Een oogwenk slaat hij ’t schouwspel gade,
Hij staat verslagen en verstomd,
Zijn adem stokt, zijn oogen stare’,
Hij blijft genageld aan den grond.
Dan tast zijn hand naar ’t dood’lijk wapen,
Hij drukt het aan de slaap, en zucht......
Wel wil hij ’t weeë leven laten,
Maar deinst nog voor de daad terug......
„Amanda,” snikt hij, „was dàt edel?
Amanda, had ik dàt verdiend......?”
Hij wankelt, heft den blik ten hemel......
Een schot — hij ligt ter aard, ontzield.
— — — — — — — — —
’t Is zeker treurig. Maar geen wonder.
Leer dus uit Feiko’s levensloop:
Richt op je voorhoofd geen revolver,
Want als het afgaat, ben je dood.