door een kwaad voorwerp, of door te veel of door te weinig kracht.
97 Zoolang zij op de ~eerste~ goederen is gericht en in de goederen van
den tweeden rang zichzelven matigt, kan er geen reden zijn voor
schuldig vermaak;
100 maar wanneer zij zich draait tot het kwade, of met te veel zorg zich
naar aardsche goederen richt, of met minder dan pas heeft, loopt naar
het goed, dan gaat het maaksel te werk tegen zijn Maker.
103 Hieruit kunt gij begrijpen dat het gevalt dat Liefde in u het zaad
is van alle deugd èn van elke werkzaamheid, die straf verdient.
106 Welnu, daar liefde niet kan afzien van het wèlzijn van haren drager,
zijn de dingen beveiligd voor eigen haat.
109 En omdat niets gedacht kan worden gescheiden van of bestaande buiten
de ~Eerste Oorzaak~, is elke zielsaandoening verre van Die te haten.
112 Blijft over, zoo ik, verdeelende, wel beschouwe, dat het kwade 't
welk bemind wordt, dat van den naaste is en die liefde wordt op drie
manieren in uw klei geboren.
115 Er zijn er, die hopen uit te munten, doordat hun buurman vernederd
is, en alleen dáárom begeeren dat hij van zijne grootheid omlaag gehaald
wordt.
118 Er zijn er die macht, aanzien, eer en roem vreezen te verliezen,
doordat een ander stijgt, waarom zij zich zoo bedroeven dat ze het
tegendeel begeeren:
121 en er zijn er die door [hun aangedaan] onrecht blijken zóó gegriefd
te worden, zoodat ze begeerig worden naar wraak; en met eenen zoodanige
gebeurt het dat hij zich het kwade met geneugt voorspiegelt.
124 Deze drie-ledige liefde wordt daar omlaag beweend; nu wil ik dat gij
tot begrip koomt van de andere, die het Goede naijlt, maar zonder de
goede mate.
127 Een ieder grijpt in den blinde naar Eén Goed, opdat zijne ziel
daarin vrede vinde, en begeert het: waarom ieder zich inspant om dat te
bereiken.
130 Indien trage liefde u trekt om te zien en om het te verkrijgen, dan
na rechtmatig berouw martelt u deze bergrand.
133 Een ander goed is er dat den mensch niet gelukkig maakt; het is niet
de gelukzaligheid; het is niet de goede essentie, die de wortel is van
alle goede vrucht.
136 De liefde, die zich al te zeer aan ~dit~ goed overgeeft, wordt boven
ons over drie ommegangen beweend; maar hoe die drie-deeling worde
verklaard,
139 dat zwijge ik, opdat gij het zelf onderzoekt.”
[decoratieve illustratie]
[decoratieve illustratie]
ACHTTIENDE ZANG
Door zijnen kweekeling ondervraagd, verklaart Virgilius de natuur der
liefde, en hoe de ziel door de rede en den vrijen wil hare neigingen
beheerscht. Voorts komt een drom van zielen die zich louteren van de
traagheid, naderijlende den Dichteren te gemoet, en twee vóór de anderen
herinneren voorbeelden van deugd, tegengesteld aan hunne zonde. De Abt
van San Zeno kondigt onheilspellende weeën aan voor Alberto della Scala;
en achter hem halen twee zielen eenige voorbeelden aan van de slechte
uitwerkselen van traagheid. Zachtjes aan slaapt Dante in.
* * * * *
1 De hooge Leeraar had een einde aan zijne redeneering gemaakt, en
aandachtig keek hij in mijn aangezicht of ik tevreden bleek.
4 En ik, wien nieuwe dorst nog stak, ik zweeg van buiten en zeide van
binnen: „Wellicht wordt het te vele vragen, dat ik doe, hem lastig.”
7 Maar die waarheidlievende vader, die het beschroomde verlangen
ontwaarde, dat niet werd geopenbaard, gaf, sprekende, mij moed tot
spreken.
10 Waarom ik: „Meester, mijn zien verlevendigt zich dermate in uw licht,
dat ik duidelijk onderscheide al wat uwe redeneering bevat of
beschrijft:
13 waarom ik u bid, dierbare Vader, dat gij mij de Liefde verklaart, tot
welke gij alle goed-doen en zijn tegen-deel herleidt.”
16 „Richt,” zeide hij: „naar mij de scherpe lichten van uw begrip, en u
zal duidelijk worden de dwaling der blinden, die zich zelven tot gidsen
maken.
19 De ziel, die geschapen is bereid tot beminnen, laat zich leiden tot
elk ding, dat behaagt, zoodra zij door welgevallen is gewekt tot daad.
22 Uw begripsvermogen krijgt beeldingen van iets dat waarachtig ~is~, en
ontvouwt het binnen in u, zoodat de ziel er het aangezicht naar wendt.
25 En indien zij, daarop gericht, zich derwaarts neigt, dan is dat
neigen liefde, dan is dat natuur, die door het welgevallen op nieuw zich
in u bindt.
28 Voorts gelijk het vuur zich ten hoogen beweegt, door zijn ~vorm~, die
geboren is om te stijgen daarheen waar hij langer bij zijne grondstoffe
volhardt;
31 zoo geraakt de [door liefde] bevangen ziel tot begeeren, hetwelk is
een geestelijk bewegen; en zij rust niet, voordat het beminde voorwerp
haar doet genieten.
34 Nu kan u blijken hoe zeer de waarheid verborgen is voor degenen, die
beweren dat elke liefde een prijzenswaardig ding is;
37 omdat misschien hare grondstoffe altijd schijnt goed te zijn; maar
niet elk stempelmerk is goed, hoe goed ook het lak zij.
40 „Uwe woorden en mijn volgzame geest,” antwoordde ik hem, „hebben mij
de liefde ontdekt; maar dat heeft mij te meer met twijfel gedrenkt:
43 dat, indien liefde ons van buiten wordt geboden, en de ziel niet met
anderen tred loopt, het niet háár verdienste is of zij recht of krom
gaat.”
46 En hij tot mij: „Zoo verre rede hier ziet, kan ik het u zeggen; wat
verder is, hetwelk een werk des geloovens is, verwacht dat van Beatrice.
49 Elke zelfstandige vorm, die onderscheiden is van de stof en er mede
vereenigd is, heeft in zich vergaard een speciaal vermogen;
52 hetwelk zonder te werken niet wordt opgemerkt, en zich slechts toont
door hetgeen het uitwerkt, gelijk het leven in de plant [zich vertoont]
door de groene loovers.
55 Daarom, vanwaar het inzicht in de eerste begrippen komt, dat weet
niemand, en de begeerte naar de eerst begeerde dingen,
58 welke in u zijn gelijk het instinkt in de bijen om haren honig te
maken; en die eerste wil is niet onderhevig aan lof of blaam.
61 Dan, omdat aan dát vermogen elk ander vermogen verbonden is, is u dat
vermogen aangeboren, dat beraadt en den drempel des toestemmens moet
bezet houden.
64 Dat is het beginsel in u, waar men gelegenheid krijgt om zich
verdienstelijk te maken, al naar het goede of slechte liefden toelaat of
verwerpt.
67 Degenen, die, redeneerende, tot den bodem gingen, ontwaarden die
aangeboren vrijheid; waarom zij der menschen wereld de zedelijkheid
lieten.
70 Stellen we dus dat uit noodzaak elke liefde opstaat die binnen in u
ontstoken wordt, dan is toch in u de macht die te weerhouden.
73 Met het edele vermogen bedoelt Beatrice den vrijen wil, dus geef acht
dat gij dat in gedachte houdt, wanneer zij zich ertoe op maakt u daarvan
te spreken.”
76 De maan, bijna tot middernacht verlaat, deed de sterren aan ons
dunner-gezaaid toeschijnen, en was als een ketel die gansch gloeiend
staat;
79 en zij liep tegen den hemel in, langs die banen, welke de zon in
vlammen zet dan wanneer die van Rome haar zien tusschen Sardijnen en
Corsicanen, daar zij ondergaat.
82 En die edele schimme, om wie Pietola meer dan de Mantuaansche stad
wordt genoemd, had de vracht van mijn last afgelegd.
85 Waarom ik, die de opene en vlakke redeneering over mijne vragen had
geoogst, stond als iemand, die al insluimerende zwijmelt.
88 Maar die slaperigheid werd me ontnomen—plotseling—door luiden, die
reeds achter onze schouders op ons af waren gekomen.
91 En gelijk voorheen Ismenus en Asopus des nachts langs zich razernij
en jacht zagen, altoos wanneer de Thebanen Bacchus van noode hadden;
94 zoo een laat langs dien ommegang haar sikkelvormigen gang gaan, [te
oordeelen] naar hetgeen ik zag van hen die kwamen, wie het goede
verlangen en de rechtmatige begeerte berijdt.
97 Dra waren zij bij ons, daar die gansche groote schare rennende
aankwam; en twee voor-op schreeuwden weenende:
100 „Maria snelde met haast ten berge; en Caesar, om Ilerda te
onderjukken, trof Marsilia en snelde toen in Spanje.”
103 „Snel, snel, dat de tijd niet verloren ga door te weinig liefde”,
riepen die anderen achter; „daar ijver om goed te doen de genade doet
hergroenen.”
106 „O lieden, in wie de heftige hittigheid thans vergeldt wellicht
zorgeloosheid en traagheid door u uit lauwheid in het goeddoen bedreven,
109 deze, die leeft [en voorwaar ik bedrieg u niet] wil naar boven,
zoodra de zon ons weder licht; daarom zegt ons waar de toegang dichtbij
is.”
112 Dit waren de woorden: van mijnen Gids; en één van die Geesten zeide:
„Kom achter ons, daar ge de opening vinden zult.
115 Wij zijn van verlangen om ons te bewegen zóó volle, dat stilstaan we
niet kunnen; daarom vergeef, dat onze rechtvaardigheid boerschheid
meebrengt.
118 Ik was abt in [het klooster van] San Zeno te Verona, onder de
regeering van den goeden Barbarossa, van wien Milaan nog met droefenis
praat.
121 En zoo één heeft reeds den éénen voet in het graf, die dra dat
klooster zal beweenen, en treurig zal zijn daar macht te hebben gehad;
124 daar hij zijnen zoon, kwalijk van lijf, en meer nog van ziel, en
kwalijk geboren, gezet heeft in de plaats van zijnen waarachtigen
herder.”
127 Ik weet niet of hij meer zeide, of dat hij zweeg, zooverre reeds was
hij ons voorbij geloopen; maar dát hoorde ik en dat vast te houden
geviel mij.
130 En gene, die mij bij elk werk was te hulp gekomen, zeide: „Wend u
daarheen, zie er getweeën komen, gevend der traagheid den beet.”
133 Zij riepen allen na: „Eer waren alle de lieden gestorven, voor wie
de zee zich opende, dan dat de Jordaan zijne erven zag.
136 En die, die niet de moeienis droegen tot het einde met den zoon van
Anchises, gaven zich zelven aan een leven zonder roem.”
139 Voorts wanneer die schimmen zóó verre van ons gescheiden waren, dat
ze niet meer konden worden gezien, vestte zich een nieuw gedacht binnen
in mij,
142 van welke weer andere en verschillende geboren werden, en zoozeer
zwijmelde ik van de ééne naar de andere, dat de oogen uit welgevallen
zich sloten,
145 en ik het gedacht in droomen veranderde.
[decoratieve illustratie]
[decoratieve illustratie]
NEGENTIENDE ZANG
Hierin wordt beschreven het mysterieuze Gezicht, dat kort voor den
dageraad aan Alighieri, als hij slaapt, zich vertoont. De Dichters
bestijgen den vijfden Ommegang waar de zielen, liggende en met het
aangezicht naar de aarde gekeerd, de zonde der gierigheid beweenen. Zij
komen tot Adrianus V uit het huis Fieschi, die op de vraag van Alighieri
antwoord geeft.
* * * * *
1 Te dier stonde, wanneer de warmte des daags niet meer de koude der
maan kan lauw maken, verwonnen door de Aarde of somtijds door Saturnus;
4 wanneer de geomanten hun grootste geluk zien in het Oosten, voor den
dageraad, opkomend langs den weg, die nog maar kort donker blijft;
7 kwam mij in den droom te voren eene stamelende vrouw, met de oogen
loensch en boven de voeten verdraaid, met de handen verminkt en bleek
van kleur.
10 Ik staarde haar aan; en, gelijk de Zon troost de koude ledematen,
welke de nacht(koude) bezwaart, zoo maakte mijn blik haar los
13 de tong en voorts maakte hij haar gansch recht in korten tijd en het
vervaalde gelaat kleurde hij zóó als liefde het wil.
16 Nadat zij aldus de spraak óntbonden had, begon zij te zingen zóó, dat
ik met moeite mijne aandacht van haar zou hebben afgewend.
19 „Ik ben,” zong zij: „ik ben de zoete Sirene, die de zeelieden midden
op zee doe verdwalen; zóó vol ben ik van welbehagen om waar te nemen.
22 Ik heb Ulysses van zijn zwerftocht naar mijnen zang afgeleid; en wie
met mij zich vergemeenzaamt, zelden gaat hij van mij, zoo zeer paai ik
hem gansch.”
25 Nog was haar mond niet gesloten, wanneer eene vrouw verscheen, heilig
en vlug, langs mij om gene ontsteld te maken.
28 „O Virgilius, Virgilius, wie is deze?” zeide zij verontwaardigd; en
hij kwam, met de oogen stadig gericht op die eerbare.
31 Zij greep de andere en opende haar van voren de kleederen, ze
scheurende, en toonde mij haar buik; die wekte mij door den stank, die
er van uitging.
34 Ik keerde de oogen [tot hem]; en de goede Virgilius zeide: „Minstens
drie [wek]-woorden heb ik tot u gesproken: sta-op en kom, vinden wij de
poort, door welke gij binnen-ga.”
37 Ik rees op, en alle de ommegangen van den heiligen berg waren reeds
vol van den hoogen dag, en wij gingen met de nieuwe Zon op onze
lendenen.
40 Hem volgende, droeg ik mijn voorhoofd gelijk degene, die het beladen
heeft met gedachten, en van zich een halven boog van een brug maakt;
43 wanneer ik: „Komt, hier treedt men in,” zeggen hoorde op zachte en
welwillende wijze, zooals men het niet hoort in deze sterfelijke streek.
46 Met de vleugelen geopend, die schenen te zijn van een zwaan, richtte
ons naar boven degene, die aldus tot ons sprak, tusschen die twee wanden
van harde rots-steen.
49 Voorts bewoog hij de vlerken en waaierde ons, verzekerende dat
gelukzalig zijn wie treuren [qui lugent], daar hunne zielen het
vertroosten zullen vinden.
52 „Wat hebt gij dat gij staêg naar de aarde staart?” begon mijn Gids
tot mij te zeggen, en wij beiden waren [slechts] weinig boven den Engel
opgestegen.
55 En ik: „Met zóó groote achterdocht doet mij gaan een nieuw gezicht,
dat mij tot zich trekt, zóó dat ik mij niet van de gedachte los kan
maken.”
58 „Zaagt ge,” zeide hij: „die oude tooveres, die alleen nog boven ons
wordt beweend? Zaagt ge hoe de mensch zich van haar losmaakt?
61 Dit zij u genoeg, en zet de hielen op den grond, en richt de oogen
weer omhoog naar dat lok-aas, dat de eeuwige Koning doet draaien met de
groote raderen.”
64 Gelijk de valk, die eerst op de voeten rondschouwt, voorts zich
draait naar den kreet [des valkeniers] en zich uitstrekt, door de
begeerte naar het voeder, dat hem daar lokt;
67 zóó maakte ik mij zelven, en zóó, over zoo grooten afstand als
waarover de rots zich splijt om doorgang te geven aan wie naar boven
gaat, ging ik verder tot daar waar men weer het rondgaan krijgt.
70 Zoodra ik op den vijfden ommegang was naar buiten getreden, zag ik
daarop luiden, die weenden, liggende op den grond gansch omlaag gekeerd.
73 „Adhaesit pavimento anima mea” [mijne ziel kleefde aan het plaveisel]
hoorde ik dat zij zeiden met zoo diepe zuchten, dat het woord
ternauwernood werd gehoord.
76 „O uitverkorenen van God, wier lijden èn gerechtigheid èn hoop minder
hard maken, richt ons naar de hooge opstijgingen.”
79 „Indien gij lieden komt, van het liggen vrij-gesteld, en gij den weg
ten vroegste wilt vinden, laat uw rechterzijden aan de buiten-zijde
zijn.”
82 Zóó bad de Dichter, en zóó werd ons een weinig voor ons uit
geantwoord; waarom ik, al sprekende, lette op het overige, dat verborgen
was.
85 En ik wendde toen de oogen tot den Heere mijn; waarop hij mij
toestond, met blijd gebaarde, dat waarom de aanblik der begeerte [in
mij] hem vroeg.
88 Nadat ik met mij handelen kon naar mijnen zin, begaf ik mij boven dat
schepsel, welks woorden mij oplettend hadden gemaakt,
91 zeggende: „Geest, in wien het weenen tot rijpheid brengt datgene,
zonder het welk men niet tot God kan keeren, staak een weinig voor mij
uwe grootere zorg.
94 Wie waart gij, en waarom hebt gij de ruggen naar boven gekeerd, zeg
het mij, en of gij wilt dat ik voor u eenig ding gedaan krijge daar, van
waar ik levend opging.”
97 En hij tot mij: „Waarom de hemel onze achterdeelen naar zich keert,
dat zult gij weten: maar eerst, scias quod ego fui successor Petri [weet
dat ik was opvolger van Petrus].
100 Tusschen Siestri en Chiaveri daalt een schoone stroom, en van zijnen
naam leidt de titel van mijn bloed zijn oorsprong af.
103 Eene maand en weinig meer ervoer ik hoe de groote mantel weegt hem,
die voor het slijk hem bewaart, zoodat een veder lijken alle andere
lasten.
106 Mijne bekeering, wee mij! was traag; maar toen ik tot Herder van
Rome was gemaakt, ontdekte ik het bedriegelijke leven.
109 Ik zag dat daar het hart niet tot rust kwam, en dat men niet verder
kon stijgen in dat leven; waarom naar ~dit~ leven in mij de liefde
ontbrandde.
112 Tot op dat tijdstip was mijne ziel ellendig en van God vervreemd,
naar het al begeerig; en, zooals gij ziet, word ik er voor gestraft.
115 Dat wat gierigheid doet, wordt hier vertoond in de loutering der
omgekeerde zielen, en geene bitterder boete heeft de berg.
118 Zooals ons oog zich niet ophief ten hoogen, daar het was gevest op
de aardsche zaken, zóó heeft gerechtigheid hier op den grond het
ondergedompeld.
121 Gelijk gierigheid onze liefde tot al het goede uitdoofde, waardoor
alle arbeid te loor ging, zóó houdt gerechtigheid hier ons bekneld,
124 aan de voeten en aan de handen gebonden en vast gehouden; en hoelang
het 't welbehagen zal zijn des gerechten Heeren, zóó lang zullen wij
blijven onbewegelijk en uitgestrekt.
127 Geknield had ik mij, en wilde spreken; maar toen ik begon en hij,
alleen door te hooren, mijn eerbiedenis gewaar wierd:
130 „Welke oorzaak,” zeide hij: „heeft u aldus gekromd?” En ik tot hem:
„Wegens uwe waardigheid noopte mij daartoe mijn geweten.”
133 „Zet de beenen recht en hef u op, broeder,” antwoordde hij: „dwaal
niet, ik ben een medeslaaf met u en met de anderen voor ééne macht.”
136 Zoo gij ooit dat heilig evangelie-woord, dat zegt ~neque nubent~,
hebt vernomen, kunt gij goed zien, waarom ik aldus redeneer.
139 Ga nu heen; ik wil niet dat gij u meer ophoudt, daar uw blijven mijn
weenen bemoeilijkt, waarmede ik tot rijpheid breng dat wat gij gezegd
hebt.
142 Eene nicht heb ik in het gindsche leven, die den naam heeft Alagia,
goed uit zich zelve, als maar niet ons huis haar slecht maakt door het
voorbeeld;
145 en zij alléén is mij daar ginds gebleven.
[decoratieve illustratie]
[decoratieve illustratie]
TWINTIGSTE ZANG
Paus Adriaan verlaten hebbende en langs dien Ommegang den weg
vervolgende, hooren zij eene ziel eenige beroemde voorbeelden vermelden
van deugden, die het tegendeel zijn van Gierigheid. Dante nadert haar,
en haar gevraagd hebbende wie zij is en waarom zij alleen die daden
verheft, hoort hij van haar dat zij is Hugo Capet èn eenen heftigen
uitval op de ondeugden en de ongerechtigheden van zijne nakomelingschap.
Voorts dient zij hem op zijn andere vraag, en verhaalt hem voorbeelden,
welke in den nacht daar worden herhaald tot verschrikking der gierigen.
De Berg schudt en van alle kanten verheft zich een lied van zegepraal;
waarom in Alighieri ontwaakt een stekende begeerte om te leeren kennen
de oorzaak van zoo groot eene nieuwigheid.
* * * * *
1 Tegen beteren wil strijdt kwade wil, vandaar dat tegen mijn gevallen,
om hèm te gevallen, ik de nog niet verzadigde spons uit het water trok.
4 Ik bewoog mij, en mijn Gids bewoog zich over de onbezette plaatsen
langs den rotswand, gelijk men over eenen muur gaat strijkelings langs
de meerlen;
7 daar de lieden, die drop voor drop uitgieten door de oogen het kwaad,
dat de gansche wereld bezet, aan de andere zijde te zeer den buitenkant
naderen.
10 Gemaledijd zijt gij, oude wolvin, die meer dan alle de andere beesten
buit hebt, wegens uwen bodemloozen honger.
13 O Hemel, door wiens ommegaan men schijnt te gelooven dat de
toestanden hier beneden veranderen, wanneer zal komen degene, door wien
weggaat deze wolvin?
16 Wij gingen met trage en schaarsche schreden, en ik met de aandacht
gericht op de schimmen, die ik bemerkte dat erbarmelijk weenden en
jammerden;
19 En bij geval hoorde ik: „Zoete Maria!” vóór ons zóó klagelijk roepen
als eene vrouw doet, die in barensnood is;
22 en aldus voortgaan: „Zoo arm waart gij, als men zien kan aan die
herberging, waar gij uwe heilige dracht nederlegdet.”
25 Vervolgens hoorde ik: „O goede Fabricius, gij wildet liever deugd met
armoede dan grooten rijkdom met ondeugd bezitten.”
28 Deze woorden hadden mij zoo bevallen, dat ik mij verder begaf om
kennis te hebben van dien geest, uit wien zij schenen te zijn gekomen.
31 Hij sprak ook van de mildheid, welke Nicolaas den maagden deed om
hare jeugd tot eere te leiden.
34 „O ziele, die zoo goed spreekt, zeg mij wie gij zijt,” zeide ik: „en
waarom gij alleen deze verdiende loftuitingen hernieuwt?
37 Uw woord zij niet zonder loon, als ik terug keer om den korten weg
te voleinden van dat leven, dat naar het einde vliegt.”
40 En hij: „Ik zal het u zeggen, niet om den troost, dien ik van ginds
wacht, maar omdat zóó groote genade in U licht voordat gij dood zijt.
43 Ik was de wortel van die kwade plant, die gansch Christen-land
overschaduwt, zóó dat goede vrucht schaars er uit ontspruit.
46 Maar zoo Douais, Gent, Rijssel en Brugge vermochten, zoude er weldra
wraak over zijn; en ik vraag die aan Hem, die alles richt.
49 Genoemd werd ik daarginds Hugo Capet: van mij zijn geboren de
Philippen en Lodewijken, door wie nieuwlings Frankrijk is geregeerd.
52 Ik was de zoon van eenen slachter van Parijs: wanneer het met de oude
koningen gedaan liep, allen behalve éénen, die zich gekleed had in de
grauwe stof,
55 vond ik in mijne handen gegrepen den toom van het bestuur des rijks,
en dat ik zoo groote macht van nieuws gekregen had en zoo rijk was aan
vrienden,
58 dat ik tot de verweeuwde kroon het hoofd van mijnen zoon zag
bevorderd, bij wien de geheiligde beenderen van genen begonnen.
61 Zoolang nog de groote schenking van Provence niet aan mijn bloed de
schamelheid had ontnomen, vermocht het weinig, maar deed het geen kwaad.
64 Sinds dien begon het met geweld en logen zijnen roof; en voorts ~tot
boete~, nam hij Ponthieu en Normandië en Gascogne.
67 Karel kwam in Italië en ~tot boete~ maakte hij een slachtoffer van
Conradijn; en voorts stuurde hij Thomas tot den hemel terug ~tot
boete~.
70 Nog niet veel daarna zie ik den tijd, die eenen tweeden Karel uit
Frankrijk toog, om nog beter zich en de zijnen te doen leeren kennen.
73 Zonder wapenen ging hij er uit, en alleen met die lans, waarmede
Judas zich weerde; en die punt hij zóódanig, dat ze Florence de pens
doet barsten.
76 Vandaar zal hij geen land, maar zonde en schande winnen, voor hem te
zwaarder als hij lichter zulke schade voor anderen tilde.
79 Den ander, die voorheen als krijgsgevangene ontscheepte, zie ik zijne
dochter verkoopen en er verdragen mee bedingen, als zeeroovers doen met
andere slavinnen.
82 O hebzucht, wat kunt gij er nog erger van maken, daar gij mijn bloed
zoo zeer te uwaart hebt getrokken, dat het niet geeft om zijn eigen
vleesch?
85 Dat nog minder schijne het komende en het gedane leed, zie ik de
lelie in Alagna binnenkomen en, in zijn Stedehouder, Christus worden
gevangen genomen.
88 Ik zie hem andermaal bespot worden; ik zie de edik en gal vernieuwd
worden en (hem) tusschen nieuwe boosdoeners dooden.
91 Ik zie den nieuwen Pilatus zóó wreed, dat dit hem niet verzaadt, maar
zonder verlof brengt hij in den tempel de begeerige zielen.
94 O Heer mijn, wanneer zal ik blijde zijn te zien wraak, die, verholen,
zoet maakt den toorn van uw geheimenis?
97 Dat wat ik zeide van die eenige verloofde van den Heiligen Geest, en
die u deed u te mijwaart richten om eenige verklaring,
100 is slechts zóó lang gevoegd naar onze bede, als de dag duurt; maar
wanneer het nacht wordt, vernemen we tegengestelden klank ter
afwisseling.
103 Dan herhalen wij [de daad van] Pygmalion, wien tot verrader, roover
en moordenaar zijne begeerte maakte, op goud belust;
106 en het ongeluk van den begeerigen Midas, dat volgde op zijn
hebzuchtige vraag, om welke het wel altijd te lachen voegt.
109 Van den dwazen Acam gedenkt voorts een ieder, hoe zijn buit was,
zoodat het schijnt of de toorn van Jozua nog hier hem bijt.
112 Voorts beschuldigen wij met haren man Safira: wij prijzen de
speer-stooten, die Heliodorus kreeg; en in kwade faam omwaart den
ganschen berg
115 Polymnester, die Polydorus doodde. Ten laatsten roept men ons toe:
„Crassus, zeg ons, gij die het weet, van welken smaak het goud is.”
118 Deze spreekt luid, gene zachtkens, volgens de aandoening, die ons te
spreken noopt nu tot heftiger, dan tot kalmere uiting.
121 Daarom voor het goed, dat des daags hier zich laat hooren, was ik
hier niet alleen; maar hier nabij verhief geen ander de stem.”
124 Wij waren reeds van hem vertrokken om zooverre op den weg verder te
komen, als aan ons vermogen was vergund;
127 wanneer ik voelde, als een ding dat valt, den berg beven; van daar
dat eene huivering mij beving, als te bevangen pleegt dengene, die ten
doode gaat.
130 Voorzeker schudde niet zóó hevig Delos, voordat Latona daar haar
nest maakte om de beide oogen des hemels te baren.
133 Voorts begon van alle kanten een kreet zóó dat de Meester zich te
mij waart wendde, zeggende: „Wees niet wankelmoedig, zoolang ik u
geleid.”