126 De Franken noemden alle Italianen Lombarden. Van de hier genoemden

is niets bekend dan dat zij brave edellieden waren.

130 De stam van Levi, den priester, kreeg geen deel van het land Kanaän

onder de stammen van Israël: zóó moesten ook de Pausen van het

wereldlijk bestuur zijn uitgesloten.

139 Marco zinspeelt ook hier op het verderf onder de adellijke families.

* * * * *

Het is merkwaardig op te merken, dat Dante den vrijen wil handhaaft om

dezelfde reden als Kant. Nl. dat de mensch als zedelijk wezen met den

vrijen wil staat of valt, of zooals Dante zeer eenvoudig zegt: als er

geen vrije wil wordt aangenomen, er ook geen reden is om zich te

verheugen over het goede en te rouwen over het kwade.

ZEVENTIENDE ZANG

17 De fabel van Tereus, Procne en Philomela wordt hier zóó gewijzigd,

dat niet zooals gewoonlijk Philomela, maar haar zuster Procne in een

nachtegaal heet veranderd te zijn.

25–29 Boek Esther.

34 Dit _meisje_ is Lavinia, sprekend tot hare doode moeder Amata, die

van kwaadheid stierf daar zij hare dochter niet aan Aeneas maar aan

Turnus toegezegd wilde zien. Zie Aeneïs XII.

49 Dit kleine trekje geeft even aan de groote begeerte, die door het

geheele gedicht gaat, om het Hoogste Heil te aanschouwen.

73 _deugd_, in de eigenlijke beteekenis van het woord.

97 Liefde gericht op de eerste, d.i. geestelijke goederen is onschuldig;

liefde gericht op de aardsche goederen kan alleen onschuldig zijn

wanneer zij het goede beoogt en gematigd is. Als zij het kwade

beoogt, dan veroorzaakt zij hoogmoed (vs. 115–117) nijd (vs. 118–120)

gramstorigheid (vs. 121–123) voor welke in de eerste, tweede en derde

ommegangen geboet wordt. Wanneer zij zich wendt zonder de juiste mate

tot het goede, d.w.z. te lauw tot God, en te heftig tot de aardsche

goederen, dan voert zij tot de zonden, in de hoogere vier ommegangen

geboet, die nog moeten worden beschreven.

114 _in uw klei_: in de menschelijke natuur.

124 daar omlaag, nl. op de drie reeds doorloopen ommegangen,—afgunst,

nijd en wraakzucht. Op de volgende drie ommegangen komen traagheid,

gierigheid en gulzigheid.

127 _Eén Goed_: God.

136 _dit goed_ nl. dat niet het ware geluk geeft, dus het aardsche.

ACHTTIENDE ZANG

27 _op nieuw_, die liefde wordt als een _tweede_ natuur.

28 Volgens Aristoteles moet men in elk ding onderscheiden tusschen de

eigenschaplooze _grondstoffen_ en den _vorm_ of idee, die daaraan eerst

het eigenlijke bestaan geeft. Zoo is het de natuur van den _vorm_ of

idee om kort in hare stof te blijven en zoo spoedig mogelijk naar den

hemelkring der maan op te stijgen waar zij thuis hoort en niet zoo snel

verteert [dus langer bij haar grondstof volhardt].

37 Ook hier wordt de liefde op de bij vs. 28 opgegeven wijze verdeeld in

de grondstof: d.i. liefde in 't algemeen en de bepaalde _idee_ of _vorm_

die haar tot eene bepaalde liefde maakt.

46 Deze uitspraak van Virgilius herinnert er nogmaals aan dat hij

slechts de wetenschap mededeelt welke de Rede geeft, maar dat Beatrice

de hoogere, die des Geloofs geeft.

49 Wederom de Scolastiek naar Aristoteles: de zelfstandige

[substantieele] vorm of idee, nl. de ziel, die met de stof, het lichaam,

vereenigd wordt.

55 eerste begrippen; d.i. de aangeboren begrippen, tot welke alle

oordeelen zijn te herleiden, als: het ware, goede, schoone.

62 dàt _vermogen_, de rede, die na beraadslaging ja en neen zegt tot elk

oordeel.

63 Zie Parad. V. 19.

76 Het is nu de zesde avond na volle maan, die begint.

79 De maan staat in het sterrebeeld tegengesteld aan dat van de zon,

dus dat waar de zon in October staat, wanneer men te Rome de zon ziet

ondergaan als hier staat beschreven.

82 _Pietola_, vroeger Andes, het dorpje, waar Virgilius is geboren.

100 Lucas 1: 39, Maria spoedt zich tot bezoek bij haar nicht Elisabeth.

101 Caesar enz. ziet op het begin van den burgeroorlog, toen Caesar met

de grootste haast Marseille liet belegeren en bij Ilerda in Spanje de

legers overwon die zich anders met Pompejus vereenigd zouden hebben.

133 Al de Joden, die de Roode Zee doortrokken, stierven voor dat de

Joden hun erfdeel Palestina betraden.

136 Die tochtgenooten van Aeneas die op Sicilië bleven.

NEGENTIENDE ZANG

1 De koude van het oogenblik, dat onmiddellijk vóór gaat de opkomst

van de Zon, werd toegeschreven aan den invloed van de Aarde, somtijds

versterkt door dien van de planeet Saturnus. De Maan staat hier voor

den _Nacht_.

4 De geomanten, (_Aarde-waarzeggers_) teekenen in den blinde eene figuur

op den grond en beschouwen het als hun grootst geluk, wanneer die figuur

gelijkt op den stand der sterren die nu in het Oosten valt waar te

nemen: de Waterman _geheel_, de Visschen _gedeeltelijk_ boven den

horizont. Immers dit teeken wordt onmiddellijk gevolgd door den _Ram_,

het teeken waarin _nu_ de Zon staat.

13 _hij_: mijn blik. Door haar lang te zien, vergat D. hare gebreken.

19 _doe verdwalen_, dat woord kan ook beteekenen: „verbijsteren.”

22 Ten onrechte, zooals men weet, beroemt zij zich hier.

25 Wie deze heilige vrouw is, wordt niet nader aangeduid, hetzij de

heilige Waarheid, hetzij Lucia, de verlichtende genade.

31 Daar het oorspr. hier geen pronomen heeft, kan men ook vertalen: Hij

[d.i. Virg.] greep, welke opvatting misschien wel verdedigd wordt door

vs. 60. „hoe _de mensch_ zich van haar los maakt.”

37 Zij gaan steeds van O. naar W., dus schijnt de Zon in den ochtend

achter tegen hunne lendenen.

49–51 lett.: daar zij hebben de zielen als meesteressen of bezitsters

van het troosten.

58 Dit is een van de weinige plaatsen, waar Dante zich niet beeldend

maar afgetrokken uitdrukt. Die _tooveres_ is de allegorie van de drie

hoofd-zonden, welke in de nu nog volgende, dus hoogere kringen geboet

worden, _om welke_ dus _boven ons geweend wordt_. Virgilius bewijst

hierin wederom hoe hij alles gewaar wordt wat in Dante omgaat.

62 _lok-aas_, de hemel met de sterren.

67–69 Eenigszins omstandig gezegd voor: door de gansche spleet.

82–84 D. had den spreker wel gehoord, maar zijn aangezicht niet gezien.

93 _grootere zorg_, zijne eigene zaligheid, in vergelijking met de

aandacht, aan Dante te schenken.

100 Deze stroom is de Lavagna, in het Land van Genua, waarnaar de

Fieschi zich noemden Graven van Lavagna.

137 _neque nubent_ Matthaeüs XXII. 30 „want in de opstanding nemen zij

niet ten huwelijk, en worden niet ten huwelijk uitgegeven.” Met deze

woorden geeft de Paus te kennen dat ook het huwelijk van den Paus met

de Kerk [waarop Dante meermalen Hel XIX, Lout. XXIV zinspeelt], in het

andere leven hen niets meer boven andere stervelingen verheft.

141 zie vs. 91.

145 Alagia was de vrouw van Marcello Malaspina, uit een geslacht aan

hetwelk Dante wegens goedheid, in zijn ballingschap hem bewezen, dank

schuldig was.

TWINTIGSTE ZANG

4–6 meerlen, Ital. merli, woord dat hier slechts voorkomt, aanduidend

een onderdeel van de verschansing.

13–15 Ook hier denkt Dante aan den held, die een einde zal maken aan de

wereldlijke macht van den Paus en zoo aan alle gierigheid der menschen.

16–18 jammerden, Ital. lagnarsi: zich scheuren; kan echter niet van

eenig rouwmisbaar, met de handen bedreven, bedoeld zijn, daar deze

schimmen de handen en voeten gebonden hebben.

31–33 _Sint Nicolaas._ De bij ons te lande zoo goed bekende Bisschop van

Mira, die eens vernomen had dat een vader zijn drie dochters bij gebrek

aan een bruidsschat zich aan de prostitutie wilde laten overgeven, en

daarom heimelijk 's nachts twee zakken gouds bij haar in het venster

liet werpen.

64–69 tot boete,—ironisch bedoeld.

67 Karel, Hertog van Anjou.

70 eenen tweeden _Karel_, nl. van Valois.

79 Den ander = Karel van Anjou, Koning van Apulië, krijgsgevangen

gemaakt door den admiraal van Pieter van Arragon.

87 In 1303 werd Paus Bonifacius VIII gevangen genomen door Philips den

Schoone, Koning van Frankrijk. Alagne is in de Romeinsche campagne.

92 _In den tempel_, dit slaat op de Orde der tempeliers, door Philips

den Schoone gewelddadig opgeheven in 1307.

97 nl. Maria zie no. 19.

103 Pygmalion, die uit gouddorst zijnen broeder, Dido's echtgenoot,

vermoordde.

109 Acam; op Jozua's bevel gesteenigd om het zich toeëigenen van een

gedeelte van den buit van Jericho.

112 Safira, Handelingen V. 113. Heliodorus, op het punt om de

tempelschatten te rooven, werd teruggedreven door een gewapend en

gespoord man.

115 Polydorus, zie Aen. III.

121 d.w.z. ik was de eenige die luid sprak. Deze eerste regels geven

antwoord op 36.

130 Delos, het eiland waarop Latona Apollo en Diana baarde, was volgens

de legende vóór die geboorte los van den bodem der zee.

EEN EN TWINTIGSTE ZANG

1 De dorst naar weten.

36 zijne zachte voeten: de zandige kust aan den voet des bergs.

50 _de dochter van_ T. is Iris, de regenboog, die op aarde steeds

tusschen zon en toeschouwer staat.

52 _Droge damp_, als oorzaak der winden in tegenstelling met de

_vochten_, die den regen veroorzaken.

56 door _wind_, die voor oorzaak der aardbevingen werd gehouden.

61–66 De ziel voelt den wil tot opstijgen reeds eerder, maar deze wordt

bestreden door den wil zich te louteren. Is de loutering volbracht dan

voelt zij den _éénigen_ wil tot stijgen.

85 _den naam_, _die_, enz., d.i. die van den dichter.

91 Statius is de dichter der Silvae, der Thebais en der op lange na niet

voltooide Achilleïs.

TWEE EN TWINTIGSTE ZANG

3 een merkteeken, n.l. één van de zeven P's.

5 Het geheele gezang luidt: Welgelukzalig die dorst hebben en die honger

hebben. De honger is bewaard voor den hoogeren cirkel in zang XXIV.

40 Zie de Aeneïs III.

en hoe volgens den Zevenden Zang in den 4en omgang der Hel de gierigen

worden gestraft.

43 één van de weinige plaatsen waar Dante om het rijm een valsch beeld

gebruikt.

46 Zie Hel. VII 57.

49 Evenals in de Hel wordt hier gierigheid met haar, tegendeel

spilzucht te zamen gebracht. _Weerkaatst_ heb ik hier zijn letterlijke

beteekenis genomen omdat ook Dante het eigenlijke woord aan het

kaatsspel ontleent. „Zijn groenheid droogt” is eene omschrijving van

louteren.

55 _de dubbele droefenis_ zijn de beide elkaar vijandige zoons van

Iöcaste en Oedipus, van wie de ééne, Polynices, de Grieken (vs. 88)

tegen zijn broeder en zijn vaderstad Thebe deed optrekken.

58 „tokkelt” in proza schijnt dit woord eenigszins gezocht, is echter in

het origineel geheel in overeenstemming met den luchtigen toon die den

ganschen Canto, de ontmoeting der drie Dichters vertellende, kenmerkt.

70 Dit zijn de beginwoorden van één der Herderszangen, door lateren

opgevat als voorzegging van het Christendom.

104 dien berg: den Parnassus.

DRIE EN TWINTIGSTE ZANG

10 „Labia etc.” Zie Psalm 51 vs. 17: Heer, open mijne lippen en ik zal

uwen lof verkondigen.

25 _Erisichthon_, die Ceres minachtte; daarom gestraft werd met

onverzadigbaren honger zoo dat, door zijn eten van al wat hij bezat, tot

volslagen armoede vervallen, hij er toe kwam zijne tanden in zijn eigen

vleesch te slaan. Aan dat oogenblik moet hier gedacht worden.

29 Toen Jerusalem door Titus werd belegerd, kwam ééne vrouw, M., ertoe

haar eigen kind te verslinden. Zie Vondels _Jerusalem verwoest_.

45 verwoest: n.l. de kenbare trekken.

48 Forese Donati, broeder van Corso Donati, partijhoofd der zwarten

(adel en rijke burgers).

66 _loutert_, letterlijk: hermaakt zich hier heilig.

73 de begeerte tot verlossing van de zonde die Christus tot het kruis

bracht. Eli; één der laatste woorden door Chr. aan het kruis gesproken.

Matth. XXVII: 46.

79 Dante verwachtte Forese vóór de poort van den Louteringsberg te

vinden, daar deze zich eerst berouwd had op het einde van zijn leven,

toen het vermogen om te zondigen hem ontnomen werd.

81 _terugbrengt_, letterlijk: weder huwelijkt aan God.

84 immers, voor de Póort van den eigenlijken Louteringsberg moeten de

tragen even lang wachten als de traagheid in hun leven heeft geduurd.

94 Barbagia, een streek in 't binnenland van Sardinië, waar 't heette

dat de vrouwen nagenoeg ongekleed gingen.

109–112 Deze regelen slaan op de vele rampen, die de Florentijnen zullen

hebben te doorstaan, voor dat de zuigeling van nu manbaar zal zijn

geworden.

119 _voor luttel_ dagen, het origineel heeft eergisteren, doch het was

voor-eergisteren. Immers nu is het Paasch-Maandag en het was Goede

Vrijdag bij volle maan, wanneer Dante den Tocht begon.

132 Zie XX 127 waar de berg schudt uit vreugde over de voltooide

loutering van Statius.

VIER EN TWINTIGSTE ZANG

4 _weder gestorven_, n.l. ten tweeden male, wegens hunne magerheid.

8 Zij: de schim van Statius, die ter wille van Virgilius langzamer gaat.

10 Piccarda, Forese's zuster, die in een klooster gegaan, gedwongen werd

er uit te gaan en te huwen maar weldra stierf.

19 B. de Lucca, een rijmer.

22 dit is Martinus IV bisschop van Tours, later Paus.

30 Bonifazio, bisschop van Ravenna; van welk bisdom de herders-staf den

vorm van een spinrokken had.

37 ik hoorde hem „Gentucca” mompelen in zijne tanden, dus waar hij den

onbevredigden honger voelde.

43 den _hoofd_-band, het kenmerk der gehuwden.

51 „Vrouwen—etc.” uit de „Vita Nuova.” Zie Inleiding „Hel.”

58 _degene_, eigenlijk dengene, daar Amore in het Italiaansch mannelijk

is.

61 de afstand die den gemaniereerden van den geinspireerden stijl

scheidt is zoo groot, dat men van uit den een den anderen niet kan zien.

82 Voorzegging van den dood van Forese Donati's broeder Corso Donati,

partijhoofd der zwarten. Hij kwam om door een val van het paard, waarbij

hij in het tuig verward bleef (15 Sept. 1308).

90 Forese noemt met opzet zijns broeders naam niet.

121 _de Centauren_, zijn de wezens, in de wolken geformeerd met

_tweevoudige_ borst, n.l. die van een paard en van een man. Toen zij

met wijn verzadigd waren, begonnen zij op de bruiloft van Pirithous

gewelddadigheden, waarvoor Theseus ze boeten deed.

124 Gideon koos diegenen, die bij de bron gekomen niet neerknielden om

te drinken, maar staande water met de hand schepten.

148 _Zóó voelde._ De dichter zegt het wel niet, maar men kan naar

anologie met hetgeen op de andere omgangen gebeurt begrijpen dat hij

aldus hier de Zesde P van het voorhoofd kwijt raakt.

VIJF EN TWINTIGSTE ZANG

1–3 De zon staat nu in den Ram. De Stier is het beeld volgende op den

Ram, dus als deze in den middagcirkel staat is het twee uur na den

middag. De nacht is het punt, recht tegenover de Zon, aan het Noordelijk

halfrond. Dit valt in de Weegschaal. Het beeld, dat daarop volgt is de

Schorpioen. Staat deze in den Meridiaan, dan is het in het Noordelijk

halfrond twee uur na middernacht.

31 Of volgens andere lezing: „de eeuwige wraak openbaar”.

63 _een wijzere_ n.l. Averroës of Ibn Rasch (zie Hel IV 152) die in

zijn commentaar op Aristoteles het mogelijk verstand (intellectus

possibilis, den _al-geest_, in tegenstelling met intellectus agens,

die de zinsindrukken tot het bewustzijn brengt) van de ziel scheidt.

79 wat dit _in mogelijkheid_ beteekent kan _misschien_ begrepen worden,

indien men de tegenstelling tusschen intellectus possibilis en

intellectus agens in het oog houdt.

88 _levende leden_—het lichaam dat op aarde leefde.

100 dáárvan: van de gevormde lucht.

109 Aankomst op den Zevenden Ommegang.

139 _de laatste wonde_—de laatste van de zeven P's.

ZES EN TWINTIGSTE ZANG

61 n.l. de begeerte om zich te louteren, die nu nog strijdt met de

begeerte om ten hemel te stijgen, zie zang XXI, vs. 64.

94 Lycurgus; zie het verhaal bij Statius in de Thebais vs. 721.

130 tot zóóver: dus met weglating van: en veroordeel ons niet.

ZEVEN EN TWINTIGSTE ZANG

1 Dante neemt Ganges en Ebro als oostelijke en westelijke grens,

Jerusalem als middagcirkel van ons halfrond; dus, wanneer voor den

Louteringsberg de zon ondergaat, is het noen bij den Ganges, morgen

te Jerusalem en staat de nacht in de Weegschaal, het sterrebeeld

tegengesteld aan den Ram, waarin nu de Zon staat.

13 Dante wil zeggen dat het afstand doen van die genietingen hem

voorkwam gelijk aan den dood te zijn.

22 _Gerion._ Zie Hel canto 19.

58 „Komt, gezegenden mijns Vaders.”

94 _Cytherea_, Venus, nu staande in het teeken der Visschen, dat

vóórgaat aan het teeken van den Ram, waarin nu de Zon is.

101 Lea en Rachel uit het O. T. verbeelden het practische en het

beschouwende leven, nog voor het licht van Christus aan Dante is

verschenen. In het aardsche Paradijs zullen hem weldra hetzelfde

verbeelden de Christinnen Mathilde en Beatrice.

127 het tijdelijk vuur, nl. op den Berg en het eeuwige in de Hel.

129 _Uit mijzelven_—Virgilius is het licht der goddelijke genade niet

deelachtig.

142 _Over u zelven_—nl. als heer over u zelf, dus: als uw eigen

meester.

ACHT EN TWINTIGSTE ZANG

67 _Nu recht-op gericht_, d.w.z. niet meer bloemen plukkende.

80 Psalm XCII, vs. 5 (Vulgata).

85 Louteringsberg XXI, 52–54 vertelde immers Statius dat vanaf de poort

van den Louteringsberg naar boven geen wind of regen meer was.

102 Nl. door de poort van St. Pieter.

103 Dante denkt zich om de stilstaande aarde negen hemelkringen, van

oost naar west draaiende, genoemd naar de zeven planeten (de Maan,

Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus). De achtste is

die der vaste sterren, de negende het Empyreum. Zie „het Paradijs”.

136 _Kransje_,—nl. de mededeeling van eene waarheid.

NEGEN EN TWINTIGSTE ZANG

3 _Wier zonden_, nl. de 7 P's die nu alle uitgewischt zijn.

27 Onder eenigen sluier, d.w.z. verstoken van de Kennis des Goeds en des

Kwaads.

46 het verkeerd geziene: letterl. het gemeene, d.i. wat beiden dingen

gemeen is, dus de gelijkenis doet vinden.

75 _Penseelen_, het Italiaansche pennelli kan ook beteekenen: baniertjes

of wimpels. _Delia_, nl. Diana of de Maan.

79 de zeven kandelaren = de zeven gaven v. d. Heiligen Geest; de tien

schreden = de tien geboden.

82 Vierentwintig ouderlingen—vertegenwoordigend 24 boeken van het Oude

Testament, zie Apocal. IV. 4.

94 Argus, de duizend-oogige bewaker, verbeeldende den sterrenhemel, door

Juno over hare medeminnares Iö tot bewaker gesteld; hij werd door

Mercurius Jupiter ten gevalle gedood. Zijne oogen kwamen neer op Juno's

vogel, den pauw.

108 De griffoen is een uit twee dieren samengesteld dier. Het voorste

deel van het lichaam is van een arend, het achterdeel van een leeuw.

Met dit dier wordt Christus voorgesteld, in wien twee naturen zijn: de

goddelijke, die zich verheft (de arend) en de menschelijke, die aan de

aarde gebonden is (de leeuw).

118 De zonnekar, door Phaëton onkundig bereden, zoodat hij de aarde

verzengde, werd verbrand. Dante verbeeldt hierin alle hare rechtmatige

grenzen te buiten gaande macht, waarschijnlijk die der Rom. Curie, die,

tot de geestelijke heerschappij geroepen, zich ook de wereldlijke

aanmatigt.

121 Drie vrouwen: Liefde, Hoop, Geloof.

130 vier: voorzichtigheid, rechtvaardigheid, moed en gematigdheid.

Voorzichtigheid leidt den dans; deze heeft drie oogen.

133 twee, Lucas als geneesheer, en schrijver der Handelingen, Paulus met

het zwaard der waarheid.

142 _Vier_, wie der apostelen of kerkvaders is niet zeker; een oude is

Johannes, die slapende de Gezichten der Openbaring zag.

154 teekenen: de kandelaren.

DERTIGSTE ZANG

1 Het zevengesternte zijn de zeven kandelaren. Zie XXIX. 49. De eerste

Hemel is het aardsche Paradijs.

16 Zóó groot eenen grijsaard—een van de 24, zie canto 29—dus Salomo

als schrijver van het Hooglied.

23 Roos-kleurig, misschien beter „vol-daan”.

39 De aangehaalde woorden zijn die, waarmede Virgilius Dido's liefde

kenschetst voor haren eersten man. Zoo ook vs. 48.

52 _alles wat_, nl. al de heerlijkheden van het Paradijs.

57 _zwaard_, nl. van het berouw.

73 _verwaardigdet_, dit is met eenige ironie gezegd en met eenige

bitterheid over Dante's afdwalingen.

82 Psalm 30. (Vulgata).

85–90 Men lette er op hoe naar waarheid Italië's klimaat wordt

beschreven, blootstaande aan de koude winden uit Slavonië, de heete uit

Afrika.

109 _De groote raderen_, de hemelsferen. _Het zaad_, nl. ieders aanleg.

112 Met de _dampen_, die oorzaken zijn van de _regens_, worden hier

vergeleken de ondoorgrondelijke oorzaken, die de goddelijke genade,

hun gave, doen nederregenen. Hier wordt wederom even als in de Hel het

gedrag der menschen afhankelijk gesteld van de inwerking der sterren en

de goddelijke genade.

115 In _vermogen_, in mogelijkheid of aanleg, in tegenstelling met: in

werkelijkheid.

116 gewaad genomen als kenmerk van het ambt door iemand bekleed.

133 De inblazingen of inspiratie die, op hare voorbede, God hem zond.

EEN EN DERTIGSTE ZANG

7 _Mijne deugd_, hier en meermalen elders wordt het woord _deugd_

gebruikt in zijn oorspronkelijken zin van kracht, evenals het Latijnsche

virtus, van _vir_, man. Vergelijk het Oud-Germaansch degen = held.

30 _voor hen uit loopen_,—bij wijze van huldebetoon.

40 Het zwaard der gerechtigheid wordt gescherpt door een rad. In geval

van belijdenis keert het rad zich tegen de snede en wordt het zwaard

gestompt.

46 het zaad nl. de oorzaak, hier de zware last van vs. 19.

57 _zoodanig_, niet meer behoorend tot de sterfelijke zaken.

70–72 door Noord- of Zuid-wind.

76 de _eerste schepselen_, de engelen.

81 Voor den griffoen. Zie XXIX, 108.

97 Psalm 50.

109 _versta_: de drie van ginds van de kar, de theologische deugden, die

dieper spieden, zullen Uwe oogen scherpen om te zien in het aangename

licht, dat daarbinnen, nl. in B.'s oogen is.

121 daarbinnen-in, nl. in B.'s oogen, _het ééne en het andere bestier_,

zijn menschelijke en goddelijke natuur.

TWEE EN DERTIGSTE ZANG

23 De _boom_ verbeeldt Rome of het Romeinsche Rijk.

37 „Adam” wordt geroepen als de eerste zondaar, maar ook wordt met Adam,

die in het Aardsche Paradijs geplaatst zich vergreep aan den verboden

Boom, verbeeld de Paus, die te Rome geplaatst als ondergeschikte van

den Keizer, zich aan diens autoriteit onttrok en zich vergrijpt aan

diens wereldlijke macht. Van de ongehoorzaamheid des Pausen komt de

verlatenheid van het Romeinsche Rijk, de wanorde en ellende van Italië.

52 In de lente staat de zon in den Ram die volgt op _de Visch_.

64 Iö werd bemind door Jupiter; Juno had daar erg in; Jupiter

herschept de beminde in eene koe; Juno laat de koe bewaken door den

honderd-oogigen Argus; Jupiter zendt Mercurius die zoetelijk zingt van

Syrinx, de nimf bemind door Pan, zoodat Argus' honderd oogen insluimeren

en hij door Merc. wordt gedood.

82 Pia = Mathilde.

73–87 Christus wordt hier vereenzelvigd met den appelboom uit het

Hooglied cap. II, en voor de geheele vergelijking zie men Mattheüs XVII.

Met den diepen slaap is bedoeld die van Lazarus.

100–102 Vreemdeling, eigenlijk woudbewoner, silvano. Italië wordt als

woud of wildernis beschouwd in tegenstelling met den Hemel, hier Rome

genoemd, met Christus als burger.

109 De bliksem gedacht als komende (regenende) uit de hoogste

luchtstreek, grenzende aan het vuur.

De adelaar verbeeldt de keizers, vervolgers der Christenen, de wolvin de

ketterij.

124 Deze vederen verbeelden de wereldlijke macht en goederen aan de

Kerk gegeven.

130 De draak verbeeldt Satan.

136 verg. Hel XIX 115.

142 De hoofden verbeelden de zonden der Kerk, de Hoer, de Pausen; de

Reus, die koningen van Frankrijk die bewerkten dat de Paus zijn zetel te

Avignon hield.

154 —_naar mij_—nl. naar de Ghibellijnen.

157–160 Door het vertrek der Pausen naar Avignon (hier voorspeld en

gebeurd in 1305 onder Clemens V) raakt de Paus geheel uit het oog der

Ghibellijnen.

DRIE EN DERTIGSTE ZANG

1 De psalm 78, waarin voorzegd worden de rampen die zullen komen over

Jerusalem, hier toegepast op die van Italië.

34 _Het vat_—nl. de wagen die de Kerk verbeeldt.

43 _een aanvoerder_, een keizer door Dante steeds verwacht als

hersteller van het Pausdom binnen de daaraan gestelde grenzen en als

hervormer van het geheele Rijk, vooral van Italië.

49 Zonder schade enz. Zooals te Thebe de oplossing van het raadsel der

Sfinx door Oedipus.

63 nl. door zich te laten kruisigen.

67 De wateren van den Elsa (in Toscane) overdekken al wat er in valt,

met een steenachtige laag. Piramus maakte met zijn bloed de witte

moerbei rood.

76 d.i. opdat men wete dat gij hier zijt geweest, gelijk men aan de

palm-bladeren om den pelgrimsstaf, de pelgrims herkent die in het

Heilige Land zijn geweest.

91 ulieden, de hemelingen.

123 Alleen van het kwade verliest men de heugenis door het drinken van

Lethe.

NA-WOORD

I

[Kantlijn: Karakter van het geheele gedicht.]

Dante's Louteringsberg in proza overgebracht · 第 11 / 12 段