43 Waarom hij het hoofd schudde en zeide: „Hoe nu, willen we hier

blijven?” Dan glimlachte hij, gelijk men tot het kindje doet, dat zich

laat winnen door den appel.

46 Voorts binnen-in het vuur vóór mij begaf hij zich, Statius

verzoekende achter aan te komen, die eerst op langen weg ons [beiden]

scheidde.

49 Toen ik er in was, zoude ik mij in kokend glas geworpen hebben om mij

te verfrisschen, zóó mateloos was daar de brand.

52 De zoete vader mijn, om mij te troosten, ging steeds voort sprekende

van Beatrice, zeggende: „'t Is me of ik reeds haar oogen zag.”

55 Ons geleidde eene stemme, die zong van ginds; en wij steeds

oplettende op haar, kwamen er uit daar waar men opging.

58 „Venite, benedicti Patris mei,” klonk het binnen in een licht, dat

dáár was, zoo sterk dat het mij verwon en ik het niet kon zien.

61 „De zon gaat henen,” voegde hij er aan toe: „en de avond komt; houd u

niet op, maar versnel den pas, terwijl het Westen nog niet zwart wordt.”

64 Recht steeg de weg binnen de rots, naar zoodanig een kant dat ik vóór

mij wegnam de stralen der zon, die reeds laag was.

67 En van weinig treden namen wij de proef, wanneer ik en mijne wijzen

gewaar werden aan de schaduw, die uitdoofde, dat de zon achter ons zonk.

70 En voor in alle zijne onmetelijke deelen de horizont van éénen

aanblik was geworden, en de Nacht over alles was verdeeld,

73 had elk van ons van eene trede zich een bed gemaakt, daar de aard

van den berg ons meer het vermogen dan het geneugt tot stijgen had

benomen.

76 Gelijk de geiten al herkauwende mak worden, die snel en dartel waren

op de toppen, voor zij hebben gevroegmaald,

79 zwijgende in de schaduw, terwijl de zonne brandt, gehoed door den

herder, die op den staf zich heeft geleend, en hen van rust dient;

82 en gelijk de kudde-hoeder, die buiten huist, en bij zijn vee rustig

overnacht, wakende dat geen wild dier ze verstrooie;

85 zóó waren wij gedrieën alstoen, ik als geitje en zij als herderen,

ommuurd van hier en ginds door de grot.

88 Weinig kon daar zichtbaar worden van buiten; maar dóór dat weinige

zag ik de sterren meer dan naar hunne gewoonte helder en groot.

91 Aldus herkauwende en gene [de starren] bespiedende, vatte mij de

slaap; de slaap die vele malen, eer het feit bestaat, de nieuwstijdingen

weet.

94 In de ure, geloof ik, dat uit het Oosten het eerst op den berg

straalde Cytherea, die van minnevuur altijd brandende schijnt,

97 docht ik mij jong en schoon in den droom eene vrouw te zien gaan door

eene landouw, bloemen plukkende; en zingende zeide zij:

100 „Hij wete, wie ook naar mijnen naam mocht vragen, dat ik Lea ben en

ga bewegende in het rond de schoone handen om mij eenen bloemslinger te

maken.

103 Om mij zelve in den spiegel te gevallen sier ik mij hier; maar mijne

zuster Rachel gaat nooit van haren spiegel, maar zit den ganschen dag.

106 Zij is om hare eigene schoone oogen te zien zóó begeerig, als ik om

mij te tooien met mijne handen; haar geeft het zien, mij het arbeiden

den vrede.”

109 En reeds, door de glanzen die komen voor het licht, die den te

beê-vaart-gaanden zóóveel te aangenamer rijzen, als zij, weerkeerende,

minder verre vernachten,

112 vluchtten de duisternissen van alle kanten, en mijn slaap met haar;

waarom ik oprees, ziende de groote Meesters reeds gerezen.

115 „Die zoete appel, welken door zoovele takken zoekende gaat de zorg

der stervelingen, zal heden uwen honger te vrede stellen.”

118 Virgilius gebruikte te mij-waart zoodanige woorden, en nooit waren

er lekkernijen, die aan gene gelijk waren om te behagen.

121 Zóó groote begeerte boven begeerte kwam mij om boven te zijn, dat ik

bij elke schrede voortaan als om te vliegen mij de vleugelen voelde

wassen.

124 Toen de gansche trap onder ons was afgeloopen, en wij op de bovenste

trede waren, vestte Virgilius zijne oogen op mij,

127 en zeide: „Het tijdelijk vuur en het eeuwige, hebt gij gezien, Zoon,

en zijt gekomen in een deel waar ik uit mijzelven niet verder

onderscheide.

130 Getrokken heb ik u hierheen met verstand en met kunst; neem alsnu uw

eigen wèlgevallen als leids-man; gij zijt buiten de steile wegen, buiten

de enge.

133 Daar zie de Zon, die u op het vóórhoofd licht; zie het kruid, zie de

bloemen, de boomkens, welke deze grond alleen uit zich zelven

voortbrengt.

136 Terwijl blijde [tot u] komen de schoone oogen die, weenende, mij

tot u deden komen, kunt gij zitten en tusschen dezen henengaan.

139 Wacht noch mijn zeggen meer, noch mijne aanwijzing: vrij, recht,

gezond is uwe keuze: en falen ware het, niet te doen naar zij verkiest;

142 waarom ik u over u zelven kroon met kroon en mijter.”

[decoratieve illustratie]

[decoratieve illustratie]

ACHT EN TWINTIGSTE ZANG

Hier wordt met betooverende verwen geschilderd het gelukzalig verblijf,

geboden door het aardsch Paradijs. Alighieri schrijdt daar eenigen tijd

door voort, wanneer een stroompjen hem het verdergaan belet. Eene vrouwe

van wonderlijke schoonheid vertoont zich hem aan den anderen kant, zij

verklaart hem de gelegenheid der plaats en beantwoordt de door hem

gestelde vragen.

* * * * *

1 Begeerig om alhaast van binnen en rondom het goddelijk woud te

doorzoeken, dat dicht en levendig was, en voor de oogen den nieuwen dag

matigde,

4 verliet ik zonder langer te wachten den zoom, langzaam aan den weg

door het landschap nemende over den grond, die van allen kant geurde.

7 Een zacht koeltje, zonder verandering in zich te hebben, sloeg mij

voor het voorhoofd, niet met meer slag dan liefelijke wind;

10 door hetwelk de looveren, snel trillende, alle negen naar die zijde,

waar de heilige berg de eerste schaduw werpt;

13 niet daarom nog dat ze zoo recht-op gespreid werden dat de vogeltjes

door hunne toppen aflieten van al hunne kunsten uit te oefenen,

16 maar met volle blijdschap ontvingen zij zingende de eerste uren

binnen de looveren, welke bij hunne rijmen zulk een gegons aanhielden,

19 als dat, hetwelk van tak tot tak zich gaart door het pijnenwoud over

het kustland van Classis, wanneer Aeolus den Sirocco naar buiten

loslaat.

22 Reeds hadden de langzame voetstappen mij zooverre binnen in het oude

woud gebracht, dat ik niet kon herzien van waar ik het binnen getreden

was:

25 en zie, het verder gaan benam mij eene beek, die naar de slinker hand

met hare kleine golfjes het gras neigde, dat op haar oever groeide.

28 Alle de wateren die daar ginds de zuiverste zijn, zouden schijnen de

een of andere aanlenging in zich te hebben, vergeleken met dit, hetwelk

niets verbergt,

31 hoewel het zich al donkerlijk voortbeweegt onder de gedurige schaduw,

die daar nooit zon of maan toelaat te schijnen.

34 Met de voeten hield ik stand en met de oogen stak ik over naar

gindsche zijde van het stroompje, om de groote bontheid der frissche

meien te bewonderen:

37 en daar verscheen mij, zooals plotseling verschijnt een ding, dat

door wonderbaarlijkheid al ander denken van den weg leidt,

40 eene vrouw in haar eentje, die ging al zingende en al plukkende bloem

na bloem, met welke haar gansche weg beschilderd was.

43 „Ei, schoone vrouw, die aan de stralen der liefde u warmt, indien ik

wil gelooven de verschijnselen, die plegen te zijn getuigenis van het

hart;

46 kome u de wil u voorwaarts te bewegen,” zeide ik, „nader naar deze

rivier, zoodat ik verstaan kunne dat wat gij zingt.

49 Gij doet mij gedenken waar en hoedanig-eene Proserpina was toen hare

moeder haar en zij hare lente verloor.”

52 Zooals zich draait, met de voetzolen dicht bij de aarde en bij

elkander gehouden, eene vrouw, die danst en nauwelijks den éénen voet

voor den anderen zet;

55 draaide zij zich over de bloed-roode en de gele bloempjes te

mij-waart, niet anders dan als eene maagd, die de eerlijke oogen

nederslaat;

58 en zij maakte dat mijne beden bevredigd werden, zich zóó nabij mij

begevend, dat het zoete geluid tot mij kwam mèt wat het beduidde.

61 Zoodra ik daar was, waar de gras-sprietjes reeds bespoeld worden door

de golven van den schoonen stroom, deed zij mij het geschenk van de

oogen op te slaan.

64 Ik geloof niet dat bij Venus zóóveel licht onder de wenkbrauwen

schitterde, wanneer zij door haren zoon, gansch tegen diens gewoonte,

[met een pijl] was getroffen.

67 Zij lachte nu recht-op gericht van den anderen oever, velerlei

kleuren met hare handen hanteerende, welke de hooge aarde zonder zaad

deed ontspruiten.

70 De stroom maakte ons drie passen van elkander verwijderd, maar de

Hellespont, daar waar Xerxes er over trok, nog steeds toom aan alle

menschelijke hoovaardijen,

73 werd niet meer gehaat door Leander, omdat hij golfde tusschen Sestos

en Abydos, dan die rivier door mij, omdat zij zich toen niet voor mij

opende.

76 „Gijlieden zijt hier nieuw, en misschien omdat ik lach,” zeide zij:

„in deze plaats, voor het menschelijk geslacht uitverkoren tot zijn

nest,

79 houdt u in uwe verwondering een argwaan; maar de psalm, „Want gij

hebt mij verblijd,” geeft u licht, hetwelk uw verstand van den nevel kan

bevrijden.

82 En gij, die vóór mij zijt en mij gebeden hebt, zeg of gij iets anders

wilt hooren, opdat ik dadelijk kome tot alle vraag van u, zoodat ik u

voldoe.”

85 „Het water,” zeide ik: „en het geluid van het woud bestrijden binnen

in mij een nieuw geloof over eene zaak, die ik hoorde, tegengesteld aan

deze.”

88 Waarop zij: „Ik zal zeggen hoe het voortkomt uit zijne oorzaak, dat,

hetwelk u doet verwonderd zijn, en ik zal den nevel weg doen, die u

verbijstert.

91 De hoogste Goedheid, die alleen aan zichzelve behaagt, heeft den

mensch goed gemaakt; en zij gaf hem het goed van deze plaats tot pand

van eeuwigen vrede.

94 Door zijn vergrijp woonde hij hier weinig tijd; door zijn vergrijp

verkeerde hij in klacht en in verdriet eerlijk lachen en aangenaam spel.

97 Opdat de werveling, welke de uitwasemingen van het water en van de

aarde beneden veroorzaken (die zooveel zij kunnen de warmte achterna

gaan),

100 den mensch geenerlei warrigheid zoude maken, rees deze berg zooverre

hemelwaarts en is hij vrij van daar af, waar hij gesloten wordt.

103 Daar nu in den ganschen omtrek de lucht draait met het eerste

gewelf, indien haar de omgang niet op eenige plek is verbroken,

106 daarom treft op deze hoogte, die gansch los is in de levende lucht,

zulk eene beweging het bosch en doet het ruischen daar het dicht is.

109 En de getroffen plant vermag zooveel dat zij met haar vermogen de

lucht drenkt, en dat vermogen voorts ronddraaiende, rondstrooit.

112 En de overige aarde, naardat zij waardig is door zich zelve of door

haar hemelstreek, ontvangt en brengt voort verscheiden gewas van

verscheiden vermogen.

115 Voortaan zal het u dus niet meer verwonderlijk schijnen, nu gij dit

gehoord hebt, wanneer eenige plant zonder zichtbaar zaad hier op-spruit.

118 En gij moet weten dat de heilige landouw, waarin gij zijt, van alle

gewas vol is, en gewas in zich heeft dat aan gindsche zij niet geplukt

wordt.

121 Het water, dat gij ziet, ontspringt niet van een ader, welken damp

herstelt, door vorst bekeerd, zooals een stroom die buiten adem en bij

adem komt;

124 Maar het komt uit een gestadige en zekere bron, die zooveel aan den

wil van God ontneemt, als zij vergiet naar twee zijden open.

127 Naar deze zijde daalt het met een vermogen, dat iemand de heugenis

der zonde ontneemt; naar de andere zijde, hergeeft zij die van alle

goede daad.

130 Hier heet zij Lethe, en zoo aan de andere zijde Eunoë en zij werkt

niet als zij niet van deze en van gene zijde geproefd is.

133 Alle andere smaken gaat zij te boven. En hoewel uw dorst genoegzaam

kan verzadigd zijn, zoodat ik u niet meer ontvouwe,

136 zal ik u uit gevalligheid nog een kransje geven; en ik geloof dat

mijn spreken u niet minder lief zal zijn, indien het boven belofte met u

weiden gaat.

139 Diegenen die van oudsher dichtten van de Gouden Eeuw en haren

gelukkigen staat, droomden die plaats wellicht op den Parnas.

142 Hier was de menschelijke oorsprong onschuldig; hier is altijd lente

en hier is alle gewas; dit is de nectar, waarvan ieder spreekt.”

145 Toen wendde ik mij ganschelijk achter-om naar mijne dichters, en ik

zag dat zij met een lach de laatste uitlegging hadden vernomen.

148 Voorts keerde ik het gezicht naar de schoone vrouw.

[decoratieve illustratie]

[decoratieve illustratie]

NEGEN EN TWINTIGSTE ZANG

Terwijl de Dichter voortgaat langs de rivier, met gelijken tred de

Vrouwe volgende, die aan gene zijde der rivier is, wordt hij door haar

gemaand aandachtig te zijn; en zie, plotseling doorloopt een glans het

woud èn eene zoete melodie; waarop volgt een schouwspel vol wonder en

mysterie.

* * * * *

1 Zingende als eene Vrouwe, die verliefd is, vervolgde zij om hare

woorden te eindigen: „Gelukzalig degenen, wier zonden verborgen zijn.”

4 En als nimfen, die eenzaam gaan door de woudschaduwen, begeerende

dezen om de zon te ontvluchten, genen om haar te zien,

7 bewoog zij zich stroom-op-waarts, gaande op den oever en ik

gelijkelijk met haar, haar kleine schrede met kleine schrede volgende.

10 Nog waren er geen honderd schreden bij elkaar door haar en mij

afgelegd, wanneer de oevers gelijkelijk eene zwenking maakten, derwijze

dat ik mij naar het Oosten begaf.

13 Noch ook zóó was onze weg lang, wanneer de Vrouwe zich gansch te

mij-waart keerde, zeggende: „Broeder mijn, schouw en luister.”

16 En zie, plotseling liep een luister van alle kanten door het groote

woud, zóódat het mij in vermoeden bracht dat het bliksemde.

19 Maar omdat het bliksemen, gelijk het kwam, bleef en het, durende,

meer en meer straalde, zeide ik in mijne gedachte: „Wat is dit?”

22 En eene zoete melodie liep door de lichtende lucht: waarom goede

ijver mij deed laken de vermetelheid van Eva,

25 die dáár, waar hemel en aarde gehoorzaam was, zij de eenige vrouw, en

wel zoo even geschapen, 't niet gedroeg onder eenigen sluier te blijven:

28 onder welken ik, als zij onderdanig ware geweest, die

onuitsprekelijke geneugten hadde gevoeld voormaals, en voorts in

eeuwigheid.

31 Terwijl ik voortging, mids zóó groote eerstelingen van het eeuwige

geneugt, gansch in verrukking, en begeerig tot nog meerdere

blijdschappen,

34 toen werd vóór ons, als een ontstoken vuur, aldus de lucht, onder de

groene takken, en het zoete geluid werd reeds gehoord als een lied.

37 O onaantastbare Maagden, zoo ik ooit honger, koude of nacht-wake voor

u doorstond, nu noopt mij de gelegenheid dat ik loon daarvoor eische.

40 Nu voegt het dat de Helicon zich voor mij vergiete, en Urania mij

helpe met haar koor, om dingen, die zwaar zijn te denken, in verzen te

zetten.

43 Weinig later deed ons den schijn zien van zeven boomen van goud de

lange tusschen-ruimte, die nog tusschen hen en ons was;

46 maar wanneer ik zoo nabij hen was gekomen, dat het verkeerd geziene

voorwerp, dat den zin misleidt, door den afstand geen enkel onderdeel

kwijt ging;

49 ontwaarde dat vermogen, dat der rede de stoffe toedient, ze zooals ze

waren: als kandelaren, en in de stemmen van het zingen: „Hozanna.”

52 Van boven vlamde dat schoon gerei veel heller dan maan aan

wolkenloozen hemel des middernachts in 't midden van haar maand.

55 Ik keerde mij vol verwondering tot den goeden Virgilius, en hij

antwoordde mij met een aangezicht, niet minder vol van verbazen.

58 Voorts hergaf ik den blik aan die hooge dingen, die zóó traag zich te

ons-waart bewogen, dat zij zouden verwonnen zijn door jonge bruiden.

61 De Vrouwe kreet tot mij: „Waarom toch brandt gij zóó in begeerte voor

de levende lichten, en op wat achter hen komt, acht gij niet?”

64 Luiden zag ik toen, als achter hunne gidsen, komen achter hen in het

wit gekleed; en zulke witheid was er nooit aan deze zijde.

67 Het water was in lichtglans aan mijn linkerkant en hergaf me ook

mijne linker-zijde, als ik daarin zag, als een spiegel.

70 Wanneer ik zóó dicht bij mijnen oever stond, dat alleen de stroom mij

[van dat alles] gescheiden maakte, bracht ik, om beter te zien, mijne

schreden tot stilstand;

73 en ik zag de vlammekens naar voren gaan, latende achter zich de lucht

gekleurd, en van getrokken penseelen hadden zij den schijn;

76 zóódat (de lucht) er boven bleef geschakeerd met zeven strepen, alle

in die kleuren, waarvan de zon haren boog maakt en Delia haren gordel.

79 Die vlaggen waren naar achteren grooter dan ik kon zien en naar mijne

schatting waren er tien schreden tusschen de voorste [en de achterste].

82 Onder zóó schoonen hemel, als ik [vertellende] verdeel, kwamen

vierentwintig ouderlingen, twee aan twee, bekranst met leliën.

85 Allen zongen: „Gezegend zijt gij onder de dochteren van Adam, en

gezegend zijn in eeuwigheid uwe schoonheden.”

88 Nadat de bloemen en de andere versche kruiden, tegenover mij op den

anderen oever, vrij waren van die uitverkoren lieden,

91 zóóals ['t eene] licht het [andere] licht opvolgt in den hemel,

kwamen achter hen vier dieren, elk bekranst met groen loover.

94 Elk was gevlerkt met zeven vlerken, de vlerken vol met oogen; en de

oogen van Argus zouden, zoo ze levend waren, aldus zijn geweest.

97 Om hunne gestalte verder te beschrijven kwist ik geene rijmen meer,

lezer; daar andere uitgave mij zóózeer nijpt dat ik in dezen niet mild

kan zijn.

100 Maar lees Ezechiël, die ze beschrijft, hoe hij ze zag van den kouden

kant komen met wind, met wolken en met vuur;

103 en hoedanig gij ze vinden zult in zijne geschriften, zóó waren ze

daar, behalve dat, voor de vederen, Johannes met mij is en van hem zich

scheidt.

106 De ruimte tusschen hen gevieren bevatte eenen triumfwagen, op twee

raderen, die kwam getrokken aan den hals van eenen griffoen.

109 En hij stak den éénen en den anderen vlerk omhoog tusschen de

middelste en de drie en drie strepen, zoodat hij geene, klievende, kwaad

deed.

112 Zóó hoog rezen zij, dat zij niet werden gezien; de leden had hij van

goud, zóó verre hij vogel was, en wit de andere met bloedrood gemengd.

115 Geen denken aan dat Rome met zoo schoonen wagen Scipio Africanus of

wel Augustus verheugde; maar [zelfs] die van de Zon ware arm bij dezen;

118 die van de Zon, die den weg bijster, werd verbrand, op de bede der

deemoedige Aarde, wanneer Jupiter in zijnen geheimen raad rechtvaardig

was.

121 Drie vrouwen rondom het rechter-rad kwamen dansende; de ééne zóó

rood, dat zij binnen in het vuur nauwelijks ware herkend;

124 de tweede was als of haar vleesch en beenderen van smaragd waren

gemaakt; de derde scheen sneeuw, zoo even neergekomen.

127 En nu schenen zij door de witte getrokken, dan door de roode, van

den zang van deze namen de anderen het snelle en het trage gaan.

130 Ter slinker maakten er vier een feest, in purper gekleed, volgende

de maat van ééne van haar, die drie oogen had in het hoofd.

133 Na de gansche voorzeide groep, zag ik twee ouden, in kleeding

verscheiden, maar gelijken in gebaren, eerlijk en ernstig.

136 De één toonde zich één der volgelingen van dien grooten Hippocrates,

dien de natuur maakte voor de wezens, die zij het liefste heeft.

139 De ander toonde de tegengestelde zorg met een zwaard, dat lichtend

was en scherp, zóódat het mij van den anderen kant der rivier vreeze

gaf.

142 Voorts zag ik vier in nederigen schijn, en achter allen eenen oude

alléén komen, slapende, met helder-ziend gelaat.

145 En deze zeven waren gekleed als die van den eersten stoet; maar van

leliën maakten zij rond om het hoofd geenen tuin;

148 maar van rozen en andere bloedroode bloemen: gezworen hadde, wie ze

van wat verder zag, dat allen brandden van boven de brauwen.

151 En wanneer de kar was tegenover mij, werd een donder gehoord; en

dien waardigen luiden scheen het verder gaan ontzeid te zijn,

154 daar zij stille stonden bij de eerste teekenen.

[decoratieve illustratie]

[decoratieve illustratie]

DERTIGSTE ZANG

Zie Beatrice, te midden van de feestelijke toejuichingen en

eerbetuigingen der Engelen. Virgilius is vertrokken en Dante weent.

Tot hem wendt zich de goddelijke Vrouwe, en gispt hem hevig over zijne

vergetelheid en ontrouw. Waardoor de Dichter zoo verbijsterd geraakt,

dat de Engelen zelf er erbarmen mede betuigen. Beatrice houdt niettemin

aan en, om hem meer te deemoedigen, ontvouwt zij hem zijne

ondankbaarheid en zijne dwalingen.

* * * * *

1 Wanneer het zevengesternte van den eersten Hemel, dat noch ondergang

ooit kende, noch opgang, noch sluier van eenigen anderen nevel dan

schuld,

4 en dat dáár een iegelijk indachtig maakte aan zijnen plicht, gelijk

het lagere [zevengesternte een iegelijk], die de roer-pen draait om in

de haven te geraken,

7 stille stond, keerde dat waarachtige volk, eerst gekomen tusschen den

griffoen en dat gesternte, zich tot de kar, als tot zijnen vrede:

10 en één van hen, of hij ware van den hemel gezonden: „kom mijne bruid

van den Libanon,” zingende, riep hij drie malen, en alle de anderen hem

nà.

13 Gelijk de zaligen bij den jongsten ban op zullen staan, vlug een

iegelijk uit zijne holte, het weer aangenomen vleesch op doende rijzen,

16 aldus op den goddelijken wagen, rezen er honderd, „op de stem van zóó

groot eenen grijsaard,” dienaren en boden des eeuwigen levens.

19 Allen zeiden: „Gezegend, gij die komt;” en bloemen werpende van

omhoog en in het rond: „Geeft, o geeft met volle handen leliën.”

22 Wel zag ik bij het beginnen van den dag het Oostelijk deel des hemels

gansch rooskleurig, en den overigen hemel met schoone wolkeloosheid

gesierd,

25 en het gelaat der zon beschaduwd geboren worden, zóó dat door de

matiging der dampen het oog haar langen tijd doorstond:

28 aldus, binnen eenen nevel van bloemen, die van de engelen-handen

oprees en nederviel binnen en buiten [den wagen]

31 met den olijf-krans boven den witten sluier, verscheen mij eene

vrouw, die, onder den groenen mantel, gekleed was met de verwe van

levende vlam.

34 En mijn geest,—daar het reeds zóó lang her was, sinds hij in hare

tegenwoordigheid van verstomming sidderende, was verbroken—

37 zonder door de oogen meer kennisse van haar te krijgen, voelde door

de verborgen kracht, die van haar uit ging, „het groot vermogen der oude

liefde.”

40 Zoodra de hooge deugd mij in de oogen trof, die mij had doorschoten

vóór ik buiten den knapenleeftijd was,

43 draaide ik mij ter slinker, met dat vertrouwen, waarmede het kindje

tot de moederborst snelt, wanneer het vrees heeft of bedroefd is,

46 om te zeggen tot Virgilius: „Minder dan een wichtjen bloed is mij

gebleven dat niet siddert: ik herken de teekenen der oude vlam;”

49 maar Virgilius had ons verlaten, zoodat wij van hem verstoken waren,

Virgilius, die zoetste vader, Virgilius, wien ik mij tot mijn heil had

overgegeven;

52 en dat alles, wat onze Oude Moeder (Eva) had verloren, vermocht niet

op mijne wangen, die van tranen vrij waren, zóóveel dat zij niet

weenende werden verduisterd.

55 „~Dante~, omdat Virgilius weggaat, ween niet meer, ween nog niet,

daar het om een ander zwaard u voegt te weenen.”

58 Gelijk een admiraal, die op vóór- en achter-steven komt om de lieden

te zien, die de andere schepen bedienen, en om wèl te handelen hen

aanmoedigt,

61 zóó zag ik, op den linkerrand der kar, wanneer ik mij keerde op het

geluid van ~mijnen naam, die noodzakelijkerwijze hier wordt

opgeteekend~,

64 de Vrouwe, die te voren mij verscheen gesluierd onder den

engelen-feesttooi, de oogen te mijwaart richten van gene zijde der

rivier.

67 Ofschoon de sluier, die haar daalde van het hoofd, omkranst met het

loover van Minerva, haar niet openbaar liet verschijnen,

70 ging zij, koninklijk, in het gebaar nog onmeedoogend, voort, gelijk

degene, die spreekt, en het warmere spreken nog achterhoudt:

73 „Aanschouw mij wèl: wèl ben, wèl ben ik Beatrice: hoe

~verwaardigdet~ gij u tot den berg toe te komen? Wist gij niet dat hier

de mensch gelukkig is?”

76 Mijne oogen vielen omlaag in de heldere bron, maar mij daarin ziende,

trok ik ze terug tot het gras: zoo groote schaamte bezwaarde mij het

voorhoofd.

79 Aldus dunkt de moeder trotsch den zoon, gelijk zij mij docht; omdat

bitter smaakt de strenge moederliefde.

82 Zij zweeg, en de engelen zongen plots: „In U Heer heb ik gehoopt;”

maar verder dan tot „mijne voeten” kwamen zij niet.

85 Zooals sneeuw te midden der levende balken over den rug van Italië

bevriest, als zij wordt beademd en genepen door de Slavonische winden,

88 voorts gesmolten in zich zelve druppelt, mèt dat het land, waar de

mensch zijn schaduw kwijt gaat, blaast, zooals men 't vuur de kaars ziet

doen smelten;

91 zóó was ik zonder tranen en zuchten vóór het zingen van degenen, die

altijd maat-houden, volgende de maten der eeuwige sferen.

Dante's Louteringsberg in proza overgebracht · 第 8 / 12 段