De zomerzonne zonk ter kimme,
Een rose diskos, goud-omstraald;
Het was het uur der zoete minne,
Waarin Natuur tot kozen maant.
De vogel staakt zijn blijde tonen,
Het schuchter haasken, op zijn kalmst,
Zit midden op den weg te droomen,
De schuwe eekhoorn kent geen angst.
O, Mensch, geniet en zet u neder,
Wisch van uw brauw de drupplen zweets,
Hier vindt gij reine rust en vrede
Voor moede ziel en matten geest.
Wat zoekt g’ in drukke stede-straten
’t Geluk — geslierd in ’s werelds ren?
Ontvlied den maalstroom van vermaken,
En luister naar der Stilte stem.