berooft, heeft zijnen geest in zijne oogen duister gemaakt.
127 Maar zie Eunoë, die daar ontspringt: leid hem daarheen en gelijk gij
gewoon zijt, herlevendig hem de halfgestorven vermogens.”
130 Gelijk eene edele ziele, die zich niet verschoont, maar haren wil
maakt van eens anders wil, zoodra deze door een teeken is kenbaar
gemaakt,
133 aldus, nadat ik door haar was medegenomen, maakte de schoone vrouwe
zich op, en tot Statius zeide zij naar edeler vrouwe-wijze: „Kom met
hem.”
136 Zoo ik hadde, lezer, meerdere ruimte tot schrijven, zoude ik in
onderdeelen zingen van het zoete drinken, dat mij nooit zoude hebben
verzadigd:
139 maar omdat volle zijn alle de bladen die toegedeeld zijn tot dit
tweede gedicht, laat mij de teugel der kunst niet verder gaan.
142 Ik keerde van die heiligste wateren, herschapen aldus, als jonge
planten weer getooid met jeugdige looveren,
145 gelouterd en bekwaam tot stijgen tot de sterren.
AANTEEKENINGEN
EERSTE ZANG
8 Calliope, muze van het heldendicht.
11 Eksteren, dochters van Pieros, koning van Thessalië, hadden de Muzen
uitgedaagd tot een wedstrijd, waarin ze overwonnen werden en veranderd
in Eksters.
15 Kring, horizon.
19 troosten, in de oud-Holl. beteekenis van aanmoedigen tot.
21 De zon staat nu in den Ram. Dit beeld volgt op de Visschen, waarin
zich nu de schoone planeet, Venus, bevindt, die het met haar licht
verduistert.
75 licht, glanzend.
79 _Marcia_, in hare jeugd de vrouw van Cato geworden, werd door hem
aan Hortensius afgestaan om dezen, zooals ook gebeurde, kinderen te
schenken, doch na H.'s dood weder—op haar verzoek—door Cato tot vrouw
aangenomen. Zie het verhaal van Marcia's terugkeer bij Lucanus II 326.
In Dante's Convito IV. 28 wordt die terugkeer geallegoriseerd: Marcia
verbeeldt dan de Edele Ziel, die na de plichten des levens vervuld te
hebben, tot Cato, (die hier God verbeeldt) terugkeert.
95 glad takjen, symbool van eenvoud en geduld. Zie den Eersten Zendbrief
van Petrus, hoofdstuk 2.
TWEEDE ZANG
1 Volgens deze voorstelling ligt Jerusalem op het middelpunt van
het bewoonde halfrond (zie Hel XXXIV). Wanneer men zich dus vier
hoofdmeridianen denkt, alle negentig graden van elkander afliggende,
loopt één over Sevilla, één over den Louteringsberg, één over den
Ganges. Wanneer (zooals hier) de Zon voor het gindsche halfrond opgaat,
begint voor ons de nacht, opkomende van den Ganges.
6 wanneer zij winnende is, d.w.z. wanneer de nacht langer wordt dan de
dag.
56 De Steenbok is 90° verwijderd van den Ram. Wanneer dus de Zon in den
Ram staat, staat de Steenbok bij Zonsopgang in het midden des hemels.
70 bode, die het olijf-loof draagt = vredesgezant.
98 _Sedert drie maanden_, d.i. sedert het begin van het Jubel-jaar 1300.
112 „Liefde” enz. _Amor che nella mente mi ragiona_, aldus begint de
tweede Canzone van Dante's Convito, door Casella op muziek gezet.
DERDE ZANG
27 Van Virgilius, die te Brindisi gestorven is, bestaat het graf te
Napels.
37 Met het _Quia_ wordt bedoeld de wetenschap _a posteriori_, d.i. die
welke van de uitwerkselen tot de oorzaken opklimt, in tegenstelling met
het _Propter quod_, of de wetenschap _a priori_, wanneer men van de
oorzaken afdaalt tot de uitwerkselen.
40 _menigeen_, namelijk de wijzen der Oudheid, die Virgilius in den
Limbus zag, zie Hel IV. „_daar zij zonder hoop leven in begeerte_.”
_Want_, nl. indien de mensch de _oorzaken_ der dingen konde bevroeden.
52 Men lette op dat hier voor het eerst de Heiden Virgilius geen raad
weet te schaffen, maar de Christen Dante het middel vindt om den weg te
weten te komen.
85 _kop_ of voorhoede.
100 komt bij ons in onzen drom, dan gaan wij samen voort.
112 Manfred, zoon van Keizer Frederik II, was Koning van Napels geweest,
had altijd als vijand van de Kerk geleefd en sneuvelde, door den Paus
in den ban gedaan, in den slag bij Benevento 1266. Hier streed hij
tegen Karel van Anjou, die door Paus Clemens IV ondersteund werd. Anjou
weigerde hem een eerlijke begrafenis; Anjou's soldaten echter droegen
elk een steen aan (vandaar 129 „_de zware zerk_”) voor zijn graf-teeken
aan de brug van Benevento. Ook dit werd hem misgund en de aartsbisschop
van Cosenza, [124], liet op last van Paus Clemens het lijk overbrengen
naar eene plaats op de grens van Abruzzo aan den Verde, gelegen buiten
het Koninkrijk Napels. Dit gebeurde, omdat de doode in den ban gestorven
was, met gedoofde lichten.
135 _zóólang de hoop nog iets_, zoolang men nog leeft.
VIERDE ZANG
6 _ontstoken wordt_, nml. bij de geboorte.
16 De zon, die immers 15 graden in het uur aflegt, wijst dus aan dat het
op dezen Paasch-Zondag ongeveer kwart over negen in den morgen is.
34 De berg heeft iets dat men een voetstuk zou kunnen noemen. Deze
eerste opgang leidt tot de vlakte bovenop het voetstuk rondom den berg.
D. noemt het dus den bovensten rand in tegenstelling met den ondersten
rand, die onder aan het voetstuk is.
40 _top_, van den geheelen berg.
42 de helling is dus 45°.
60 In het teeken van C. en P., de Tweelingen, komt de zon na 21 Mei; dan
staat de zon nog veel noordelijker.
62 _Spiegel_: de _Zon_, die Gods liefde afspiegelt.
63 _boven en beneden_, in dit en het ander halfrond.
73 d.i. dat de zon den berg der Loutering links [zuidelijk], maar den
berg Sion rechts [noordelijk] heeft.
123 _Belacqua_, kunstig luitenmaker en door de Muziek met Dante
bevriend.
136 Het is dus nu de Middag van den Paasch-Zondag. Wanneer het middag is
voor den Louteringsberg is het morgen aan den Ganges, en wordt het avond
in Marocco, het Westen van het Noordelijk Halfrond.
VIJFDE ZANG
37 _Ontstoken wasems_, vallende sterren.
55 _vergevende_, nl. dengenen die ons doodden.
67 Degene, die hier spreekt is Jacob del Cassero, burger van Fano (Fanum
Fortunae) gelegen aan de Adr. Zee bij Ancona in den Kerk. Staat.
69 _Tusschen Romagna en het land van Karel_, d.i. het Koninkrijk Napels.
Jacob del Cassero, burger van Fano, die hier spreekt, werd op weg
zijnde om te Milaan het Ambt van Podesta te aanvaarden, bij Oriaco in
het Paduaansche vermoord op last van Azzo III van Este, dien hij tegen
zich verbitterd had vooral door hem zijn afval van de Ghibellijnen te
verwijten.
74 dit is volgens de leer dergenen, die zeggen dat de ziel in het _bloed
huist_.
75 _Antenoren_, de Paduanen, naar hun stamvader Antenor.
88 _Buonconte_, zoon van Guido van _Montefeltro_, (zie Hel XXVII) viel
in den slag van Campaldino, waar Dante ook meestreed, meermalen in de
hel genoemd.
97 De Archiano mondt uit in den Arno.
116 _Pratomagno_ is een plaats die Valdarno van Casentino scheidt; de
_groote bergrug_ is de Appennijnen.
121 de _Konings-stroom_: de Arno in vergelijking met de andere stroomen.
129 _buit_, al wat een rivier meevoert.
133 Pia Guastellano, door haren man onder voorwendsel van verdenking van
echtbreuk weggevoerd naar de streek Maremma, bekend om haar doodelijke
luchtgesteldheid, en daar eenen langzamen dood prijsgegeven.
ZESDE ZANG
22 _Pieter dalla Broccia_, van geringe afkomst, heelmeester van Lodewijk
den Heilige, en onder Philips den Stoute tot hoog aanzien aan het
Fransche Hof gestegen, was gehaat bij diens tweede vrouw, Maria van
Brabant; hij werd op haar bloot vermoeden van haar zoon vergiftigd te
hebben, ter dood gebracht.
30 _ergens in uw geschrift_, nl. Aen. VI, waar de Sibylle tot Palinurus
die bidt medegenomen te worden over de Styx, antwoordt (v. 376): „Houd
op te hopen dat door gebeden de lotsbeschikkingen der goden worden
veranderd.”
74 _Sordello_, van de Mantuaansche familie der Visconti, beroemd
minnezanger in de Provençaalsche taal. Wat zijne hooghartigheid betreft,
wachte men af wat in Zang X en XI over aardschen roem gezegd wordt.
88 Justinianus, die Italië bevrijd had van de Gothen door Belisarius en
Narses, gaf het wetten, naar hem genoemd. Italië had zich moeten laten
regeeren naar het woord „Geef aan Caesar wat Caesar's is”, maar bij
gebrek aan ruiter sloeg het zelf de hand aan den halster.
97 Albrecht van Habsburg in 1299 tot Keizer gekozen, maar wilde nooit
naar Italië komen.
106 Alle vier Ghibellijnsche families, de eerste twee van Verona, de
tweede twee van Orvieto. De Ghibellijnen, om des Keizers zaak geprangd,
werden door hem veronachtzaamd.
111 _hoe veilig_, ironie. S. is een leengoed des keizers in de Maremma,
maar geheel door hem veronachtzaamd.
126 _Marcellus_, waarschijnlijk de tegenstander van Caesar, bij Lucanus
genoemd I, 312: „Marcellusque loquax.”
127 Ironie.
133 _den algemeenen last_, de overheids-ambten.
ZEVENDE ZANG
15 _vastgrijpt_, d.w.z. om de knieën.
25 _de hooge Zon_, God.
33 _bevrijd_, nl. door den doop.
34 _de heilige deugden_: geloof, hoop en liefde.
49 Zou het ongegrond zijn om deze vraag aan Dante zelven toe te kennen?
70 _Tusschen_, ik heb hier opzettelijk het dubbelzinnige van het
origineel behouden, dat verklaard kan worden: tusschen den _steilen_ en
den _vlakken_ bergrand, en: „half steil, half vlak” dus „glooiend”.
85 _Zon_, hier als het licht der genade.
94 _Rudolf_ van Habsburg, vader van Albrecht (zie den vorigen zang 97)
wien D. hetzelfde verwijt.
100 Waarschijnlijk wordt Rudolf door den aanblik van Ottocar, koning van
Bohemen, getroost, omdat hij tegen dezen zijn plicht heeft gedaan.
103 _En die met den kleinen neus_, Philips III van Frankrijk.
104 met het _goedwillig_ uitzicht is Hendrik III van Navarre.
105 _vluchtend_, in den oorlog tegen Peter III van Arragon.
107 _den andere_, d.i. Hendrik III, zie 104.
113 de Vorst, _van den mannelijken neus_ en vs. 124 met _den grooten
neus_ genoemd, is Karel van Anjou, koning van Sicilië.
114 het gorden van het kleed beschouwd als bewijs van zorgvuldigheid.
127 vergelijking van de drie vorsten, waarvan de eerste de minste en de
derde de beste is.
131 Hendrik III.
133 Den _laagsten_ rang onder deze keizers en koningen neemt Willem in,
de Markgraaf van Monferrat, die listig door die van Alessandrië gedood
is.
ACHTSTE ZANG
13 _Te lucis ante_, begin-woorden van het avondgezang waarin gebeden
wordt tegen nachtelijke schrikbeelden en verzoekingen.
52 Nino, van het geslacht der Visconti van Pisa, zusterszoon van Ugolino
(Hel XXXIII) aan wiens misdaden Dante had gedacht dat hij ook schuldig
was. Zijne vrouw, de moeder van zijne Johanna (vs. 71), was hertrouwd
(vs. 73) met Galeazzo Visconti, wiens geslacht een slang in het
wapenschild voerde, terwijl het wapen van Nino een haan droeg.
90 Deze drie heldere sterren zijn Hoop, Geloof en Liefde, de drie
geestelijke deugden; vgl. de vier sterren in het eerste boek: de
Voorzichtigheid, Rechtvaardigheid, Ingetogenheid en Dapperheid.
97 Zie den vorigen zang vs. 72.
112 De lamp der _genade_ moet geholpen worden door den vrijen wil van
den begenadigde.
114 bergvlakte, het aardsche paradijs op den top van den Louteringsberg.
118 Currado Malaspina, neef van dien Malaspina, die Dante zeven jaar
later (zie vs. 134) gastvrij heeft opgenomen, wiens mildheid hij dus
door daden, niet door woorden van anderen, zou ondervinden.
129 _beurs en zwaard_, mildheid en heerschappij.
131 _het slechte hoofd_, de Paus.
133 d. w. z. eer zeven jaar verloopen zijn.
NEGENDE ZANG
1 Waarschijnlijk moet men onder „de bijzit van Tithonus” niet Aurora,
die zijne echtgenoote is, maar die schemering verstaan, die het opgaan
van de Maan vóórafgaat; de maan immers kwam tegen negen uur op (zie
vs. 7, waar men de schreden als uren moet opvatten) en stond in den
Scorpioen, „dat kille dier”, vs. 5.
4 _edelgesteenten_, sterren.
12 _alle vijf_, zie den vorigen _zang_: dit waren Sordello, Nino,
Currado, Virgilius en Dante.
30 _tot aan het vuur_ n.l. de sfeer des vuurs, gelegen boven den
dampkring en onder de sfeer of hemel-kring der maan, tot welke de
Louteringsberg met zijn top reikt.
55 _Lucia_, ook genoemd Hel II, evenals hier verpersoonlijking der
_Genade_.
94 De eerste trede is de belijdenis der zonden, de tweede de vernedering
des harten, de derde de liefde tot God.
97 _paers_, bedoeld is een kleur samengesteld uit purper en zwart,
waarin het zwart den boventoon houdt.
112 _Zeven P's_ (peccata of peccair), de zeven hoofdzonden. De zeven P's
geven tegelijk de 7 afdeelingen aan, waarin het eigenlijke _Vagevuur_ en
evenzoo het Gedicht tot aan het einde van Boek XXVII is ingedeeld.
115 Het kleed des engels is gelijk aan dat des Priesters, die de
absolutie verleent.
118 De gouden sleutel is symbool van de den priester toegekende
bevoegdheid tot het geven van absolutie; de zilveren dat van zijn gave
des onderzoeks (scientia discernendi).
133 Het geluid dat de poort bij het opengaan maakte, herinnert Dante aan
het oogenblik dat op last van Caesar de bewaarplaats van de Romeinsche
schatkist, die door Metellus verdedigd was, geforceerd werd. Lucanus
III, 155 beschrijft het aldus: Toen dreunde de Tarpejische rots; en de
zware dreun getuigde dat de vleugel-deuren waren ontgrendeld.
TIENDE ZANG
8 Hier is sprake van een door de rots kronkelend pad, niet van een
bewegende rots.
15 Het is de vijfde dag na volle maan, dus de maan komt met haar donkere
helft aan de kim ongeveer 4 uren na zonsopgang.
55 Dit beeldwerk voor wat beschreven is II Samuel, cap. 6.
57 Immers Uza „strekte zijn hand uit naar de arke Gods, en hield ze want
de runderen struikelden. Toen ontstak de toorn des Heeren tegen Uza, en
God sloeg hem aldaar bij de arke Gods.” Waarschijnlijk bevatten Dante's
woorden eene toespelling op de niet inachtgenomen verdeeling van
geestelijke en wereldlijke macht tusschen Paus en Keizer.
66 Immers Daeid antwoordde tot Michol, die hem berispte: „Ook zal ik mij
nog geringer houden dan alzoo, en zal nederig zijn in mijne oogen” enz.
73 De Heilige Gregorius, bewogen door den deemoed van Trajanus bij deze
gelegenheid betoond, verkreeg diens verlossing uit de Hel door zijn
gebed.
100 _fluisterde_, ook Virgilius wordt door deze tafereelen tot ontzag
gestemd, zoodat hij slechts fluisterend durft spreken.
123 ruggewaartsche schreden, zijn de schreden die in zonde gezet worden,
maar in het geval van hoovaardigheid gedaan met zelfvertrouwen.
ELFDE ZANG
1 _niet daartoe_, God is niet beperkt tot den hemel, maar woont daar
wegens de grootere liefde, die Hij voor den hemel heeft, daar die
behoort tot Gods _eerste_ werken.
30 Nl. van den Louteringsberg.
33 _degenen_, die menschen op aarde die de goddelijke genade deelachtig
zijn.
35 _hen helpen te wasschen de merken_, het bidden der bovengenoemde
begenadigden, moet meehelpen om van de zielen af te wasschen de merken
der zonden, die zij hier droegen en waarmee zij in het louteringsoord
aankwamen.
37 zoo waarlijk moge gerechtigheid Gods en vroomheid dergenen die leven
en voor hen bidden etc.
58 _Een Latijner_, een Italiaan. Hier spreekt Humbert Aldobrandeschi,
Graaf van Santafiore. Hij maakte zich door zijn hoovaardigheid zóó
gehaat bij het volk van Siena, dat hij vermoord werd in Campagnatico,
een plaats van de Maremma.
81 _verluchten_, alluminare, d.i. het versieren van handschriften met
miniaturen. Oderisi van Agubbio, een stad van het hertogdom Urbinum,
miniatuurschilder.
82 _meer lachen de papieren_ = meer bijval in de oogen der menschen
vinden de miniaturen.
90 _nog kunnende zondigen_ = nog bij mijn leven.
92 Hij nl. de roem. De roem van den kunstenaar is alleen duurzaam
wanneer zijn tijd wordt opgevolgd door onbeschaafde tijden. Anders
verduistert weldra de opvolger den voorbijganger.
97–99 Guido Guinicelli stierf in 1276. Guido Cavalcante in 1301.
Wellicht bedoelt D. met den volgende zich zelf, en wil daardoor tevens
aantoonen dat ook hij niet vrij is van hoovaardigheid.
105 dui-dui-duiten (woordelijk naar het Italiaansch).
108 In het systeem van Ptolemaeüs is de traagst draaiende hemelcirkel
die der vaste sterren, welke in zesendertigduizend jaren zijn loop
volvoert.
113 _de florentijnsche woede_, rabbia, misschien beter, schoon ongewoon,
_gemeen gepeupel_.
116 _dezelfde_, de zon, d.i. de volksgunst.
121 _Salvani Provenzano_, Ghibellijnen-hoofd te Siena, die zich de
gansche regeering had willen toeëigenen en tiran had willen worden.
133–138 Hij droeg de schande van het bedelen om den losprijs, gevergd
voor een door Karel van Anjou gevangen-gehouden vriend, in te zamelen;
en de schande van het bedelen zal ook Dante, in zijn ballingschap,
weldra leeren kennen.
142 _grenslanden_, de in de eerste negen zangen beschreven
Voor-louteringsberg.
TWAALFDE ZANG
25 degene, die edelst geschapen was = Lucifer.
30 _Zwaar_; weergegeven wordt de indruk, die een dood lichaam zwaarder
doet schijnen dan een levend.
32 _rond hunnen vader_, = Jupiter, die met de hiergenoemde goden, de
Giganten (onder wie ook Briareus behoort) overwon.
46 Rehabeam, Salomo's zoon.
48 Koningen III.
49 Alcmeon doodde zijn moeder, die haar man ter wille van een
halssieraad had prijsgegeven.
52–54 Koningen 13: 37.
75 _Onvrije ziel_, wijl ingenomen door gedachten van nederigheid.
80 _De zesde dienstmaagd_, Twaalf zijn de dienstmaagden of uren des
daags, van zons-op- tot zonsondergang gerekend. Dit duidt dus den
_middag_ aan.
102 _De goed geleide_, ironisch gezegd van de stad Florence; de
Rubaconte is een brug over de Arno.
105 _Ten tijde dat_, hier wordt de oude tijd genoemd in tegenstelling
met Dante's eigen tijd. Dante zinspeelt op bedrog gepleegd door de
regeerders van Florence in het _kwatern_, het boek der rekeningen en in
de uitmeting van het _zout_.
DERTIENDE ZANG
7 daar is geen schaduw (schilderwerk), nóch beeldwerk dat zich voordoet.
19–21 Langs den Louteringsberg wordt altijd bij dag verder gereisd en
zooals wij reeds tweemaal hebben doorgemaakt op den weg over het
gedeelte buiten de Poort, des nachts gerust.
28 De ongeziene sprekenden geven hier drie voorbeelden van
barmhartigheid: het ook ongevraagd geven van hulp aan degenen, die haar
noodig hebben zooals Maria deed, op de Bruiloft van Kana, toen zij tot
haren Zoon zeide: „Zij hebben geen wijn;” het zich vrijwillig om eens
anders wille in gevaar begeven, gelijk Pylades deed, die voorgaf Orestes
te zijn, om dezen van den dood te redden; kwaad met goed te vergelden,
gelijk door Christus wordt geleerd: „Hebt uwe vijanden lief.”
37 metaphorisch gezegd voor de voorbeelden van de deugd aan nijd
tegenovergesteld. Hiermede worden bedoeld de spreuken die door de lucht
vliegende geesten hun doen hooren.
41 _De breidel_, ook metaphorisch voor de straffen waarmede de nijdigen
worden gelouterd. Op twee manieren worden dus evenals op den vorigen
ommegang de zielen gelouterd, door voorbeelden ten goede, den _geesel_,
en door straffen, den _breidel_.
61 _bij de biecht_, n.l. de bedelaars in de kerk.
93 N.l. om die ziel bekend te maken bij de menschen op aarde opdat die
voor haar bidden.
106 Dit is Sapia, eene aanzienlijke burgeres van Siena, die verbannen
naar Colle zich overmatig verheugde over de nederlaag, haren medeburgers
bij haar woonplaats door de Florentijnen toegebracht.
117 en ik bad God om dat wat hij wilde, n.l. om de nederlaag der
Florentijnen waartoe God toch reeds besloten had.
123 _gelijk de meerle deed_. Toespeling op een volkssprookje, van een
meerle, die in den winter binnenshuis gekoesterd, bij het eerste mooie
weer in den winter zich liet verlokken om uit te vliegen.
133–135 Dante spreekt hier van zijn verwachting van het volgend leven,
wanneer hij zelf gestorven hier zal moeten boeten, slechts weinig voor
de zonde der afgunst, maar meer voor die der hoovaardigheid.
152 Voor het laatst lucht de dichter hier op den ommegang der nijdigen,
zijn leedvermaak over twee mislukte ondernemingen der zoo gehate
Sieneezen (Hel XXIX. 122): hun poging om in Talamone in de ongezonde
Maremma, zich een havenplaats te stichten: telkens verloren daar hunne
admiraals en manschappen meer dan de hoop, het leven; ten tweede hun
poging om door in den grond te graven onder hun stad een water te
vinden, dat zij reeds te voren de Diana hadden genoemd.
VEERTIENDE ZANG
43 Met de „_botte varkens_” worden bedoeld de inwoners van het
Casentijnsche land.
46 _Keffertjes_ zijn de bewoners van Arezzo.
49 Met „de honden die wolven worden,” worden de Florentijnen bedoeld,
die Guelfen (wolven) worden.
52 Veertien mijlen beneden Florence vormt de Arno tusschen de rotsen
draaikolken, die nu nog _pelaghi_, zeeën genoemd worden. De vossen zijn
de inwoners van Pisa.
55 _een ander_ = Dante.
58 _Uwen kleinzoon_, kleinzoon of neef van den toegesprokene, die als
podestà van Florence door de zwarten omgekocht, velen der witten liet
ombrengen.
64 Met het _woud_ wordt Florence bedoeld, dat hij zóó laat uitmoorden
dat het verlies aan inwoners lang onhersteld blijft.
87 Gemeenschap bestaat slechts van hemelsche goederen: zie XV 43 en vlg.
92 Dit zijn de juiste grenzen van het land Romagna.
112 Brettinoro, kleine stad van Romagna, vaderstad van Guido.
_Stamhuis_, de familie van dien Guido.
118 De Pagani, heeren van de stad Imola, wier vader Demon werd
bijgenaamd, zullen beter dan hij zijn.
133 Dit zijn de woorden die Kaïn sprak na Abel gedood te hebben uit
nijd. (Genes. IV, 14).
139 _Aglauros_, dochter van een Atheenschen koning Erechtheus, die uit
afgunst Mercurius' liefde voor haar zuster in den weg trad.
143 „Het gebit”; zie den vorigen zang vs. 40.
VIJFTIENDE ZANG
3 Die _kring_ die altijd speelt als een kind: de zonneweg, om zijn
veranderingen met een spelend kind vergeleken. De dag (de tijd tusschen
zons-òp- en -ondergang) is verdeeld in twaalf uur. Het is dus nu drie
uur in den namiddag op den Louteringsberg, welken tijd men oudtijds
_avond_ noemde.
5 _dáár_ is de Louteringsberg; _hier_ is Italië. Men bedenke dat de
Louteringsberg ligt precies aan den tegenovergestelden kant van de aarde
als Jerusalem (waar het dus nu 3 uur na middernacht is) en dat Rome
wordt gerekend 45° Westelijk van Jerusalem te liggen, dat het dus nu
middernacht in Italië is.
8 Toen de Dichters van het strand naar den Berg gingen, hadden zij (zie
III 16) de zon in den rug, dus liepen zij van O. naar W. Voorts gingen
zij den berg op in Noordelijke richting, maar langs den berg gingen zij
Westelijk, dus zijn zij met de zon mede gegaan om den berg heen.
46 Het is natuurlijk dat Guido den menschen hun nijd verwijt: zoo wil
hij nu er voor waarschuwen opdat ze later hier op den Louteringsberg er
minder voor hoeven te boeten.
58 Ik ben van het tevredenzijn nog nuchterder, d.w.z. nog minder
bevredigd in mijn honger naar weten.
67 In den hemel valt het licht van Gods Liefde in elken zalige als in
een spiegel.
71 _hoe ver_, dus over hoeveel personen zij zich uitbreidt.
73 misschien te lezen: zonder „elkander”, dus God verstaan.
94 Deze vrouw is Pisistratus' vrouw, die straf eischte voor een jong
Athener, die hunne dochter in het openbaar had gekust.
106 een _jonkman_ is Stephanus.
ZESTIENDE ZANG
24 Dit is een van de weinige metaphorische uitdrukkingen van Dante, die
anders altijd geziene beelden gebruikt. De bedoeling is hier: doorstaan
zij de moeilijkheden, waarin zij door hunne zonde zijn geraakt.
42 Hel II. 31 worden degenen genoemd, die _vroeger_ levend het rijk der
dooden bezochten, nl. Aeneas en Paulus.
46 _Marco_, vriend van Dante, alleen uit deze plaats bekend.
55 Marco's uiting over de verdorvenheid der tegenwoordige menschen,
brengt D. in verband met het van Guido del Duca vernomene (XIV).
73 Hier wordt met weinige woorden aangestipt de filosofie, uitvoerig
uitéén gezet in het „Convito”, volgens welke elke deugd, die de menschen
voortstuwt, haar bijzonderen zetel heeft in één der planeten, terwijl
tegelijk wordt aangeraakt het vraagstuk van den vrijen wil.
79 _grootere kracht_ en _betere natuur_, d.i. God: en _die_ schept enz.
85 _Zij_, dit is aankondiging van het subject, vs. 88 genoemd.
97 De dichter gaat terstond over tot dat wat hem dunkt de hoofdoorzaak
van alle kwaad: de vereeniging van wereldlijke en geestelijke macht in
den Paus. Het volgende is toespeling op Mozes' voorschrift aangaande het
vleesch, hier toegepast op den Paus, die wel herkauwt, d.i. geleerd is,
maar geen gespleten hoeven, d.i. goede zeden heeft.
106 goede wereld: Christendom tegenover Heidendom.