gedrag vergoelijken; de njai’s, die hun

meesters bedrogen, rechtvaardigen;—zij zwegen in stille

verontwaardiging over zooveel onzin.

Inwendig was Silver woedend. „Kom,” zei hij, zijn cognacje leeg

nippend, „het is alweer tijd.”

De anderen vonden dat niet; zij beproefden hem te „lijmen,” maar het

ging niet; hij voelde zich, zei hij, niet erg „lekker,” en met zijn

sluippasjes scharrelde hij den strandweg op naar huis, geplaagd

onderweg, door het denken aan dien Arabier, die hem nu weer even erg

als ’s ochtends door het hoofd maalde.

Vlak bij zijn huis kreeg hij een schok van schrik; het scheen hem, dat

hij een groote, in de schaduw wegsluipende gedaante had gezien.

Spiedend stond hij een oogenblik stil, deed zijn schoenen uit, nam ze

in de hand en ging toen zachtjes, op de teenen loopend naar boven;

zonder geluid kwam hij het huis en z’n slaapkamer binnen, greep met

bevende hand het geladen geweer en ging ermee naar buiten.

Zijn njai, die op een baleh-baleh lag te slapen, was even wakker

geworden; zij zag hem in het maanschijnsel de kamer uitgaan, het geweer

in de hand. Met een ruk keerde zij zich op haar andere zijde; in een

geeuwtje als ’n zucht, zei ze zacht: orang gila, en sliep weer rustig

in.

Wezenlijk spookte het John Silver allervreemdst in het hoofd; zijn

woest jaloersche aard, het fantastisch licht der omgeving, op een uur

dat hem anders reeds lang slapend vond; de cognacjes, die hij

„welstaanshalve” had gedronken, maar waartegen zijn teatotalers gestel

in ’t geheel niet kon, dàt, en een ongeregelde verbeelding, nimmer

ingetoomd door opvoeding en onderricht, speelden hem parten. Met het

geweer in de hand ging hij voorzichtig en stil naar beneden,

rondsluipend, loerend, telkens aanleggend en op het punt te vuren, als

hij meende iets te zien in de slagschaduwen der overstekende daken.

Maar telkens was het niets of iets heel gewoons, dat voor ’n moment

schaamte over hem komen deed.

Tot hij weer naar boven sloop om over de balustrade van de voorgalerij

te loeren naar het niets, dat, als een realiteit in zijn hoofd gevaren,

voor hem gelijk iets was; maar de terugwerking kwam; zijn hoofd zonk op

den breeden houten rand, en hij sliep in, het geladen geweer tegen de

stoelleuning.

DERDE HOOFDSTUK.

EEN TREURIG VOORVAL.

Huiverend werd hij wakker; de sterke uitstraling van den drogen bodem

had de temperatuur doen dalen, en als indo beter kunnend tegen warmte,

dan tegen ook slechts betrekkelijke kou, ging hij slaapdronken en zich

schurkend in zijn kleeren naar bed en sliep er behagelijk den

achterstand bij, van een half doorwaakten nacht.

Die was nog niet geheel voorbij, toen er al beweging kwam in huis. De

huishoudster, die den algemeenen bijnaam had op het plaatsje van njai

Peraq, stond als elke inlandsche vrouw, vroeg op; de kinderen dwaalden

dan al lang door het huis en op het erf rond, in het duister nog,

badend aan den put, of sufferig ergens neerzittend, kijkend den

aanlichtenden dag tegemoet.

Ditmaal had een hunner een merkwaardige ontdekking gedaan, en met hun

drieën liepen ze zachtjes, om hun vader niet te storen, naar voren en

gingen om het jachtgeweer staan, vol bewondering elkaar lachend

aankijkend en toefluisterend nu en dan, de oogen vol van een tot

beweging sporenden jool, die hen dan eens deed inzinken op de hurken,

dan met een sprongetje omhoog gaan; den geweerloop aaiend en rakend aan

den trekker, aarzelend en eenigszins bang eerst, maar telkens

familiaarder met het heerlijke ding, het geweer.

Ze namen het met moeite op en vonden het zwaar; de kleinste, ’n meisje,

kon ’t niet beuren. Maar de grootste kreeg het op den schouder, en met

z’n bloote voeten marcheerde hij in nagebootste soldatenhouding ermee

op en neer, nagekeken door zijn broer, vol afgunst en bewondering; toen

die op zijn beurt ’t mooie wapen wilde hebben, kregen ze ruzie, stil,

om pa niet wakker te maken, maar toch woedenden twist met

scheldwoorden, trappen en stompen, en trekken en rukken vooral aan ’t

geweer, dat toen afging met ’n harden slag en hun uit de handen viel.

En dan een verschrikkelijk geschreeuw van het zusje, dat bloedend op

den grond lag. De jongens weg, de trap af, woest door de bloemstruiken,

over de pagger, het veld in, voortvliegend, weg, weg....

Het was een heel gedoe! ’t Plaatsje was er vol van. De moeder, het

eerst bij het gewonde kind, had het in haar armen genomen en was hard

den grooten weg opgeloopen, naar den dokter; John Silver, in ’t eerste

oogenblik van schrik-ontwaken als verlamd, rechtop in z’n bed, kwam,

toen ze al het erf afliep. En hij aarzelde een oogenblik, wel

begrijpend dat er iets akeligs gebeurd was, maar zich niet precies

kunnende voorstellen wat; ook niet geneigd op den publieken weg het

spektakel te vertoonen, van zijn huishoudster met het getroffen kind in

de armen voorop en hij haar achterna. Maar hij moest iets doen, en

schreeuwend tegen een baboe, vroeg hij haar, wat er gaande was. De

sinjo’s hadden met het geweer gespeeld, het was afgegaan en nonni was

gewond. Waar waren de sinjo’s? Ja, dat wist ze niet. Nou, hij zou ze

dan wel vinden, die smeerlappen! En, zich opwindend in die richting,

haalde hij een rotan uit zijn kamer, doorzocht het huis, de bijgebouwen

en den tuin, waar hij aan de vernieling van eenige mooie opkomende

planten zag, dat ze waren weggeloopen. De handen boven de oogen, keek

hij over de weidevelden; nergens zag hij het wit van hun baadjes.

En dreigend de rotan schuddend, vloekte hij, en zwoer dat hij ze dood

zou ranselen, als ze terugkwamen. Maar nu moest hij wel naar den

dokter; hij kon niet wegblijven; en hij kleedde zich, zonder haast,

verlegen en beroerd over het heele geval; in zich zelven scheldend op

die vervloekte ondeugende jongens, die hem nu weer zoo’n geweldig

koopje gaven.

Toen hij aankwam aan het doktershuis en met een vertoon van drukte en

veel praatjes binnentrad, werd hem eenvoudig door een: stt! het zwijgen

opgelegd.

De controleur was er ook; zijn njai stond huilend bij het bed, waar de

geneesheer het werk deed; er waren nog een paar heeren van de plaats;

Verlande ook met diens vrouw, die hielp het gewonde kind zoo te houden

als voor de behandeling noodig was, en tusschen de stilte in de

schreeuwen van het kind, als de pijn hevig stak.

„’t Zal alles wel losloopen,” zei de dokter, opkomend uit zijn voorover

buigen, „maar het ééne oog is ze kwijt. Daar helpt niets aan.”

Men vond het verschrikkelijk; de dokter ook; heel onvriendelijk keek

hij Silver aan.

„Hoe is het mogelijk,” zei hij, „dat iemand zoo onverantwoordelijk

onvoorzichtig kan zijn.”

„Ik was in slaap gevallen,” zei John.

„Maar wie zit nu ’s avonds in de voorgalerij met ’n geladen geweer.”

„Ik wou.... kalongs schieten.”

„Kalongs schieten!” riep minachtend en ongeloovig tevens de controleur.

„Iets voor aankomende jongens.”

„Hoe dan ook, het is meer dan erg,” zei de dokter weer, „iemand, die

kinderen heeft, mag een geladen geweer niet onbeheerd ergens in zijn

huis laten.”

Dàt was iedereen met hem eens; John Silver kreeg den wind van voren op

een gruwelijke manier; hij voelde, dat zijn „prestige” erg geschokt

werd, toch blij, dat hij er nog zóó afkwam. Met een arme

zondaarsgezicht liet hij de „standjes” langs zijn koude kleeren gaan;

het kind was niet dood; men geloofde ten naasten bij aan de

kalongs,—het viel betrekkelijk alles nog mee.

Aan zijn huishoudster had hij verder heelemaal niet gedacht; men houdt

daar zoo geen rekening mee; en niets verbaasde hem meer, dan de

schrikkelijke manier waarop ze hem aanviel, toen ze, het kind bij den

dokter latend, terugkwamen thuis.

Zij schold en hoonde hem; zij maakte hem in het maleisch uit voor al

wat leelijk was.

Verstomd had hij in het eerst naast haar voortgeloopen, totaal in de

war over het ongelooflijke feit, dat zij zoo tegen hem, haar heer en

meester, te keer durfde gaan.

Ze was in hooge mate zenuwachtig en opgewonden. Toen, gaande met haar

langs de bijgebouwen, terwijl ze scheldwoorden als ’t ware vallen liet

uit haar mond, hij, kwaad, een bezemstok greep, dreigende haar te

slaan, vloog ze als razend de keuken in, nam er een mes en kwam op hem

af.

John Silver sloeg vastberaden op de vlucht en sloot de deur zijner

kamer achter zich; orang takoetan! schold zij hem na.—

Hij bekwam er niet van; de toestand drong niet tot hem door. Twaalf

jaren had hij die vrouw in huis; altijd was ze rustig geweest,

gewillig, onderworpen; hij had haar, als hij boos was, aller lei

leelijks naar het hoofd gegooid, zonder dat ze ooit veel weerwerk gaf;

hij had haar gestompt en geslagen, zonder dat ze in al die jaren aan

verzet had gedacht; en nu er een „ongeluk” was gebeurd, nu was ze zoo

„recalcitrant!” Ze zou hem dat mes tusschen de ribben hebben gestoken,

hij had het duidelijk gezien aan haar gezicht; een angstig gevoel kwam

over hem, als hij er aan dacht.

Zij was gek, dacht hij; het ongeluk met het kind had haar gek gemaakt.

Een oogenblik pikirde hij erover haar weg te jagen, een oogenblik

slechts; wat zou er van zijn huishouden worden? en dan de kinderen,

en.... de menschen?

Zijn bekrompenheid zag alles in een onzuiver licht. Hoe de haat der

inlandsche vrouw zoo tegen hem was uitgeslagen, bevroedde hij in het

minst niet.

’s Middags ging hij bij den dokter informeeren naar het kind, dat

redelijk wel was en maar weinig koorts had; en hij deed zijn beklag;

die vrouw had hem willen doodsteken, wat moest hij doen?

„Wel niks,” zei de dokter. „Ik vind het zeer natuurlijk.”

„Natuurlijk?”

„Zeker, U zult niet ontkennen, dat u de hoofdoorzaak bent van het

gebeurde.”

„Wat deden de kwajongens eraan?”

„U hadt het wapen moeten meenemen en opbergen. Kinderen zijn kinderen;

niet waar? Dus nog eens, u bent de oorzaak.”

„In Godsnaam dan,” zuchtte John Silver, vol gebrek aan schuldbesef.

„De vrouw mag een inlandsche zijn, zij is in de eerste plaats moeder.”

„En ik vader.”

„Het kan zijn, maar dat is niet hetzelfde; u hebt haar kind een ongeluk

bezorgd; daarvoor zou ze u kunnen vermoorden.”

Maar John Silver begreep er niets van, dan dit ééne: dat de dokter

blijkbaar twijfelde aan zijn vaderschap! Zou hij misschien iets weten

of.... vermoeden?

„Ik geloof,” zei hij, „dat ze altijd een brave vrouw is geweest.”

De ander haalde de schouders op, niet meer denkend aan het losgelaten

woord buiten den gesprekszin.

„U zei,” ging John Silver voort, „het kan zijn. Wat bedoelde u daarmeê?

Weet u ook soms iets.... iets....”

Hij vulde het aan met de uitdrukking van z’n gezicht, die den dokter

even duidelijk was, als ’t hem walgde dat zoo’n man, in plaats van

eenig gevoel te toonen voor de verwonding van zijn kind, of begrip van

de rechtmatige grief der vrouw, als een klis bleef hangen aan zoo’n

idee.

„Ik weet in ’t geheel niets,” zei hij norsch, kortaf en boos. „Ik weet

alleen, dat het mijn tijd wordt voor de inspectie in het hospitaal.

Adieu!”

Het was een formeel congé, dat John Silver erg hinderde; men had op de

plaats niet de gewoonte hem zoo cavalièrement en uit de hoogte te

bejegenen; hij werd nogal ontzien om zijn geld; en na dit gevalletje

was iedereen tegen hem in ’t harnas. Onder het naar huis gaan pikirde

hij daarover, en hij begreep er niets van, totaal niets. „Wat hebben ze

toch tegen mij?” vroeg hij zich zuchtend af.

Het zou nog erger worden.

VIERDE HOOFDSTUK.

NIET ZONDER REDEN JALOERSCH.

’t Werd avond en de weggeloopen jongens kwamen niet terug. Naar alle

kanten werden inlanders uitgezonden om hen te zoeken, doch allen

keerden onverrichterzake terug. John Silver leefde nu werkelijk in

doodelijken angst; hij wist niet meer wat hij deed, bingoeng van al wat

hem in ’t laatste etmaal overkwam; hij lette nergens op, geheel zijn

kleine gedachten geconcentreerd op die beroerde jongens, die „weg”

waren: het trof hem niet, dat zijn huishoudster geen woord meer zei en

in haar kamer bleef, gemoedelijk, als ging haar ’t geval niet aan.

Zij had er pleizier van en lachte hem uit.

In den loop van den dag had ze bezoek gehad van een neef, die tien

palen het binnenland in woonde; hij had den afstand te paard gedaan; de

jongens waren bij hem aan huis, bij zijn vader, haar oom. Zij had hem

verboden iets ervan aan de bedienden of wie ook te zeggen, en hem met

een cadeautje en eenig geld gauw weggestuurd. Nu genoot ze van haar

doen; nu lachte ze John Silver uit in stilte, en verkneuterde zich

achter de stores, toen ze hem in zijn tentwagentje zag wegrijden om de

hulp in te roepen van den controleur.

Die werd hem niet onthouden, maar de ontvangst was onvriendelijk. Het

„ongeluk” bij Silver aan huis was des morgens de plat du jour geweest;

iedereen had erover gepraat, tot men door de bedienden uit te hooren,

achter de geheele waarheid kwam; niet uit jachtlust maar uit

jaloerschheid had hij met een geladen geweer op de loer gelegen, en

niet om kalongs te schieten, maar Arabieren.

Het was schandelijk,—zóó luidde de algemeene opinie.

Dat iemand er een huishoudster op nahield, kon er nog door, maar dat

hij jaloersch op haar was, kon er niet meê door; en dan zóó erg, dat er

moord en doodslag uit kon voortkomen, zelfs reeds een onschuldig kind

als slachtoffer was gevallen.....

De controleur zei ’t hem ronduit.

„Ik zal uw kinderen laten zoeken,” was het ten slotte, „maar ik zal ook

op u het oog laten houden. En bij ’t minste dat er gebeurt, zal ik

genoodzaakt zijn strenge maatregelen te nemen.”

Wezenloos zat Silver onder het naar huis rijden te kijken, langs den

schouder van den koetsier; hij lette niet op den weg; hij merkte niet

dat hij alweer thuis was vóór het rijtuig stilhield. Maar bij het

uitstappen schrikte hij hevig en werd krijtwit. Daar stond de

„smeerlap” weer in het galerijtje langs de bijgebouwen te praten met de

huishoudster.

Driftig liep Silver er naar toe, den wandelstok omkneld.

De groote arabier zag hem aan met rustigen glimlach en groette deftig

buigend, de doos toonend, die hij in de hand hield.

„De njonja kan ze niet voor mij verkoopen,” zei hij.

„Ik wil niet hebben, dat er hier buiten mijn tegenwoordigheid handel

wordt gedreven. Ga maar heen.”

„Kunnen wij geen zaken doen. Waarom zouden mijnheer en ik twisten. Het

is beter geld te verdienen.”

„Misschien later.... nu niet. Ga nu weg, zeg ik, en gauw ook.”

Silver raakte buiten zichzelven; maar ineens schoten hem de woorden te

binnen van den controleur: „bij ’t minste dat er gebeurt....”

„Zal ik dan eens terugkomen? Over een paar dagen? over een week?”

Hij knikte maar, om van den vent af te komen; de arabier groette, even

rustig en beleefd als toen hij gekomen was, Silver, diens huishoudster

ook met een kalmen blik vlak in haar oogen; zij deed hetzelfde, en ze

hadden daarmee een hartelijk afscheid van elkaar genomen, dat door geen

demonstratie inniger had kunnen zijn.

Want het was veel erger, dan de jaloezie van Silver het zich

voorstelde; werkelijk had die groote, breede arabier een relatie met

njai Peraq, en die dateerde al van maanden; hij reisde de streek af met

dure handelswaren, en was slechts nu en dan op de plaats; dan kwam ze

bij hem in z’n tokootje, en niemand had ooit iets daarin gezien, want

iedereen wist dat zij handel dreef. Het zou alles zijn geweest en

gebleven, alsof er niets bijzonders aan was, als hij dien ochtend niet

bij haar was gekomen en John Silver hem bij het weggaan niet had

gesnapt.

Nu wilde zij zich niet meer geneeren; zij voelde zich heel anders dan

vroeger, veel meer „baas” in huis en tegenover John; dien had ze thans

eronder, dat wist en wilde zij; het mes was het middel.

„Ik ben bij den controleur geweest,” zei hij, toen de arabier het erf

af was, „hij zal die rakkers laten zoeken.”

„Het is niet noodig.”

„Zijn ze dan terug?”

„Nog niet; ik heb een soeroean gehad van mijn oom; daar zijn ze en ze

kunnen er wel blijven tot morgen.”

Het was een pak van zijn hart; haastig ging hij naar boven en schreef

een briefje aan den controleur, die hem zoo’n standje had gemaakt; een

beleefd briefje tot onderdanigheid toe; een kniebuiging op ’t papier.

Doch het hielp niet.

In de societeit aan de kletstafel kwam het nog eens tot in alle

bijzonderheden ter sprake! De controleur vertelde met ophef, met zijn

rijzweep op de tafel slaande, hoe hij dien „vent” à faire had genomen.

En men was het algemeen dáárover eens: hij kon niet langer president

blijven. ’t Was al te gek, vooral tegenover de dames. Er moest iets op

gevonden worden om hem eruit te krijgen; zoo mogelijk goedschiks, en

anders met kracht van algemeene stemmen.

’t „Goedschiksche” was, dat de postcommies, die kasian met hem had, en

ook zoo’n arabieren-fresser was, Silver zou bewerken om z’n ontslag te

nemen.

Toen hij hem opzocht, waren juist de weggeloopen jongens terug.

De moeder nam een rotan en sloeg maar raak; daarop hadden de jongens

vooraf gerekend; na de eerste klappen zwegen ze, tot het te erg werd en

zij hun adoes uitbrulden; dan hield zij even op en scheen het uit te

zijn; maar ineens begon het opnieuw met de rotan; zóó ging het voort

alsof ze telkens uitrusten moest. En Silver stond er maar bij, vloekend

en scheldend op de delinquenten, met de vreeselijkste straffen en

kwellingen dreigend. Hij zou hun een arm uit het lijf draaien, hij zou

hun de beenen kapot slaan. En dat was nog het minste van wat hij hun

wilde doen.

„O.... Meier.... pardon.... Ik had je niet gezien.”

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE IN ONGENADE GEVALLEN PRESIDENT.

Silver was erg verlegen toen hij den postcommies zag, wiens binnenkomen

ze door het rumoer met de kinderen niet hadden gehoord; de njai ging in

haar kamer en bergde de rotan op; de jongens veegden met de

baadjesmouwen hun behuilde gezichten af, daarna nieuwsgierig kijkend

naar het gewonde zusje, dat, een verband om het gezicht, met haar ééne

oog had toegekeken bij de strafoefening.

„Ik had je even alleen willen spreken.”

„Uitstekend. Kom binnen,” en toen de bezoeker in de voorgalerij was

gaan zitten, ging Silver voort: „Een sigaar?... Niet... ’n sigaret

dan... iets gebruiken? ’n glas bier?... ’n brandy soda?...”

Maar Meier wou niet rooken en niet drinken. John had wel dadelijk aan

z’n gezicht gezien, dat het weer iets beroerds gold, en hij zuchtte

diep, toen zijn offerten niet werden aangenomen.

„Er is over die perkara veel gesproken.”

„Ja, veel te veel! Mijn God, kan ik het helpen? Ik ga hier zitten, hier

meneer!” riep Silver op de leuning van z’n stoel slaande, alsof dit nu

juist zoo’n merkwaardige bijzonderheid was. „Nou, zie je,—ik val in

slaap, natuurlijk! Als je een uur zit te loeren... wat? één uur?...

twee en een half uur; soengoe mati, ’t was half drie. Wa-blief?”

John stak zijn kop vooruit tot vlak bij ’t gezicht van den postcommies,

uitdagend, als wilde hij hem een bijzondere goedkeuring afdwingen.

„Het is ’n heele tijd. Maar weet je wel zeker, dat het kalongs waren?”

„Ik heb er geen onder schot kunnen krijgen; de rakkers vreten mijn

djamboes op.”

Meier keek eens rond; op ’t voorerf was geen djamboe te zien.

„Men zegt, dat je op ander wild loerde.”

John bedacht zich even. Het was beter, dat hij ’t Meier maar ronduit

zei; die begreep hem immers. Hij deed het.

„’t Spijt me voor jou, Silver; ik kan er wel in komen, maar de anderen

niet; zij vinden het schandalig, en ze willen je niet meer hebben als

president; je moet eruit; het beste is, dat je je ontslag neemt, dan

hou je de eer aan je zelven.”

John voelde het diep; ’t was de grootste wond hem ooit geslagen: die

zijner ijdelheid toegebracht. Hij wilde eerst protesteeren en praatjes

maken, maar Meier zei, dat men stond zoo goed als voor een fait

accompli, en ofschoon hij de woorden niet verstond, hij kende er de

beteekenis van; zelf had hij, zeer ad rem, als president wel eens

gesproken van zoo’n verschrikkelijke „vette compli.”

Ineens viel hij, zenuwachtig, in een anderen toon.

„God, zie je, ’t is mij onverschillig. Ze motten niet denken... Nou

hoor, dank je! Niet of graag, zeg! Wel zeker! Ik vraag mijn ontslag

niet; ik neem het; vandaag nog.”

Maar toen Meier, tevreden over ’t resultaat, weg was, en John voor zijn

lessenaar ging zitten om den fameusen brief te schrijven, toen stond ’t

huilen hem nader dan het lachen. Dat presidentschap, waarover achter

zijn rug onder totoks dikwijls werd gelachen, was voor hem een zaak van

’t grootste gewicht; zijn eenige sociale raison d’être. En daarvan

moest hij nu afstand doen, alleen ter wille van zoo’n smerigen hond van

Hadramaut!

Hij kon niet schrijven; hij stond op, razend en tierend bij zichzelven

en weer moorddadige plannen met het geweer koesterend, tot hij,

uitgeraasd, den noodlottigen brief verzond.

Het was als een openbare aankondiging van zijn val.

Van dien dag scheen hij geschrapt te zijn uit de lijst der ingezetenen.

In de societeit kwam hij niet meer, en bezoeken kreeg en ontving hij

niet. En naarmate hij van zijn Europeesche mede-ingezetenen

vervreemdde, trok hij zich meer in zijn huis terug, het leven als

begrensd door de pagger van zijn tuin.

De gewone mutaties hadden na korten tijd een geheele verandering

gebracht; de controleur, de luitenant, de postcommies en meer anderen

waren overgeplaatst en vervangen; niemand wist ten slotte precies meer,

wat vroeger met John Silver was gebeurd, maar iedereen had nog zoo den

indruk, dat hij ’n gemeene kerel wezen moest.

Hijzelf had zich met veel verzoend; de arabier kwam nu dikwijls bij hem

en hij participeerde in diens handel, al kon hij soms nog opstuiven bij

het idee, dat hij bedrogen werd; maar dan was de groote mond, dien njai

Peraq tegen hem opzette, voldoende om hem tot bedaren te krijgen. Na,

wat hij zijn „val” noemde, zat hij onder de pantoffel zijner

huishoudster.

En hij gewende eraan. Nu het vierde kind toch spoedig volgen zou, had

hij zijn huishoudster een assistente toegevoegd, een goed uitziend

inlandsch meisje. Alle partijen hadden zich zoodoende geschikt, en al

kon hij ook buien krijgen van zwaarmoedigheid en zenuwachtig

worden,—het ging gauw over. Als hij het dochtertje zag met het stuk

geschoten oog, of hij hoorde de stem van njai Peraq, die nu altijd

brutaal en bevelend door het huis klonk, zonk zijn stemming terug.

ZESDE HOOFDSTUK.

HET VIERDE KIND.

De geboorte van dat vierde kind was een zware slag voor hem. Niet om

het feit zelf, maar door het resultaat. Eerst had hij in ’t half

duister, waar hij, zelfs met zijn bril op, maar slecht zag, even

gekeken zonder belangstelling; hij had ook nu gehoord, als meermalen

vroeger, dat het een kloek kind was, een jongen. Dàt vond hij

voorloopig welletjes.

Nu de baboe hem in het vensterlicht het kind liet zien, slapend op een

kussentje, dat ze droeg op haar armen, stond hij verstomd te kijken,

zijn hoofd over den schouder van de meid, als verdiept in een stille

studie. Met een zwaren zucht richtte hij zich op. Hoe was het in

godsnaam mogelijk? ’t Leek wel een kind van drie maanden, zoo groot en

dik! En dan die schrikkelijke haargroei op het hoofd vol pikzwart

wollig dons, doorgroeiend langs de oortjes tot op de blanke wangen!

Zijn hand gleed over z’n eigen bruin gezicht zonder knevel of baard, en

als vragend keek hij de baboe aan, die met een klein glimlachje de

oogen neersloeg, denkend haar eigen gedachten.

„Seperti monjet,” zei hij eindelijk zacht.

De meid was er verontwaardigd over; zij vond het een mooi kind; vrij

wat flinker, dan de andere vier scharminkels, die op hem leeken; met

een boozen blik keerde zij zich om en lei het kind in ’t bed, terwijl

Silver de deur uitging, verbluft door wat hij gezien had.

Want met al zijn vroegere jaloerschheid had hij het nooit recht goed

geloofd; nu was het voor hem een uitgemaakte zaak: van dat harige

apenkind met breeden kop en grof beendergestel kon hij toch onmogelijk

de vader zijn. Hij trachtte niettemin zich de mogelijkheid op te

dringen; hij diepte uit zijn herinnering allerlei dingen op, die hij

vroeger wel eens in kranten of tijdschriften had gelezen over

„spelingen der natuur;” het kon ook zijn, dat zijn njai zich had

„verkeken,” en toen hij wel een uur tusschen twee prachtig bloeiende

rozenstruiken op een bankje in den tuin had zitten pikiren, gelijk aan

een waardelooze prent in ’n mooie lijst, keerde hij terug naar de kamer

en ging kijken bij het ledikant, aandachtig turend, het hoofd schuddend

nu en dan. Opeens trok het kind ’n leelijk gezicht, bewoog heftig armen

en beenen en begon te schreeuwen, hard, zwaar en dringend; de meid

schoot toe; John Silver stond op en ging heen.

Neen, dat kon niet zijn! Hij had z’n best gedaan om zichzelf de

mogelijkheid aan te denken, en meende daartoe ’n beetje op weg te zijn

gekomen: maar de manier, waarop dat „jong” een keel opzette, had al z’n

pogingen tot zelfovertuiging ineens doen mislukken. Hij beproefde het

niet meer met redeneering; het was thans voor hem een uitgemaakte zaak.

De pijnlijke zekerheid vervolgde hem den heelen dag; hij verzorgde zijn

bloemen uit gewoonte, maar gaf er haast geen acht op, telkens

stilstaand of ergens gaande zitten, om na te denken over wat hem te

doen stond. De vrouw interesseerde hem niet meer, en zou dat

waarschijnlijk toch nooit meer gedaan hebben, nu de andere in huis was;

dàt was het niet; haar wegjagen ging niet, tenzij hij de kinderen naar

Holland zond, wat hem veel te duur was; en dan het huishouden! Maar hij

wilde ook geen schandaal; hij vreesde voor praatjes en opspraak, die

hem nu nog maar belachelijk zouden maken, zooals ze hem reeds vernederd

hadden. Van dat alles niets dus; maar wreken moest hij zich op de een

of andere manier; deugdelijk, blijvend en afdoende.

Schuin gleed het roodvergulde licht der in zee gaande zon onder den

rand van zijn stroohoed in zijn gezicht; het sloeg bij dofglinsterende

stukken en strepen in het woelige water der wijde, bewegende vlakte;

achter, ver boven de weiden, donkerde de avond aan, en staken de

palmboomen ruischend op in een al somberder wordend halflicht; John

Silver zag het niet; hij zag niets, geheel bezig met zijn gedachten op

het ééne punt: hoe moest hij handelen, nu hij zoo bedrogen was?

Ineens wist hij het. Het was zóó eenvoudig, te eenvoudig naar zijn zin;

hij had gewenscht, dat het moeielijker ware geweest en meer

gecompliceerd; hij begreep niet hoe hij nog zoolang erover had moeten

pikiren; maar gevonden was het, en zoo het nog niet ingewikkeld was,

hij zou het dat wel maken. Door zijn trouvaille kwam hij weer

eenigszins tot zichzelven; hij lachte erom; het lachte hem toe; zoo het

niet spoedig zou werken, zeker was het, en dat moest hem voldoende

zijn. En als goedkeurend knikkend tegen z’n eigen idée, nam hij uit

zijn soepelen rieten sigarenkoker een strootje; en de lucifer hoog

opvlammend bij de paar trekken, weerkaatste hel in zijn glinsterende

oogen.

Dat Silver een kind meer had gekregen, was op het plaatsje geen

onderwerp van discours. Ja, als hij wettig gehuwd was geweest, met een

ook maar eenigszins presentable vrouw.... Nu niet.

Slechts door één werd hem over dat kind gesproken; ’t was door den

dominé, die op een rondreis hem bezocht en het wilde doopen, zooals hij

de andere kinderen vroeger had gedaan; nu ging hij heel boos weg omdat

Silver beslist weigerde.

Met moeite had hij een naam voor ’t kind gevonden; het mocht er geen

zijn uit de familie; dàt nooit; eerst dacht hij aan eenigszins dwaze en

bespottelijke namen, maar dat verwierp hij toch ook; toen, beginnend

bij het begin, was hij dadelijk klaar: Adam.

En zóó bleef het.

Hij maakte anders weinig verschil; sprak en deed tegen den kleinen Adam

als tegen de andere kinderen; het eenige was, dat hij hem nooit

aanraakte, als hij het kon vermijden; maar daarentegen kon hij met de

grootste attentie naar ’t kind zitten kijken vele minuten achtereen;

hij zag het opgroeien onder zijn oogen, hij zag het een levenskracht

ontwikkelen zóó sterk, als geen der andere ooit had bezeten.

Over zijn eigen hoofd gingen de jaren zonder spoor achter te laten; hij

verouderde niet in zijn uiterlijk; zooals hij eruit zag, had men hem

twintig jaren vroeger reeds gekend; en in zijn onveranderlijke

magerheid was hij een tegenstelling met het forsche kind, dat met den

dag anders, grooter en kloeker werd.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

ADAM WORDT EEN KNAPPE JONGEN.

Door de eenvormigheid en het eentonige van het Indische leven stapte de

Tijd met groote, snelle schreden. Adam Silver werd ’n jongen van zes,

zeven jaar; een mooie jongen, slank en sterk gebouwd, met iets ernstigs

door het groote voorhoofd, de zware wenkbrauwen en de dikke lange

wimpers; njai Peraq was erg oud geworden de laatste jaren; de arabier

had zijn handel naar elders verplaatst, Silver liet haar voor wat zij

was; dus, als vrouw verwaarloosd, deed zij dat ook haar zelve; zij zag

er nu leelijk en vervallen uit; een goede menagère bleef zij; het kon

in een huis niet zuiniger en geregelder toegaan dan in dat van John

Silver; en zij maakte ook geen onderscheid in de behandeling harer

kinderen; Adam scheen voor haar evenveel of weinig als de rest.

Maar hij moest schoolgaan, zei ze, zooals de andere jongens en daar kon

Silver niets tegen inbrengen.

„Waarom stuur je hem er niet heen?” vroeg zij.

Hij dacht een oogenblik na.

„Ik wou hem graag meer laten leeren.”

Verwonderd keek ze op.

„Waarom? Is het niet genoeg? De jongens schrijven mooi. Al kan ik het

niet zelf, ik zie het toch wel. Zij kunnen heel goed rekenen; als ik

hun vraag de rente uit te rekenen van geld, dat ik heb geleend, kunnen

ze het dadelijk; zoo gauw, zoo gauw op hun lei,—haast net zoo gauw als

een chinees met de balletjes.”

Maar hij glimlachte over haar domheid en schudde het hoofd.

„Het is niet genoeg, tegenwoordig; de menschen worden zoo knap; het is

voor Adam niet genoeg.”

„Waarom voor hem niet?”

„Hij is erg pienter.”

Ja; dat vond zij ook; hij kon soms heel wijs praten voor een kleinen

jongen.

„Wat wou je dan?”

„Hier niet; hier is het maar een kleine plaats. Ik meen te Batavia.”

Het beviel haar niet. Was Silver gek geworden? Zij wist wel, dat

residenten en rijke planters hun kinderen naar die scholen te Batavia

zenden; maar hij, die zoo zuinig was,—en dan zij zelf, vooral niet

minder dan hij op de penning....

„Je wilt hem daar toch niet heen zenden?”

Silver knikte van ja, nadenkend voor zich heen kijkend, de kin steunend

op de handpalm, in gedachten voortwerkend aan zijn plannen.

„Het gaat niet,” zei ze, „het zou te veel kosten.”

„Wat te veel kosten?” viel hij met zijn oude zenuwachtigheid ineens

uit. „Heb ik geen geld genoeg? Zou ik geen jongen...” Een oogenblik

hield hij stil; hij had willen zeggen in zijn driftig spreken: „een

jongen van me,” maar dat wilde er niet uit... „Zou ik geen jongen naar

Batavia kunnen sturen? Wel, dat is mooi!”

„Mooi... niet mooi... Het kost veel geld.”

„Soedahlah! Wat komt het erop aan. Hij zal wel knap worden, denk ik;

hij heeft al ’n beetje lezen geleerd, nu, heelemaal uit zichzelven.”

Dat was waar: zij wist het en had er tegen bedienden en andere

inlanders al dikwijls op gebluft; als het geld haar niet zoo na aan het

hart had gelegen, door haar pure liefde voor het geld, zou zij dadelijk

hebben toegegeven. Nu praatten zij er nog dikwijls over; zij, altijd

met hetzelfde bezwaar, wetend, dat het ook een zwak punt van hem was;

maar hij, tot haar verwondering, ineens zoo scheutig met geld voor

Adam’s opvoeding.

Zonder iets te zeggen, had hij al geschreven naar een ouden sobat te

Batavia; twee dagen had hij over den brief gesteld, met de

zweetdroppels van geestelijke inspanning op het voorhoofd; ten slotte

was hij zeer tevreden over zijn werk en vond zich pienter. Er moest,

had hij geschreven, „een kleine jongen” op school worden gedaan, en de

vriend werd verzocht ervoor te zorgen; de „kleine jongen” moest op de

beste school; hij moest van alles leeren, goed gekleed gaan, en zoo

Europeesch mogelijk worden opgevoed; wat het kostte deed er niet toe.

Aboe Bakar: Indische Roman · 第 1 / 15 段