4 Uw naam en Uw macht zij geprezen van alle schepsel, naar het voegt

dank te zeggen aan uwen liefde-walm.

7 Kome tot ons de vrede van Uw koninkrijk, daar wij niet uit ons zelven

met alle onze ingeboren krachten tot haar kunnen komen, als zij niet tot

ons komt.

10 Gelijk uwe engelen van hunnen wil offerande doen aan U, zingende

Hosanna, dat de menschen zóó doen van den hunnen.

13 Geef ons heden ons dagelijksch manna, zonder hetwelk door deze rauwe

woestenij teruggaat ook wie het meest zich inspant te gaan.

16 En gelijk wij het kwaad, dat wij geleden hebben, aan een ieder mogen

vergeven, zoo vergeef ook gij weldadig, en zie niet naar onze

verdienste.

19 Onze deugd, die lichtelijk bezwijkt, beproef die niet [in den strijd]

met den Ouden Tegenstander, maar verlos haar van hem, die zóózeer haar

bestookt.

22 Dit laatste gebed, lieve Heer, wordt reeds niet gedaan om

onzentwille, daar wij dat niet van noode hebben, maar ter wille van hen,

die achter ons zijn blijven staan.”

25 Aldus voor ons en voor zichzelven goede reize afbiddende, gingen deze

schimmen onder den last, een dergelijken als waar men zoo dikwijls van

droomt,

28 naar verscheiden wijze benauwd, allen in het rond en moede, boven

over den eersten rand, louterende de nevelen der wereld.

31 Zoo aan gindsche zijde steeds goede voorspraak voor ons gedaan wordt,

wat kan dan aan deze zijde voor hen gedaan worden door degenen, die

goeden wortel hebben voor hunnen wil.

34 Wèl moet men hen helpen te wasschen de merken, die zij hier droegen,

zóódat zij rein en licht kunnen uitgaan tot de bestarnde sferen.

37 „Zegt! zoo waarlijk moge gerechtigheid en vroomheid u weldra

ontlasten, zoodat gij den vleugel kunt uitslaan, die u naar verlangen

opheffe:

40 wijst ons naar welken kant men het kortst gaat naar de trap: en zoo

er meer dan ééne opening is, zegt ons die, welke het minst steil stijgt;

43 daar deze, die met mij komt, door den last des vleesches van Adam,

waarmede hij bekleed is, tegen zijnen wil zuinig is met opstijgen.”

46 Deze hunne woorden, die ze antwoordden op gene, welke gezegd waren

door hem, dien ik volgde, 't was niet duidelijk van wien ze kwamen;

49 maar er werd gezegd: „Ter rechter hand langs den rotswand komt met

ons, en gij zult den doorweg vinden, mogelijk voor een levend wezen om

er langs op te gaan.

52 En zoo ik niet belemmerd ware door het rotsblok, dat mijnen

hoovaardigen nek ònderhoudt, vanwaar het mij voegt het hoofd laag te

houden,

55 zoude ik schouwen naar hem, die nog leeft en zich niet noemt, om te

zien of ik hem ken en om hem medelijdend te maken met dezen last.

58 Ik was een Latijner, geboren uit eenen grooten Toscaan: Willem

Aldobrandeschi was mijn vader: ik weet niet of zijn naam ooit met u was.

61 Het oude bloed en de roemrijke daden van mijne voorvaderen maakten

mij zóó aanmatigend, dat ik, niet denkend aan de gemeenschappelijke

moeder, te voren allen mensch

64 zoozeer in minachting hield, dat ik er van stierf, gelijk de

Sieneezen weten, en in Campagnatico elk sprekend wezen het weet.

67 Ik ben Humberto; en niet slechts mij schaadde mijn hoovaardigheid,

want alle mijne stamgenooten heeft zij met zich in het ongeluk

getrokken.

70 En hier voegt het dat ik dit gewicht drage voor hen, zoolang totdat

hier bij de dooden Gode voldoening worde gegeven, daar ik dat niet bij

de levenden deed.”

73 Luisterende, neeg ik het aangezicht naar omlaag; en één van hen (niet

degene die gesproken had) draaide zich onder het gewicht, dat hem

belastte:

76 en zag mij, en kende mij en riep, houdende de oogen met moeite

gericht op mij, die gansch gebukt mèt hen ging:

79 „O,” zeide ik tot hem: „Zijt gij niet Oderisi, de eer van Agubbio, en

de eer van die kunst, welke verluchten in Parijs wordt genoemd?”

82 „Broeder,” zeide hij: „meer lachen de papieren, welke Franco

Bolognese penseelt: en thans is de eer gansch ~zijn~ en ~mijn~ [slechts]

voor een deel.

85 Wel zoude ik niet zoo hoffelijk geweest zijn, zoolang ik leefde, door

de groote begeerte om uit te munten, waarop mijn hart zich richtte.

88 Voor zóódanige hoovaardigheid betaalt men hier de boete: en nog zoude

ik niet hier zijn, 't en ware het dat ik, [nog] kunnende zondigen, mij

tot God heb gewend.

91 O ijdele roem van de menschelijke vermogens, hoe kort duurt het groen

op zijn kruin als hij niet wordt besprongen door ruwe tijden.

94 Cimabue meende in de schilderkunst het veld te houden en nù heeft

Giotto den roep, zoodat hij den roem van genen verduistert.

97 Aldus heeft de ééne Guido den anderen den roem der taal ontnomen; en

wellicht is geboren die den één en den ander uit het nest zal jagen.

100 Niet anders is het wereldsch gerucht dan een windvlaag, die nu eens

her-, dan derwaarts komt en van naam verandert omdat hij van kant

verandert.

103 Welken roem zult gij meer hebben, indien de ouderdom het vleesch van

u scheidt, dan indien gij gestorven waart vóórdat gij afliet van „bôo,

bôo” en „dui en dui” [te zeggen],

106 eer duizend jaar voorbijgaan? Hetwelk eene kortere tijdsruimte is

[vergeleken] bij de eeuwigheid, dan een oogwenk is [vergeleken] bij den

cirkel, die het traagst in den hemel gewenteld wordt.

109 Van dengene, die vóór mij zoo weinig op den weg vooruitkomt, schalde

gansch Toscane, en nu fluistert men ternauwernood van hem in Siena,

112 waarvan hij Heer was, wanneer verdelgd werd de Florentijnsche woede,

dewelke te dien tijd hoovaardig was, gelijk zij thans veil is.

115 Uw roep is als de kleur van 't kruid, die komt en gaat, en dezelfde

doet haar verkleuren, door wie zij onrijp uitgaat uit den grond.”

118 En ik tot hem: „Uw ware woorden boezemen mij goede nederigheid in en

maken plat groote gezwollenheid: maar wie is degene van wien gij zooeven

spraakt?”

121 „Dat is,” antwoordde hij: „Salvani Provenzano; en hij is hier, omdat

hij zich aanmatigde gansch Siena onder zijne handen te krijgen.

124 Hij is aldus gegaan en gaat aldus zonder verpoozen, sinds hij

stierf: zoodanige munt betaalt om voldoening te geven, hij die daarginds

te vermetel was.”

127 En ik: „Zoo de geest, die, voor hij zich berouwt, den rand des

levens bereikt, daar omlaag blijft en niet hier omhoog stijgt,

130 indien goede gebeden hem niet helpen, voordat verloopt zóó lange

[tijd] als hij geleefd heeft, hoe werd de toegang hem gegeven?”

133 „Wanneer hij roemrijkst leefde,” zeide hij: „vrij in het land van

Siena, heeft hij, afleggende alle schaamte, zich gevest:

136 en daar, om zijnen vriend te verlossen uit de pijne, die hij

doorstond in de gevangenis van Karel, onderstond hij het om te beven

over alle leden.

139 Meer zal ik niet zeggen, en ik weet dat ik duister spreek, maar

weinig tijd zal voorbijgaan, dat uwe geburen zoo zullen doen, dat gij

het zult kunnen toelichten.

142 Dit werk onthief hem van die grenslanden.”

[decoratieve illustratie]

[decoratieve illustratie]

TWAALFDE ZANG

~Vervolg van den eersten ommegang~

Hier zien de Dichters in de rots afgebeeld voorbeelden van gestrafte

hoovaardigheid. Een Engel wijst hun den opgang tot den tweeden omgang.

* * * * *

1 Paarswijze, als runderen die onder het juk gaan, ging ik verder met

die belaste ziel, zoolang het toestond de zoete leidsman.

4 Maar wanneer hij zeide: „Laat hem en kom mee, daar het hier goed is

met het zeil en de riemen zoo goed [en zoo kwaad] ieder kan, zijn hulkje

voort te drijven,”

7 maakte ik mij weder recht, gelijk men pleegt te gaan, met mijn

persoon, hoewel mijne gedachten gebogen en geknot bleven.

10 Ik had mij voortbewogen, en volgde volgaarne de schreden van mijnen

Meester, en beiden toonden wij reeds hoe licht wij waren;

13 wanneer hij tot mij zeide: „Richt de oogen naar omlaag: het zal u

goed zijn, tot het verlichten van den weg, het bed te zien van uwe

voetzolen.”

16 Gelijk, opdat er heugenis van hen zij, boven de begravenen de

aardsche graftomben dragen verbeeld dat wat zij vroeger waren;

19 waarom men daar vele malen weent, door den stekel der heugenis, die

alleen aan de vromen de sporen geeft;

22 zóó zag ik dáár, maar met betere gelijkenis, naar gelang van de

kunstvaardigheid, bebeeld zooveel [ruimte] als voor weg buiten den berg

naar voren komt.

25 Aan ééne zijde zag ik dengene, die edelst geschapen was van alle

schepsel, bliksemende nederdalen van den hemel.

28 Briareus zag ik, doorboord van den hemelschen schicht, liggen aan den

anderen kant, zwaar voor de aarde door de doods-kou.

31 Ik zag [Apollo] Thymbraeus, ik zag Pallas en Mars, nog gewapend, rond

hunnen vader, staren op de verspreide ledematen der Giganten.

34 Ik zag Nimrod aan den voet van het groote werk, geheel verbijsterd de

luiden aanstaren, die in Sennaär met hem hoovaardig waren.

37 O Niobe, met welke treurende oogen zag ik u gebeeld op het plaveisel

temidden van uwe zeven en zeven gedoode kinderen.

40 O Saul, hoe scheent gij daar gestorven op uw eigen zwaard op den berg

Gilboa, die voortaan noch regen noch dauw voelde.

43 O dwaze Arachne, zóó zag ik u, reeds half eene spinne, droef bovenop

de flarden van het werk dat tot uw nadeel gemaakt was.

46 O Rehabeam, uw beeltenis schijnt daar niet meer dreigende te zijn,

maar vol van vreezen draagt hem een wagen vandaar voor men hem verjage.

49 Nog vertoonde het harde plaveisel hoe Alcmeon zijner moeder duur deed

dunken het heilloos sieraad.

52 Het vertoonde hoe zijne [eigene] zonen zich wierpen op Sennacherib

binnen in den tempel en hoe zij hem dood daar lieten.

55 Het vertoonde den ondergang en het wreede voorbeeld dat Tamyris

stelde, daar zij zeide tot Cyrus: „Naar bloed dorstte u en van bloed

verzadig ik u.”

58 Het vertoonde hoe in verwarring vluchtten de Assyriërs, nadat

Holophernes dood was, en ook het overschot des vermoorden.

61 Ik zag Troja in asch en bouw-val: o Ilium, hoe vernederd en

waardeloos toonde u de beeltenis, die men dáár ontwaart.

64 Wie was er meester van penseel en teekenstift, dat hij weergaf de

schaduwen en lijnen, die daar elken fijnen geest tot bewondering zouden

brengen?

67 Dood schenen daar de dooden en levend de levenden: hij, die de

werkelijkheid ziet, ziet niet meer dan ik, [ziende] al wat ik betrad

zoolang ik gebukt ging.

70 Nu braveert maar en gaat met het gezicht omhoog, zonen Eva's, en

buigt maar niet het gelaat zóó dat gij uw kwade pad ziet.

73 Meer was er reeds door ons van den berg omgegaan en van den weg der

zon vrij wat meer afgelegd, dan mijn onvrije ziel wel vermeende;

76 wanneer hij, die altijd opmerkzaam vóórging, begon: „Hef het hoofd,

het is niet meer tijd aldus in gedachten te gaan.

79 Zie daar een Engel, die zich opmaakt te ons-waart te komen: zie hoe

de zesde dienstmaagd keert van de bediening des daags.

82 Doe uwe gebaren en gelaat aan met eerbiedigheid, zoodat het hem

behage ons naar boven te geleiden: gedenk dat deze dag nooit weder

daagt.

85 Ik was aan zijn waarschuwen goed gewend, om toch geenen tijd te loor

te laten gaan, zoodat hij in die stoffe niet duister tot mij kon

spreken.

88 Tot ons kwam het schoone schepsel, wit gekleed, en in het aangezicht

zoodanig als de morgenstar flonkerend zich vertoont.

91 De armen opende hij en daarna opende hij de vleugelen: en zeide:

„Komt; hier dichtbij zijn de treden, en licht kan men van stonde aan

stijgen.

94 Op deze nooding komen maar zeer schaarschen: o menschelijk geslacht,

geboren om opwaart te vliegen, waarom valt gij bij zoo weinig wind?”

97 Hij leidde ons daar waar de rots was uitgehouwen; daar sloeg hij mij

de vleugelen voor het voorhoofd, voorts beloofde hij mij veiligen gang.

100 Gelijk om ter rechterhand ten berg op te klimmen, waar de kerk

gelegen is, die neer ziet op de goed geleide boven de Rubaconte,

103 de straffe heftigheid des stijgens verbroken wordt door de trappen,

die gemaakt werden ten tijde dat kwatern en schepel veilig waren;

106 aldus vergemakkelijkt zich de rand, die hier wel zeer snel valt, van

den tweeden ommegang: maar hier en daar scheert [ons] de hooge rots.

109 Terwijl wij ons aldaar omwendden, zongen stemmen aldaar „Zalig zijn

de armen van geest,” derwijze dat geen woorden het konden weergeven.

112 Ai mij! hoe verscheiden zijn deze ingangen van de helsche! daar men

hier onder gezangen binnentreedt en daar onder woeste jammerkreten.

115 Alreede stegen wij op langs de heilige treden, en veel lichter

scheen het mij toe te zijn, dan het mij te voren in de vlakte had

toegeschenen:

118 waarop ik: „Meester” zeide: „welke zwarigheid is er van mij

weggenomen, dat bijna geen vermoeienis onder het gaan door mij wordt

gekregen?”

121 Hij antwoordde: „Wanneer de P's, die nog op uw gelaat, bijna

uitgewischt, overgebleven zijn, ganschelijk gelijk die ééne, zullen zijn

weggeschoren,

124 worden uwe voeten aldus overwonnen door uwen goeden wil, dat zij

niet slechts geen vermoeienis zullen gevoelen, maar dat het hun vermaak

zal zijn opwaart te worden gedrongen.”

127 Toen deed ik gelijk degenen die gaan met op hun hoofd iets, waarvan

zij niet weten tenzij dat de gebaren der andere menschen het hen doen

vermoeden;

130 waarom de hand hen helpt om hen te vergewissen, en zoekt en vindt,

en dat werk verricht, wat niet kan worden verricht door het gezicht:

133 en met de gescheiden vingers van de rechterhand bevond ik slechts

zes der letters, welke die van de sleutelen mij boven de slapen had

ingegrift:

136 En mijn gids, dit ziende, glimlachte.

[decoratieve illustratie]

DERTIENDE ZANG

~De Tweede Ommegang. Hier wordt de zonde van de afgunst geboet.~

Op den tweeden rand, waar nu de Dichters komen, wordt de zonde

der afgunst gelouterd. De zielen aldaar zijn gekleed in een grove

pij, en hebben de oogen met een ijzerdraad toegenaaid. Van afstand

tot afstand vliegen stemmen door de lucht, door hemelsche geesten

voortgebracht, die den afgunstigen eenig schoon voorbeeld van

barmhartigheid of naasten-liefde in herinnering brengen. Voorts

vertoont zich aan Dante Sapia van Siena.

* * * * *

1 Wij waren aan den top der trap, waar ten tweeden male de berg

ingesneden wordt, die door zijne bestijging de menschen loutert:

4 aldaar omwindt een kornis evenzoo de helling gansch gelijk de eerste,

tenzij dat haar boog zich vroeger ombuigt.

7 Noch platte, noch bolle beeltenis is daar, die men ziet; zoo maar

ziet men daar den wand, zoo maar ziet men daar den affenen weg met de

loodkleur der rots-massa.

10 „Zoo we hier menschen afwachten om na te vragen,” sprak de Dichter:

„dan vrees ik dat wellicht ons besluit te veel vertraging ondervindt.”

13 Voorts richtte hij de oogen vast op de zon; hij maakte van zijn

rechterzijde het middelpunt voor de beweging, en den linkerkant van zich

zelven draaide hij.

16 „O zoete Licht, in vertrouwen waarop ik binnentreed langs den nieuwen

weg, gij geleidt ons,” zeide hij: „gelijk men hier wel geleid wil zijn.

19 Gij verwarmt de wereld, gij licht over haar: zoo niet andere reden

tot het tegendeel nope, moeten uwe stralen altijd geleide zijn.”

22 Zooveel men (aan deze zijde) voor een mijl rekent, zoo ver waren wij

reeds van daar gegaan, in weinig tijd, door den vaardigen wil.

25 En te ontwaart te vliegen werden bemerkt, daarom nog niet gezien,

geesten, sprekende tot den disch der liefde heusche noodingen.

28 De eerste stem, die voorbij ging, vliegende zeide luide: „Zij hebben

geen wijn” en achter ons ging zij, het herhalende.

31 En voordat die door den afstand gansch niet meer gehoord werd, daar

ging een andere voorbij schreeuwende: „Ik ben Orestes” en hield mede

geen stand.

34 „O,” zeide ik: „Vader, welke stemmen zijn dezen?” en mèt dat ik het

vroeg, een derde was daar, zeggende: „Hebt lief van wien gij kwaad

ondervindt.”

37 De goede Meester zeide: „Deze ommegang tuchtigt de schuld der

afgunst, en daarom worden de koorden der geeselroede door liefde

gehanteerd.

40 De breidel wil zijn van tegengestelden klank; ik geloof dat gij hem

zult hooren, mijns bedunkens, voor gij geraakt tot den overtocht der

vergiffenis.

43 Maar houd de oogen vast door de lucht gericht, en gij zult menschen

voor ons zien zitten, en ieder van hen zit langs den rotswand.”

46 Toen opende ik de oogen meer dan te voren; ik schouwde voor mij en ik

zag schimmen met mantelen van de kleur van de steen niet ver scheiden.

49 En toen wij een weinig meer vooruit waren, hoorde ik roepen: „Maria,

bid voor ons;” ik hoorde ze roepen Michaël en Petrus en alle de

heiligen.

52 Ik geloof niet dat er heden op aarde een mensch gaat, zoo hard, die

niet geslagen werd met medelijden voor dat wat ik voorts zag:

55 want, wanneer ik zóó nabij hen was gekomen dat hunne gebaren

duidelijk tot mij kwamen, werden door de zware smart me de tranen uit de

oogen getogen.

58 Van een grove pij schenen zij me bedekt, en de één schoorde den ander

met den schouder, en allen waren geschoord van den rotswand.

61 Zoo staan de blinden met het haveloos kleed, bij de ~biecht~ om hun

nooddruft te vragen, en de één neigt het hoofd over den ander,

64 opdat te eer bij de menschen het medelijden opkome, niet maar door

het klinken der woorden, maar door den aanblik, die niet minder fleemt.

67 En gelijk de blinden het zonlicht niet baat, zoo wil daarginds aan de

schimmen, waarvan ik nu spreek, het zonlicht niet van zich mededeelen;

70 daar bij allen een ijzeren draad het ooglid doorboort en toenaait

gelijk men met den wilden sperwer doet, omdat hij niet rustig blijft.

73 Het scheen me dat ik al gaande beleediging aandeed, daar ik, genen

ziende, niet werd gezien; waarom ik mij wendde tot mijnen wijzen

raadsman.

76 Wel wist hij, wat de stomme wilde zeggen; en daarom wachtte hij mijn

vraag niet af, maar zeide: „Spreek, en wees kort en bondig.”

79 Virgilius kwam me aan dien kant van de kornis van waar men vallen

kan, omdat die door geen rand omringd wordt.

82 Aan mijn anderen kant waren de vrome zielen, die door den gruwelijken

naad zoo zeer [de tranen] persten, dat ze de wangen baadden.

85 Ik wendde mij tot hen, en: „O menschen,” begon ik: „verzekerd van te

zullen zien het hooge licht, waarom alleen uwe begeerte bekommerd is,

88 zoo waarlijk moge weldra de genade het schuim van uw geweten afnemen,

zoodat de stroom van den geest helder daarin nederdale,

91 zegt mij (daar het mij welgevallig en dierbaar zal zijn) of er hier

tusschen u een latijnsche ziel is; en wellicht zal het haar goed zijn,

zoo ik het verneem.”

94 „O broeder mijn, elke [ziel] is burgeres van ééne ware stad; maar gij

wilt zeggen, of er eene leefde als vreemdelinge in Italië.”

97 Dit meende ik als antwoord te hooren van een weinig meer naar voren

dan waar ik stond; waarom ik mij nog meer daar deed bemerken.

100 Te midden van de anderen zag ik eene schimme, die kennelijk

wachtte; en zoo iemand wilde vragen: hoe? de kin hief zij op de wijze

van eenen blinde omhoog.

103 „Ziele,” zeide ik: „die omlaag gehouden wordt om omhoog te rijzen,

zoo gij degene zijt, die mij antwoorddet, maak u mij bekend door

geboorteplaats of naam.”

106 „Van Siena was ik,” antwoordde zij: „en met deze anderen louter ik

hier het schuldig leven, tranen vergietende tot Hem dat Hij zich ons

mededeele.

109 Wijs was ik niet, hoewel ik Sapia was genoemd, en ik was veel

blijder om eens anders schade dan om mijn eigen geluk.

112 En opdat gij niet geloovet dat ik u bedrieg, hoor of ik, zooals ik u

zeg, dwaas was, reeds afdalende den boog mijner jaren.

115 Mijne medeburgers waren nabij Colle in het veld gekomen met hunne

tegenstanders, en ik bad God om dat wat Hij wilde.

118 Gebroken werden zij daar en gedreven op de bittere wegen der vlucht;

en de jacht ziende, won ik in mij een blijdschap aan elke andere

ongelijk:

121 zoodat ik het onvervaarde gelaat omhoog hief, schreeuwende tot God:

„Voortaan vrees ik u niet” gelijk de meerle deed bij 't eerste mooie

weer.

124 Vrede met God wenschte ik op het uiterste van mijn leven; en nog

zoude mijn schuld niet door boetvaardigheid zijn verminderd,

127 't en ware het dat Peter Pettinagno mijner had gedacht in zijn

heilige gebeden, wien uit barmhartigheid mijner deerde.

130 Maar gij, wie zijt gij, die gaat vragende naar onze toestanden en

de oogen ongebonden draagt, naar ik geloof; en ademende spreekt?”

133 „Wel zullen me,” zeide ik: „de oogen hier nog eenmaal worden

ontnomen; maar gedurende weinig tijd, daar klein hun vergrijp is van met

nijd te zijn bewogen.

136 Veel meer is de vrees, waardoor mijn ziel wordt benard, voor de

pijniging van hieronder, zoodat reeds de last van daarbeneden mij

weegt.”

139 En zij tot mij: „Wie heeft u dan hierboven te midden van ons geleid,

indien gij gelooft daarbeneden te zullen terugkeeren?” En ik: „Hij die

met mij is en geen woord spreekt:

142 en levend ben ik; en daarom vraag mij weder, verkoren ziel, indien

gij wilt dat ik daarginds de sterfelijke voeten voor u beweeg.”

145 „O dit is om te hooren zoo nieuwe zaak”, antwoordde zij: „dat het

een groot bewijs is dat God u liefheeft: daarom help mij dan nu en dan

met uw gebed.

148 En ik vraag u bij dat wat gij meest begeert: zoo gij ooit het

Toscaansche land betreedt, dat gij bij mijne verwanten ten beste van mij

spreekt.

151 Gij zult ze zien bij dat wufte volk dat hoopt op Talamone, en dáár

zal het nog meer hoop verliezen dan om de „Diana” te vinden.

154 Maar nog meer zullen daar de admiraals verliezen.”

[decoratieve illustratie]

[decoratieve illustratie]

VEERTIENDE ZANG

~Voortzetting van den tweeden ommegang.~

Guido del Duca da Bertinoro beschrijft aan Rinieri dei Calboli, zijnen

buurman, het slechte gedrag van de verschillende volkeren van het dal

van den Arno en profeteert hem de schande van zijnen naneef. Voorts

bejammert hij het ontaarde Romagna, en vermeldt de namen van vele edele

en geëerde Romagnolen van zijnen tijd. Wanneer ten slotte de Dichters

van die schimmen zijn weggegaan, hooren zij stemmen als van den donder,

die hen herinneren aan de kastijdingen, die de afgunstigen te wachten

staan.

* * * * *

1 „Wie is degene, die onzen erg òmgaat, voordat de dood hem vleugelen

heeft gegeven, en die de oogen opent en toemaakt naar welbehagen?”

4 „Niet weet ik wie hij is; maar wel weet ik dat hij niet alleen is:

vraag gij het hem, daar gij hem nader bij zijt, en bejegen vriendelijk

hem zóó dat hij spreke.”

7 Aldus twee geesten, de één tot den ander geneigd, spraken daar van

mij ter rechterhand; voorts hieven zij de aangezichten, om tot mij te

spreken, achterover;

10 ende één zeide: „O ziel, die nog in het lichaam gevest, hemelwaart

gaat, vertroost ons uit barmhartigheid, en zeg ons,

13 van waar gij komt, en wie gij zijt; daar gij ons zóó zeer doet

verwonderen over uwe genade, als iets [verwondering] eischt, dat nog

nooit is gebeurd.”

16 En ik: „Midden door Toscana spanceert een stroompje, dat geboren

wordt op de Falterona, en honderd mijlen loops verzadigt het niet.

19 Van zijnen oever draag ik dit mijn lichaam; te zeggen wie ik ben,

ware ijdel praten, daar mijn naam nog niet luide verluidt.”

22 „Wanneer ik uwe bedoeling wèl begrijp,” antwoordde toen hij, die het

eerste sprak: „dan spreekt gij van den Arno.”

25 En de andere zeide tot hem: „Waarom verheelde hij den naam van die

rivier, gelijk de mensch doet met gruwelijke dingen?”

28 En de schim, die hieromtrent ondervraagd was, kweet zich aldus: „Dat

weet ik niet, maar wel verdient de naam van zulk eene vallei dat hij te

gronde ga,

31 daar van zijnen aanvang (waar het Alpijnsch gebergt, van 't welk

Pelorum is losgerukt, zóó van water is gedrenkt, dat het op weinig

plaatsen die maat te boven gaat)

34 tot daar, waar hij zich weder uitstort tot herstel van dat deel van

't zeewater, dat de hemel opslorpt, waardoor de rivieren hebben dat wat

mèt hen gaat,

37 aldus de deugd als vijandin door allen wordt gevloden, als het

gesijfel [van eene slang], hetzij door het lot der plaatse, hetzij door

kwade praktijk, die hen noopt:

40 vanwaar de bewoners dier rampzalige vallei zóó hunnen aard veraêrd

hebben, dat het lijkt of Circe hen in de kost hadde gehad.

43 Door botte varkens heen, die eikelen meer verdienen dan ander

voedsel, geschapen tot menschelijk gebruik, richt hij eerst zijn

armelijk pad.

46 Keffertjes vindt hij voorts, daar hij lager komt, meer grijnzend dan

hun kracht vergt, en ze minachtend keert hij den muil van hen af.

49 Hij gaat al vallende, en hoe meer die gemaledijde en ellendige sloot

aangroeit, te meer ziet hij de honden tot wolven worden.

52 Voorts afgedaald door meerdere diepe zeeën, vindt hij de vossen zóó

vol van loosheid, dat zij geen list vreezen die hen ving.

55 En ik zal niet nalaten te spreken opdat een ander mij hoore: en het

zal hem goed zijn zoo hij zich herinnere dat wat een ware geest mij

ingeeft.

Dante's Louteringsberg in proza overgebracht · 第 3 / 12 段