(„In den Gulden Riddertijd.” — _Marlowe-Pisuisse._)
In den gulden riddertijd
Was er schoonheid in den strijd,
Streed men niet in leelijk kakhi,
Maakten handelaars geen zaakie
Uit den oorlog, met profijt —
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
Was er stoere eerlijkheid,
Waren er geen persberichten
Om het volk valsch voor te lichten,
Haat te zaaien, haat en nijd —
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
Raakte men zijn hoofd niet kwijt,
Hooggeleerde professoren
Deden geen betoogen hooren
Mal van oppervlakkigheid —
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
Trad de ridder kalm in ’t krijt,
En geen dikke telegrammen
Om den moed te doen ontvlammen
Werden onder ’t volk verspreid —
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
Werd er stevig gerammeid,
Hard geslagen, fel gestooten,
Maar niet met _dum-dum_ geschoten,
Die ’t gebeent’ in splinters splijt —
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
Was op d’ _open zee_ de strijd,
Deden geen verborgen mijnen
Schepen machinaal verdwijnen,
Zonder moed en dapperheid —
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
Was er edelmoedigheid,
Was er geen gemeene duikboot,
Die een schip laag in den buik schoot
Als een dief, die ’t daglicht mijdt —
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
Streed men niet des duivels-strijd,
Wierp geen vliegersvloot in drommen
Vrouw en kind met helsche bommen,
Streed men niet als Satan strijdt —
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
_Bleef_ men ridder in den strijd.
’t Bethmann-Hollwegiaansche knoeien,
’t Draaien, placht men te verfoeien,
Eens gezeid — dat bleef gezeid! —
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
Was er openhartigheid,
En voorzichtige neutralen
Zwegen niet in alle talen.
Over ’t onrecht in den strijd......
In den gulden riddertijd!