„Opgericht is de _Dietsche Bond_, met het doel de onderlinge toenadering
der Dietschers, de ontwikkeling der Dietsche sprake, enz. Bestuur: Prof.
Steinmetz, e. a.” — _Bericht in de bladen._
„Wat heb ’k nou an me fiets hange?” — _Populair gezegde._
Dietsch, Dietsch, Dietsch!
Wat hangt er an me fiets?
Ik vraag j’, of dàt niet wat belooft,
Zoo’n ding met...... _Steinmetz_ aan het hoofd
En nog zoo’n stuk of zes?
Nou, reken maar van yes!
Dietsch, Dietsch, Dietsch!
Zeg, zegt dat woord je niets?
Mij wel. Dit ’s de beteekenis:
Dat „Holland” bijna „Duitschland” is;
Ja. Al dat „Dietsch” gedoe
Drijft ons naar Duitschland toe!
Dietsch, Dietsch, Dietsch!
Zoo heet het niet voor niets!
Dietsch — Duitsch — dat ’s „taal- en stamverwant.”
Zoo naadren wij...... lang-za-mer-hand......
Zoo loopt het zaakje best,
En volgt vanzelf — de rest!
Dietsch, Dietsch, Dietsch!
We weten nu toch iets:
Dat ons die Dietsche Dietschers-boel
Iets dietsch wil maak’ omtrent zijn doel;
Maar, Dietsche, Dietscher, „Dietsch”
Is — _Duitsch_, en anders niets!
Dietsch, Dietsch, Dietsch!
Ik ben aan ’t eind mijns lieds.
O, Dietscher-zonder-vrees-of blaam,
Kom, noem je met je waren naam,
Dan weten we ’t precies:
Dus, lummel, noem je...... Pries!