Eenvoudig rijmpje van een nuchter neutraal.
„_Wir Deutsche_ sind unter allen Völkern von der Vorsehung ausersehen an
die _Spitze_ aller der Kultur in der _ganzen Schöpfung_. Unterwerfung
unter unserer in jeder Hinsicht überlegene Leitung ist das einzige und
sicherste Mittel zu einer gedeihlichen Existenz für jede Nation.” —
_Hengel._
„Engeland moge zulke leugenachtige toespraken gaarne hooren; de
Duitscher, die doortrokken is van de zedelijkheid („der von oben bis
unten voller Moral sticht,”) verdraagt ze niet.” — _Kreth, in den
Rijksdag._
„......want aan _ons_ is als geen ander volk door de Voorzienigheid de
zorg voor het innerlijk, voor de eigenwaarde van het menschelijk bestaan
toevertrouwd.” — _Prof. Eucken, Hoogleeraar te Jena._
„_Wij Duitschers_ staan hoog boven aan,
_Wij_ schrijden aan de spits,
_Wij_ wijzen weg, _Wij_ breken baan.
_Groot-Duitschland_ is de gids.
_Wij Duitschers_ gaan in alles voor,
Wat edel is en schoon,
_Wij_ richten ’t Al in ’t rechte spoor,
_Groot-Duitschland_ spant de kroon.
God heeft de volkren van deez’ aard
Gerangschikt op een rij;
Ze staan naar kwaliteit geschaard,
En nummer één zijn _Wij_.
In deez’ Ons opgedrongen strijd
Verbrak’ _Wij_ nooit Ons woord;
_Wij_ hebben Hoch-kultur verspreid
In Leuven, enz.
Het Belgisch volkje hebben _Wij_
Menschkundig aangepakt;
_Wij_ voeren dan de heerschappij
Met heel veel fijnen takt.
_Wij_ hebben ’t menschdom laten zien,
Hoe groot en goed _Wij_ zijn,
Met duikboot en met Zeppelin,
En gassen van venijn.
_Wij_ hebben hier een Kroonprins — o!
Zoo wars van bloed en strijd,
Die van Zijn leven nimmer kro-
kodillen-tranen schreit.
Klein Holland en Amerika
Behandelen _Wij_ gelijk:
De Sussex...... de Tubantia......
Palembang...... Blommersdijk......
Zorgt, dat ge onder _Onze_ lei-
ding, _Ons_ beheer geraakt,
Want ’t uitverkoren volk zijn _Wij_,
_Wij_ zijn zoowat volmaakt.
_Wij_ zijn veel beter dan de rest,
_Wij_ zijn van zonden vrij,
Het braafst, het reinst, het hoogst, het best
Zijn _Wij_, zijn WIJ, zijn WIJ!”
.............................................
’t Is allemaal waar, ’t is allemaal goed,
Geen fout heb j’ ooit begaan,
Wat ’t Godgevallig Duitschland doet,
En deed — is welgedaan.
Alleen — je zegt het zelf zóó vaak,
Dat j’ iedereen verveelt,
En zoo van ieder man van smaak
De sympathie verspeelt.
Een arme „Fremde” ben ik maar,
Maar _dit_ zeg ik je toch:
Je maakt de wereld wee en naar
Met jullie mal gepoch.