16 Zoo zeide hij eerst; en voorts: „Hier is niet verboden een elk te

noemen, vermits onze gelijkenis zóó weggeteerd is door de leefwijze.

19 Deze (en hij wees met den vinger) is Buonagiunta, Buonagiunta uit

Lucca: en dat aangezicht ginds van hem, meer dan de andere uitgehold,

22 had de heilige Kerk in zijne armen; van Tours was hij en boet door

vasten voor de paling van Bolsena en den witten wijn.”

25 Vele anderen noemde hij één voor één, en in het noemen schenen allen

tevreden, zóó dat ik daarom geen enkelen donkeren blik zag.

28 Ik zag van honger in het ijle de tanden gebruiken Ubaldijn dalla Pila

en Bonifazio, die met het spinrokken velen lieden tot herder was.

31 Ik zag den heer Marchese, die weleer te Forli tijd had om te drinken

met minder droogte van keel en nochtans zoo was, dat hij zich niet

verzadigd voelde.

34 Maar, gelijk hij doet die kijkt, en dàn het ééne meer prijst dan het

àndere, zóó deed ik met dien van Lucca, die meer van mij scheen te

willen weten.

37 Hij mompelde; en ik en weet welke „Gentucca” werd ik gewaar daar,

waar hij de marteling der gerechtigheid gewaar werd, die hem zoo plukt.

40 „O ziel,” zeide ik: „die zóó begeerig schijnt om met mij te spreken,

maak dat ik u versta, en bevredig u en mij door uw spreken.”

43 „Eene vrouw is geboren, en zij draagt nog niet den hoofdband,” begon

hij: „die u mijne stad zal doen bevallen, hoe ook de menschen haar

bevitten.

46 Gij zult henen-gaan met dit vóórzien: indien mijn mompelen u tot

dwalen zal hebben gebracht, zullen de feiten u verlichten.

49 Maar zeg of ik hier zie degene die te voren bracht de nieuwe rijmen,

beginnende: „Vrouwen, die begrip van liefde hebt.””

52 En ik tot hem: „Ik ben er één die, wanneer de Liefde iet mij

inblaast, het opmerk en op die wijze waarop zij het binnen in mij

dicteert, voortga het opteekenende.”

55 „O broeder, nu zie ik;” zeide hij: „den knoop, die den Notaris en

Guittone en mij weerhield aan deze zijde van den zoeten nieuwen stijl,

welken ik hoor.

58 Ik zie wèl hoe uwe pennen op den voet dengene die dicteert, volgen,

hetwelk met de onze voorzeker niet geschiedde.

61 En degene, die er zich toe zet de zaak verder te bekijken, hij ziet

niet meer van den éénen tot den anderen stijl.” En als tevreden gesteld,

zweeg hij.

64 Gelijk de vogelen, die langs den Nijl verwinteren, wel eens in de

lucht eenen dichten drom van zich maken, dan meer met haast vluchten en

gaan in een streep;

67 aldus [deden] de luiden, die daar waren: het aangezicht keerende,

verhaastten zij hun schrede, èn door de magerheid èn door de begeerte

licht zijnde.

70 En gelijk de mensch, die door draven vermoeid is, de gezellen laat

gaan en in stap gaat totdat het snel op en neer gaan van de borstkas tot

bedaren komt;

73 zoo liet Forese de heilige kudde voorbijgaan en ging achter mij aan,

zeggende: „Wanneer gebeure het dat ik u wederzie?”

76 „Ik weet,” antwoordde ik hem: „niet hoelang ik leef; maar alreede zal

mijn keeren niet zoo snel zijn, of met het verlangen zal ik eerder aan

den oever zijn,

79 omdat de plaats waar ik geplaatst ben om te leven, van dag tot dag

meer van het goede wordt ontdaan, en bestemd schijnt tot droeven

ondergang.”

82 „Dan ga,” zeide hij: „daar ik hem, die er het meeste schuld aan

heeft, zie aan den staart van een beest getrokken naar dàt dal, waar men

nooit de schuld kwijt gaat.

85 Het beest gaat bij elken stap sneller, altijd toenemende, totdat het

hem trapt en het lichaam schandelijk verminkt laat.

88 Niet hebben véél meer te draaien deze raderen (en hij richtte de

oogen ten hemel) dat u duidelijk zal worden dat wat mijn zeggen niet

meer kan verduidelijken.

91 Blijf gij nu achter, daar de tijd kostbaar is in dit rijk zóó, dat ik

te veel verlies door zóó gelijk met u op te loopen.”

94 Gelijk wel eens in galop de ruiter uitgaat van de ruiterschare, die

optrekt, en gaat om zich de eer te geven van den eersten aanval;

97 zóó scheidde hij van ons met groote schreden: en ik bleef terug met

die beiden, die van de wereld zóó groote maarschalken waren.

100 En wanneer hij aldus voor ons was heengetreden, dat mijne oogen hem

[evenmin] konden volgen als mijn geest zijne woorden;

103 verschenen mij de bezwaarde en levende takken van eenen anderen

appelboom, en niet verre verwijderd, daar wij eerst toen den weg

daarheen waren ingeslagen.

106 Ik zag lieden onder hem de handen opheffen en schreeuwen ik en weet

niet wat naar het loover, als begeerige en wufte kinderen,

109 die bidden, en de gebedene geeft geen antwoord; maar om hun begeerte

wèl hevig te maken, houdt hij wat zij begeeren hoog en verbergt het

niet;

112 voorts gaan zij er van weg, als ontgoocheld; ook wij kwamen alsnu

tot den grootsten boom, die zoovele beden en tranen afscheept.

115 „Passeert verder zonder hem te naderen; hooger op is een boom,

waarin gebeten werd door Eva, en deze plant stamt van gene af.”

118 Aldus tusschen de twijgen zeide er een ik weet niet wie, waarom

Virgilius en Statius en ik, op elkaar gedrongen, verder passeerden aan

die zijde die opgaat.

121 „Herinnert u,” zeide het: „de gemaledijden, in de wolken

geformeerden, die met tweevoudige borst, met wijn verzadigd, Theseus

bevochten:

124 en van de Hebreeuwen, degenen, die bij het drinken zich week

betoonden, waarom Gideon ze niet tot gezellen wilde, wanneer hij te

Madian-waart van de heuvelen daalde.”

127 Aldus, gedrongen tegen den eenen van de beide kanten, passeerden

wij, hoorend [voorbeelden van] schuld door gulzigheid, weleer gevolgd

door kwalijk bekomende winsten.

130 Voorts, in het ruime gekomen over den vrijen weg, begaven wij ons

wel duizend en meer passen verder, ieder beschouwende zonder een woord.

133 „Waarover denkende gaat gij aldus gedrieën alleen?” zeide plotseling

eene stem, waarop ik opschrok, zooals beesten doen verschrikt en

schichtig.

136 Ik richtte het hoofd om te zien wie het was; en nooit zag men in een

oven glas of metaal zoo lichtend en rood,

139 als ik er éénen zag, die zeide: „Zoo gij verlangt naar boven op te

gaan, voegt het u hier om te slaan; hier langs gaat al wie wil gaan ten

vrede.”

142 Zijn aanblik had mij het gezicht genomen; waarom ik afsloeg achter

mijne leeraren, gelijk iemand die gaat volgens wat hij hoort.

145 En gelijk, voorbode van het licht, de Mei-lucht ons aanvaart en

geurt, gansch bezwangerd door kruid en bloem;

148 zóó voelde ik me een wind komen midden op het voorhoofd, en wel

voelde ik de veder bewegen die me den geur van ambrozijn deed ruiken;

151 en ik hoorde zeggen „Wel-zalig wie zooveel genade verlicht, dat de

liefde tot [het genot van] den smaak in hun borst niet te veel verlangen

doet walmen, hongerende altijd zóóveel als gerecht is.

[decoratieve illustratie]

VIJF EN TWINTIGSTE ZANG

Op den nauwen weg, die van den Zesden Omgang leidt tot den Zevenden en

laatsten, vraagt Dante aan zijnen Meester hoe het wezen kan dat men zóó

vermagert daar waar men geen voedsel noodig heeft. Virgilius geeft hem

eenig antwoord, en voorts vraagt hij Statius om hem meer tevreden te

stellen. Deze, heuschelijk het verzoek inwilligende, maakt zich op om te

spreken van de generatie van het menschelijk lichaam, van de instorting

van den geest daarin, en van de wijze van bestaan na den dood. Gekomen

boven op den Omgang, vinden zij dezen gansch bezet door vlammen, behalve

den uitersten tand, en ze zien geesten daardoor heen en weder loopen

eenen lofzang zingende en beroemde voorbeelden van kuischheid roepende.

* * * * *

1 Het was de stonde dat het stijgen geen uitstel gedoogde, daar de Zon

den middagcirkel voor den Stier, en de Nacht dien voor den Skorpioen had

vrijgemaakt.

4 Waarom, gelijk de mensch doet, die niet stille staat, maar op zijnen

weg voortgaat, wat ook hem verschijne, als prikkel van nooddruft hem

steekt;

7 aldus traden wij binnen door de heg-opening, één vóór den ander, de

trap nemende, die door nauwte de bestijgers één voor één doet gaan.

10 En gelijk het ooievaars-jong, dat de vleugelen heft, uit begeerte tot

vliegen en zich niet waagt om het nest te verlaten, en ze weer strijkt;

13 zóódanig was ik, met de begeerte tot vragen, ontvlamd èn gedoofd,

komende tot dàt gebaar, hetwelk maakt degene, die zich tot spreken zet.

16 Niet liet om 't gaan, dat snel was, de zoete Vader mijn [het

spreken], maar hij zeide: „Schiet af den boog des sprekens, dien ge tot

het ijzer hebt gespannen.”

19 Toen opende ik vreesloos den mond, en ik begon: „Hoe kan men mager

worden daar waar de nooddruft van het voeden [ons] niet raakt?”

22 „Zoo ge u herinnerdet hoe Meleager wegteerde naar gelang van het

wegteren van een talhout, dàn ware,” zeide hij: „dit u niet zóó

moeilijk:

25 en zoo ge bedacht hoe, naar uw verloop, uw beeld binnen den spiegel

verloopt, zoude dat wat u moeilijk schijnt, u gemakkelijk schijnen.

28 Maar omdat gij gansch in uw begeeren opgaat, zie hier Statius, en hem

roep en verzoek ik, dat hij nu heeler zij van uwe wonden.”

31 „Zoo ik hem den eeuwigen blik open,” antwoordde Statius: „daar waar

gij bij zijt, verontschuldig mij: u kan ik niet weigeren.”

34 Voorts begon hij: „Zoo uw geest, mijn zoon, mijne woorden bewaart en

opneemt, zullen zij u worden een licht, voor het „hoe” dat gij zegt.

37 Volmaakt bloed, dat nooit gedronken wordt door de dorstige aderen en

blijft als voedsel, dat ge van den disch opneemt,

40 neemt in het hart een vormend vermogen tot [het vormen van] alle

menschelijke leden; gelijk dat [bloed] dat door de aderen gaat om zich

tot deze [tot ledematen] te maken.

43 Nog [meer] verwerkt, daalt het tot waar het schooner is te zwijgen

dan te spreken; en vandaar voorts wordt het overgestort tot eens anders

bloed in een door de natuur daartoe bestemd vat.

46 Daar komt het een en 't ander bloed te zamen, het een bestemd tot

lijden, het ander tot doen, wegens de volmaakte plaats [het hart]

vanwaar het wordt gestuwd;

49 en is dàt gekomen, dan begint dit te werken, eerst het stremmende en

voorts maakt het levend dat wat 't door zijne stof deed tot vastheid

komen.

52 Wanneer het doende vermogen tot ziel is geworden, als van eene plant,

maar zooverre verschillend, dat deze is op weg en gene [de plant] reeds

aan de kust [aangekomen],

55 werkt het zóóveel uit, dat zij [de ziel] reeds zich beweegt en gewaar

wordt, als een zee-zwam; en daar begint [dat vermogen] in te richten de

vermogens, van welke het zijn oorsprong heeft.

58 Nu ontvouwt zich, mijn zoon, en zet zich uit het vermogen, dat

[afkomstig] is uit het hart des verwekkers, vanwaar de natuur naar alle

ledematen [haar krachten] stuwt.

61 Maar hoe hij van dier wordt redelijk wezen, dat ziet gij nog niet:

dit is zulk een punt dat het ook eenen wijzere, dan gij zijt, deed

dwalen;

64 zóó dat hij, in zijne leer het ~mogelijk~ verstand gescheiden maakt

van de ziel, omdat hij van dat verstand geen orgaan ziet in beslag

genomen.

67 Open de borst voor de waarheid, die komt, en weet dat, zoodra bij de

ongeboren vrucht de bewerktuiging der hersenen is voltooid,

70 de Schepper [Eerste Veroorzaker] zich daartoe keert blijde, over zóó

groot gewrocht der natuur, en het inblaast eenen nieuwen levensgeest van

deugd vervuld,

73 die den werkenden geest, dien hij daar vindt, tot zijne

zelfstandigheid trekt, en daarmede wordt tot ééne ziel, die leeft en

gewaar wordt en tot zich zelve terugkeert.

76 En opdat gij minder u verwondert over mijne woorden, zie naar de

warmte der zon, die wijn wordt, verbonden met het vocht, dat van den

wingerd doorzijgt.

79 En wanneer Lachesis geen draad meer heeft, ontbindt zij [de ziel]

zich van het vleesch, en neemt in mogelijkheid met zich èn het

menschelijke èn het goddelijke.

82 [Dan zijn] alle de andere vermogens stom; [maar] geheugen, begrip en

wil, in hunne werking, veel scherper dan te voren.

85 Zonder vertoeven, komt zij uit zich zelve op wonderdadige wijze neder

op eene van de oevers; dáár eerst verneemt zij haren weg.

88 Zoodra eene plaats haar daar aan zich bindt, straalt het vormend

vermogen rondom uit, in zoo groote en zoodanige mate als in de levende

leden.

91 En gelijk de lucht, wanneer die gansch gedrenkt is van regen, door de

zonnestralen, die in haar worden weerkaatst, met bonte kleuren zich

toont getooid;

94 zoo schikt zich de naburige lucht in zulke gestalte, welke in haar

stempelt door haar vermogen de ziel die daar in stand hield:

97 en voorts gelijkende de vlam, die met het vuur meeloopt waarhenen

zich dat ook begeeft, volgt den geest zijne nieuwe gestalte.

100 Omdat hij voortaan dáárvan zijn voorkomen heeft, wordt hij ~schimme~

of ~schaduw~ genoemd, en daarin vormt hij zich alle zintuigen tot

[zelfs] het gezicht.

103 Dáárin nu spreken, daarin nu lachen wij, daarin maken wij de tranen

en de zuchten, de welke gij langs dezen berg hebt kunnen ontwaren.

106 Al naar de wijze waarop de begeerten en de andere aandoeningen ons

aandoen, vormt zich de schimme, en dat is de oorzaak van wat gij, u

verwonderend, aanschouwt.”

109 En reeds was tot de laatste pijniging gekomen door ons, en gekeerd

ter rechterhand en we waren aandachtig tot andere zorge.

112 Daar werpt de rotswand vlammen van zich uit, en de rand blaast adem

naar boven, die de vlam terug dringt en haar ver van den rand houdt.

115 Zoodat het ons voegde te gaan aan den openen kant, één voor één, en

ik vreesde het vuur hier, en ginds vreesde ik het vallen naar beneden.

118 De Gids mijn zeide: Langs deze plaats moet men aan de oogen strak de

teugels houden, omdat men dwalen kon door kleinen [misstap].

121 „Summae Deus clementiae” hoorde ik toen zingen in den boezem van den

grooten brand, hetwelk niet minder deed mij er op bedacht zijn me

daarheen te wenden.

124 En zielen zag ik gaand door de vlammen, waarom ik schouwde naar hen

en naar mijne schreden, het kijken nu en dan afwisselende.

127 Na het einde, dat aan het zingen werd gemaakt, riepen zij luide:

„Virum non cognosco;” voorts herbegonnen zij den zang met zachtere

stemmen.

130 Was het uit, wederom zongen zij: „In het woud hield zich Diana op,

en Elice joeg zij er uit, daar die Venus' aanraking had gevoeld.”

133 Voorts wendden zij zich tot het zingen; voorts riepen zij [namen

van] vrouwen en van gehuwde mannen die kuisch waren, gelijk deugd en

huwelijk hun opgelegd had.

136 En deze wijze, geloof ik, dat voor hen volstaat, gedurende den

ganschen tijd dat het vuur hen brandt: met zulke zorge en met zulke

spijze voegt het dat de laatste wonde zich sluite.

[decoratieve illustratie]

[decoratieve illustratie]

ZES EN TWINTIGSTE ZANG

Zij, die zich te buiten gingen in genietingen, louteren zich van dit

onreine vuur, te midden van de vlammen den berg omkringende in twee

aan elkaar tegengestelde scharen. Dante onderhoudt zich met Guido

Guinicelli, en voorts met Arnaut Daniel, Provençaalsch dichter.

* * * * *

1 Terwijl aldus langs den rand, de een voor den ander, wij voortgingen,

zeide dikmalen de goede Meester: „Wees op uwe hoede; verheug u dat ik u

beschut.”

4 Op den rechter schouder trof mij de zon, die reeds, stralende, gansch

het Westen van hemelsch blauw verschieten deed tot eenen witten aanblik;

7 en ik deed met mijne schaduwe de vlam meer blozend verschijnen, en

toch reeds op zoo klein een kenteeken zag ik vele schimmen, al gaande,

hunne aandacht vesten.

10 Dit was de oorzaak, die hun eenen aanvang gaf om te spreken van mij;

en zij begonnen te zeggen: „Deze blijkt geen schijn-lichaam.”

13 Voorts maakten eenigen zóóverre als zij konden, zich op tot mij,

altijd met zorge niet uit te gaan tot daar waar zij niet zouden worden

verbrand.

16 „O gij, die gaat, niet omdat gij trager zijt, maar wellicht uit

eerbied, achter de anderen, antwoord mij, die in dorst en in vuur

brande:

19 en niet alleen mij is uw antwoord van noode; daar alle dezen er

grooteren dorst naar hebben, dan naar koud water Indiaan of Ethiopiër.

22 Zeg ons hoe het is dat gij van u zelven eenen muur maakt voor de zon,

alsof gij nog niet binnen het net des doods waart getreden.”

25 Zoo sprak mij één van dezen en ik zoude mij reeds hebben geopenbaard,

zoo ik niet oplettend ware geworden op andere nieuwigheid, die toen zich

voordeed:

28 daar door het midden van den in brand gestokenen weg lieden kwamen

met het aangezicht genen tegemoet, welke mij vol verwachting maakten om

toe te zien.

31 Daar zie ik van elken kant elke schim zich haasten, en de een de

ander kussen, zonder stille te staan, tevreden met zóó kort festijn.

34 Aldus binst hunne donkere schare raakt de eene de andere mier met den

snuit, wellicht om te speuren elkander reize en elkanders lot.

37 Zoodra zij uitéén gaan van de lievende begroetenis, nog voor zij tot

de eerste schreden zich bewegen, bemoeit zich elke boven de anderen uit

te schreeuwen,

40 de nieuwgekomen luiden: „Sodom en Gomorrah!” en de anderen: „In de

koe kroop Pasiphaë, dat de stier tot haar minneweelde kwam.”

43 Voorts, als kraanvogels, die vlogen deels naar de Ripaeische bergen,

deels naar de zanden [der woestijnen], dezen de koude, genen de zonne

schuwende;

46 het ééne volk gaat henen, het andere komt, en zij keeren weenende tot

hunne eerste liederen, en tot dien kreet, die hun het meest voegelijk

is;

49 en zij praaiden mij wederom, gelijk te voren, diezelfden die mij

hadden gebeden, en vol aandacht waren zij om te luisteren in hun

voorkomen.

52 Ik die twee malen hun begeerte had gezien, begon: „O zielen verzekerd

van te hebben, wanneer het ook zij, eenen staat van vrede,

55 niet zijn mijne ledematen noch onrijp noch rijp aan gene zijde

gebleven, maar zij zijn hier met mij met hun bloed en met hunne

samenvoegingen;

58 daar omhoog ga ik om niet langer blind te zijn: eene vrouw is omhoog,

die de genade voor mij heeft gewonnen, door welke [genade] ik mijn

sterfelijk [deel] door uwe wereld tors.

61 Maar zóó waarlijk uwe grootere begeerte spoedig verzadigd worde,

zóódat de hemel u herberge, die vol is van liefde en zich al wijder

ruimt,

64 zeg mij, opdat ik er nog papieren mee bestrepele, wie zijt gij, en

wie is gene drom, die weg gaat achter van uwe ruggen?”

67 Niet anders ontstelt zich verstomd de bergbewoner, en schouwende

staat hij sprakeloos, wanneer hij, ruw en onbehouwen ter stede komt,

70 als elke schim in haar voorkomen deed; maar nadat zij ontlast waren

van de ontsteltenis die in hooge harten dra zich matigt:

73 herbegon degene die het eerst had gevraagd: „Welzalig gij, die van

onze gewesten, de hoop medeneemt om beter te leven!

76 De lieden die niet met ons mede gaan, misdeden in dat, waarom

voorhenen Caesar, triompheerende, zich in zijn gezicht, „koningin”

hoorde noemen;

79 daarom gaan zij henen „Sodom” roepende, in zich gispende, gelijk gij

gehoord hebt, en helpen zij den brand door zich te schamen.

82 Onze zonde is die van Hermafrodiet; maar omdat wij niet hielden

menschelijke wet, als beesten onzen lust volgend,

85 wordt tot onze eigene schande door ons aangeroepen, wanneer wij van

elkanderen gaan, de naam van degene die zich tot beest maakte in het tot

beest gemaakte hout.

88 Nu weet gij onze daden en weet waaraan wij schuldig waren; zoo ge

wellicht bij name weten wilt wie [allen] we zijn; er is geen tijd om het

te zeggen en gij zult het niet weten.

91 Den wensch echter omtrent mij zal ik u bevredigen; ik ben Guido

Guinicelli, en reeds word ik gelouterd daar 't mij wel rouwde vóór mijn

levens-einde.”

94 Hoedanig bij de droefenis van Lycurgus de twee zonen werden op het

weerzien der moeder, zóó werd ik, maar niet tot zóó groote daad verrijs

ik,

97 wanneer ik zich zelven noemen hoorde den vader van mij en zoovele

anderen, die beter zijn dan ik, die ooit in rijmen, zoete en gevallige,

spraken van minne:

100 en zonder te hooren en te spreken ging ik peinzende eene lange wijle

hem aanziende, toch kwam ik wegens het vuur hem niet nader.

103 Toen ik van hem te zien verzadigd was, bood ik mij hem bereid tot

zijnen dienst, met zulke verzekering als iemand doet gelooven.

106 En hij tot mij: „Gij laat door wat ik hoor, in mij zulk een spoor

en zoo duidelijk, dat Lethe het niet kan wegnemen of verduisteren.

109 Maar zoo zooeven uwe woorden de waarheid bezwoeren, zeg mij wat de

reden is waarom gij toont in uw spreken en uw blikken mij lief te

hebben.”

112 En ik tot hem: „De zoete woorden uwe, die, zoolang de hedendaagsche

spreekwijze zal duren, de geschriften waarin ze bevat zijn, zullen

dierbaar maken.”

115 „O broeder,” zeide hij: „gene, dien ik u aanwijs met den vinger (en

hij wees voor ons uit er éénen met den vinger aan), was beter werkman in

de moederlijke sprake.

118 Gedichten van minne en proza-verhalen, hij overtrof ze alle en laat

de dwazen [vrij] zeggen die gelooven dat die van Limoges hèm overtreft.

121 Zij richten de gezichten meer naar het gerucht dan naar de waarheid

en aldus vesten zij hunne meening vóórdat kunst of rede door hen wordt

gehoord.

124 Aldus deden vele ouden met Guittone, de één den ander nasprekend om

hem lof te geven, totdat met meerdere personen de waarheid hem heeft

overwonnen.

127 Dies, indien gij zoo ruim een voorrecht hebt, dat het u veroorloofd

zij te gaan tot het klooster, in het welk Christus abt is van het

Collegium,

130 doe bij hem voor mij een Pater noster, tot zóóver als wij nog in

deze wereld noodig hebben, waar we nu niet meer het vermogen tot

zondigen hebben.”

133 Voorts, wellicht om eene tweede plaats te geven aan een ander, dien

hij bij zich had, verdween hij in het vuur, gelijk door het water een

visch die naar den bodem gaat.

136 Ik ging een weinig naar voren tot dengene, die mij gewezen was, en

zeide dat mijn verlangen zijnen naam een welgevallige plaats inruimde.

139 Hij begon vrijmoediglijk te zeggen: „Zoozeer bevalt mij uwe hoofsche

vraag, dat ik me u noch kan noch wil verbergen.

142 Ik ben Arnaut, die ween en ga zingende; herdenkend zie ik mijne

vroegere dwaasheid, en blijde zie ik de blijdschap die ik weldra hope.

145 Nu bid ik u bij dat vermogen, dat u geleidt tot den top, die is

zonder koude en zonder warmte, gedenk mijne smart te lenigen.”

148 Voorts verborg hij zich in het vuur dat hem nabij was.

[decoratieve illustratie]

[decoratieve illustratie]

ZEVEN EN TWINTIGSTE ZANG

De Engel, die den toegang bewaakt, waarschuwt de Dichters dat om te

stijgen ze door de vlammen moeten gaan. Bij deze aankondiging wordt

Alighieri ontsteld en weifelt, totdat hij, door den Meester getroost,

den doortocht doet. Op de trap overvalt hen bijna plotseling de nacht.

Dante slaapt in en heeft een droom-gezicht. Wanneer hij met den dag den

tocht hervat heeft, komt hij aan het aardsche Paradijs, waar Virgilius

hem zegt dat nu zijn taak is volbracht en dat hij hem van nu aan zijn

eigen heer laat zijn.

* * * * *

1 Gelijk wanneer de Zon hare eerste stralen drilt, daar waar haar Maker

zijn bloed vergoot, terwijl de Ebro onder de hooge Weegschaal valt,

4 en de wateren van den Ganges door den noen worden geschroeid, zóó

stond de Zon; waarom de Dag wegging, wanneer de Engel Gods blijde ons

verscheen.

7 Buiten de vlam stond hij op den rand, en zong: „Zalig de reinen van

harte,” in stemme veel meer levend dan de onze.

10 Voorts: „Verder gaat men niet, zoo niet te voren, o heilige zielen,

het vuur u bijt; treedt er binnen, en weest niet doof voor het zingen

van ginds,”

13 sprak hij tot ons, toen wij hem nabij waren; waardoor ik zoo werd,

toen ik hem verstond, als degene is, die in den kuil wordt gelegd.

16 De gevouwen handen opheffende, strekte ik mij naar voren, ziende naar

het vuur en mij heftig verbeeldende menschelijke lichamen, die ik wel

eens in brand gestoken had gezien.

19 Tot mij wendden zich mijne goede geleiders en Virgilius zeide tot

mij: „Zoon mijn, hier kan marteling zijn, maar geen dood.

22 Herinner u, herinner u.. en, zoo ik boven op dien Gerion u veilig heb

geleid, wat zal ik doen nu ik ben veel nader bij God?

25 Geloof voorzeker dat, al stondt ge binnen de bedding van dit vuur wel

duizend jaren, het u niet één haar kaler konde maken.

28 En zoo gij wellicht geloovet dat ik u bedriege, maak u op tot de

vlam, en laat het u bewijzen met uwe handen aan den zoom van uwe

slippen.

31 Leg af van nu, leg af alle vreeze: keer u ginds heen en kom onbezorgd

tot den overkant.”

En ik [bleef] stil, ook tegen [beter] weten.

34 Toen hij mij nochtans zag blijven staan, stil en onbewegelijk, [toen]

een weinig onthutst, zeide hij: „Nu zie, zoon, tusschen Beatrice en u is

deze muur.”

37 Gelijk bij den naam van Thisbe Piramus vlak voor den dood de oogleden

opende en naar haar keek, ten tijde dat de moerbei bloedrood werd;

40 alzoo, toen mijne hardheid zacht was gemaakt, keerde ik mij tot den

wijzen Gids, den naam hoorende, die altijd in mijnen geest weerbaûwt.

Dante's Louteringsberg in proza overgebracht · 第 7 / 12 段