schuldig gemaakt. Dante voelt wèl den val tot zulke zonden als een
gevaar, dat hem evengoed als alle andere menschen, bedreigt, maar toch
weet hij zich zelven van zulke zonden vrij.
Hoe die zonden hem bedreigen, men heeft gezien in den eersten Zang van
de Hel, waar hem Wellust, Heersch-zucht en Heb-zucht als Losch (vs. 31),
als Leeuw (vs. 43) en als Wolvin (vs. 49) verschrikten, voor hij zijn
toevlucht bij Virgilius vond. Dat Dante, hoewel bedreigd, zich toch vrij
van de zonden voelde, blijkt duidelijk uit Hel III 127, waar bij het
oversteken van den Acheron, Virgilius hem toespreekt: „Hier steekt nooit
goede ziel over: en daarom, indien Charon zich over u vertoornt, dan
kunt gij wel weten wat zijn spreken beduidt.”
Zoo is het dat Dante op den geheelen tocht wel verschrikking voelt bij
het zien der straffen, maar ze niet zelf aan zich zelven meê-maakt. Wel
voelt hij medelijden met de gestraften, maar dit beschouwt hij als eene
zwakheid, die hij in zich zelven bestrijdt.
Ook toorn gevoelt hij tegen de zondigen; en vreugde, over de rechtmatige
straf; deze beiden als prijzenswaarde gevoelens.
Maar in het Rijk der Loutering is het geheel anders. Hier wordt geboet
voor zonden, aan welke ook Dante zich schuldig voelt. Hij maakt de
straf, de boete, de loutering zelf door.
Niet alleen blijkt uit de zeven P's, Dante op het voorhoofd gedrukt
door den Engel, die de Poort van den Louteringsberg bewaakt, en die, de
een na de andere, bij het doorloopen der zeven ommegangen verdwijnen,
maar men voelt het bij de lezing van het geheele gedicht. Zwaar drukt de
zonden-last den dichter bij het begin; steeds lichter voelt hij zich
worden en steeds gemakkelijker de stijging naar mate hij den top des
Bergs nadert.
II
[Kantlijn: De Louteringsberg als verblijfplaats der zielen.]
In Italië zelf is de Hel gedurende vele eeuwen meer bekend geweest dan
de beide andere gedichten. In de laatste tijden van hernieuwd nationaal
leven en daarmede hernieuwde belangstelling in de nationale letterkunde
is daarin verandering gekomen en is de Louteringsberg minstens evenzeer
algemeen eigendom als de Hel. Niet weinig draagt daartoe bij wat ik
hierboven zei: de Louteringsberg bevat het leven van den strevenden
dichter, en dus van elk strevend mensch. Ja, het menschelijk leven is
het eigenlijk onderwerp van het gedicht.
Ook het tooneel, waar de handeling van dit gedicht afspeelt, is veel
meer geschikt om ons als een welgewenscht verblijf tot zich te lokken.
Grootsch en somber was de voorstelling van het gruwelijk verblijf der
voor eeuwig verdoemden. De ontzaggelijke cirkels, als ommegangen den
helle-trechter omgaande, zich al nauwer sluitend, hadden ons eindelijk
tusschen den eeuwigen jammer gebracht tot aan den bodem van eeuwig ijs,
waarin de van alle menschelijk gevoel vervreemde moordenaars van wie hun
lief en dierbaar hadden moeten en kunnen zijn, vastgevroren liggen. Wij
zijn de tunnel doorgekomen, het gat door Lucifer bij zijn val uit den
Hemel in de Aarde gemaakt, dat van onze tegenvoeters loopt tot aan het
centrum, tegelijk den top van de omgekeerde holle pyramide, door den
Helletrechter gevormd. We zien, op Goeden Vrijdag de Hel binnengekomen,
nu op Paasch-morgen het zon-licht weder. We hebben denzelfden tijd, ook
door Christus in de onderwereld doorgebracht, daar beneden vertoefd.
De morgen, die de opstanding van natuur en mensch viert (die ook Faust
tot een nieuw leven zag herboren worden), ontvangt ons op het Zuidelijk
half-rond in een nieuwen dag en een nieuw Zonnelicht. Nog staan aan den
hemel de starren van het Zuiderkruis, het sterrebeeld, ons Noordelingen
onbekend, maar dat ginds den nacht verluistert en tegelijk het Symbool
is van nieuwe deugden, hier onbereikbaar.
Wel zijn ook in de Hel geweldige berglandschappen ons voor oogen
getooverd! Maar hier zien wij het heerlijk Italië in al zijn onderdeelen
voor ons, al is het ook in naam het Zuidelijk Halfrond, waar we ons
bevinden. De Zon, die we zoolang hebben moeten derven, zien we nu, elk
van de drie dagen dat ook deze tocht duurt, opkomen, hemel en aarde
verlichten en weer achter ons dalen; den nacht brengen we door onder het
geleide en de bewaking der wacht-engelen, van liefelijke zangen omzweefd
en omruischt. Eindelijk is de top bereikt en daarmede ook het Aardsche
Paradijs. Nooit moeten we vergeten dat deze tocht, die het gansche leven
verbeeldt, toch in slechts weinige dagen wordt afgespeeld. Zóó is alles
verfijnd, versterkt tot een afgerond, beperkt beeld. Reeds dadelijk
worden we er aan herinnerd dat ook het jaar, waarin deze tocht door
Dante is gedaan, een bijzonder jaar was, het jubeljaar: 1300. Immers als
Dante de kabbeling van de golven ziet aan het Zee-strand, ontwaart hij
meteen de boot met Schimmen, die onder het bestuur van een Engel, over
zee aankomt van den mond des Tibers, de verzamel-plaats der schimmen,
die der Loutering zijn waardig gekeurd; maar die noodzakelijk door Rome,
d.w.z. door de Kerk den weg hierheen moesten vinden. En meer dan anders
is de boot beladen, want allen, die het jubeljaar gebruikten om Rome te
bezoeken, hun is ook na den dood de toegang tot den Louteringsberg
gewaarborgd.
III
[Kantlijn: De Allegorie in 't aardsche Paradijs.]
Ook langs den Louteringsberg wordt Dante geleid door Virgilius, die voor
hem de bron is van alle menschelijk weten. Eerst wanneer hij op den top
is gekomen en het aardsche Paradijs is bereikt, verlaat Virgilius hem en
verschijnt hem Beatrice, die hem verder zal geleiden door dit Paradijs
en verder door al de hemelkringen tot het aanschouwen van God-zelven.
Wat Dante in het Aardsche Paradijs ziet, is eene weerspiegeling van de
toestanden op aarde en van datgene wat Dante beschouwde als de oorzaak
van alle kwaad: het feit dat noch Kerk noch Staat waren overeenkomstig
beider goddelijke bestemming. De algemeene en bijzondere zin van de
gansche allegorie, zooals die ons in Zang XXXII en XXXIII voor oogen
wordt gesteld, is duidelijk genoeg, vooral voor den lezer, die de aan
het slot gevoegde noten raadpleegt. Wel geloof ik dat ik den lezer
een dienst bewijs, door de toestanden zelf zoo kort mogelijk hem te
herinneren.
[Kantlijn: Jubeljaar.]
De viering van het zoo even genoemde jubeljaar 1300 was een triomf
van Paus Bonifacius VIII, den heerschzuchtigen Paus uit het Romeinsche
geslacht der Orsini, den Paus, dien we reeds hadden hooren noemen in
de Hel (XIX 52). Het is daar, waar Paus Nicolaas III, met het hoofd
naar beneden, met de voeten omhoog in brand, wordt gestraft voor het
misbruiken der Pauselijke Macht en meent dat Dante reeds zijn opvolger
Bonifacius is, die tevens zijn plaats in de Hel komt innemen.
Deze Bonifacius vierde in dat jubeljaar zijn triomf over Keizer en
Koning, en liet zich zelf als Imperator vereeren door de saamgestroomde
Kristenheid. Het Duitsche Rijk verkeerde in zulk een toestand van
verdeeldheid en verzwakking, dat van dien kant niets te vreezen viel.
[Kantlijn: Philips IV van Frankrijk en Bonifacius VII.]
Het was vooral Philips IV, Koning van Frankrijk, tegen wien de Paus
te strijden had. Deze had Frankrijk naar binnen en naar buiten tot
den krachtigsten staat gemaakt. Onder zijne regeering had de Fransche
geestelijkheid zich te Rome beklaagd over de zware lasten, door de
kroon haar opgelegd. De Paus verbood daarop (1296) dat geestelijken
door leeken belastingen werden opgelegd. Deze oorlogsverklaring aan
den Koning, werd door dezen beantwoord met het verbod van den uitvoer
van paarden, wapenen, geld en kostbaarheden, dus van al datgene wat
's Pausen inkomsten uit Frankrijk vormde. Twee dreigende brieven van
den Paus aan den Koning richtten niets uit. De Paus riep een algemeen
concilie te Rome bijéén tegen 1302, waartoe hij ook Philips uitnodigde.
Had de Paus zijn wil door kunnen zetten, dan had hij voorzeker den
Koning door dit concilie laten afzetten, gelijk in 1246 Keizer Frederik
II was afgezet. Doch de Fransche Koning vond steun bij zijn volk.
De Staten-Generaal, door hem bijeengeroepen, verklaarden zich bereid
den Koning trouw ter zijde te staan en verboden aan alle Fransche
geestelijken het concilie bij te wonen. Toch opende de Paus de
Kerkvergadering in November, en trots het verbod waren er tal van
Fransche bisschoppen verschenen. De Paus werd door deze vergadering
tot ~hoofd der Wereld~ verklaard, de geestelijkheid verheven boven
het wereldgezag. Plechtig werd de ban uitgesproken tegen allen, die
de Curie het haar toekomende wilden onthouden of haar op andere wijze
benadeelen. Daarmede was de banvloek over Philips uitgesproken. Na
allerlei dreigementen werd de Paus door 's Konings gezant gevangen
genomen nabij Rome (Louteringsberg XX 85) in Sept. 1303, doch liet
zich niet dwingen tot 't herroepen zijner decreten. Wel werd hij door
de bevolking bevrijd, maar hij stierf reeds den 11en October 1303.
[Kantlijn: Vernedering van het Pausdom.]
Zijn opvolger was Bertrand de Got, Aartsbisschop van Bordeaux, het
blinde werktuig des Franschen Konings. Hij onthief den Koning van den
ban, trok alle aanklachten in en herriep de decreten zijns voorgangers.
Na zijn dood in 1314 bleef de stoel van St. Peter twee jaren onbezet.
In 1316 dwong Philips V het conclave tot de keuze van eenen Franschman,
Johannes XXII. Deze was nog nauwer dan Clemens V verbonden met de
Fransche koningen. Hij was meer intrigant dan staatsman, eerzuchtig in
hooge mate, werkzaam maar zonder diepen blik in de tijdsomstandigheden;
hebzuchtig en geldgierig, heeft hij de geldmiddelen van den Heiligen
Stoel op kosten der Kerk en der geloovigen belangrijk versterkt, maar
niet zonder daardoor hevige ontevredenheid te wekken. Hij stelde zich
geheel onder de hoede des Franschen Konings en vestigde zich te Avignon,
een bezitting der Pausen in Provence.
In het Derde Gedicht: ~het Paradijs~ (of de Hemel) zal Dante nog meer
gelegenheid hebben zijn ideaal (reeds in de Inleiding tot de Hel
aangestipt) van Kerk en Staat uitvoeriger te laten uitspreken, door
de verschillende personen die hij daar ontmoet.
H. J. B.
+--------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
| |
| Bron (B:) — Correctie (C:) |
| |
| B: zeide ik: „bëoog dezen, die zich |
| C: zeide ik: „beöog dezen, die zich |
| B: het bloed uitging, waain ik |
| C: het bloed uitging, waarin ik |
| B: hebt, door begeerrigheid aan gene |
| C: hebt, door begeerigheid aan gene |
| B: hoeveling, die als partijganger |
| C: hooveling, die als partijganger |
| B: alles gelegd naats het kruid en de |
| C: alles gelegd naast het kruid en de |
| B: Malespina. |
| C: Malaspina. |
| B: goed plaats zijn, wil alle |
| C: goede plaats zijn, wil alle |
| B: 49 Thans zijt gij aan het |
| C: 49 „Thans zijt gij aan het |
| B: daar is de poort.” |
| C: daar is de poort.”” |
| B: beide de zoetzolen, zittende op |
| C: beide de voetzolen, zittende op |
| B: niet open.” |
| C: niet open. |
| B: Petrus heb ik ze; en hij zeide |
| C: Petrus heb ik ze;” en hij zeide |
| B: zich voor mij ter aarde werpen.” |
| C: zich voor mij ter aarde werpen. |
| B: welke stemmen zijn dezen? en mèt dat ik |
| C: welke stemmen zijn dezen?” en mèt dat ik |
| B: Van een gove pij schenen |
| C: Van een grove pij schenen |
| B: meerdere diepe zeëen, vindt hij de |
| C: meerdere diepe zeeën, vindt hij de |
| B: geen duizend aar zich tot den |
| C: geen duizend jaar zich tot den |
| B: niet: „Wat hebt gij? om die |
| C: niet: „Wat hebt gij?” om die |
| B: 91 „Nog Schepper, noch schepsel |
| C: 91 Noch Schepper, noch schepsel |
| B: één van die Geesten ezide: |
| C: één van die Geesten zeide: |
| B: 67 Gij hebtgeda an als degene, |
| C: 67 Gij hebt gedaan als degene, |
| B: persoonaadjen Antigone, Dëiphile en Argia |
| C: persoonaadjen Antigone, Deïphile en Argia |
| B: vader, wat is dat was ik hoor?” |
| C: vader, wat is dat wat ik hoor?” |
| B: 40 O ziel,” zeide ik: |
| C: 40 „O ziel,” zeide ik: |
| B: antwoordde ik hem „niet hoelang |
| C: antwoordde ik hem: „niet hoelang |
| B: 121 Summae Deus clementiae” hoorde |
| C: 121 „Summae Deus clementiae” hoorde |
| B: waren, vestte Virgiluis zijne oogen |
| C: waren, vestte Virgilius zijne oogen |
| B: kan verzadgid zijn, zoodat ik |
| C: kan verzadigd zijn, zoodat ik |
| B: de nectar, waarvan ieder speekt.” |
| C: de nectar, waarvan ieder spreekt.” |
| B: 84 _Zon_, hier als het |
| C: 85 _Zon_, hier als het |
| B: door den aanblik van Ottacar, koning |
| C: door den aanblik van Ottocar, koning |
| B: 108 _vluchtend_, in den oorlog |
| C: 105 _vluchtend_, in den oorlog |
| B: en vs. 124 _met_ den _grooten |
| C: en vs. 124 met _den grooten |
| B: 128 Currado Malaspina, neef van |
| C: 118 Currado Malaspina, neef van |
| B: Currado. Virgilius en Dante. |
| C: Currado, Virgilius en Dante. |
| B: 112 _Zeven P'e_ (peccata of |
| C: 112 _Zeven P's_ (peccata of |
| B: III, 155. beschrijft het aldus: |
| C: III, 155 beschrijft het aldus: |
| B: traagst draaiende hemelcircel |
| C: traagst draaiende hemelcirkel |
| B: 90 _De zesde dienstmaagd_, |
| C: 80 _De zesde dienstmaagd_, |
| B: 128_gelijk de meerle deed_. |
| C: 123 _gelijk de meerle deed_. |
| B: Louterinsberg ligt precies aan |
| C: outeringsberg ligt precies aan |
| B: 75 Het is nu de zesde |
| C: 76 Het is nu de zesde |
| B: 78 De maan staat in het sterrebeeld |
| C: 79 De maan staat in het sterrebeeld |
| B: NEGENDE ZANG |
| C: NEGENTIENDE ZANG |
| B: 49–51: lett: daar zij hebben |
| C: 49–51 lett.: daar zij hebben |
| B: jammerden, Ital: lagnarsi: zich |
| C: jammerden, Ital. lagnarsi: zich |
| C: 64–66 tot boete,—ironisch bedoeld. |
| B: 64–69 tot boete,—ironisch bedoeld. |
| B: 77 Den ander = Karel |
| C: 79 Den ander = Karel |
| B: 6 zijne zachte voeten: |
| C: 36 zijne zachte voeten: |
| B: oorzaak der aarbevingen werd gehouden. |
| C: oorzaak der aardbevingen werd gehouden. |
| B: 40 Zie de Aeneis III |
| C: 40 Zie de Aeneïs III. |
| B: Bonifazio, bischop van Ravenna; |
| C: Bonifazio, bisschop van Ravenna; |
| B: als oostelijke en westetelijke grens, |
| C: als oostelijke en westelijke grens, |
| B: 140 _Over u zelven_—nl. |
| C: 142 _Over u zelven_—nl. |
| B: 78 Psalm XCI, vs. 5 (Vulgata). |
| C: 80 Psalm XCII, vs. 5 (Vulgata). |
| B: 21 Roos-kleurig, misschien |
| C: 23 Roos-kleurig, misschien |
| B: 3 De _boom_ verbeeldt Rome of het |
| C: 23 De _boom_ verbeeldt Rome of het |
| B: 147–160 Door het vertrek der |
| C: 157–160 Door het vertrek der |
| B: Paus geheel uit het het oog der |
| C: Paus geheel uit het oog der |
| B: oplossing van het der raadsel |
| C: oplossing van het raadsel |
| B: heugenis door het drinken von |
| C: heugenis door het drinken van |
| B: Heb-zucht als Losch, (vs. 31) |
| C: Heb-zucht als Losch (vs. 31), |
| B: als Leeuw (vs. 43) als Wolvin |
| C: als Leeuw (vs. 43) en als Wolvin |
| B: leven zag herboren worden ontvangt ons |
| C: leven zag herboren worden), ontvangt ons |
| B: Frankrijk en Bonifacius VII |
| C: Frankrijk en Bonifacius VII. |
| |
+--------------------------------------------------------+
End of Project Gutenberg's Dante's Louteringsberg, by Dante Alighieri