Ik verklaarde het met hem eens te zijn......” — _Wilhelm, I. R._

Een koning heeft, geloof dat vrij,

Een lang niet lichte karrewei!

Daar komt een heeleboel bij kijken,

Zoo als je dadelijk zal blijken

Uit zeekre brieven — lees ze maar —

Van Keizer Wilhelm en de Tsaar.

’t Is maar een moeielijk besluit!

Hoe kies je ’n goeie koning uit?

De Tsaar en Wilhelm kunnen ’t weten;

De Tsaar is nu wel wat versleten,

Maar Wilhelm is in ’t vak vergrijsd;

Hij weet dus wat er wordt vereischt.

Daar dient gewogen en gewikt,

Want heusch niet ieder is geschikt,

Al kan hij reeknen, schrijven, lezen,

Hij moet toch ook een kerel wezen

Die zoo wel eens wat heeft beleefd,

En _eenige ervaring_ heeft.

Hoor verder. Komt ’r ’n troontje vrij,

En denk je: „das wel iets voor mij,

Met andre baantjes wou ’t niet lukken,

Wie weet of dit niet... (’t lot heeft nukken!)”

Dan zoek je dalijk — do it now! —

_Een elegante, nette vrouw._

De koning heerscht bij Gods genâ.

Dat staat zoo vast als algebra.

De gratie Gods doet hem regeeren;

Maar wil hij werklijk iets presteeren,

Iets extra-fijns — dan bidde hij

Er _mooie, flinke kindren_ bij.

Zoo luidt dan ’t vroede vorstenwoord.

Verneemt het, volkren, zegt het voort!

Verdwijn’ de Republiek in ’t duister,

Verschijn’ de Vorst in vollen luister,

Van Gode zelf ten dienst gewijd...

Nu knielt, en prevelt...: Majesteit!

Ruize-rijmen · 第 99 / 248 题