„Over Noorwegen was de tsaar zeer ongerust. Op de mededeeling, dat het
koning Oskar onverschillig was wie zijn buurman zou worden en dat hij ook
niets tegen een republiek had, sloeg hij de handen boven het hoofd ineen
onder den uitroep: „Ook dat nog, dat mankeerde er nog maar aan. _Alsof
wij nog geen republieken genoeg in de wereld hebben!_”
Hij sprak de meening uit, dat wanneer geen Zweedsche prins er heen ging
en Kopenhagen het in zijn belang achtte, prins Waldemar kon gaan. Deze
had _eenige levenservaring, een elegante, nette vrouw en mooie, flinke
kinderen_.