33. WIJ!

Sonnet, ingegeven door een artikel van prof. dr. R. Eucken, van Jena, in

het _Handelsblad_.

„...... want aan ons is als aan geen ander volk door de Voorzienigheid de

zorg voor het innerlijk, voor de eigenwaarde van het menschelijk bestaan

toevertrouwd.”

Aan ons is als geen ander volk door God

de zorg voor ’t innerlijk, voor d’ eigenwaarde

van gansch het menschelijk bestaan op aarde

vertrouwd. Vol vreugd volvoeren wij ’t gebod.

Op ons, die trouw onze oude God bewaarde

geweldig, ongeketend, ongeknot,

op ons rust thans de plicht — benijdbaar lot! —

om onzen geest te spreiden, met den zwaarde.

Geen vijand zal ons zege-heir weerstaan;

Klaar klinkt de krijgsklaroen, kartetsen knetteren!

Wij vreezen =God= — ons kan geen =mensch= verschrikken!

Zoo mogen d’ andre volkren ondergaan;

Wij zullen wie ons wederstreeft, verpletteren!......

En dan ’t Heelal met onzen geest verkwikken.

Ruize-rijmen · 第 85 / 248 题