_Leerdicht voor de Belgische dames._
„De 16-jarige gravin Hélène Jonke d’Ardoye is door het Duitsche
Gerechtshof te Brussel tot 3 maanden gevangenisstraf veroordeeld,
omdat zij op de Boulevard een Duitsch officier op de grofste wijze
heeft beleedigd. De gevangenisstraf is verdiend wegens de gemeene
uitdrukkingen, waarvan de gravin zich bij die gelegenheid bediende,
en die een opmerkelijk _gebrek aan takt_ en opvoeding verrieden. Hare
grootmoeder, die aan de beleedigingen deelnam, moest evenzeer met
gevangenis worden bestraft. Het is te hopen dat deze vonnissen den
Belgischen vrouwen tot waarschuwing zullen strekken.” — _Wolff’s Bureau._
Een jolig, jong gravinnetje
Liep langs de Boulevard,
Een kuiltjen in d’r kinnetje,
Een krultjen in d’r haar.
En naast haar liep haar grootmama,
Daar keek natuurlijk niemand na.
’t Was heusch een lief gravinnetje,
Zoo vriendelijk als de dag,
Maar — nijdig als een spinnetje,
Zoodra z’ ’n Duitscher zag!
Dan uitte ze de grofste taal —
En grootma had dezelfde kwaal.
Daar komt een stramme luitenant,
Hij vult de halve straat,
Echt Pruisisch aan den buitenkant,
Al is zijn hart niet kwaad;
Zijn snorren wijzen, in een boog,
Naar onzen oude, daar omhoog.
Hij doet...... enfin ge kent ze wel —
Luid briest zijn hoog-Germaansch,
Zijn stem is tien percent te schel,
Zijn kleur kalkoensche-haansch;
Zijn blikken schieten twee en veer-
tig centimeters vonk’ — en meer!
„’k Wou dat ’k die vent zag hangen, heusch!”
Roept grootma — veel te luid,
En sist, en trekt een langen neus......
Daar krijscht gravinnetje uit,
Wijl z’ op haar paarlen tandjes knarst:
Loop naar den bl...... M.f, en — !!!!!
Nooit is den luit, zijn leven lang,
Zoo’n smaadheid aangedaan,
Hij schrikt, en schijnt zelfs even bang......
Maar — ’t komt haar duur te staan:
Ja, dames, ’t is niet na je zin,
Maar...... allebei de bajes in!
Een vrouwenmond staat zelden stil,
Hij kleppert onverveerd,
Maar, dames, àls je schelden wil,
Scheldt dan gedistingeerd!
Waarom is Jonke opgepakt?
Van wege haar _gebrek aan takt_.
Het lot van ons gravinnetje
Zij u een les, voorgoed;
Zegt nooit zoo’n leelijk zinnetje,
Als g’ ook zoo’n luit ontmoet,
Zegt heel beleefd: „Pardon, meneer,
Wees u zoo goed en...... explodeer!”