13. IN DEN GULDEN RIDDERTIJD.

(„In den Gulden Riddertijd.” — _Marlowe-Pisuisse._)

In den gulden riddertijd

Was er schoonheid in den strijd,

Streed men niet in leelijk kakhi,

Maakten handelaars geen zaakie

Uit den oorlog, met profijt —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

Was er stoere eerlijkheid,

Waren er geen persberichten

Om het volk valsch voor te lichten,

Haat te zaaien, haat en nijd —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

Raakte men zijn hoofd niet kwijt,

Hooggeleerde professoren

Deden geen betoogen hooren

Mal van oppervlakkigheid —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

Trad de ridder kalm in ’t krijt,

En geen dikke telegrammen

Om den moed te doen ontvlammen

Werden onder ’t volk verspreid —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

Werd er stevig gerammeid,

Hard geslagen, fel gestooten,

Maar niet met _dum-dum_ geschoten,

Die ’t gebeent’ in splinters splijt —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

Was op d’ _open zee_ de strijd,

Deden geen verborgen mijnen

Schepen machinaal verdwijnen,

Zonder moed en dapperheid —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

Was er edelmoedigheid,

Was er geen gemeene duikboot,

Die een schip laag in den buik schoot

Als een dief, die ’t daglicht mijdt —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

Streed men niet des duivels-strijd,

Wierp geen vliegersvloot in drommen

Vrouw en kind met helsche bommen,

Streed men niet als Satan strijdt —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

_Bleef_ men ridder in den strijd.

’t Bethmann-Hollwegiaansche knoeien,

’t Draaien, placht men te verfoeien,

Eens gezeid — dat bleef gezeid! —

In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd

Was er openhartigheid,

En voorzichtige neutralen

Zwegen niet in alle talen.

Over ’t onrecht in den strijd......

In den gulden riddertijd!

Ruize-rijmen · 第 65 / 248 题