De Duitsche vredesengel spreekt: „In het gevoel van de _overwinning_, die
gij door uw dapperheid hebt behaald, heb ik den vijand een vredesaanbod
gedaan... _met Gods hulp_ hebben onze dappere troepen dezen toestand
geschapen...... de _heldendaden_ onzer duikbooten...... de geniale
aanvoering en de _heldhaftige daden_ onzer troepen...... de keizer
gaf het bevel tot mobilisatie, dat hem door de Russische mobilisatie
was _afgedwongen_...... ter verdediging van ons bestaan zijn wij
destijds _gedwongen_ naar de wapens te grijpen...... de _heldendaden_
onzer legers...... de ons _opgedrongen_ oorlog...... besloten tot het
_zegevierende_ einde voort te zetten...... in 1914 hebben onze vijanden
de machtskwestie van den wereldoorlog gesteld, vandaag stellen _wij_ de
vredeskwestie der menschheid... de kalmte die onze uitwendige kracht,
en de innerlijke kracht van _ons rein geweten_ geeft...... vijanden,
met vernietigings- en _veroveringsplannen_...... door de uittartingen
en bedreigingen in 1914 _gedwongen_ naar het zwaard te grijpen......
_arglistige_ aanslagen...... voorwaarts stormend en _overwinnend_, de
plannen van den vijand te schande gemaakt...... verdediging tegen een
reeds lang beoogden en _afgesproken aanval_ op haar voortbestaan......
verdedigingsoorlog tegen het _vernietigingswerk_ der vijanden...... Het
zal in de geheele wereldgeschiedenis zeker niet zijn voorgekomen, dat
een _overwinnende_ mogendheid den _overwonnen_ tegenstander, voordat
zij overgaat tot het volledig partij trekken van de overwinning, zoo
grootmoedige en edelmoedige vredesaanbiedingen heeft gedaan...... enz.”
_Plaats der handeling:_ een achterbuurt.
_Personen:_ Kees en Hannes, twee vechtersbazen, even sterk.
Kees, al vechtende:
Hannes, ’k wil eens met je praten,
Kom, gebruik nou je verstand!
Zoud’ we ’t vechten maar niet laten?
Toe. Hou op. Hier is mijn hand.
Jij bent onzen twist begonnen,
Maar je stoot je kop kapot!
’k Heb je altijd overwonnen,
Met behulp van m’ eigen God.
Ik ben tot ’t gevecht gedwongen,
Dat jij valsch had voorbereid,
Dat jij mij hebt opgedrongen,
Met bedrog en listigheid.
Jij hebt mij er toe gedreven,
Daar helpt geen ontkennen aan.
_Ik_ heb d’ eerste trap gegeven......
Anders dan had _jij_ ’t gedaan!
Nu ’k je dus heb overwonnen,
Nu bewijs je maar eens gauw,
Dat _jij_ niet zou zijn begonnen!
De bewijslast rust op jou.
Jij zocht — ben je ’t soms vergeten? —
Jij zocht ruzie, om de macht;
Vlekloos rein is mijn geweten,
Ik heb moed en ik heb kracht.
Ik ben braaf en ik ben goedig,
Man, je weet niet wat je waagt!
Nu — hoe groot — en edelmoedig! —
d’ Overwinnaar vrede vraagt!
’k Heb het biddend overwogen,
Grijp je nu mijn hand niet gauw,
Dat ’k je zonder mededoogen,
Met Gods hulp in stukken houw.
Verder vechten is onzedelijk,
Help ons beiden uit den nood!
Kom, ik praat toch kalm en redelijk:
Doe je ’t niet — dan trap ’k je dood!
_Moraal:_
O, pochend, pralend, brallend volk,
wees wijs, kom tot bezinning!
Wanneer je Vredesengel speelt —
snoef niet op j’ overwinning!