strand van den wreeden stroom en ze allen verschrikt.
61 Hij verkoopt hun vleesch, daar het [nog] levend is, voorts doodt hij
ze als slachtvee; velen berooft hij van 't leven en zich van de eer.
64 Bloedig komt hij uit het droeve woud; hij laat het zóó dat het in
geen duizend jaar zich tot den ouden staat weer belommert.”
67 Gelijk, bij tijding van toekomstig leed, zich ontstelt het gelaat van
dengene, die luistert, van welken kant ook het gevaar hem aangrijpt;
70 zóó zag ik de andere ziel, die stond gekeerd tot luisteren, zich
onthutsen en bedroefd worden, nadat zij deze woorden in zich had
opgenomen.
73 Het spreken des éénen en het gezicht des anderen maakten mij begeerig
hunne namen te weten, en een vraag deed ik hun, met gebeden gemengd.
76 Waarom de geest, die het eerst tot mij sprak, herbegon: „Gij wilt dat
ik mij neerbuige voor u te doen datgene wat gij voor mij niet wilt doen;
79 maar sinds God wil dat in u zoo groote genade van Hem doorlichte, zal
ik niet schriel voor u zijn; daarom weet dat ik ben Guido del Duca.
82 Mijn bloed was in nijdigheid zóó ontbrand, dat wanneer ik een mensch
zich zag verheugen, gij mij met loodkleur zoudt hebben zien bedekt.
85 Van mijn zaad oogst ik zoodanig stroo. O menschelijk geslacht, waarom
zet gij het hart op die dingen, waarvan gij u gemeenschap ontzeggen
moet?
88 Dit is Reinier; dit is de prijs en eere van het huis Calboli, waar
voorts niemand erfgenaam is geworden van zijn deugd.
91 En niet slechts zijn bloed is berooid—tusschen den Po en het
gebergte, en de zeekust en den Reno—van het goed dat vereischt wordt
voor waarheid en geneugt:
94 daar binnen die grenzen ['t land] vol is van giftige kruiden, zóó dat
ze, te laat [gekomen] om het te wieden, weldra zouden bezwijken.
97 Waar is de goede Lizio, en Arrigo Manardi, Pier Traversaro en Guido
di Carpagni? O Romagnolen, verkeerd tot bastaarden!
100 Wanneer wordt weder in Bologna een Fabbro geboren? Wanneer in Faënza
een Bernardin di Fosco, een edele spruit van nederig kruid?
103 Verwonder u niet, zoo ik ween, Toscaan, wanneer ik met Guido da
Prata Ugolino d'Azzo gedenk, die met ons geleefd heeft;
106 Federigo Tignoso en zijn gezelschap, het huis Traversara en de
Anastasii; (onterfd is het één en het andere geslacht!)
109 de vrouwen en de ridders, het leed en het lief, al wat ons liefde en
hoofschheid ingaf, daar waar de harten zóó zijn ontaard.
112 O Brettinoro, waarom vlucht ge niet weg, nu uw gansche stamhuis weg
is gegaan, en velen daarvan om niet misdadig te worden?
115 Wèl doet Bagnacaval, dat het geen zonen meer teelt, en slecht doet
Castrocaro en slechter Conio, die zich al dieper in schuld wikkelen door
zulke graven voort te brengen.
118 Goed zullen zijn de Pagani, wanneer hun Demon weg zal gaan; maar
daarom [geschiedt het] toch niet dat er steeds zuiver getuigenis van hen
zal zijn.
121 O Ugolino de Fantoli, veilig is uw naam sedert niet meer [een zoon]
verwacht wordt, die door ontaarding hem kan bezwalken.
124 Maar nu ga voort, Toscaan, daar het mij nu al te zeer lust te
weenen, meer dan te spreken; zóó heeft onze landstreek mij het gemoed
genepen.”
127 Wij wisten dat die dierbare zielen merkten dat wij gingen: dies
deden ze door hun zwijgen ons vertrouwen hebben in onzen weg.
130 Toen wij, al voortgaande, alleen waren, een bliksem, wanneer die de
lucht klieft, scheen toen eene stem, die ons tegen kwam, zeggende:
133 „Mij zal dood slaan, al wie mij vindt,” en [de stem] vluchtte, als
donder die verrommelt, wanneer plotseling de wolk zich ontlaadt.
136 Wanneer ons oor rust had van dien te hooren, en zie een andere stem
kwam met zóó groot gedruisch, dat het donder leek, die terstond [den
bliksem] volgt.
139 „Ik ben Aglauros, die een steen werd.” En om mij tegen den Dichter
te dringen, deed ik een stap naar achter en niet naar voren.
142 Reeds was de lucht van elke zijde stil, en hij zeide tot mij: „Dat
was het hard gebit, dat den mensch binnen zijne baan moest houden.
145 Maar gij neemt het aas zoodat de haak des ouden Vijands u tot zich
trekt; en weinig vermag daarom breidel of roepstem.
148 De Hemel roept u, en draait zich rondom u, u zijne eeuwige
schoonheden vertoonende, en toch staart uw oog gestadig op den grond;
151 waarom de Hemel u kastijdt, die alles ziet.”
[decoratieve illustratie]
[decoratieve illustratie]
VIJFTIENDE ZANG
~Van den tweeden ommegang naar den derden.~
Bij het vallen van den avond komen de Dichters daar waar men van den
tweeden ommegang opgaat tot den derden.
Op aanduiding van den Engel gaan zij op langs de trap; ondertusschen
vraagt Dante den Meester verklaring van hetgeen hij gehoord heeft van
Guido del Duca. Wanneer zij aan den rand gekomen zijn, geraakt Dante in
verrukking en ziet als tegenwoordig eenige oude daden van merkwaardige
zachtmoedigheid. Hij keert weder tot zijne zinnen en wordt van
lieverlede gewikkeld in een dikken rook, die hem geheel het gezicht
beneemt.
* * * * *
1 Hoeveel tusschen het einde van de derde ure en het begin van den dag
schijnt afgelegd van dien kring, die altijd speelt als een kind,
4 zóóveel van zijnen loop scheen er te avondwaart nog overig te zijn
voor de zon: dáár was het avond en hier middernacht.
7 En zijne stralen sloegen ons midden op den neus, omdat wij zóó [ver]
den berg waren omgeloopen, dat wij reeds recht op het Westen aangingen,
10 wanneer ik bemerkte dat mij het voorhoofd meer dan te voren werd
bezwaard door den gloed, en tot verbazing werden mij de niet gekende
dingen:
13 waarom ik mijne handen hief tot boven mijne wenkbrauwen, en ik maakte
mij een zonnescherm, dat als een vijl afneemt van de overmaat van licht.
16 Gelijk de straal door het water of door den spiegel naar de
tegenovergestelde zijde opspringt, uitvallende met den zelfden hoek,
19 waarmede hij invalt, en op gelijken afstand evenveel afwijkt van de
loodlijn, zooals ondervinding en kunst het [ons] leeren;
22 zoo scheen het mij toe dat ik getroffen werd door licht, dat daar
vóór mij werd weerkaatst; waarom mijne oogen zich haastten het te
ontvluchten.
25 „Wat is dat, zoete vader, waartegen ik mijn oog niet zoo [zeer] kan
beschutten dat het mij baat,” zeide ik: „en schijnt te-ons-waart te zijn
bewogen?”
28 „Verwonder u niet als de dienaars-stoet des Hemels u nog verblindt,”
antwoordde hij mij: „Gezonden is hij, die gekomen is om den mensch tot
stijgen te nooden.
31 Weldra zal het gebeuren dat zulke dingen te zien u niet zwaar zal
vallen, maar u geneugt zal zijn, naar mate uw aard u beschikt om het [te
meer] te gevoelen.”
34 Nadat wij tot den gebenedijden Engel waren gekomen, zeide hij met
blijde stem: „Komt hier binnen, tot eene trap, veel minder steil omhoog
gaande dan de andere.”
37 Wij stegen op, reeds van daar verscheiden, en: „Beati Misericordes”
werd achter ons gezongen, en: „Verheug u gij die overwint.”
40 Mijn meester en ik, wij gingen samen alleen opwaart en ik dacht al
gaande voordeel te winnen in zijne woorden:
43 en ik richtte mij tot hem, aldus vragende: „Wat wilde de geest [van
dien] van Romagna zeggen, gewagende van gemeenschap en van zich te
ontzeggen?”
46 Waarom hij tot mij: „Van zijn grootste feil kent hij de schade; en
daarom verwondere men zich niet zoo hij haar [den menschen] verwijt,
opdat men hier te minder haar beweene.
49 Omdat uwe begeerten zich op dátgene spitsen, waarvan door
deelgenootschap elk deel kleiner wordt, beweegt afgunst den blaasbalg
voor de zuchten.
52 Maar indien de liefde tot de hoogste sfeer uwe begeerte naar boven
trok, dan zoudt gij niet in de borst die vrees hebben:
55 want hoe meer dát het onze wordt genoemd, des te meer goed bezit
ieder en des te meer liefde brandt in dat klooster.”
58 „Ik ben van het tevredenzijn nog nuchterder,” zeide ik: „dan indien
er tot mij gezwegen ware, en meer twijfel heb ik in mijne ziel.
61 Hoe kan het zijn, dat een goed, verdeeld zijnde, het grootere aantal
bezitters rijker maakt aan zich dan wanneer het door weinigen wordt
bezeten?”
64 En hij tot mij: „Omdat gij maar stadig den geest richt op de
aardsche zaken, gaart gij duisternis uit het waarachtig licht.
67 Dat oneindig en onuitsprekelijk goed, dat daarboven is, snelt op
dezelfde wijze naar de liefde, als een straal komt naar een spiegelend
lichaam.
70 Zoo veel gloed wordt daar [terug]gegeven als daar gevonden wordt:
zoodat hoever ook barmhartigheid zich uitstrekke, het eeuwig
[liefdes]-vermogen daarover zich uitbreidt.
73 En hoe meer luiden elkander daarboven verstaan, te meer goeds valt
daar te beminnen en te meer wordt daar bemind, en als een spiegel kaatst
de één den ander weer.
76 En zoo mijne rede u niet verzaadt, Beatrice zult gij zien, en die zal
u ten volle deze en elke andere begeerte ontnemen.
79 Dan verjaag, opdat ze spoedig, gelijk reeds de twee litteekenen zijn
uitgewischt, de vijf litteekenen, die zich sluiten door pijnlijk te
zijn.”
82 Met dat ik zeggen wilde: „Gij stelt mij gerust!” zag ik mij gekomen
tot den volgenden ommegang, zoodat mijne begeerige oogen mij deden
zwijgen.
85 Daar scheen ik mij toe plotseling getrokken te zijn tot een gezicht
in verrukking, en in eenen tempel meerdere personen te zien;
88 en dat eene vrouw aan den ingang, met het zoet gebaren eener moeder,
zeide: „Mijn zoon, waarom hebt gij aldus jegens ons gedaan?
91 Zie, in smarte hebben wij, uw vader en ik, u gezocht.” En toen het
daar stil werd, verdween dat wat het eerst verscheen.
94 Daarop verscheen mij een andere vrouw, met dát water op de wangen,
dat de smart ontperst, wanneer die door groote minachting van eenen
anderen geboren wordt,
97 en dat zij zeide: „Zoo gij heer zijt van die Stad, over welker naam
tusschen de goden zoo groote strijd was en van waar alle wetenschap als
licht uitstraalt,
100 neem wrake op die overmoedige armen, die onze dochter omarmden, o
Pisistratus.” En de heer scheen mij toe welwillend en zachtaardig
103 met vredig gelaat haar te antwoorden: „Wat zouden wij doen hèm die
ons kwaad toewenscht, zoo degene die ons bemint, door ons wordt
veroordeeld?”
106 Voorts zag ik luiden in vuur van toorn ontbrand, met steenen eenen
jonkman dooden, die elkanderen vast luide toeriepen: „Sla dood, sla
dood.”
109 En hem zag ik door den dood, die reeds op hem woog, zich ter aarde
buigen, maar zijne oogen maakte hij altijd tot poorten voor den hemel;
112 biddende tot den hoogen Heer in zoo groote benauwenis, dat Hij
zijnen belagers vergave, met dien blik, die het mededoogen ontgrendelt.
115 Wanneer mijne ziel wederkeerde naar buiten naar de dingen, die
waarlijk buiten haar zijn, ik erkende mijne niet valsche dwalingen.
118 Mijn gids, die mij kon zien doen zóó gelijk een mensch die zich
losmaakt van den slaap, zeide: „Wat hebt gij dat gij u niet kunt houden?
121 Maar gij zijt meer dan een halve mijl gekomen, de oogen luikende, en
met de beenen gekromd, naar de wijze van éénen, wien wijn of slaap
nederbuigt.”
124 „O zoete vader mijn, zoo gij naar mij luistert, zal ik u zeggen,”
zeide ik: „dat wat mij verscheen, wanneer mij [het gebruik der] beenen
aldus was ontnomen.”
127 En hij: „Zoo gij honderd mommen hadt over het aangezicht, ook dan
zouden uwe gedachten, hoe klein ook, mij niet gesloten zijn.
130 Dat wat gij zaagt was opdat gij u niet zoudt verontschuldigen het
hart te openen voor de wateren des vredes, die uit de eeuwige bron
worden vergoten.
133 Ik vroeg niet: „Wat hebt gij?” om die [reden], die hèm doet vragen,
die nog slechts ziet met het oog, dat niet [meer] ziet, wanneer het
lichaam ligt ontzield.
136 Maar ik vroeg [het u] om u kracht aan de voeten te geven. Zoo voegt
het de luien aan te porren, die traag zijn om hunne wake te gebruiken,
wanneer die wederkeert.”
139 Wij gingen verder door den avond, aandachtig uitkijkend, zooverre
onze oogen konden reiken, tegen de avondlijke en lichtende stralen,
142 en zie bij beetjen en beetjen aan nadert ons daar een rook, donker
als de nacht en er was geen plaats om dien te ontwijken:
145 en hij ontnam ons de oogen èn de zuivere lucht.
[decoratieve illustratie]
[decoratieve illustratie]
ZESTIENDE ZANG
Op den derden ommegang in eenen rook en in de gruwelijkheid van eenen
nacht, erger dan die van de hel, wordt de toorn gelouterd. Een Geest
richt het woord tot Alighieri, en, zich kenbaar makende, spreekt hij
van de ondeugden en de traagheid der tegenwoordig-levenden; waarom de
Dichter, in twijfel vanwaar zoo groote verdorvenheid uitgaat, hetzij van
de planeten of van de maatschappelijke toestanden, er den Geest over
ondervraagt; die, met veel filosofie redeneerende, hem tevreden stelt.
* * * * *
1 Het donker van de Hel en van den Nacht, beroofd van alle sterren,
onder armen hemel, zooveel die maar kàn zijn door nevel verduisterd,
4 maakte voor mijn gezicht niet zóó donkeren sluier als die rook, die
ons daar omhulde, noch éénen [sluier] van zoo ruige harigheid,
7 die gedoogde niet dat het oog open bleef staan; waarop mijn wijze èn
trouwe Geleider mij aan zijne zijde nam en mij zijnen schouder bood.
10 Gelijk een blinde gaat achter zijnen gids om niet te dolen; en om
niet het hoofd te stooten tegen eenig ding, dat hem beleedigen of
wellicht dooden kon,
13 zóó ging ik voort door de bittere en onzuivere lucht, hoorende mijnen
Gids, die vast zeide: „Wacht u, dat gij niet van mij los raakt.”
16 Ik hoorde stemmen; en elke scheen om vrede en erbarmen te bidden tot
het Lam Gods, dat de zonden wegneemt.
19 En: „Agnus Dei” zóó was van allen de aanhef: éénerlei woorden waren
het bij allen en ééne zangwijs, zóó dat tusschen hen allen
éénstemmigheid scheen te zijn.”
22 „Wie zijn die geesten, Meester, die ik hoor?” zeide ik. En hij tot
mij: „Verneem gij de waarheid: van gramstorigheid ontknoedelen zij den
knoop.”
25 „Wie zijt gij, die onzen rook klieft, en van ons spreekt, of gij nog
den tijd indeeldet naar maanden?”
28 Aldus werd door eene stemme gesproken. Waarop mijn Meester mij zeide:
„Antwoord, en vraag of men hierlangs opwaart gaat.”
31 En ik: „O schepsel, die u reinigt om schoon te keeren tot Dengene,
die u maakte, wonder zoudt gij hooren zoo gij mij hielpt.”
34 „Ik zal u volgen zoover mij geoorloofd is,” antwoordde hij: „en zoo
ook de rook het zien niet toelaat, zal het hooren ons op deze wijze
verbonden houden.”
37 Toen begon ik: „Met dien last, welken de dood ons afneemt, ga ik
opwaart, en hierheen kwam ik door de helsche moeienis;
40 en zoo waarlijk God mij zóó zeer in zijne genade heeft opgenomen, dat
Hij wil dat ik tot Zijn hof kome op eene wijze gansch buiten het
hedendaagsch gebruik,
43 verheel mij niet wie gij waart vóór den dood, maar zeg het mij en zeg
mij of ik zóó goed naar den opgang ga; en uwe woorden mogen mijn geleide
worden.”
46 „Een Lombarder was ik, en men noemde mij Marco: van de wereld wist ik
en die gedegenheid had ik lief, op welke nu niemand den boog meer
gespannen houdt.
49 Om omhoog te gaan moet gij rechtuit gaan.” Zóó antwoordde hij; en
voegde er aan toe: „Ik bid u dat gij voor mij biddet, wanneer gij boven
zijt.”
52 En ik tot hem: „Bij mijne trouw verbind ik mij te doen datgene wat
gij mij vraagt; maar ik berst binnen-in van een twijfel, als ik daar van
niet verlost word.
55 Eerst was hij enkel en nu is hij dubbel geworden in uw gezegde, dat
hier mij onderricht, en het elders [gehoorde] waaraan ik het vast knoop.
58 De wereld is wel zoo zeer verlaten van alle deugd, gelijk gij mij te
hooren geeft, van kwaadwilligheid zwanger en daarmee overdekt;
61 maar ik bidde u dat gij mij de reden aanwijst, zóó dat ik haar zie,
en dat ik haar aan anderen toone; daar de één haar in den hemel, en de
andere haar hier beneden stelt.”
64 Een diepen zucht, welken de smart samenneep tot een „hoei,” slaakte
hij eerst en voorts begon hij: „Broeder, de wereld is blind, en gij komt
wèl van haar.
67 Gij, die leeft, brengt maar alle oorzaak terug op den hemel, alsof
die alles in noodzaak met zich mede bewoog.
70 Indien het zóó ware, dan ware de vrije wil in u vernietigd en het
ware niet recht over het goede blijdschap en over het kwade rouw te
hebben.
73 De hemel geeft oorsprong aan uwe bewegingen; ik zeg niet aan alle;
maar gesteld al dat ik het zeg, licht is u gegeven ten goede en ten
kwade,
76 en vrije wil, die, als hij, in de eerste gevechten met den hemel, de
vermoeienissen doorstaat, later alles overwint, als hij goed wordt
gevoed.
79 Aan grootere kracht en aan betere natuur zijt gij als vrijen
onderworpen, en ~die~ schept het verstand in u, hetwelk niet door den
hemel wordt bestuurd.
82 Daarom, indien de tegenwoordige wereld het spoor bijster raakt, de
oorzaak ligt in u, in u worde zij gezocht, en ik zal er u een ware gids
in zijn.
85 Van Zijne Hand gaat zij uit, Die haar bemint [nog] vóór zij bestaat,
naar de wijze van een kind, dat weenende en lachende dartelt,
88 de eenvoudige ziel, die niets weet dan dat zij, uitgezonden door
eenen blijmoedigen ~Maker~, gaarne keert tot dat, wat haar vermaakt.
91 Van kleine dingen voelt zij in het eerst den smaak; daarop verlekkert
zij en die loopt zij na, zoo gids of teugel haar begeerte niet keert.
94 Waarom het voegelijk was wetten als teugel in te stellen; voegelijk
was het eenen koning te hebben, dat die ten minste den toren der ware
stad zoude onderscheiden.
97 De wetten zijn er, maar wie houdt hand aan ze? Niemand; ómdat de
herder, die vóórgaat, herkauwen kan, maar niet de hoeven gespleten
heeft.
100 Weshalve de luiden, die hunnen gids vast zien mikken op die dingen,
waarop zij zelf belust zijn, zich daarmede voeden en niet naar verder
vragen.
103 Goed kunt gij dus zien dat het slecht bestier de oorzaak is, die de
wereld zondig heeft gemaakt en niet de natuur, die in u bedorven zoude
zijn.
106 Rome, dat de goede wereld maakte, placht twee zonnen te hebben, die
den éénen en den anderen weg deden zien, dien van de wereld en dien van
God.
109 De ééne heeft de andere verdaan; en het zwaard is verbonden met den
herdersstaf; en dat de één en de andere te zamen niet goed gaan, hiertoe
ligt de noodzakelijkheid;
112 omdat, verbonden, de één den ander niet vreest. Als ge mij niet
gelooft, let op de aar, daar elk kruid wordt gekend aan zijn zaad.
115 Op het land, dat Etsch en Po bewateren, plachten moed en hoofschheid
te zijn voordat Frederik moeielijkheden had.
118 ~Nu~ kan veilig daar passeeren al wie, uit schaamte om met de goeden
te spreken, het zou nagelaten hebben ze te naderen.
121 Wel zijn daar nog drie ouden, in wie de oude tijd den nieuwen gispt,
en het schijnt hun laat dat God hen in het beter leven haalt:
124 Currado da Palazza en de goede Gherardo, en Guido da Castel, wien
men beter naar Frankenwijze den eenvoudigen Lombard noemt.
127 Zeg van nu aan, dat de kerk van Rome, door in zich twee
heerschappijen te verwarren, valt in het slijk, en vervuilt zich en
haren last.”
130 „O Marcus mijn,” zeide ik: „wel gesproken; en nu doorzie ik waarom
de zonen van Levi van de erfenis waren uitgesloten:
133 maar wie is die Gherardo, die ge zegt dat gebleven is als heugenis
van het voorbij gegane geslacht tot gisping van de verwilderde eeuw?”
136 „Of uw spreken bedriegt mij, of stelt me op de proef,” antwoordde
hij mij: „dat gij, die Toscaansch spreekt, schijnt niets te weten van
den goeden Gherardo.
139 Bij een anderen bijnaam ken ik hem niet, zoo die hem niet gekomen
ware van zijne dochter Gaja. God zij met u, daar ik niet verder met u
kome.
142 Zie den dageraad, die door den rook straalt, reeds wit worden en het
voegt mij weg te gaan—de Engel is daar—voordat hij verschijnt.”
145 Zóó sprak hij, en hij wilde mij niet meer hooren.
[decoratieve illustratie]
[decoratieve illustratie]
ZEVENTIENDE ZANG
~Voortzetting van den derden omgang en aankomst op den vierden.~
Wanneer de Dichters buiten den rook zijn gekomen, wordt Alighieri van
nieuws in eene verrukking gebracht, gedurende welke hij verscheidene
voorbeelden van gramstorigheid ziet. Hem wekt het bliksemende licht van
eenen Engel, die hen richt naar de trap, waarlangs men tot den vierden
ommegang opstijgt; óp dezen gekomen, kunnen zij geen schrede meer doen
wegens den nacht, die hen overvalt. Dan toont Virgilius, om geen tijd te
verliezen, zijnen Leerling aan hoe Liefde begin is van alle deugd en van
alle ondeugd.
* * * * *
1 Herinner u, lezer; zoo ooit in de Alpen een nevel u omving, dóór
welken ge zaagt niet anders dan een mol door het vel [van zijn oogen];
4 hoe dan, wanneer de vochte en dikke dampen zich beginnen te verdunnen,
de schijf der Zon zwak door ze henen dringt;
7 en het wordt uwer verbeelding licht te geraken tot het zien, hoe ik
in het eerst herzag de zon, die reeds aan het dalen was.
10 Aldus, parende mijne schreden aan de getrouwe schreden van mijnen
Meester, kwam ik naar buiten uit zoodanige wolk, tot de zonnestralen,
reeds gestorven in de lage streken.
13 O verbeeldingskracht, die ons menig keer zoo zeer buiten [ons zelven]
rukt, dat een mensch het niet bemerkt, dat duizend trompetten rond hem
schetteren,
16 wat beweegt u, zoo de zinnen u niets bieden? Licht beweegt u, dat in
den hemel zich formeert, òf door zich zelf [gedreven], òf door [Gods]
wil, die het omlaag stiert.
19 Van de onmeedoogendheid van haar, die van gedaante verwisselde tot
dien vogel, die het meest in het zingen zich vermeit, verscheen me in de
verbeelding de gelijkenis.
22 En hier was mijn geest zoo binnen-in zich opgesloten, dat er van
buiten niets kwam, dat door hem werd opgenomen.
25 Voorts daalde daar neder in mijne opgetogen fantasie een gekruisigde,
norsch en trotsch in zijn aangezicht en aldus stierf hij.
28 Rondom hem was de groote Assuerus, Esther, zijne vrouw, en de
gerechte Mordechai, die zóó uit-één-stuk was in spreken en in daden.
31 En toen deze verbeelding van zelve uit-een-spatte als een bel, die
water te kort komt, onder hetwelk zij zich formeerde;
34 kwam voor mijn gezicht óp een meisje, dat heftig weende en zeide: „O
Koningin, waarom hebt gij uit toorn niet willen zijn?
37 Gij hebt u gedood om niet Lavinia te verliezen; nu hebt gij mij
verloren: ik ben het, die rouw eerder om uw verlies, dan om dat van een
ander.”
40 Gelijk de slaap breekt, wanneer plots nieuw licht het gesloten oog
treft, en [de slaap] gebroken zijnde, eerst tegenstribbelt voor hij
gansch vervliegt:
43 zóó viel mijne verbeelding naar omlaag, zoodra een licht mijn gelaat
trof, veel grooter dan dat hetwelk naar onze gewoonte is.
46 Ik keerde mij om te zien waar ik was, wanneer eene stem zeide: „Hier
stijgt men,” welke van elke andere aandacht mij aftrok;
49 en maakte mijne begeerte zóó sterk om te zien wie hij was, die sprak,
[als die begeerte] die nooit rust zoo zij niet het gewenschte voor oogen
krijgt.
52 Maar gelijk tegenover de zon, die ons gezicht bezwaart, en door
overdaad haar eigen gelaat omsluiert, zoo ook hier schoot mijn vermogen
te kort.
55 „Deze is een goddelijke geest, die op den weg des stijgens ons richt
zonder bede, en met zijn licht zich zelven verbergt.
58 Hij doelt met óns, gelijk de mensch met zich-zelven doet: daar
degene, die de bede wacht, al ziet hij de behoefte, zich reeds
kwaadwillig aan het weigeren begeeft.
61 Laten we nu onzen voet naar zoo hooge nooding zetten; haasten wij ons
te stijgen voor dat het duistert, daar het daarna niet zoude kunnen, zoo
de dag niet keert.”
64 Alzoo sprak mijn gids; en ik en hij, wij richtten onze schreden tot
eene trap: en zoodra ik aan de eerste trede was,
67 voelde ik nabij mij als het bewegen van een vleugel, en het waaieren
ervan in mijn aangezicht, en het zeggen: „Gelukzalig zijn de vreedzamen,
die zijn zonder kwaden toorn.”
70 Reeds waren boven ons zóó ver opgerezen de laatste stralen, op welke
de nacht volgt, dat de sterren verschenen van meer dan éénen kant.
73 „O mijne deugd, waarom vervliegt ge aldus,” zeide ik tot mij-zelven,
daar ik de beweegkracht van mijne beenen voelde tot stilstand gebracht.
76 Wij waren daar waar de trap niet meer steeg, en wij stonden stil, als
een schip, dat aan het strand aankomt.
79 En ik wachtte een weinig of ik iets hoorde op den nieuwen omgang;
voorts keerde ik mijn tot mijnen Meester, en zeide:
82 „Mijn zoete Vader, zeg van welk vergrijp loutert men zich hier, op
dezen omgang, waar wij zijn. Indien de voet staat, laat daarom nog niet
uw spreken stil staan.”
85 En hij tot mij: „De liefde tot het goede, te kort schietend bij wat
zij moet, wordt hier aangevuld, hier slaat men weer den kwalijk
vertraagden riem.
88 Maar opdat gij nog duidelijker begrijpt, keer uwen geest tot mij, en
gij zult eenige goede vrucht krijgen van ons vertoef.
91 Noch Schepper, noch schepsel was ooit,” begon hij: „mijn zoon zonder
liefde, òf natuurlijke òf van den geest: en dat weet gij.