136 „Eere zij God”: zeiden allen, „in den hoogen” naar wat ik van dichte

bij vernam, vanwaar de kreet kon verstaan worden.

139 Wij bleven staan onbewegelijk en in afwachting, als de herders, die

voor het eerst dien zang hoorden, totdat het beven ophield en die zang

werd afgezongen.

142 Voorts hervatten wij onzen heiligen weg, ziende naar de schimmen,

die ter aarde lagen, reeds wedergekeerd tot hun gewone geween.

145 Geene onwetendheid maakte ooit met zulk eene kwelling mij begeerig

tot weten, als mijne heugenis daarin niet dwaalt,

148 als ik me toescheen toen al denkende te hebben, noch bij het haastig

voorwaarts gaan, durfde ik het vragen,

150 noch uit me zelven konde ik er iets van zien. Zóó ging ik verder,

beschroomd en peinzend.

NA-SCHRIFT BIJ ZANG XX

Nu Dante, te midden der louterende zielen, al nader en nader zijne

eigene loutering komt en de berg weldra, van vreugde over Dante's

loutering—zooals in XXI wordt uitgelegd—beven zal, geeft de

verschijning van Hugo Capet Dante gelegenheid zijne verbittering te

uiten tegen de Fransche Koningen, Hugo's afstammelingen, allermeest

tegen Karel van Valois (vs. 70–78) die in 1301 zonder leger in Italië

gekomen, door Paus Bonifacius in staat werd gesteld een leger te werven

en daarmede Florence bezette, de partij der Witten deed vallen en

Dante's ballingschap veroorzaakte.

Ook is merkwaardig hoe Dante zijne verontwaardiging uitspreekt over het

gevangen nemen van dienzelfden Bonifacius door Philips den Schoonen.

Immers over de handelwijze van dezen Paus was Dante ten zeerst

vertoornd; toch deed zijn onwrikbare eerbied voor het Pausdom hem in

deze gevangenneming een gruwel-daad zien.

[decoratieve illustratie]

[decoratieve illustratie]

EEN EN TWINTIGSTE ZANG

Terwijl de Dichters zich haasten naar de trap, zien zij zich begroet

door eene Schim, die hun achterop kwam. Deze door Virgilius wederom

gegroet, verkrijgt op zijne vragen een antwoord en gevraagd zijnde,

openbaart hij de oorzaak van het schudden des bergs en ook eenige zaken

van zijn leven.

* * * * *

1 De dorst van onzen aard, die nooit wordt gelescht dan met het water

waarvan het Samaritaansche vrouwtje de genade vroeg,

4 pijnigde mij; en noopte mij tot haast over den belemmerden weg, achter

mijnen Gids; en medelijden voelde ik met rechtvaardige wraak.

7 En zie, zooals Lucas ervan schrijft, dat Christus verscheen aan twee,

die op den weg waren, reeds opgestaan uit de holte van het graf;

10 verscheen ons eene schimme en kwam achter ons, aan hare voeten ziende

naar de menigte, die ligt; en wij werden haar niet gewaar, tot ze sprak,

13 zeggende: „Broederen mijn, God geve u vrede.” Wij keerden ons

plotseling, en Virgilius gaf hem dàt teeken tot antwoord, dat past bij

zulke begroeting.

16 Voorts begon hij: „In de vergadering der gelukzaligen zette in vrede

u dat waardige Hof, dat mij tot eeuwige verbanning verwijst.”

19 „Hoe?” zeide hij (en snel gingen wij een stuk verder): „zoo gij

schimmen zijt, welke God niet boven eene plaats waardig keurt, wie heeft

u op Zijne trap zóó ver geleid?”

22 En de Leeraar mijn: „Zoo gij schouwt naar de teekenen, welke hij

draagt en welke de engel teekent, zult ge zien dat het voegt, dat hij

met de goeden regeere.

25 Maar omdat zij, die dag en nacht spint, voor hem nog niet het kluwen

had afgesponnen, dat Cloto voor een ieder [op het rokken] legt en

schikt,

28 kon zijne ziel, die van de uwe en de mijne zuster is, omhoog komende,

niet alleen komen; waarom hij ook niet naar onze wijze rond-blikt;

31 vandaar dat ik werd getogen buiten den ruimen muil der hel om hem te

wijzen, en ik zàl hem wijzen verder, zooverre als hem mijne leering kan

leiden.

34 Maar zeg mij of gij weet waarom zulke stooten zooeven de berg gaf, en

waarom allen eenstemmig schenen te schreeuwen overal op den berg tot

zijne zachte voeten?”

37 Aldus vragende trof hij mij in het oog van de naald mijner begeerte,

zoo dat immers door de hoop mijn dorst minder nuchter begon te worden.

40 Gene begon: „Niets is er wat de heiligheid des bergs gevoelt buiten

de orde of wat buiten de gewoonte zij.

43 Vrij is het hier van alle verandering: door wat de Hemel van zich

zelven in zich zelven ontvangt, kan hier verandering zijn, maar door

geene andere oorzaak:

46 waarom noch regen, noch hagel, noch sneeuw, noch dauw, noch rijp meer

naar boven valt dan de korte trap van drie treden.

49 Noch dikke nevelen verschijnen hier, noch ijle, noch 't rossig

weerlicht, noch de dochter van Thaumas, die ginds dikmaals van

windstreek wisselt.

52 Droge damp rijst nooit verder dan tot de hoogste der drie treden, die

ik noemde, waar de stadhouder van Petrus de voetzolen heeft.

55 Meer naar beneden heeft het bij geval weinig of veel, maar door wind,

die in de aarde zich verbergt, ik en weet hoe, beefde het hier boven

nooit.

58 Het beeft er wanneer eenige ziel zich rein voelt zóó, dat zij

oprijst, of zich opmaakt om op te stijgen, en zulk een kreet

verzelschapt haar.

61 Van de reinheid geeft het éénig willen het bewijs, dat, gansch vrij

om van woonplaats te veranderen, de ziel inneemt; en het willen lust

haar.

64 [Ook] eerder wil zij het goede; maar de begeerte laat haar niet

[vrij], welke de goddelijke gerechtigheid tegen ['s menschen] wil,

gelijk zij tegen het zondigen was, richt op de loutering.

67 En ik die vijfhonderd jaren en meer gelegen heb om dit lijden (der

loutering te ondergaan) voelde eerst nu vrijen wil tot betere

verblijfplaats.

70 Dáárom voeldet gij de aardbeving en gaven de vrome geesten rondom op

den berg lof aan dien Heer, die weldra hen opwaarts zende.”

73 Aldus zeide hij; en omdat men zooveel genot heeft van het drinken als

de dorst groot is, zoude ik niet weten te zeggen hoezeer hij mij baatte.

76 En de wijze Gids [zeide]: „Alsnu zie ik het net, dat hier u grijpt,

en hoe men het ontkomt, waar om het hier beeft en waarover gij u mede

verblijdt.

79 Nu gevalle het u dat ik wete wie gij waart, en uit uwe woorden

begrijpe ik, waarom gij hier zóó vele eeuwen gelegen hebt.”

82 „Ten tijde dat de goede Titus met behulp van den hoogsten Koning de

gaten wreekte, waar het bloed uitging, door Judas verkocht,

85 was ik daarginds met den naam, die het meest duurt en het meest

eert,” antwoordde die geest, „wel befaamd, maar nog zonder geloof.

88 Zóó zoet was de geest mijner zangen, dat Rome mij, den Tolosaan, tot

zich trok, en dáár verdiende ik het de slapen met myrte te sieren.

91 Nog noemt het volk daarginds mij Statius; ik zong van Thebe, en

voorts van den grooten Achilles; maar ik viel op den weg met den tweeden

last.

94 Voor mijnen brand waren het zaad de vonken, die mij warmden, van de

goddelijke vlam, waaraan meer dan duizend zijn ontstoken;

97 Van de Aeneïs spreek ik, welke mij moederborst was, en zij was mij

zoogster bij het dichten: zonder haar hadde ik niet het wicht van een

drachme tot vasten vorm gebracht.

100 En, om ginds geleefd te hebben wanneer Virgilius leefde, zoude ik

gaarne toestemmen in éénen zonnegang méér dan ik verschuldigd ben,

voordat ik uit mijn ballingschap zoude uitgaan.”

103 Deze woorden wendden Virgilius tot mij, met een aangezicht, dat

zwijgende zeide: „Zwijg!” Maar niet alles kan dàt vermogen [in ons] dat

wil;

106 daar lachen en geween zoo volgzaam zijn voor de aandoening waarvan

elk ontspringt, dat ze het minst den wil volgen in de waarachtigste

menschen.

109 Toch glimlachte ik, als een mensch, die een teeken [van

verstandhouding] geeft; waarom de schimme zweeg, en mij in de oogen zag,

waar de gelijkenis [der ziel] allermeest wordt uitgedrukt.

112 En: „Zoo waarlijk moogt gij zóó groot werk tot een goed einde

brengen,” zeide hij: „waarom vertoonde uw gelaat een weerlicht van

gelach?”

115 Nu ben ik van den éénen en den anderen kant besprongen: de ééne doet

mij zwijgen, de andere bezweert mij dat ik zegge: waarom ik zucht en

gegrepen word.

118 „Zeg het,” zeide mijn Meester: „en heb geen vrees te spreken, maar

spreek en zeg hem dat wat hij met zóó grooten nadruk vraagt.”

121 Waarom ik: „Wellicht dat gij u verwondert, geest uit de oudheid,

waarom ik dat lachen deed; maar meer verwondering wil ik dat u grijpe.

124 Deze, die mijne oogen ten hoogen leidt, ~is~ die Virgilius, van wien

gij kracht kreegt om te zingen van goden en menschen.

127 Zoo gij gelooft dat er een andere reden was voor mijn lachen, laat

haar varen als niet waar; en geloof dat die woorden het zijn die gij

over hem zeidet.”

130 Reeds knielde hij om mijnen leeraar de voeten te omhelzen; maar deze

zeide: „Broeder, doe dat niet, daar gij eene schimme zijt en gij eene

schimme ziet.”

133 En hij opstaande (zeide): „Nu kunt gij de hoe-grootheid vatten van

de liefde, die tot u mij verwarmt, wanneer ik onze ijdelheid vergeet, de

schimmen behandelende als een ondoordringbare zaak.”

[decoratieve illustratie]

TWEE EN TWINTIGSTE ZANG

~Opstijging tot den Zesden Omgang.~

Gedurende den tijd dat zij naar den Zesden Ommegang opstijgen verhaalt

Statius aan Virgilius hoedanige zonden hem zóó lang op de Plaats der

Loutering hebben gehouden, en hoe hij gekomen was tot het Christelijk

Geloof. Daarna deelt Virgilius hem nieuws mede over vele groote en

befaamde personen, die in den Limbus zijn. Wanneer de Dichters op den

Ommegang zijn aangekomen en eenige schreden ter rechter hebben gedaan,

zien zij een boom, vol met geurige appelen, van waaruit eenige stemmen

opgaan die aansporen tot ingetogenheid.

* * * * *

1 Reeds was de Engel achter ons terug gebleven, de Engel, die ons geleid

had tot den Zesden Omgang, hebbende mij van het aangezicht één

merkteeken afgestreken,

4 en degenen, die tot gerechtigheid hunne begeerte hebben, hadden

gezegd: „Welgelukzalig”; en hunne stemmen deden dat af met „die dorst

hebben” zonder meer.

7 En ik, lichter dan door de andere doorgangen, ging verder, zóó dat ik

zonder eenigen arbeid volgde omhoog de vlugge geesten;

10 wanneer Virgilius begon: „Liefde, ontstoken door deugd, ontstak

altijd den ander [tot wederliefde] als maar hare vlam zich openbaarde.

13 Dès, sindsdien te midden van ons in den zoom der Hel Juvenalis

nederdaalde, die uwe genegenheid [te mijwaart] mij openbaarde,

16 was mijne welwillendheid te u-waart meer dan elke, die me ooit

beroerde voor een niet geziene persoon, zóó dat nù deze treden mij kort

schijnen.

19 Maar zeg mij, en als vriend vergeet me als te groote veiligheid me

den teugel viert, en wil als vriend met me redeneeren:

22 hoe kon binnen in uwe borst gierigheid eene plaats vinden, bij zoo

groot verstand, waarvan gij door uwe zorge vol waart?”

25 Deze woorden deden Statius eerst een weinig tot lachen komen; voorts

antwoordde hij: „Al uw spreken is me een dierbaar teeken van uw liefde.

28 In waarheid meerdere malen vertoonen zich dingen, die valsche stof

tot twijfelen geven, wegens de ware redenen die verborgen zijn.

31 Uw vraag bewijst me dat uw gelooven is, dat ik gierig was in het

andere leven, wellicht wegens dien cirkel waar ik was:

34 dan weet dat gierigheid te zéér van mij verscheiden was, en wegens

ònmatigheid hebben een duizendtal maanden mij gestraft.

37 En zoo het niet ware dat ik mijne zorg de goede richting gaf, wanneer

ik tot inkeer kwam daar waar gij uitroept, als vertoornd op den

menschelijken aard:

40 „Waartoe, brengt gij niet, o vervloekte gouddorst de begeerte der

stervelingen?” zoude ik, om- en omkeerende voelen de grimme toernooien.

43 Toen werd ik gewaar dat de handen al te veel de vleugelen konden

openspreiden om uit te geven, en mij rouwde des, evenzeer als van de

andere zonden.

46 Hoevelen zullen er verrijzen met de haren uitgetrokken wegens de

onwetendheid, die bij het leven en bij het uiteinde het berouw over deze

zonde wegneemt!

49 En weet dat de schuld, die door rechte tegenoverstelling een zonde

weerkaatst, tegelijk hiermede zijn groenheid droogt.

52 Daarom, zoo ik te midden van die luiden geweest ben, om mij te

louteren, die de gierigheid beweenen, is mij dat door haar tegendeel

overkomen”.

55 „Des, toen gij zongt de wreede wapenen van de dubbele droefenis van

Iocaste,” zeide de Zanger der Herders-zangen:

58 „bij dàt wat Clio daar met u tokkelt, blijkt nog niet dat dat geloof

u tot zijne getrouwen gemaakt had, zonder 't welk goed te doen niet

genoeg is.

61 Indien het zóó is, welke zon en welke kaarsen ontduisterden u

zóódanig, dat gij voorts de zeilen achter den Visscher aanstuurdet?”

64 En hij tot hem: „Gij hebt mij eerst den weg opgestuurd naar den

Parnassus om te drinken in zijne grotten, en voorts hebt gij na God mij

verlicht.

67 Gij hebt gedaan als degene, die bij nacht gaat, die het licht achter

zich draagt, en zich zelven niet helpt, maar achter zich de personen

onderricht maakt;

70 wanneer gij zeidet: „De eeuw hernieuwt zich: de Gerechtigheid en de

eerste tijd des menschdoms keert; een nieuw kroost daalt uit den Hemel

neder.”

73 Door u was ik dichter, door u Christen: maar opdat ge beter ziet dat

wat ik teeken, zal ik de hand uitstrekken om te kleuren.

76 Reeds was de wereld gansch-en-al zwanger van het ware geloof, gezaaid

door de boodschappers van het eeuwige rijk;

79 en uw woord, hier-boven geciteerd, was zoo zeer in saam-klank met de

nieuwe predikers; waarom ik gewoonte nam om ze te bezoeken.

82 Zij werden mij, door hun verschijnen, zóó heilig dat, wanneer

Domitianus ze vervolgde, hunne klachten niet waren zonder mijn weenen.

85 En zóó lang door mij ginds werd vertoefd, herinnerde ik mij hunner,

en hunne rechte zeden deden me alle andere secten minachten;

88 en vóór ik dichtende de Grieken leidde tot de stroomen van Thebe, had

ik den doop; maar uit vrees was ik een verholen Christen,

91 langen tijd heidendom vertoonende: en deze lauwheid deed mij den

vierden ommegang meer dan het vierde honderd-tal van jaren omgaan.

94 Gij nu, die het deksel hebt opgelicht, dat me verborg zóó groot een

goed, waarvan ik spreek, terwijl we door het stijgen overvloed van tijd

hebben,

97 zeg mij, waar Terentius is, onze oude dichter, Caecilius, Plautus en

Varro, zoo gij het weet: zeg mij of zij veroordeeld zijn en in welk

kwartier.”

100 „Dezen, en Persius, en ik, en vele anderen,” antwoordde mijn Gids,

„zijn te zamen met dien Griek, dien de Muzen zoogden meer dan ooit

eenigen anderen,

103 in den eersten cirkel van den duisteren kerker. Dikmaals

onderhouden wij ons van dien berg, die onze voedsters altijd bij zich

heeft.

106 Euripides is daar met ons, en Antifon, Simonides, Agathon en andere

Grieken meer, die weleer zich het voorhoofd met laurieren omkransten.

109 Dààr ziet men van uwe persoonaadjen Antigone, Deïphile en Argia en

Ismene zoo treurende als zij was.

112 Daar ziet men dengene, die de bron Langia wees; daar ziet men de

dochter van Tiresias, en Thetis, en met hare zusters Deidamia.”

115 Toen zwegen alreeds beide de Dichteren, van nieuws erop gericht om

rondom te kijken, bevrijd van het stijgen en van de wanden;

118 en reeds waren vier van de dienstmaagden des daags achter ons

gebleven, en de vijfde was aan den disselboom, den gloeienden boog vast

omhoog-richtende,

121 wanneer mijn Gids: „Ik geloof dat het ons voegt de rechter

schouderen naar den rand te keeren, omgaande den berg gelijk wij

plegen.”

124 Zóó was de gewoonte daar onze wegwijster, en we namen den weg met

minder argwaan door het goedkeuren van die waardige ziel.

127 Zij gingen vóór, en ik alleen achter, en ik hoorde naar gesprekken

van hen, die mij verstand tot dichten hadden gegeven.

130 Maar weldra verbrak de zoete redenen een boom, dien wij vonden

halverwege, met appelen zoet en goelijk om te ruiken.

133 En gelijk een esscheboom naar omhoog afneemt van tak tot tak, zóó

deze naar omlaag; ik geloof opdat niemand er op ga.

136 Aan die zijde, waar onze weg afgesloten was, viel van de rots een

helder vocht en verspreidde zich boven over de bladeren.

139 De twee dichters naderden den boom; en eene stem binnen in het

loover riep: „Met deze spijs zult gij zuinig zijn.”

142 Voorts zeide zij: „Meer dacht Maria, vanwaar de bruiloft eerlijk en

volkomen zoude zijn, dan aan haar mond, die nu voor u voorspraak doet.

145 En de Romeinsche vrouwen van oudsher waren voor heur drinken

tevreden met water en Daniël versmaadde de spijs en verkreeg wetenschap.

148 De eerste eeuw was zoo schoon als goud; ze maakte door honger de

eikels smakelijk en door dorst nectar van elke beek.

151 Honig en sprinkhanen waren de gerechten, die den Dooper voedden in

de woestijn; waardoor hij roemrijk is en zóó groot, als u door het

Evangelie bekend is.”

[decoratieve illustratie]

[decoratieve illustratie]

DRIE EN TWINTIGSTE ZANG

Honger en Dorst, te feller gemaakt door de aanwezigheid van met ooft

beladen boomen en van opborrelende wateren, louteren op den ~zesden~

Omgang de Gulzigaards, wier beangstigende magerheid beschreven wordt.

Dante ontmoet Forese de' Donati, die den lof spreekt van zijne weduwe,

en scherp gispt de schaamteloosheid der Florentijnsche vrouwen.

* * * * *

1 Terwijl ik door het groene loover de oogen vestte aldus, als degene

pleegt te doen die achter de vogelen zijn leven slijt,

4 zeide de meer-dan-mijn-vader: „Mijn zoon, nu kom, daar de tijd, die

ons is opgelegd, nuttiger besteed wil worden.”

7 Ik wendde het gezicht en den stap niet minder snel naar de Wijzen, die

aldus spraken, dat zij mijn gaan mij geen [vermoeienis] deden kosten.

10 En zie een weenen en een zingen werd gehoord: „Labia mea, Domine”; op

zoodanig eene wijze dat het van geneugt en smart zwanger ging.

13 „O zoete vader, wat is dat wat ik hoor?” begon ik; en hij: „Schimmen,

die gaan, wellicht den knoop van hunnen plicht ontknoopende.

16 Gelijk de beêvaartgangers in gepeinzen gaande doen, achterhalende op

hunnen weg lieden hun onbekend, en zich tot dezen wenden en niet blijven

staan;

19 aldus achter ons, sneller voortbewogen, aankomende en ons

passeerende, beöogde ons eene schare, zwijgend en devoot, van schimmen.

22 Van oogen was elke donker en hol, bleek in het aangezicht en zóó [van

vleesch] ontdaan, dat de huid zich vormde naar het gebeente.

25 Ik geloof niet dat aan het buitenst van de huid Erisichthon zóó droog

geworden was door vasten, wanneer hij er het meeste vrees voor had.

28 Ik sprak, bij mijzelven denkende: „Zie de lieden, die Jerusalem

verloren, wanneer Maria haren eigen zoon verslond.

31 De oogholten schenen een ring zonder edelgesteenten; wie in het

aangezicht der menschen leest: ~OMO~, zoude hier wèl de M hebben

herkend.

34 Wie zoude gelooven dat de geur van een appel de menschen zóó havende,

begeerte opwekkende, en die van water, niet wetende hoe?

37 Reeds was ik aan het verwonderen wat zoo hen doet hongeren, daar nog

niet openbaar was de oorzaak van hunne magerheid en van hun nare

schub-huid;

40 en zie, uit het diep van zijn hoofd wendde eene schimme de oogen tot

mij en keek scherp; voorts riep hij met luider stemme: „Welke genade is

me dit?”

43 Nooit hadde ik hem aan het aangezicht herkend; maar in zijne stem

werd mij openbaar dat wat het aangezicht in zich had verwoest.

46 Die vonk ontstak wederom ganschelijk mijne kennis van dat veranderd

aangezicht, en ik herkende het gelaat van Forese.

49 „Eilieve, geef geen aandacht aan de droge schurft, die mij de huid,”

zoo bad hij: „ontkleurt, noch aan het te-kort aan vleesch, dat ik hebbe;

52 maar zeg mij de waarheid aangaande u, en wie zijn die twee zielen,

die daar u geleide doen; maar blijf niet zonder dat ge tot mij spreekt.”

55 „Uw aangezicht dat ik weleer, toen het gestorven was, met tranen

overgoot, geeft mij nu niet minder smart om te weenen,” antwoordde ik

hem, „nu ik het zóó verdraaid zie.

58 Daarom zeg mij, bij God, wat u zoo ontloovert; doe mij niet spreken,

terwijl ik mij over u verwondere, daar kwalijk spreken kan, wie van

andere begeerte vol is.”

61 En hij tot mij: „Van den Eeuwigen Raad valt een vermogen in het water

en in de plant, die achter [ons] bleef, door welk [vermogen] ik zoo dun

word.

64 Alle deze luiden, die weenende zingen, voor het volgen van hunne

matelooze gulzigheid, louteren zich hier door honger en dorst.

67 Tot drinken en tot eten ontsteekt onze begeerte de geur, die uitgaat

van den appel en van de besproeiing, die verspreid wordt over het groen.

70 En niet maar ééne maal, deze ruimte rondgaande, wordt onze pijn

ververscht; ik zeg „pijn,” maar ik moest zeggen „vertroosting”:

73 daar de begeerte naar den boom ons leidt, die Christus blijde voerde

om te zeggen „Eli,” wanneer hij ons bevrijdde met zijn bloed.”

76 En ik tot hem: „Forese, van dien dag, op welken gij de wereld

verwisseldet voor beter leven, zijn nog geen vijf jaar verloopen tot nu.

79 Indien het vermogen om meerder te zondigen eerder in u werd

geëindigd, voordat de stonde gekomen ware van de heilzame smarte die ons

weder tot God terugbrengt,

82 hoe zijt gij hierboven gekomen? Nog geloofde ik u daarbeneden te

vinden, waar tijd door tijd hersteld wordt.”

85 En hij tot mij: „Zóó spoedig heeft mij geleid tot het drinken van den

zoeten alsem der martelingen mijne Nella met haar overvloedig weenen.

88 Met hare toegewijde gebeden en met zuchten heeft zij mij getogen van

den rots-wand, waar men wacht, en heeft ze mij bevrijd van de andere

ommegangen.

91 Zooveel te meer dierbaar en welgevallig aan God is mijn weeuwke, die

ik zóózeer beminde, als zij eenzamer is in het goed-doen;

94 daar Barbagia op Sardinië in zijne vrouwen veel zediger is dan dat

Barbagia waar ik haar achterliet.

97 O zoete broeder, wat wilt gij dat ik zegge? Een komende tijd is reeds

in mijn gezicht, voor welken deze stonde niet zeer oud zal zijn,

100 in welken op pergament zal verboden zijn aan de schaamtelooze

Florentijnsche vrouwen het gaan, vertoonende boezem en borsten.

103 Welke barbaarsche vrouwen waren er ooit, welke Saraceensche, voor

wie noodig ware geweest, om ze gekleed te doen gaan, of geestelijke of

andere tucht!

106 Maar zoo de schaamteloozen wisten dat wat de radde hemel heur

bereidt, hadden ze nu reeds de monden open om te huilen.

109 Daar, indien het vóórzien me niet misleidt, ze eerder treurende

zullen worden, dan degene de wangen behaard krijgt, die ~nu~ met 't

„suja, suja” wordt vertroost.

112 Zoete broeder, nu maak dat ge me u niet meer verheelt; gij ziet dat

niet slechts ik, maar alle deze luiden turen daar waar gij het zonlicht

schut.”

115 Waarom ik tot hem: „Zoo ge u wederom in den geest haalt hoedanig gij

met mij waart en ik met u, dan zal nog de herinnering u bezwaren.

118 Van dat leven wendde degene, die mij te voren gaat, mij af, voor

eer-gisteren, wanneer de zuster van gene zich rond vertoonde

121 (en ik wees naar de Zon). Deze heeft me geleid door den diepen nacht

der waarlijk gestorvenen, met dit mijn echte vleesch, dat volgt.

124 Vandaar hebben zijne vertroostingen mij opgetogen, stijgende en

rondgaande den berg, die recht maakt u lieden, wie de wereld heeft

gekromd.

127 Zóólang zeide hij mij tot zijn geleide te maken, tot dat ik zal zijn

waar Beatrice is: dáár voegt het dat ik zonder hem achterblijve.

130 Virgilius is gene, die aldus tot mij sprak (en ik wees hem) en deze

andere is die schimme, om welke zooeven uw rijk alle zijne afhangen deed

schudden, daar het zich van hem ontlast.”

[decoratieve illustratie]

[decoratieve illustratie]

VIER EN TWINTIGSTE ZANG

Forese wijst Dante verscheidene zielen van ~Gulzigen~, onder anderen den

dichter Buonagiunta, die den Florentijn eene nieuwe liefde voorspelt,

en hem prijst om den te voren nooit gehoorden, zoeten stijl van zijne

gedichten. Na in duistere bewoordingen den dood van zijnen broeder Corso

te hebben voorzeid, gaat Forese van hen weg. Hunnen weg vervolgende,

hooren de Dichters bij een boom voorbeelden ter verschrikking voor de

gulzigen, en weinig later ontmoeten zij den Engel en vinden zij den

doorgang naar den hoogeren, den Zevenden Omgang.

* * * * *

1 Noch het spreken maakte het gaan, noch het gaan het spreken langzamer,

maar redeneerende gingen wij met kracht, zooals een schip, gedreven door

goeden wind.

4 En de schimmen, die schenen dingen ten tweeden male gestorven, trokken

door de holten hunner oogen bewondering van mij, wanneer zij mijn leven

gewaar werden.

7 En ik, mijn gesprek voortzettende, zeide: „Zij gaat wellicht

langzamer omhoog dan zij doen zoude, ter wille van den ander.

10 Maar zeg mij, zoo gij weet, waar Piccarda is; zeg mij of ik personen

zie, (waardig) om op te merken, onder deze lieden, die zóó naar mij

kijken.”

13 „Mijne zuster, die van schoon en goed ik niet weet wat meer was,

triumfeert reeds op den hoogen Olympus, blijde om hare kroon.”

Dante's Louteringsberg in proza overgebracht · 第 6 / 12 段