76 dat alles gelegd naast het kruid en de bloemen binnen in die delling,

zou door hun verw overwonnen zijn, gelijk het mindere door het meerdere

overwonnen wordt.

79 Niet alleen had de natuur daar [kleuren] geschakeerd, maar zij maakte

van de zoetheid van duizend geuren een ononderscheidelijke mengeling.

82 „Salve Regina” zag ik daar op het groen en de bloemen zielen zitten

te zingen, die men van wege de delling niet van buiten kon zien.

85 „Voordat nog het weinige zonlicht in zijn nest gaat,” begon de

Mantuaan die ons geleid had, „wilt niet dat ik u te midden van hen

leide.

88 Van dezen rand zult gij beter de gebaren en gezichten van hen allen

onderscheiden, dan beneden in de delling opgenomen.

91 Gene, die het hoogste zit, en schijnt veronachtzaamd te hebben dat

wat hij doen moest en die den mond niet opent voor het gezang der

anderen,

94 was keizer Rudolf, die de wonden kon helen, welke Italië gedood

hebben, zóódat zij maar al te laat door anderen tot verademing komt.

97 De andere, die in het aangezicht hem troost, regeerde het land

waaruit het water geboren wordt dat de Moldau in de Elbe, en de Elbe in

zee brengt:

100 Ottocar heette hij, en in de windselen was hij vrij wat beter dan

Wenzislaus zijn zoon, nu hij een baard heeft, wien weelde en luiheid

mest.

103 En die Klein-neus, die in beraad schijnt met dengene die zoo

goedwillig uitzicht heeft, stierf vluchtende en de lelie onteerend.

106 Ziet daar, hoe hij zich de borst slaat. Ziet den andere, die zich

al zuchtende van de handpalm een kussen voor de wang heeft gemaakt.

109 Vader en Schoonvader zijn zij van het ongeluk van Frankrijk: zij

weten van zijn snood en vuil leven, en vandaar komt die smart, die ze

zoo zeer slaat.

112 Hij die zoo vleezig schijnt, en die zingende te zamen stemt met

genen van den mannelijken neus, droeg van elke deugd het koord gegord.

115 En zoo na hem koning gebleven ware de jongeling, die achter hem zit,

dan ging de deugdelijkheid schoon van vat tot vat;

118 hetgeen men niet kon zeggen van den anderen erfgenaam. Jacob en

Frederik hebben de koninkrijken; geen heeft bezit van 's vaders betere

nalatenschap.

121 Zelden gaat de menschelijke voortreffelijkheid door de takken

naarboven: en dat wil Degene, Die haar geeft, opdat ze Zijn gave genoemd

worde.

124 Ook tot dien van ~den grooten Neus~ gaan mijne woorden (niet minder

dan tot den andere, Peter, die met hem zingt) om wien Apulië en Provence

nu smart hebben.

127 Zooveel is de plant minder dan haar zaad, als, meer nog dan Beatrice

en Margherita, Constantia op haar echtgenoot boogt.

130 Ziet den koning van het eenvoudige leven daar alleen zitten, Hendrik

van Engeland: deze heeft in zijn spruiten beter voortzetting.

133 Gene, die verder naar beneden onder genen op aarde zit, naar boven

kijkend, is markgraaf Willem, om wien èn Alessandria en diens oorlog

136 Monferrat en het Cannoveserland laat weenen.

[decoratieve illustratie]

ACHTSTE ZANG

In Sordello's gezelschap gaan de beide Dichters het dal binnen; terwijl

twee Engelen, nedergedaald uit den Hemel, post vatten om de boetedoenden

tegen de slang te beschutten, onderhoudt Dante zich met Nino en Currado

Malaspina.

* * * * *

1 Het was reeds de ure die den zeevarenden de begeerte doet keeren en

hun het hart verteêrt, den dag dat zij hunnen zoeten vrienden vaartwel

hebben gezegd;

4 en die den nieuwen bee-vaarder met liefde steekt, wanneer hij van

verre den beiaard hoort, welke schijnt den dag te beweenen die

wegsterft:

7 wanneer ik het hooren begon te veronachtzamen, en te schouwen naar

eene der zielen, die opgerezen was en die het luisteren vroeg met de

hand.

10 Zij voegde saam en hief beide de handpalmen, de oogen naar het Oosten

richtende, of zij tot God zeide: „Al het andere wat raakt het me?”

13 ~Te lucis ante~ kwam haar met zulk een wijding uit den mond, en met

zóó zoete tonen, dat het mij mijn ziel buiten mij zelven deed treden.

16 En voorts volgden de anderen zoetelijk en met wijding haar na door

het gansche gezang, de oogen houdende naar de bovenste sferen.

19 Spits hier wel, lezer, de oogen op de waarheid, daar het weefsel nu

wel zoo dun is, voorzeker, dat het makkelijk is er door heen te vallen.

22 En ik zag de edelaardge heir-schare zwijgend voorts naar boven

kijken, als wachtende, bleek en deemoedig:

25 en ik zag van den hoogen komen en naar beneden dalen twee Engelen met

twee vlammende zwaarden, geknot en van hunne punten ontdaan.

28 Groen als maar even uitgebotte loovertjes waren hunne gewaden, die

zij slepen lieten, door hunne groene vleugelen geslagen en bewaaierd.

31 De één kwam een weinig boven ons te staan, en de ander daalde neder

op den tegenovergelegen rand, zoodat die lieden zich in het midden

bevonden.

34 Goed onderscheidde ik in hen het blonde hoofd; maar in de

aangezichten verdoolde zich het oog als een vermogen dat in te veel

raakt verbijsterd.

37 „Beiden komen van den schoot van Maria,” zeide Sordello, „ter

bewaking van het dal, tegen de slang, die zoo aanstonds zal komen.”

40 Waarom ik, die niet wist, langs welken weg, mij rondom keerde, en mij

nauw aandrong, gansch bevrozen, tegen de vertrouwde schouderen.

43 En Sordello [sprak] nog weer: „Laten wij nu nederdalen tusschen de

grootsche schimmen, en tot hen spreken; zeer welgevallig zal het hun

zijn u te zien.”

46 Nog maar drie passen geloof ik dat ik was nedergedaald, en ik was

beneden en ik zag er eenen die stadig mij beschouwde, of hij mij wilde

herkennen.

49 Reeds was het de tijd dat de lucht zich verdonkerde, maar toch niet

zóó dat tusschen zijne en mijne oogen niet geopenbaard werd dat wat hij

eerst verborgen hield.

52 Tot mij maakte hij zich op en ik maakte mij op tot hem: „Edele

rechter Nino, hoe zeer gevalt het mij, wanneer ik u niet tusschen de

schuldigen zie!”

55 Geen enkele schoone begroetenis werd tusschen ons verzwegen: voorts

vroeg hij: „Hoe lang is het sinds gij aan den voet van den berg over de

verre wateren gekomen zijt?”

58 „O!” zeide ik hem: „door de droeve plaatsen kwam ik dezen morgen, en

ik ben in het eerste leven, zij het ook dat ik, aldus gaande, het andere

gewin.”

61 En wanneer mijn antwoord gehoord was, trokken Sordello en hij zich

terug, als lieden plotseling verbijsterd.

64 De ééne wendde zich tot Virgilius en de andere tot éénen, die daar

zat, roepende: „Op Currado, kom om te zien dat wat God door zijne genade

wilde.”

67 Voorts tot mij gewend: „Bij dien bijzonderen dank, dien gij Hem

schuldig zijt, Die zóózeer zijn eerste „waarom” verbergt, dat geen wadde

daarheen voert,

70 wanneer gij zijn zult aan gene zijde der breede wateren, zeg dan aan

mijne Johanna, dat zij om mij roepe daar waar de onschuldigen

beantwoord worden.

73 Ik geloof niet dat hare moeder mij nog bemint, sinds zij de witte

linten verwisselde, naar welke het zoo gevalt dat zij, ongelukkige, nog

weder terug verlangt.

76 In haar kan men gemakkelijk zien, hoe lang in eene vrouw het vuur der

liefde duurt, als het gezicht en de tast het niet vaak weder opstookt.

79 Zoo schoone begrafenis zal de slang, die de Milaneezer ten strijde

voert haar niet geven als de haan van Gallura haar zou hebben gegeven.”

82 Zoo sprak hij, in zijn aangezicht met dat kenteeken van dien

gerechten ijver gemerkt, die met mate in het hart brandt.

85 Mijne begeerige oogen gingen stadig ten hemel, stadig daarheen, waar

de sterren het traagst gaan, zooals een rad het dichtst bij zijn as.

88 En de Gids mijn: „Zoon, waarnaar kijkt gij daar omhoog?” En ik tot

hem: „Naar die drie fakkels, door welke gindsche pool ganschelijk in

brand staat.”

91 En hij tot mij: „De vier heldere sterren, die gij daar van morgen

zaagt, zijn nu ginds omlaag, en deze zijn omhoog gestegen waar die

waren.”

94 Terwijl hij sprak, trok Sordello hem tot zich zeggende: „Zie daar

onzen tegenstander;” en hij richtte den vinger, opdat hij daarheen zou

zien.

97 Aan dien kant waar de kleine delling geene beschutting had, was een

slang, wellicht, zoo één als aan Eva de bittere bete gaf.

100 Tusschen 't gras en de bloemen kwam de kwade schuifelaar, al en al

maar den kop draaiende, en den rug zich lekkende als een beest, dat zich

glad maakt.

103 Ik zag het niet en daarom kan ik het niet zeggen, hoe de hemelsche

roofvogels opvlogen, maar ik zag heel goed zoowel den een als den ander

opgevlogen.

106 Toen ze merkte dat de lucht door de groene vleugels gekliefd werd,

vluchtte de slang, en de Engelen keerden weer omhoog naar hunne posten

gelijkelijk terug vliegende.

109 De schim, die zich tot den rechter had teruggetrokken, wanneer hij

hem riep, liet gedurende dezen ganschen aanval geen oogenblik af van

naar mij te kijken.

112 „Zoo de lamp, die u ten hoogen voert, in uwen vrijen wil zoo groote

pit vindt als noodig is om te komen aan de bergvlakte op den top,”

115 begon zij: „zoo gij ware tijding weet van Valdimagra, of van eenig

naburig land, zeg haar aan mij, die daar eertijds machtig was.

118 Ik heette Currado Malaspina: niet de Oude ben ik, maar van hem stam

ik af: tot de mijnen droeg ik die liefde, die hier wordt gelouterd!”

121 „O!” zeide ik tot hem: „in uwe landen ben ik nooit geweest; maar

waar vertoeft iemand in gansch Europa, wien ze niet bekend zijn?

124 De roem, die uw huis eert, verbreidt de heeren, verbreidt het land,

zoo dat ook hij, die er niet was, ze kent.

127 En ik zweer u, zoo waarlijk moge ik boven aankomen, dat uw geëerd

geslacht niet aan het afnemen is in roem van beurs en zwaard.

130 Gewoonte en aanleg bevoorrechten het zoo dat, hoezeer het slechte

Hoofd de Wereld doet dwalen, het alleen den rechten weg houdt en den

slechten weg versmaadt.”

133 En hij: „Nu ga, daar de Zon zich geen zeven malen te ruste zal

leggen in het leger dat de Ram met alle vier de pooten dekt en omvat,

136 of deze heusche meening is u midden op het voorhoofd gegrift met

grooter nagelen dan woorden van andere menschen,

139 indien de loop der rechtvaardigheid niet tot stil-staan komt.”

[decoratieve illustratie]

[decoratieve illustratie]

NEGENDE ZANG

De Dichter, ingeslapen zijnde, heeft tegen den morgen eenen droom; als

hij daaruit ontwaakt, bevindt hij zich met Virgilius vóór de Poort van

de eigenlijke plaats der Loutering, welke hij door den haar bewakenden

engel wordt binnengelaten.

* * * * *

1 De bijzit van den ouden Tithonus schemerde reeds aan de Ooster-kim,

[opgerezen] uit de armen van haren zoete-lief:

4 haar voorhoofd was lichtend van edel-gesteenten, die gezet waren naar

de teekening van dat kille dier, dat met den staart de volkeren slaat:

7 en de nacht had van de schreden, waarmede zij stijgt, er twee gedaan

op de plaats, waar wij waren, en de derde neeg reeds de vleugelen naar

beneden,

10 wanneer ik, die met mij had van dat van Adam, verwonnen van den

slaap, mij op het gras neeg, daar waar wij reeds alle vijf gezeten

waren.

13 Op de ure dat de zwaluw haar droeve zangen begint dicht bij den

morgen, wellicht ter gedachtenis van hare eerste weeën,

16 en dat onze geest, meer vervreemd van het vleesch, en minder door

gedachten ingenomen, in zijne gezichten bijna profetisch is;

19 was het mij in den droom of ik eenen adelaar zag, hangend in den

hemel op gouden pennen, met de vlerken geopend, en bereid om zich neder

te laten:

22 en het docht mij dat ik dáár was, waar de zijnen door Ganymedes

verlaten werden, daar hij ter hoogste vergadering getogen werd.

25 Bij mij-zelven dacht ik: wellicht loert deze steeds hier uit gewoonte

en wellicht gewaardigt deze zich niet van een andere plaats iets mede te

nemen in zijne klauwen.

28 Voorts docht me dat hij, na eerst nog een weinig in den ronde gewield

te hebben, verschrikkelijk als een bliksem nederdaalde en mij naar boven

haalde tot aan het vuur.

31 Daar docht me dat hij en ik brandden, en zoo stak mij de verbeelde

brand, dat het geviel dat de slaap verbroken werd.

34 Niet anders huiverde Achilles, de ontwaakte oogen in een kring

rond-bewegende, en niet wetende waar hij was,

37 wanneer zijne moeder hem, slapende in hare armen, van Chiron

wegvoerde naar Scyrus, daar van waar voorts de Grieken hem deden

heengaan;

40 als ik huiverde, mèt dat de slaap mij van het aangezicht vluchtte, en

ik werd bleek, gelijk de mensch wordt, die ontsteld ijst.

43 Alleen mijn trooster was mij ter zijde, en de zon was reeds hooger

dan twee uren, en mijn gezicht was naar de zee toe gewend.

46 „Heb geen vrees,” zeide mijn Heer: „stel u gerust, daar wij op een

goede plaats zijn, wil alle kracht niet benauwen maar verruimen.”

49 „Thans zijt gij aan het oord der Loutering gekomen. Zie daar den

rand, die het van rondom sluit; zie daar den ingang waar die rand open

schijnt.

52 Zoo-even in den dageraad, die den dag vóórgaat, wanneer uwe ziel

binnen-in u sliep op de bloemen, waarmee de grond daar beneden is

getooid,

55 kwam eene vrouw, en zeide: „Ik ben Lucia; laat mij hem opnemen, die

daar slaapt, aldus zal ik hem bekwamen tot zijnen weg.”

58 Sordello bleef achter, en ook de andere edele gestalten; zij nam u

op, en mèt dat het helder dag was, ging zij opwaarts, en ik in hare

voetstappen.

61 Hier legde zij u neer: en eerst wezen hare schoone oogen mij dien

open ingang; voorts gingen zij en uw slaap teffens weg.”

64 Op de wijze van een mensch, die in twijfel zich voelt gerust gesteld,

en die zijn vrees in welgemoedheid verandert, wanneer de waarheid hem

ontdekt is,

67 zoo verkeerde ik; en wanneer mijn Gids mij onbezorgd zag, bewoog hij

zich voort over den rand, en ik achter hem naar de hoogte.

70 Lezer, gij ziet wel hoe ik mijne stoffe verhoog, dies verwonder u

niet zoo ik haar met meer kunst versterk.

73 Wij naderden, en wij waren op eene plaats zóó dat ik daar, waar mij

eerst docht een kloof te zijn, gelijk een spleet die een muur deelt,

76 eene poort zag, en drie treden daaronder om tot haar te komen, van

kleur verscheiden, en eenen poortwachter, die tot nog toe geen woord

zei.

79 En naar gelang ik meer en meer het oog er op opende, zag ik hem

zitten boven op de bovenste trede, zoodanig in het aangezicht, dat ik

het niet verdroeg:

82 en een ontbloot zwaard had hij in de hand, dat de zonnestralen

zoozeer te ons-waart weerkaatste, dat ik vele malen den blik vergeefs op

hem richtte.

85 „Zegt gij mij daar: wat wilt gij?” begon hij te zeggen: „waar is uw

geleide? Ziet toe dat het boven-komen u niet schade.”

88 „Eene vrouw uit den Hemel, van deze dingen wel-onderricht,” aldus

antwoordde hem mijn Meester, „zeide zooeven tot ons: „Gaat daarheen,

daar is de poort.””

91 „En zij moge te goeder ure u uwe schreden voorwaarts doen richten,”

herbegon de hoofsche portier: „nadert dus tot onze trappen.”

94 Daar kwamen wij; en de eerste trede was wit marmer, zóó

glad-gewreven, dat ik er mij in spiegelde gelijk ik verschijn.

97 De tweede, donkerder dan donker paars, van een ruw en branderig steen

over lang en over dwars gebarsten.

100 De derde, die het bovenst opgestapeld lag, docht mij van een zoo

vlammend porphier, als bloed, dat uit een ader spuit.

103 Boven op deze hield de Engel Gods beide de voetzolen, zittende op

den dorpel, die mij scheen van diamant.

106 Over de drie treden trok mijn Gids mij, die vol ijver was, en hij

zeide: „Vraag nederig dat hij het slot ontgrendele.”

109 Deemoedig wierp ik mij aan de heilige voeten: erbarmen vroeg ik, en

dat hij me opendeed; maar te voren gaf ik mij drie slagen op de borst.

112 Zeven P's schreef hij mij op het voorhoofd met de spits van het

zwaard, en: „Maak dat gij, wanneer gij binnen zijt, u deze wonden

afwascht,” zeide hij.

115 Asch of aarde, die droog opgegraven wordt, mocht wel van éénzelfde

kleur zijn als zijn kleedij en van onder deze bracht hij twee sleutelen

te voorschijn.

118 De ééne was van goud, en de andere was van zilver; eerst met de

witte en voorts met de gele deed hij aldus aan de poort, dat ik tevreden

was.

121 „Telkens wanneer één van deze sleutelen faalt, daar zij niet recht

in het sleutelgat gestoken wordt,” zeide hij tot ons: „dan gaat de poort

niet open.

124 Kostbaarder is de ééne; maar de andere wil meer kunst en vernuft

voordat zij opent, daar zij het is, die den knoop ontknoedelt.

127 Van Petrus heb ik ze;” en hij zeide mij dat ik liever moest dwalen

door haar te openen dan door haar dicht te houden, zoo maar de luiden

zich voor mij ter aarde werpen.

130 Voorts stiet hij de heilige deur open, zeggende: „Treedt binnen;

maar ik maak u opmerkzaam, dat hij naar buiten terugkeert, die

terugziet.”

133 En toen in de scharnieren de spillen van die heilige deur waren

omgedraaid, die van metaal zijn, dreunend en zwaar,

136 niet loeide de Tarpejische rots aldus noch toonde zij zich zóó

toornig, wanneer haar de goede Metellus werd ontnomen, waardoor zij

voortaan ledig bleef.

139 Ik richtte mij aandachtig naar den eersten donder, en „Te Deum

laudamus” docht ik mij te hooren in zang-stem gemengd met de zoete

muziek.

142 Juist zulk eene verbeelding gaf mij dat wat ik hoorde, als men

gewoon is te krijgen, wanneer men staat te zingen met het orgel:

145 zoodat men dàn wel dàn niet de woorden verstaat.

[decoratieve illustratie]

[decoratieve illustratie]

TIENDE ZANG

~Eerste ommegang van den Louteringsberg~

Op den eersten ommegang gekomen, zien de beide Dichters de in marmer

gehouden tafereelen der deemoedigheid (1–96), daarna de schimmen, die

boete doen voor hoovaardigheid.

* * * * *

1 Toen wij waren binnen den dorpel van de poort, welken de kwade

begeerte der zielen in onbruik brengt, daar zij den krommen weg recht

doet schijnen,

4 hoorde ik haar dreunende gesloten worden: en zoo ik de oogen naar haar

gericht hadde, welke waardige verontschuldiging ware er geweest voor de

feil?

7 Wij stegen door een gespleten rots, die zich dan naar dezen dan naar

dien kant bewoog, gelijk de golf, die vlucht en naderkomt.

10 „Hier voegt het een weinig kunst te gebruiken,” begon mijn Gids: „om

dan hier dan ginds den wand te naderen, die wijkt.”

13 En dat maakte onze schreden zoo schaarsch, dat de donkere helft der

maan aan hare legerstede kwam om zich ter ruste te begeven,

16 voordat wij buiten die kloof waren. Maar wanneer wij vrij en open

waren, daar boven-op, waar de berg zich van achteren weer sluit,

19 toen stonden wij, ik vermoeid, en beiden onzeker over onzen weg, stil

boven op een vlak, meer eenzaam dan wegen door woestijnen.

22 De ruimte van den rand, waar die het ledige begrenst, tot aan den

voet van den hoogen rotswand, die staeg rijst, zou in drie malen het

lichaam van een mensch hebben gemeten:

25 en zoover mijn oog de vleugelen kon spannen, ter linker en ter

rechter zijde, docht mij die kornis aldus te zijn.

28 Nog hadden onze voeten zich niet daar boven op bewogen, wanneer ik

gewaar werd dat die rots-rand in den ronde, die niet in rechte richting

bestegen kan worden,

31 van wit marmer was, en dèr-wijze gesierd met er in uitgehouwen

beeldwerk, dat niet maar Polycletus maar ook Natuur daarvoor had moeten

onderdoen.

34 De Engel, die op aarde kwam met de Boodschap van den vele jaren met

tranen afgebeden vrede, welke den Hemel opende na het lange verbod,

37 verscheen voor ons, waarachtig daar uitgehouwen, met zoo vredig

gebaar, dat hij geen beeld scheen, dat zwijgt.

40 Men zou gezworen hebben dat hij zeide: „Wees gegroet!” omdat daar

uitgebeeld was ~Degene~, die de sleutels omdraaide om de hooge ~Liefde~

te openen.

43 En in haar doen drukte zij zoo eigenlijk deze woorden uit: „Zie hier

uwe Dienstmaagd,” als waren het letters, gestempeld in lak.

46 „Houd toch niet op ééne plaats de aandacht gericht,” zeide mijn zoete

Meester, die mij had aan dien kant, aan welken de mensch het hart heeft:

49 waarom ik mij draaide met den blik, en ik zag achter Maria, naar dien

kant, waaraan degene was die mij aanporde,

52 een andere historie in de rots gebeeld: waarom ik Virgilius

voorbij-trad, en mij er dichter bij bracht opdat het me beter onder de

oogen kwam.

55 Daar waren in het marmer uitgehouwen de wagen en de ossen, trekkende

de heilige Ark, door welke men zich schroomt voor niet toevertrouwden

dienst.

58 Daarvoor vertoonden zich lieden; en die allen, verdeeld in zeven

koren, deden van twee van mijne zinnen den éénen zeggen: „zij zingen,”

den anderen: „zij zingen niet.”

61 Evenzeer aangaande den rook der wierookvaten, die daar was afgebeeld,

geraakten de oogen en de neus over het al of niet branden in tweedracht.

64 Daar ging, opgeschort dansende, de nederige Psalmist de gebenedijde

Bondskist vóór, en was in dat geval tegelijk meer en minder dan Koning.

67 Tegenover hem, aan het venster van een groot paleis, keek Michal,

gelijk een minachtende en verdrietige vrouw.

70 Ik verzette de voeten van de plaats waar ik stond, om van dichte-bij

een andere historie te bezien, welke achter Michal in wit steen zich

mij vertoonde.

73 Daar was getafereeld de hooge glorie des Romeinschen vorsten, wiens

groote deugd Gregorius prikkelde tot zijn groote overwinning:

76 van Trajanus den Keizer, spreek ik: en een weeuwtjen was hem aan den

toom, ontdaan door tranen en door smart.

79 Rondom haar scheen het stampvol van ruiteren, en de adelaren van goud

bewogen zich boven hen zichtbaar op den wind.

82 Het rampzalig vrouwtje scheen te midden van deze allen te zeggen:

„Heer, wreek mij mijnen zoon, die gedood is, dies ik treur.”

85 En gene [scheen] haar te antwoorden: „Dan wacht totdat ik keere.” En

zij: „Heer mijn,” gelijk een mensch in wien de smart ongeduldig wordt:

88 „Zoo gij niet keert?” En hij: „Wie dàn zit, waar ik nù, zal het u

doen.” En zij: „De goede daad des anderen, wat baat die u, zoo gij uw

plicht verzaakt?”

91 Waarop hij: „Dan troost u, daar het voegt dat ik mij kwijte van mijn

plicht, voor ik uittrekke: Gerechtigheid wil 't en plichtsbesef houdt

mij terug.”

94 Degene, die nooit nog iets nieuws gezien heeft, bracht dat zichtbare

spreken voort, nieuw voor ons, daar het hier niet gevonden wordt.

97 Terwijl ik mij verlustigde met het aanschouwen der tafereelen van zoo

groote deemoedigheden, wier aanblik mij ook lief was om der wille van

hunnen Maker;

100 toen fluisterde de Dichter: „Zie van ginds komen, maar met

schaarsche treden, vele luiden: zij zullen den weg wijzen tot de

hoogere ommegangen.”

103 Mijne oogen, die bezig gehouden werden door de aanschouwing, om het

nog nooit geziene te zien, waarnaar zij zoozeer verlangend zijn, waren

niet traag om zich naar hem te keeren.

106 Ik wil niet, lezer, dat gij daarom aflaat van goede voornemens,

wanneer gij hoort hoe God wil dat de schuld geboet wordt.

109 Let niet op den vorm van het martelen: let op hetgeen erop volgt;

bedenk dat, in het ergste geval, het niet kan duren ginds van het groote

Oordeel.

112 Ik begon: „Meester, dat wat ik te-ons-waart zie bewegen, schijnen

mij niet personen: ik en weet niet wat; zoo machteloos ben ik in het

zien.”

115 En hij tot mij: „De zware gesteldheid van hunne foltering doet ze

zich ter aarde buigen, zóódat mijne oogen er eerst door te strijden

hadden.

118 Maar houd den blik daarop gericht, en ontbolster met den blik dat

wat daar onder rotsblokken naderkomt: reeds kunt gij ontwaren hoe ieder

gedrukt wordt.”

121 O trotsche Christenen, rampzalig neergedrukten, die, zwak met de

oogen des geestes, vertrouwen hebt op de rugge-waartsche schreden,

124 beseft gij niet, dat wij wormen zijn, geboren om den engel-gelijken

vlinder te vormen, die ter rechtvaardigheid vliegt zonder omhulling?

127 Waarop gaat uwe ziel hoovaardig als een haan? Gij zijt als insecten

in onvolkomenheid, gelijk rupsen, in welke de formatie nog ontbreekt.

130 Gelijk, om vloer of dak te stutten, men menig malen tot stut een

[menschelijke] gedaante ziet, wie de knieën tegen de borst komen,

133 hoedanig eene over het niet-ware ware droefenis doet opkomen bij

wie het ziet; zoo zag ik ze, toen ik ze wèl beschouwde.

136 Waar is dat ze meer of min samengetrokken waren, naarmate ze meer of

minder op den rug hadden; en hij, die het meeste geduld in het voorkomen

had,

139 scheen weenende te zeggen: „Ik kan niet meer.”

[decoratieve illustratie]

[decoratieve illustratie]

ELFDE ZANG

~Voortzetting van den eersten ommegang, waarin geboet wordt voor

hoovaardigheid~

Volgens aanwijzing gekregen van ééne van die zielen, wenden de Dichters

zich ter rechter over de eerste kornis; en ondertusschen vertoont

zich aan hen Humbert, een der graven van Santafiore, en wordt Dante

herkend door Oderisi da Cubbio, die spreekt over de ijdelheid van den

wereldschen roem en hem een en ander mededeelt aangaande Provenzano

Salvani, die aldaar zich loutert van de vroegere hoovaardigheid.

* * * * *

1 „O Vader onze, die in de hemelen zijt, niet dáártoe beperkt, maar

wegens de grootere liefde die Gij voor de eerste werken van daarboven

hebt,

Dante's Louteringsberg in proza overgebracht · 第 2 / 12 段