IV.

Op dezen minnezwang’ren avend

Keert Feiko huiswaarts door het bosch;

’t Gelaat van liefdevuurgloed stralend,

Zingt hij van „haar”, uit volle borst.

Het dalend duister deert hem weinig,

Hij heeft een goed pistool op zak,

Want roovers maken ’t woud onveilig,

En loeren langs ’t verlaten pad.

Wat hoort zijn oor? Wat zien zijn oogen?

Een schijnbeeld, dat de schemer schiep?

Hij luistert...... gluurt door ’t lichte loover......

Neen, goden! Hij vergist zich niet:

Hij hoort de sissekussen snerpen,

De booswicht lispt _Amanda’s_ naam......

Daar staan ze, bij de blanke berken,

In ’t schijnsel van de zilvren maan!

Ruize-rijmen · 第 155 / 248 题