94 Maar nadat ik had vernomen in hunne zoete maatgeluiden hun erbarmen

met mij, méér dan zoo ze gezegd hadden: „Vrouwe, waarom hem zóó

vernederd?”

97 werd de vorst, die me rond het hart was verhard, tot adem en tranen,

en met doods-weeën kwam ze door mond en oogen uit de borst.

100 Zij, steeds stille op de gezegde zijde des wagens staande, richtte

voorts hare woorden aldus tot de vrome wezens:

103 „Gij waakt in den eeuwigen dag, zoodat nacht noch slaap u eene

schrede steelt, welke de eeuw doet op hare wegen;

106 waarom mijn antwoord met meer zorg is, opdat mij versta degene, die

daar weent, waardoor zijne schuld en de droefenis daarover van ééne mate

zij.

109 Niet maar door de in-werking der groote raderen, die elk zaad tot

eenig doel sturen, al naar de starren begeleidsters zijn;

112 maar door mildheid der goddelijke genade, die zóó dichte dampen voor

hare regens heeft, dat onze blikken hun niet nabij komen,

115 was deze aldús in zijn jonge leven in ~vermogen~, dat alle passende

gewaad hem wonder wel hadde gestaan.

118 Maar zoo veel slechter en meer verwilderd wordt de bodem door het

kwade zaad en wanneer hij niet goed is bebouwd, hoe meer eigen goede

kracht hij heeft.

121 Eenigen tijd hield ik hem òp met mijn gelaat: de jeugdige oogen hem

vertoonende, leidde ik hem [zoodat hij was] met mij op het goede doel

gericht.

124 Zoodra ik op den dorpel was van mijn tweeden leeftijd en van leven

verwisselde, pakte hij zich weg van mij en gaf hij zich aan een ander.

127 Wanneer ik van vleesch tot geest was opgerezen, en schoonheid en

deugd mij waren gegroeid, was ik hem minder dierbaar en minder gevallig;

130 en hij richtte de schreden langs den niet waren weg, valsche

schijnbeelden des goeds volgende, die niet gaaf wedergeven wat ze

beloofden.

133 Noch dat ik voor hem inblazingen wist te winnen van God, vermocht

mij iet, waarmede ik hem in den droom en op andere wijze terugriep; zóó

weinig gaf hij er om.

136 Zóó diep viel hij, dat alle middelen tot zijn heil reeds te kort

schoten, ~behalve hem de verdoemden te doen zien~.

139 Om hèm bezocht ik den ingang der dooden en tot hèm, die hem tot hier

omhoog heeft geleid, werden mijne gebeden weenende gebracht.

142 Het hooge gebod van God zou worden verbroken, als Lethe werd

gepasseerd, en zulk een drank werd geproefd zonder eenigen tol van

berouw, dat tranen plengt.

[decoratieve illustratie]

[decoratieve illustratie]

EEN EN DERTIGSTE ZANG

Beatrice vervolgt hare verwijten aan den Dichter, en noopt hem tot de

belijdenis van zijne dwalingen. Door zoo groote vernedering voorbereid

tot het grootste geluk, wordt hij opgenomen door Mathilde en gedopt

in den stroom der vergetelheid. Dan passeeren hem de vier zedelijke

Deugden, dansende met den arm boven zijn hoofd, en brengen hem tot voor

den wagen. Voorts presenteeren hem de drie theologische Deugden aan

Beatrice en verzoeken haar zich voor haren getrouwe te ontsluieren. De

sluier wordt afgenomen en de Dichter wordt in verrukking gebracht door

het Paradijs, dat straalt in de oogen zijner Vrouwe.—

* * * * *

1 „O gij, die zijt aan gene zijde van den heiligen stroom” (keerende tot

mij [het zwaard] van haar spreken met de spits, dat ook reeds met de

snede mij scherp had geschenen),

4 herbegon zij, vervolgende zonder dralen: „Zeg, zeg of dit waar is:

bij zóó groote beschuldiging past het dat uwe belijdenis gevoegd zij.”

7 Mijne deugd was zóózeer onthutst, dat mijne stem begon en doofde, vóór

zij uit hare organen was uitgegaan.

10 Een weinig wachtte zij; voorts zeide zij: „Waaraan denkt ge? Antwoord

mij; daar de droeve heugenissen in u nog niet door het water zijn

uitgewischt.”

13 Verwarring en vrees onder een gemengd dreven mij zulk een „ja” uit

den mond, om het welk te verstaan ook de oogen noodig waren.

16 Gelijk een handboog, wanneer die afgaat al te zeer gespannen, zijn

koord en boog breekt, en met minder vaart de pijl het doelwit treft;

19 zóó borst ik onder dien zwaren last, uit mij latende gaan tranen en

zuchten, en mijn stem vertraagde op haren weg.

22 Waarop zij tot mij: „Mids de door mij gewekte begeerten, die u

leidden om het goede te minnen ginds waarvan niets meer valt na te

streven,

25 welke dwarsgrachten, welke ketenen vondt gij daar, dat de hoop om

verder te komen u aldus moest worden benomen?

28 En welke gemakken, of welke voordeelen vertoonden zich in het

voorhoofd der andere [goederen], waarom gij vóór hen uit moest loopen?”

31 Na het ophalen van eenen bitteren zucht, had ik nauwelijks de stem

die antwoordde, en de lippen vormden haar met moeienis.

34 Weenende zeide ik: „De tegenwoordige zaken met heur valsche behagen,

keerden mijne schreden, zoodra uw aanblik was schuil gegaan.”

37 En zij: „Zoo gij verzweegt, of ontkendet datgene wat gij belijdt,

ware uwe schuld niet minder bekend: door zulk eenen rechter wordt die

geweten.

40 Maar wanneer uit den eigen mond uitgaat de aanklacht van het

misdrijf, dan keert zich in ons hof het rad tegen de snede.

43 Nochtans, opdat ge meerdere schaamte draagt over uwe dwaling, en

opdat gij een andermaal wanneer gij de sirenen hoort, sterker zijt,

46 leg af den last die oorzaak is van uw weenen en luister; zóó zult ge

hooren hoe in tegengestelde richting u moest nopen mijn vleesch, dat

begraven is.

49 Nooit bood natuur en kunst u behagen zóó groot als de schoone leden

waarin ik gesloten was, en die, nu ze ontbonden zijn, aarde zijn.

52 En zoo het hoogste behagen u ontging door mijnen dood, welke

sterfelijke zaak moest u voorts trekken, tot hare begeerte?

55 Toen u het eerst de schichten der begeerte der bedriegelijke zaken

troffen, hadt ge u moeten opheffen, om mij die niet meer zoodanig was te

volgen.

58 Gij moest niet meer uwe vleugelen omlaag laten drukken, om meer

slagen te verwachten, hetzij door een meisje of eenige andere ijdelheid

met zóó korte bate.

61 Een jeugdig vogelken laat zich twee of drie malen beknippen; maar

voor de oogen der gevederden spant men vergeefs het net of schiet men

den pijl.”

64 Gelijk de kinderen van schaamte sprakeloos, met de oogen op den grond

luisterende staan, hunne schuld inziende en zich berouwende;

67 aldus stond ik. En zij zeide: „Daar gij door het hooren droefenis

hebt, richt omhoog den baard, en meer droefenis zult ge krijgen door te

kijken.”

70 Met minder weerbarstigheid ontwortelt zich een krachtige eik, of wel

voor onzen wind of wel dien van het land van Iärbas,

73 dan ik op haar bevel de kin oprichtte: en daar zij met den baard het

aangezicht aanduidde, herkende ik wel het venijnige der betichting.

76 En toen mijn aangezicht zich ontspande, ontwaarde mijn oog dat die

eerste schepselen van hunne besprenkeling hadden afgelaten:

79 en mijne oogen nog weinig gerust, zagen Beatrice ~gericht~ op dat

wilde dier, dat alléén één persoon is in twee naturen.

82 [Hoewel] onder haren sluier, en ginds van de groene rivier, scheen ze

mij haar oude zelf meer te overtreffen, dan zij de andere vrouwen hier

[overtrof], toen zij hier was.

85 Het kruid des berouws stak mij daar zóó, dat van alle andere dingen

dat, wat mij het meeste toog tot zijne liefde, mij het meest vijandig

werd.

88 Zulk eene zelfkennis beet mij het hart, dat ik verwonnen viel, en

hoedanig ik toen werd, zij weet het, die mij er de gelegenheid toe gaf.

91 Voorts, wanneer het hart mij weer de kennis der buiten [wereld]

hergaf, zag ik de Vrouwe, die ik eenzaam gevonden had, boven mij, en zij

zeide: „Houd mij, houd mij vast.”

94 Zij had mij in den stroom getogen tot aan de keel, en mij achter haar

aan trekkende, ging zij henen over het water licht als een weversspoel.

97 Wanneer ik was dicht bij den gelukzaligen oever, werd er „Gij zult

mij besproeien” zóó zoetelijk gehoord, dat ik het niet weet te

herinneren, laat staan dat ik het schrijve.

100 De schoone Vrouwe opende de armen, omarmde mij het hoofd, en

dompelde mij onder, waar het paste dat ik het water inslikte.

103 Voorts hief zij mij op; en gebaad bood zij mij binnen ten dans aan

de vier schoone (vrouwen), en elke dekte mij met den arm.

106 „Wij zijn hier nimfen en in den hemel zijn wij sterren; voordat

Beatrice nederdaalde in de wereld, waren wij haar toegewezen tot hare

dienstmaagden.

109 Wij zullen u tot hare oogen geleiden; maar in het aangename licht,

dat daarbinnen is, zullen uwe oogen scherpen de drie van ginds, die

dieper spieden.”

112 Aldus zingende begonnen zij; en voorts tot aan de borst des

griffoenen leidden zij mij met haar, waar Beatrice te ons-waart stond

gewend.

115 Zij zeiden: „Maak dat gij de oogen niet spaart; wij hebben u gezet

voor de smaragden, vanwaar weleer liefde hare wapenen voor u trok.”

118 Duizend begeerten heeter dan vlam drongen mijne oogen tot hare

weerlichtende oogen, die steeds bleven boven den griffoen bestendig.

121 Gelijk de Zon in den spiegel, niet anders straalde het dubbele

gedierte daar binnen-in, nu met het ééne, dan met het andere bestier.

124 Denk, lezer, of ik mij verwonderde, wanneer ik het ding in zich

stille zag staan, en het in zijne beeltenis zich veranderde.

127 Terwijl, vol verbazing en blijde, mijne ziel die spijze proefde,

welke, verzadigende, doet dorsten;

130 kwamen, in hare gebaren zich toonende van het hemelsche geslacht, de

andere drie naar voren, dansende naar haren engelen-zang.

133 „Keer, Beatrice, keer de heilige oogen,” zoo was heur zingen: „tot

uwen getrouwe, die, om u te zien, zóó vele schreden heeft gedaan.

136 Uit genade doe ons de genade hem uw gelaat te onthullen, zóó dat hij

onderscheide de tweede schoonheid die gij verholen houdt.

139 O glans van eeuwig levend licht, wie is bleek geworden in schaduw

van den Parnassus, of dronk van zijne bron,

142 die niet zou blijken den geest verduisterd te hebben, beproevende u

zoodanig weer te geven, als gij verscheent waar de Hemel musiceerende u

overschaduwt,

145 wanneer gij u in de open lucht onthuldet?

[decoratieve illustratie]

[decoratieve illustratie]

TWEE EN DERTIGSTE ZANG

Terwijl Dante, vol van begeerte, in verrukking op Beatrice staart, wordt

hij gemaand door de stem van ééne der theologische deugden. En zie, de

wagen beweegt zich met de heilige schare en is gekomen tot een zeer

hoogen en kalen boom, aan welken de griffioen den dissel bindt; waardoor

de boom weldra met looveren en bloemen zich dekt. Bij een zoet gezang

slaapt de Dichter in; en wederom gewekt, ziet hij Beatrice zitten tot

bewaking van den wagen met de zeven vrouwen, en voorts verschillende

mysterieuse gevallen, die met boom en wagen gebeuren.

* * * * *

1 Zóózeer waren mijne oogen gevest en gericht om te verslaan den

tienjarigen dorst, dat mijne andere zinnen gansch gedoofd waren:

4 en die [oogen] hadden aan deze en gene zijde [als] wanden van

onverschilligheid, zóó zeer trok het heilige glimlachen ze in het oude

net:

7 wanneer met kracht mijn gezicht ter slinker werd gericht door die

godinnen, omdat ik door haar hoorde een: „al te vast.”

10 En die [on]geschiktheid tot zien die in de oogen is, zooeven door de

zon getroffen, deed mij eenigen tijd zijn zonder gezicht;

13 maar sinds het gezicht zich had herschapen tot het weinige (ik zeg

„tot het weinige” met opzicht tot het vele zinnelijke, waarvan ik mij

met geweld had losgemaakt),

16 zag ik de glorieuse heerschare op den rechterarm gezwenkt, en zich

keeren met de zon en de zeven vlammen in het aangezicht.

19 Gelijk om zich te bergen eene schare zich omwendt onder de schilden,

en met het vaandel zwenkt, voor dat zij ganschelijk zich in zich kan

keeren;

22 zóó passeerden ons die strijd-machten des Hemelschen Koninkrijks,

vóór de Kar den disselboom omkeerde.

25 Voorts keerden de vrouwen zich tot de raderen, en de griffoen bewoog

den gebenedijden last zóó, dat daarom toch geen zijner vederen bewoog.

28 De schoone vrouwe, die mij tot het veer had getogen en Statius en ik,

wij volgden het rad, dat de bocht maakte met den kleinsten boog.

31 Aldus passeerende door dat woud, dat ledig is door de schuld van haar

die de slang geloofde, matigde eene engelsche muziek onze schreden.

34 Wellicht in drie vluchten nam-in zóó groote ruimte afgeschoten pijl,

als wij verder gegaan waren, wanneer Beatrice afstapte.

37 Ik hoorde mompelen door allen: „Adam!” Voorts omkringden zij eenen

boom, die ontdaan was van bloemen en alle loover op elken tak.

40 Zijn getakte, dat zooveel zich verbreedt naarmate het hooger komt,

zoude [zelfs] door de Indiërs in hunne bosschen om zijn hoogte zijn

bewonderd.

43 „Gelukkig zijt gij, griffoen, die met den bek niets afscheert van dat

hout, dat den smaak zoet is, omdat de buik daarna kwalijk wordt

gefolterd.”

46 Aldus rondom den krachtigen boom riepen de anderen, en het dier, dat

twee maal werd geboren: „Aldus wordt bewaard het zaad van alle recht.”

49 En gekeerd naar den dissel, dien hij had getrokken, trok hij hem tot

den voet van den verweeuwden boom; en dien [dissel] die van hem was,

liet hij aan hem gebonden.

52 Gelijk onze planten, wanneer het groote licht omlaag-valt gemengd met

dat hetwelk straalt achter den hemelschen riet-voorn;

55 zwellen en voorts elke zich met zijne kleur hernieuwt, voor dat de

~Zon~ hare renners aanspant onder een ander gesternte;

58 eene kleur openbarende, minder dan van rozen en meer dan van violen,

vernieuwde zich die boom, die te voren het getakte zóó vereenzaamd had.

61 Ik verstond het niet, noch wordt het hier beneden gezongen, het

loflied dat die luiden zongen, noch ook verdroeg ik den galm

gansch-en-al.

64 Zoo ik konde wedergeven hoe in slaap geraakten de meedoogenlooze

oogen, daar zij hoorden van Syrinx, de oogen, welken het zoo duur kwam

te staan dat ze wakkerder waren dan andere,

67 dàn zoude ik, als schilder die schildert náár het model, afteekenen

hoe ik insluimerde; maar wie maar wil, die zij het die het insluimeren

zich verbeelde.

70 Daarom spring ik over tot wanneer ik wakker wierd, en zeg ik dat een

lichtgloed mij open-reet den sluier des slapens, en een roepen: „Sta op,

wat doet gij?”

73 Gelijk tot het zien van de bloesemen des appelbooms, die de engelen

naar zijne vracht gulzig, en eeuwig durende bruiloft in den hemel maakt,

76 Petrus en Jacobus en Johannes geleid waren en zij [eerst] overweldigd

zijnde terugkeerden tot [het hooren van] het woord, door hetwelk ook

diepere slaap werd gebroken;

79 en zij het gezelschap gedund zagen, zoowel van Mozes als van Elias,

en van hunnen Meester het gewaad verwisseld;

82 aldus keerde ik weder [tot mijn bewustzijn] en zag ik die Pia boven

mij staan, die geleidster was geweest van mijne schreden langs den

stroom te voren:

85 en gansch in twijfel zeide ik: „Waar is Beatrice?” en zij: „Zie haar

onder het nieuwe loover zitten op den wortel.

88 Zie het gezelschap, dat haar omgeeft; de anderen, achter den

griffoen, gaan henen omhoog, met zoeteren en dieperen zang.”

91 En of haar verder spreken meer verward was, ik weet het niet, omdat

reeds mij in de oogen was zij, die voor ander ontwaren mij had gesloten.

94 Alleenig zat zij op de ware aarde, als hoedster daar gelaten van den

wagen, dien ik zag binden door het tweestaltig dier.

97 In cirkel rondom haar maakten eene heining van zich zelven de zeven

nimfen met die lichten in de hand, die ònontrust zijn door Noord- en

Zuid-wind.

100 „Hier zult gij korten tijd vreemdeling zijn en gij zult met mij

zonder einde burger zijn van dat Rome, waarvan Christus is Romein;

103 daarom voor het wel van de wereld, die kwalijk leeft, houd nu tot de

kar de oogen, en wat gij ziet, maak ginds gekeerd, dat gij het

schrijvet.”

106 Aldus Beatrice; en ik, die gansch en al aan de voeten van hare

bevelen mijne toewijding toonde, richtte geest en oogen waarheen zij

wilde.

109 Nooit daalde met zóó vlugge beweging vuur uit dikke wolk, wanneer

het regent van die streek, die het meest verwijderd is,

112 als ik den vogel van Jupiter zag dalen tot den boom omlaag,

afbrekende [gedeelten] van de schors, laat staan van de bloesemen en

nieuwe bladeren.

115 En hij sloeg den wagen uit alle macht, waardoor deze neeg, als een

schip in nood, door de golven overwonnen, dan naar stuur- dan naar

bak-boord.

118 Voorts zag ik zich wagen in den bak des triumphantelijken voertuigen

eene wolvin, die nuchter scheen van alle goede voedsel.

121 Maar haar berispend wegens leelijke schuld, deed mijne Vrouwe haar

zich keeren in zoo groote vlucht, als maar gedoogden de beenderen zonder

merg.

124 Voorts, van waar hij was te voren gekomen, zag ik den adelaar

nederdalen in de ark des wagens, en haar laten vol met zijne vederen.

127 En, hoedanig eene stemme uit een hart, dat in droefenis is, zoodanig

eene ging uit van den Hemel, en deze zeide aldus: „O mijn schepelijn,

hoe kwalijk zijt gij bevracht!”

130 Voorts scheen mij dat de aarde zich opende tusschen beide de wielen,

en ik zag er uit komen een draak, die door de kar, naar boven, den

staart stak:

133 en, gelijk eene wesp, die den angel terug-trekt, tot zich trekkende

den kwaadaardigen staart, trok hij dien uit den bodem, en ging weg

dit-heen en dat-heen [zich kronkelende].

136 Dat wat overbleef [van den wagen] werd, gelijk met hondsgras

vruchtbare aarde, zóó met pluimaadje geboden wellicht met bedoeling

kuisch en welwillend,

139 bedekt, en er mede was overdekt en het ééne en het andre rad en de

dissel, in zoo weinig tijd, dat meer tijd de geopende mond eenen zucht

inhoudt.

142 Aldus herschapen schoot het heilige gebouw hoofden naar buiten uit

zijne deelen, drie op den dissel en één op elken hoek.

145 De eerste waren gehoornd als [die van] runderen, maar de vier

[andere] hadden één éénigen hoorn op het voorhoofd. Dusdanig monster was

nog nooit gezien.

148 Vreesloos als burcht op hoogen berg, zag ik boven op hem zitten eene

hoer met losse kleederen, met de blikken rondom loenschend.

151 En, als het ware, opdat zij hem niet werd ontnomen, zag ik haar ter

zijde eenen Reus, en zij kusten elkander meerdere malen.

154 Maar omdat zij het begeerig en zwervend oog naar mij keerde,

geeselde die woeste boel haar van het hoofd tot de voetzolen.

157 Voorts, vol van argwaan en rauw van toorn, ontbond hij het monster

[kar en al] en trok het door het woud zóóverre, dat hij alleen al van

dat [woud] een schut voor mij maakte tegen de Hoer en dat nieuwe

gedierte.

[decoratieve illustratie]

DRIE EN DERTIGSTE ZANG

Beatrice verkondigt den Dichter in duistere woorden een naderenden

wreker der ontheiligde Kerk van Christus en hersteller des Rijks. Zij

gebiedt hem om, wanneer hij onder de levenden teruggekeerd zal zijn,

dat te vertellen wat hij gezien heeft rondom den Mystischen Boom; en na

andere besprekingen doet zij hem doopen door Mathilde in de wateren van

Eunoë, waarin ook Statius zich baadt. Aldus herboren door het heilige

bad, voelt hij zich gansch geschikt tot de reis door den hemel.

* * * * *

1 „God, de volkeren zijn gekomen,” aldus elkaar afwisselende, dan drie

dan vier, begonnen de vrouwen weenende een zoeten zang;

4 en Beatrice zuchtende en vol erbarmen, hoorde derwijze naar ze, dat

maar weinig meer [van kleur] verschoot Maria bij het kruis.

7 Maar nadat de andere maagden haar de beurt lieten om te spreken, hief

zij zich recht op de voeten en antwoordde gekleurd als vuur:

10 „Een korte wijle, en gij zult mij niet zien, en andermaal, mijne

beminde zusteren, eene korte wijle en gij zult mij zien.”

13 Voorts stelde zij ze alle zeven vóór zich; en slechts door een

teeken, deed zij achter zich gaan mij en de Vrouwe en den Wijze, die

gebleven was.

16 Aldus ging zij henen en ik geloof niet dat nog de tiende schrede van

haar op den grond was gezet, wanneer zij met de oogen mij de oogen trof;

19 en met rustigen aanblik: „Kom schiedijker,” zeide zij tot mij:

„zóódat, als ik met u spreke, gij wèl geschikt zijt om mij aan te

hooren.”

22 Mèt dat ik, zooals ik moest, gelijk met haar was, zeide zij tot mij:

„Broeder, waarom waagt gij het niet eenige vraag te doen nu gij met mij

mede komt?”

25 Gelijk degenen, die al te vol eerbiedenis zijn sprekende vóór hunne

meerderen, dat zij niet de stem levend tot de tanden trekken,

28 zóó gebeurde het mij, dat ik zonder volkomen geluid begon: „Vrouwe

mijn, mijne nooddruft kent gij en dat wat haar goed is.”

31 En zij tot mij: „Van vreeze en van schaamte wil ik dat gij alsnu u

ontpopt, zóó dat gij niet meer spreekt als mensch, die droomt.

34 Weet dat het vat dat de slang heeft gebroken, ~wàs~ en niet ~is~;

maar wie er de schuld van heeft, hij geloove dat de wrake van God geen

ontkomen vreest.

37 Niet zal ten allen tijde zonder erfgenaam zijn de adelaar, die de

vederen aan den wagen liet, waardoor die werd eene wangestalte en voorts

een buit;

40 daar ik met zekerheid, (en daarom ook vertel ik het) reeds een

gesternte nader zie komen, bestemd om ons te geven een tijd gevrijwaard

voor elken tegenstand en elken hinderpaal,

43 waarin een aanvoerder, gezonden door God, de Verworpene zal dooden,

en genen Reus, die met haar zich vergreep.

46 En wellicht dat mijn duister verhaal, als van Themis en Sfinx, u

luttel overtuigt, daar het naar hare wijze het verstand benevelt;

49 maar weldra komen de feiten, de Najaden, die dat zware raadsel zullen

oplossen, zonder schade voor vee en graan.

52 Gij, let wel; en zóó als deze woorden van mij tot u worden gedragen,

aldus onderwijs ze aan de levenden van dàt leven, dat is een snellen tot

den dood;

55 en houd in gedachten, wanneer gij ze schrijft, niet te verhelen

hoedanig gij zaagt de plant, die hier nu twee malen ontlooverd is.

58 Alwie haar ontloovert of haar plukt met schendende daad, vergrijpt

zich aan God, die de plant alleen heilig schiep tot 's menschen gebruik.

61 Omdat zij daarin beet, heeft de eerste ziel vijfduizend en meer jaren

in pijn en verlangen begeerd Dengene, die den beet in zich zelven

bestrafte.

64 Uw verstand slaapt, zoo het meent dat zij niet door bijzondere

oorzaak zoo hoog gerezen is en zóó averechtsch van vorm in de kruin.

67 En zoo niet, als wateren van den Elsa, te ijdele gedachten waren

geweest rond uwen geest, en heur geneugt [als] een Piramus voor den

moerbeiboom;

70 dan zoudet door zóóvele omstandigheden alléén de rechtvaardigheid van

God in het verbod gij als zedeles aan den boom hebben leeren kennen.

73 Maar daar ik u zie in uw verstand gemaakt van steen en in het

versteende gedoopt, zóó dat het u het licht van mijn woorden

verduistert;

76 wil ik ook, en zoo niet geschreven, dan toch afgemaald, dat gij het

binnen in u draagt tot dat [einde] waartoe men draagt den staf met palm

omkranst.”

79 En ik: „Zooals was door den stempel, dat den ingedrukten vorm niet

verandert, zóó is alsnu door u mijn brein gestempeld.

82 Maar waarom vliegt zóó verre boven mijn gezicht uwe begeerde rede,

dat het die te meer verliest als het meer zich inspant?”

85 „Opdat gij kennet,” zeide zij: „die leerschool, die gij hebt gevolgd,

en [opdat] gij inziet hoe [weinig] haar leer mijne rede kan volgen;

88 en [opdat] gij ziet dat uw weg van den goddelijken zóóverre afwijkt

als van de aarde die hemel afwijkt, die het hoogst voortsnelt.”

91 Waarop ik haar antwoordde: „Ik herinner mij niet dat ik mij ooit

vervreemdde van ulieden, noch heb ik er bewustzijn van, dat mij bijt.”

94 „En zóó gij het u niet herinneren kunt,” antwoordde zij glimlachend:

„dan herinner u hoe gij nog heden van Lethe hebt gedronken:

97 en zoo door den rook het vuur wordt bewezen, dan bewijst die

vergetelheid duidelijk schuld in uwen wil, die elders heen gericht was.”

100 Warelijk zullen alsnu mijne woorden naakt zijn, zooverre het voegen

zal die te onthullen aan uw nog onontbolsterd gezicht.”

103 En meer schitterend, en met tragere schreden, hield de zon den

middagcirkel, die daar en ginds, al naar de gezichtspunten, wordt

gemaakt;

106 wanneer stille-hielden, gelijk stille-houdt, hij die tot escorte

vóórgaat aan eenen legertrein, zoo hij iets nieuws op zijne schreden

vindt,

109 de zeven vrouwen, aan de grens van een bleeke schaduw, hoedanig eene

onder groene bladeren en zwarte takken op hunne koude beken de Alpen

dragen.

112 Voor haar scheen ik me den Euphraat en den Tigris uit ééne bron te

zien uitgaan, en als vrienden noode van elkaar te gaan.

115 „O licht, o roem des menschelijken geslachts, welk water is dit, dat

hier uit één beginsel zich verdeelt, en zich van zich verwijdert?”

118 Op zulke bede werd mij gezegd: „Bid Mathilde dat zij het u zegge.”

En hier antwoordde, als degene doet, die zich kwijt van een schuld,

121 de schoone vrouwe: „Dit en andere dingen zijn hem door mij gezegd:

en ik ben gewis dat het water van Lethe het hem niet heeft verborgen.”

Dante's Louteringsberg in proza overgebracht · 第 9 / 12 段