II.

Wie draaft daar door de lommerlanen,

Langs lindengroen en beukenbruin,

Als om een vlucht’ling t’ achterhalen,

Zijn rennend ros besmeurd met schuim?

Het is de ridderknaap Renaldo.

Hij toomt zijn klepper. Als verstard,

Zoo staat zijn ros, op zijn commando.

Renaldo springt ter aard, en wacht.

Hij wacht een wijl’, maar toeft niet lang daar;

Plots hoort hij ’t kraken van ’t geblaart

En voor hem staat — zijn lief, Amanda,

Ster zijner droomen, struische maagd!

Een blik, een blos, een zucht, een snikken,

Een liefdedronken minnezwijm....

„Geliefde!” lispelen 2 paar lippen,

„Voor eeuwig mijn!” — „Voor eeuwig mijn!”

Ruize-rijmen · 第 153 / 248 题