Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als |
| ~uitgespatieerd~. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder |
| accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van |
| dit e-boek op https://www.gutenberg.org/ |
| |
| Dit e-boek is het tweede deel van “De Goddelijke Komedie” |
| van Dante Alighieri. De oorspronkelijke italiaanse versie van |
| dit boek is ook als e-boek beschikbaar via Project Gutenberg: |
| La Divina Commedia di Dante: Purgatorio |
| https://www.gutenberg.org/ebooks/1010 |
| |
| Via Project Gutenberg zijn ook de volgende vertalingen |
| beschikbaar: |
| * Divine Comedy, Longfellow's Translation, Purgatory |
| engels, https://www.gutenberg.org/ebooks/1002 |
| * Divine Comedy, Cary's Translation, Purgatory |
| engels, https://www.gutenberg.org/ebooks/1006 |
| * Divine Comedy, Norton's Translation, Purgatory (proza-vorm) |
| engels, https://www.gutenberg.org/ebooks/1996 |
| * The Divine Comedy by Dante, Illustrated, Purgatory |
| engels, https://www.gutenberg.org/ebooks/8795 |
| * Jumalainen näytelmä: Kiirastuli |
| fins, https://www.gutenberg.org/ebooks/11072 |
| * La Divina Comèdia: Purgatòri |
| friuliaans, https://www.gutenberg.org/ebooks/16188 |
| |
| Het eerste deel van “De Goddelijke Komedie” is ook als e-boek |
| via Project Gutenberg beschikbaar: |
| Dante's Hel, https://www.gutenberg.org/ebooks/30229 |
| |
+----------------------------------------------------------------+
DANTE'S LOUTERINGSBERG
[decoratieve titelpagina]
WERELDBIBLIOTHEEK
Onder leiding van L. Simons.
HET BOEK IS DE UNIVERSITEIT ONZER DAGEN.
UITGEGEVEN DOOR:
DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN
GOEDKOOPE LECTUUR·AMSTERDAM
[decoratieve titelpagina]
DANTE'S LOUTERINGSBERG
IN PROZA OVERGEBRACHT
DOOR DR. H. J. BOEKEN
DERDE DRUK—(9e, 10e en 11e DUIZEND)
1920
Lezers dezer vertaling worden gewezen op het hoogst belangrijke werk, in
onze ~Wereld-Bibliotheek~ verschenen:
PROF. HENRI HAUVETTE: Inleiding tot de studie van de ~Divina Commedia~.
Vertaling William Davids.
~Keurboek voor Vlamingen~: „Als algemeene Inleiding tot de Goddelijke
Comedie kon de W. B. geen beter werk kiezen dan de studie van Prof.
Hauvette.”
GEDRUKT TER DRUKKERIJ „DE DEGEL”—AMSTERDAM
[decoratieve illustratie]
EERSTE ZANG
Aankomst der beide Dichters op het andere Halfrond; ontmoeting met Cato
van Utica, die hun de eerste voorschriften geeft.
* * * * *
1 Om koers te zetten over beter water, hijscht nu het scheepje van mijn
ingeborenheid de zeilen, dat zóó gruwbare zee achter zich laat:
4 en zingen zal ik van dat tweede Rijk, waar de menschelijke geest zich
loutert, en waardig wordt om naar den Hemel te stijgen.
7 Maar hier herrijze de doode Dichtkunst, o heilige Muzen, daar ik de
Uwe ben, en dat Calliope hier een weinig hooger trede,
10 mijnen zang volgende met dat geluid, van het welk de rampzalige
Eksteren den slag zóódanig gevoelen, dat zij aan vergiffenis moesten
wanhopen.
13 Zoete kleur van oostelijk saffier, die zich gaarde in den wolkloozen
aanblik van de zuivere lucht tot aan den eersten kring,
16 herbegon geneugt voor mijne oogen, zoodra ik naar buiten trad uit de
doode lucht, die mij de oogen en de borst had bedroefd.
19 De schoone planeet, die tot minnen troost, deed het gansche Oosten
glimlachen, verhullende de visschen, die in haren sleep gingen.
22 Ik wendde mij ter rechter hand, en richtte mijnen geest op de andere
pool, en ik zag vier starren nimmer gezien, uitgezeid aan de eerste
menschen.
25 De hemel scheen zich te verheugen in hunne vlammetjes. O noordelijke
verweeuwde streek, daar gij verstoken zijt van die te bewonderen!
28 Toen ik mij van hunnen aanblik had losgemaakt, mij een weinig wendend
naar de andere pool, daar waar de Wagen reeds verdwenen was,
31 zag ik dicht bij mij eenen oude alleen, zóó grooten eerbied in zijnen
aanblik waardig, dat niet meerderen eenig zoon zijnen vader verschuldigd
is.
34 Den baard droeg hij lang en met witte haren ondermengd, gelijkende op
zijne lokken, van welke op zijne borst een dubbele lijst afhing.
37 De stralen der heilige vier lichten verluisterden zóó zijn aangezicht
met licht, dat ik het zag alsof de Zon hem te voren ware.
40 „Wie zijt gij, die tegen den blinden stroom op den eeuwigen kerker
zijt ontvlucht?” zeide hij, bewegende dat eerwaarde pluimaadje:
43 „wie heeft u geleid? Of wie was u een lamp, daar gij uitgingt buiten
den duistren nacht, die altijd de vallei der onderwereld verdonkert?
46 Zijn de wetten des afgronds aldus verbroken? Of is men in den Hemel
tot nieuw beleid veraêrd, dat gij, die veroordeeld zijt, komt tot mijne
rotsen?”
49 Toen greep de Gids mij aan, en met woorden, handen en gebaarden,
maakte hij mij de knieën en de wenkbrauw eerbiedbetuigend.
52 Voorts antwoordde hij hem: „Niet uit mij zelven ben ik gekomen; eene
vrouw daalde neder uit den Hemel, door wier gebeden ik dezen met mijn
gezelschap ter hulpe kwam.
55 Maar sinds het uw verlangen is dat meer worde verklaard van onzen
toestand hoe die naar waarheid is, zoo kan het niet zijn dat het mijne
aan u worde ontzegd.
58 Deze zag nooit den laatsten avond, maar door zijne dwaasheid was hij
dien zoo nabij, dat er zeer weinig tijd was om terug te keeren.
61 Zooals ik zeide, werd ik tot hem gezonden om hem te redden, en er was
geen andere weg, dan die langs welken ik mij heb begeven.
64 Getoond heb ik hem al het schuldige volk; en van nu aan ben ik van
zins hem die zielen te toonen, die zich louteren onder uwe balije.
67 Hoe ik hem getogen heb, zoude lang zijn om u te zeggen: uit den
hoogen daalt een vermogen, dat mij hem geleiden helpt opdat hij u zie en
opdat hij u hoore.
70 Nu behage het u zijne komst in te willigen; hij gaat zoekende de
vrijheid, die zoo dierbaar is, zooals hij weet die voor haar het leven
weigert.
73 Gij weet het, daar om haar de dood voor u niet bitter was in Utica,
waar gij het kleed liet, dat op den grooten dag zoo licht zal zijn.
76 Niet zijn de eeuwige wetten voor ons geschonden, omdat deze leeft en
Minos mij niet verbant; maar ik ben van den cirkel, waar de kuische
oogen
79 van uwe Marcia zijn, die, in haar gelaat u nog bidt, o heilige
inborst, dat gij haar voor de uwe houdt: bij hare liefde dus neig u naar
ons.
82 Laat ons gaan door uwe zeven rijken: ~dank~ zal ik van u aan haar
overbrengen, zoo gij gewaardigt daar beneden genoemd te worden.”
85 „Marcia geviel zoozeer aan mijne oogen, zoolang ik aan gene zijde
was,” zeide hij daarop: „dat welke gunst zij van mij verlangde, die deed
ik.
88 Maar nu zij aan gene zijde van de slechte rivier woont, kan zij mij
niet meer bewegen, door die wet, die gemaakt werd toen ik er uit kwam.
91 Maar indien eene Vrouw des Hemels u beweegt en stiert, zooals gij
zegt, is er geene vleierij noodig: het zij voor u wèl genoeg, dat gij
door haar het mij vraagt.
94 Ga dus en maak dat gij hem toerust met een glad takjen en dat gij hem
het gezicht wascht, zoodat gij alle onreinheid daarvan wegwischt:
97 daar het niet zou betamen, het oog bevangen van eenigen nevel, te
verschijnen voor den eersten dienaar, die is van diegenen van het
Paradijs.
100 Dit eilandjen draagt rondom gansch in de laagte, daar beneden, daar
waar de golf het slaat, van die takjes boven het zachte slijk.
103 Geen andere plant, die loover zou maken of harder zou worden, kan
daar leven hebben omdat die niet aan de slagen (van het water) zou
mee-geven.
106 Voorts zij niet hier-langs uw teruggang; de zon, die alsnu oprijst,
zal u wijzen den berg te nemen ter makkelijkste bestijging.”
109 Zoo verdween hij en ik richtte mij op zonder te spreken, en voegde
mij weder geheel bij mijnen Gids en richtte de oogen naar hem.
112 Hij sprak: „Zoon, volg mijne schreden: draaien wij ons naar
achteren, omdat aan dien kant deze vlakte afglooit naar hare lage
grenzen.”
115 De dageraad verwon de vroeg-ochtend-duisternis, die voor haar
vlood, zoodat ik van verre het rimpelen van het zeevlak gewaar wierd.
118 Wij gingen langs het eenzame strand gelijk een mensch, die weerkeert
tot den verloren weg, zoodat, tot hij daar komt, het gaan hem ijdel
schijnt.
121 Toen wij waren daar waar de dauw tegen de zon strijdt, en door daar
te zijn, waar schaduw is, maar langzaam verdwijnt;
124 toen legde mijn Meester de beide handen zacht boven het kruid
uitgespreid; waarom, ik die zijne kunsten bemerkt had,
127 hem de betraande wangen bood: daar maakte hij me ganschelijk óntdekt
die kleur, welke de Hel mij verborgen had.
130 Toen kwamen wij op dat verlaten strand, dat nooit mensch, die later
van terugkeeren ondervinding heeft gehad, zijne wateren bevaren zag.
133 Hier bekranste hij mij, zooals dien anderen behaagd had; o wonder!
daar zóó als hij er een geplukt had van de nederige plant, zooéén werd
weer geboren
136 eensklaps daar, vanwaar hij die had weggerukt.
[decoratieve illustratie]
[decoratieve illustratie]
TWEEDE ZANG
Wanneer de beide dichters aan het strand zijn, hunnen weg overdenkende,
zien zij van over zee een schip aankomen. Onder de zielen, door dat
schip aan land gezet, herkent Dante Casella. Wanneer Dante en de dooden
zich door diens gezang een poos laten ophouden, schrikt Cato ze uiteen
en naar den voet des bergs.
* * * * *
1 Reeds was de Zon tot dien horizont gekomen, welks middag-cirkel met
zijn hoogste punt Jerusalem overstolpt:
4 en de nacht, die tegengesteld aan haar cirkelt, kwam uit den Ganges te
voren met de Weegschalen, die haar uit de hand vallen, wanneer zij
winnende is;
7 zoodat dáár, waar ik was, de witte en vermiljoenen wangen der schoone
Aurora door te grooten leeftijd oranje werden.
10 Wij waren alsnog langs de zee, als menschen die hunnen weg bepeinzen,
die gaan met het hart en met het lichaam blijven:
13 en zie hoedanig, onder de nabijheid des uchtends, Mars door de dikke
dampen rood gloeit laag in het Westen boven het zee-vlak;
16 zóódanig scheen mij,—zoo waarlijk moge ik het nogmaals zien—een
licht over de zee te komen zóó snel, dat geen vliegen zijn bewegen
evenaart;
19 dan, daar ik een weinig het oog van hetzelve had afgetrokken om
mijnen gids te vragen, herzag ik het, lichtender en grooter geworden.
22 Voorts aan elke zijde daarvan verscheen me een ik en weet niet wat
voor wits, en van onder kwam er gaandeweg nog iet ander wits van naar
buiten.
25 Mijn Meester sprak nog geen woord, totdat die eerste witheden
vleugelen bleken: maar toen hij wèl den galjoot herkende,
28 riep hij: „Maak, maak dat gij de knieën buigt, zie hier den Engel
Gods: vouw de handen: voortaan zult gij dusdanige dienstdoenden zien.
31 Zie hier eenen, die de menschelijke hulpmiddelen versmaadt, zoodat
hij geen roeispaan wil, noch ook eenig ander zeil dan zijne vleugels,
[varende] tusschen zoo verre kusten.
34 Zie hoe hij ze heeft gericht jegens den hemel, de lucht strookende
met de eeuwige vederen, die niet veraêren zooals menschelijke haren.”
37 Voorts daar de hemelsche vogel meer en meer ons nader kwam, te
lichter verscheen hij: waarom het oog hem van nabij niet verdroeg,
40 maar ik neeg het neder; maar hij kwam dichter bij den oever, met een
hulkje zóó snel en zóó licht dat het water niets er van opslokte.
43 Aan den achtersteven stond de hemelsche veerman, zoodanig dat hij wel
zalig bleek aan hetgeen op hem te lezen stond: en meer dan honderd
geesten zaten er binnen in.
46 „Toen Israël uit Egypten toog” zongen allen te zamen op eene voois,
met al wat er voorts van dezen psalm geschreven is.
49 Voorts maakte hij hun het teeken des heiligen kruises; waarna zij
allen zich op het strand wierpen, en hij ging weg, vlug, zooals hij
gekomen was.
52 De schare, die daar terug-bleef, vreemd bleek zij aan de plaats,
schouwende in het ronde, gelijk degene die nieuwe dingen proeft.
55 Van alle kanten schoot den dag de Zon, die met de wel gemikte pijlen
den Steenbok van het midden des hemels had verjaagd;
58 wanneer het nieuwe volk het voorhoofd op-hief jegens ons, zeggende
tot ons: „Zoo gij het weet, wijst ons den weg, om tot den berg te gaan.”
61 En Virgilius antwoordde: „Gij meent wellicht dat wij kennis hebben
van deze plaats; maar wij zijn vreemden, zoo als gij het zijt.
64 Zooeven kwamen wij een weinig vóór u, langs eenen anderen weg, die
zóó ruw en moeielijk was, dat voortaan het stijgen ons een spel zal
schijnen.”
67 De zielen, die van mij opgemerkt hadden, aan het ademen, dat ik nog
levend was, werden, zich verwonderend, ontsteld;
70 en gelijk op den bode, die het olijf-loof draagt, het volk toeloopt
om tijding te hooren, en niemand zich beschroomd toont om te dringen;
73 zóó bleven op het zien van mij alle deze gelukzalige zielen
stil-staan, bijna vergetende om te gaan tot daar waar zij zich schooner
zouden maken.
76 Ik zag er ééne van hen zich naar voren dringen om mij te omhelzen in
zóó groote aandoening, dat hij mij bewoog om hetzelfde te doen.
79 O ijdele schimmen, uitgezeid in den aanblik! Drie malen sloeg ik de
handen achter hem in één, en even zoovele malen kwam ik met ze terug op
mijn borst.
82 Van verbazing, geloof ik, verschoot ik; waarom de schim glimlachte en
zich terugtrok, en ik, volgende hem, ging naar voren.
85 Zachtelijk zeide hij dat ik zoude stilstaan: toen herkende ik wie hij
was, en ik verzocht hem dat hij om tot mij te spreken een weinig zoude
stil staan.
88 Hij antwoordde mij: „Zoo als ik u liefhad in het sterfelijk lichaam,
zoo heb ik u lief, nu ik verlost ben; daarom blijf ik staan: maar gij,
waarom gaat gij [dezen weg]?”
91 „Casella, om nog eenmaal te keeren daarheen waar ik ben, doe ik deze
reis,” zeide ik: „maar hoe is u zoo groot tijdsverloop ontnomen?”
94 En hij tot mij: „Geen schade is mij gedaan, indien degene, die
opneemt wanneer en wien hem behaagt, meerdere malen mij dezen overtocht
heeft ontzegd,
97 daar van den Rechtvaardigen Wil zijn wil wordt gemaakt.
Waarlijk heeft hij sedert drie maanden al wie wilde ingaan, in allen
vrede aangenomen.
100 Waarom ik, die nog zooeven der zee was toegekeerd, daar waar het
water van den Tiber zich pekelt, welwillend door hem werd opgenomen.
103 Naar die uitmonding heeft hij nu weer den vleugel gericht; omdat
zich dáar altijd vergadert, al wie niet naar den Acheron nederdaalt.”
106 En ik: „Zoo de nieuwe wet u noch te heugenis noch het gebruik van
het amoureuze lied ontneemt, dat mij placht alle mijne begeerten te
stillen,
109 gevalle het u daarmee een weinig mijne ziel te troosten, die met
haar stoffelijk hulsel hier komende, zoozeer is vermoeid.
112 „Liefde, die mij in den geest redeneert,” begon hij toen zóó
zoetelijk, dat de zoetheid mij nog binnen-in weerklinkt.
115 Mijn meester en ik en die lieden, die met hem waren, schenen zóó
tevreden alsof niemand iets anders raakte.
118 Wij waren allen gericht en oplettend op zijne tonen en zie, de
eerwaarde grijsaard, [komt] schreeuwende: „Wat is dit, trage geesten?
121 Wat nalatigheid, wat voor stil-staan is dit? Loopt naar den berg om
u van de schellen te bevrijden, die u het gezicht tot God benemen.”
124 Gelijk wanneer, graan of onkruid pikkende, de duiven vereenigd ter
voeding, gerust, zonder de gewone preutschheid te toonen,
127 als er een ding verschijnt, waarvoor zij vrees hebben, plotseling
het voeder laten staan, omdat ze door grooter beslommering zijn
besprongen;
130 zoo zag ik dat versche gezelschap het gezang laten varen en vluchten
naar den bergkant, gelijk een mensch die gaat, maar niet weet waar hij
uitkomt:
133 en niet minder snel was onze scheiding.
[decoratieve illustratie]
DERDE ZANG
De beide Dichters, aan den voet van den rots-wand gekomen, zoeken een
punt, waarlangs zij dien zullen kunnen beklimmen. Zij worden op den weg
geholpen door eenigen uit de voorhoede van een schare van schimmen, die
in minachting van de kerk hebben geleefd. Onder dezen is ook Manfred
van Hohenstaufen, die aan Dante zijn dood en tegenwoordigen toestand
verhaalt.
* * * * *
1 Hoewel de plotselinge vlucht genen over het landschap had verspreid,
ten berg gewend, waarhenen de rede ons noopt;
4 drong ik mij aan tegen mijn getrouw geleide: en hoe zoude ik zonder
hem den tocht hebben gedaan? Wie hadde mij [anders] den berg òp-getogen?
7 Hij scheen mij rouwig over zich-zelven. O waardig, onkreukbaar
geweten, hoe is u kleine feil tot bitteren beet!
10 Wanneer zijn voeten aflieten van de haastigheid, welke den eerlijken
zwier bij elke handeling vermindert, [toen] verruimde mijn geest, die
eerst benepen was,
13 zijne aandrift, als begeerig, en ik zond mijne blikken tegen de
helling op, welke de hoogste is, die zich uit zee ten hemel heft.
16 De zon, die rood achter mij vlamde, was vóór mij gebroken, naar den
omtrek, welken de weerstand van hare stralen op mij had.
19 Ik wendde mij ter zijde, vreezende verlaten te zijn, daar ik alleen
voor mij den grond verdonkerd zag:
22 en mijn Trooster: „Waarom zijt gij nog mistrouwig,” begon hij tot mij
te zeggen, gansch balsturig: „gelooft gij mij niet met u en dat ik u
leid?
25 De avond is reeds daar, waar het lichaam begraven is, binnen
het-welke ik schaduw maakte: Napels bezit het, en van Brindisium is het
weggenomen.
28 Dies, wanneer vóór mij geen schaduw komt, verwonder u des niet meer
dan over de hemelen, dat de één voor den anderen geenen lichtstraal
onderschept.
31 Om èn warme èn koude folteringen te doorstaan beschikt dát Vermogen
gelijke lichamen, Dat niet wil dat zich aan ons onthulle hoe Het het
doet.
34 Stomp is hij die hoopt dat onze rede den oneindigen weg kan
doorloopen, die vat eene zelfstandigheid in drie personen.
37 Weest tevreden, menschelijk geslacht, met het ~Quia~, daar, indien
gij alles hadt kunnen zien, het niet noodig was dat Maria zwanger werd;
40 en begeeren zonder bate zaagt gij menigeen, want bevredigd ware
hunne begeerte, die voor eeuwig hun tot foltering is gegeven.
43 Van Aristoteles en van Plato spreek ik, en van vele anderen.” En hier
neeg hij het voorhoofd; meer sprak hij niet, en hij bleef mismoedig.
46 Wij kwamen onderwijl aan den voet van den berg: daar vonden wij de
rots zóó steil, dat te vergeefs de beenen daar vlug zouden zijn geweest.
49 De woestste en steilste rotswand: tusschen Lerici en Turbia is,
vergeleken met dezen, een lichte en begaanbare trap!
52 „Nu, wie weet er aan welke hand de steilte mindert,” zeide mijn
Meester, den tred vertragend: „zóódat, wie zonder vleugels gaat, haar
bestijgen kan?”
55 En terwijl hij, den blik naar omlaag houdende, de gesteldheid des
wegs onderzocht, en ik rondom tegen de rots òp-staarde,
58 verscheen mij van de linkerhand eene schaar van schimmen, die de
voeten te-ons-waart bewogen; en men zag het niet, zóó langzaam kwamen
zij.
61 „Hef,” zeide ik tot den Meester: „uwe oogen op: zie aan deze zijde
[is er iemand] die ons raad zal geven, indien gij dien uit u zelven niet
kunt hebben.”
64 Toen keek hij, en met vrijen blik antwoordde hij: „Laat ons daarhenen
gaan, daar zij langzaam komen; en gij, stijf uwe hoop, dierbare zoon.”
67 Nog was dat volk, ik bedoel nadat wij duizend schreden hadden gedaan,
zóó verre als een goed werper met de hand zou werpen;
70 wanneer zij zich allen aan de harde rotsen van den hoogen wand
drongen, en stil en opééngedrongen stonden, gelijk hij, die twijfelende
gaat, stil blijft staan om te kijken.
73 „O ter goeder uur gestorvenen, o reeds verkoren geesten,” begon
Virgilius: „bij dien vrede, die ik geloof dat u allen te wachten staat,
76 zegt ons waar de berg [vlakker] ligt, zoodat het naar boven gaan
mogelijk zij; daar het tijd-verliezen aan wie meer weet, te meer
mishaagt.”
79 Gelijk de schapen komen uit de kooi, één, getweeën, gedrieën, en de
anderen staan vreesachtig, met oog en muil naar beneden gericht,
82 en dat wat de eerste doet, dat doen ook de anderen, tegen den rug van
dezen opdringend als deze blijft stilstaan, onnoozel en zachtkens en het
waarom weten zij niet:
85 zóó zag ik toen den kop van die gelukzalige kudde zich bewegen om te
komen, kuisch van aangezicht en eerbaar in den gang.
88 Toen zij aan mijn rechter kant het licht voor mij op den grond
gebroken zagen, zoodat de schaduw van mij op den rots-wand was,
91 stonden zij stil, en trokken zij zich een weinig terug; en alle
degenen, die meer achter aankwamen, niet wetende waarom, deden
hetzelfde.
94 „Zonder dat gij mij vraagt, verklaar ik u, dat dit een menschelijk
lichaam is, dat gij ziet, door hetwelk het licht van de zon op den grond
is gespleten.
97 Verwondert u niet, maar gelooft, dat, niet zonder vermogen, dat van
den hemel komt, hij dezen wand zoekt te boven te komen.”
100 Aldus de Meester. En dat waardige volk: „Keert u,” zeide het: „komt
bij ons in en gaat dan voort,” met de ruggen der handen een teeken
gevende.
103 En één van hen begon: „Wie gij ook zijt, keer dan, aldus
voortgaande, het gezicht naar mij. Let op of gij mij ginds ooit hebt
gezien.”
106 Ik wendde mij te hem-waart, en beschouwde hem strak: blond was hij
en schoon en van edelen aanblik; maar de ééne der wenkbrauwen had een
houw gedeeld.
109 Wanneer ik nederig ontkend had hem ooit gezien te hebben, zeide hij:
„Nu zie;” en hij toonde mij eene wonde boven aan de borst.
112 Voorts zeide hij glimlachende: „Ik ben Manfred, kleinzoon van
Keizerin Constantia: waarom ik u bid dat, wanneer gij wederkeert,
115 gij tot mijne schoone dochter gaat, die moeder is van de eer van
Sicilië en Arragon, en dat gij haar de waarheid zegt, indien iets anders
wordt verteld.
118 Nadat mijn lichaam doorstoken was van twee doodelijke stooten, gaf
ik mij weenende over aan Dengene, die gaarne vergeeft.
121 Gruwelijk waren mijne zonden; maar de oneindige Goedheid heeft zóó
groote armen, dat Zij opneemt al wie zich tot Haar wendt.
124 Indien de Herder van Cosenza, die door Clemens was uitgezonden op de
jacht naar mij, toen in God's Woord wèl die Bladzijde gelezen had,
127 dan zouden de gebeenten van mijn lichaam nog zijn aan den opgang van
de brug dicht bij Benevento, onder de bewaking van de zware zerk.
130 Nu besproeit ze de regen en beweegt ze de wind buiten 't Koninkrijk,
nabij den Verde, waarheen hij mij had overgebracht met gedoofde lichten.
133 Door hunnen banvloek gaat men niet zóó verloren, dat de eeuwige
Liefde niet kan wederkeeren, zóólang de hoop nog iets groens heeft.
136 Waarheid is dat al wie sterft in minachting van de Heilige Kerk,
ook al berouwt hij zich ten laatste, hem voegt het buiten dezen
rots-rand te vertoeven,
139 voor elken tijd, dat hij in zijn verstoktheid is geweest, dertig
[tijden], indien zoodanig vonnis niet korter wordt door goede gebeden.
142 Zie dan nu of gij mij blijde kunt maken, onthullende aan mijne goede
Constantia hoe gij mij gezien hebt, en ook dit verbod;
145 wijl men hier door die van ginds veel wint.”
[decoratieve illustratie]
[decoratieve illustratie]
VIERDE ZANG
De beide Dichters bestijgen den rots-wand en komen op een weg, loopende
rondom den berg. Virgilius verklaart hoe de zon zich nu links vertoont,
wanneer men oostwaarts ziet. Ontmoeting met de luien, die hunne
bekeering tot aan het einde van het leven hebben uitgesteld.
* * * * *
1 Wanneer door geneugten of wel door smarten, welke eenig vermogen van
ons opvat, de ziel zich wèl tot dat [vermogen] bepaalt,
4 blijkt het dat zij op geen ander vermogen meer acht slaat; en dit is
tegen die dwaling, die gelooft dat de ééne ziel boven de andere in ons
ontstoken wordt.
7 En daarom, wanneer men iets hoort of ziet, dat de ziel sterk op zich
gericht houdt, [dan] gaat de tijd, en de mensch bemerkt het niet:
10 want een ander vermogen is dat, dat het hoort, en een ander is dat,
hetwelk de gansche ziel heeft: dàt is als 't ware gebonden, en dit is
vrij.
13 Hiervan had ik de ware ondervinding, daar ik naar dien geest hoorde
en hem aanstaarde; want wel vijftig graden gestegen was
16 de Zon, en ik had het niet bemerkt, wanneer wij kwamen daar waar die
zielen éénstemmig tot ons riepen: „Hier is uw verlang.”
19 Grooter opening stopt dikwijls met een vertakte doorntwijg de
gaardenier dicht, wanneer de druif verdonkert,
22 dan het pad was, waarlangs mijn Gids en ik achter hem opklommen, wij
alleen, zoodra de schare zich van ons afscheidde.
25 Naar Sanleo gaat men en naar Noli daalt men af, boven Bismantova
klimt men naar den top met de voeten alleen; maar hier voegt het dat de
mensch vliege:
28 ik bedoel met de vlugge vleugelen en met de vederen der groote
begeerte, opgetogen achter hèm aan, die hoop aan mij gaf en licht voor
mij maakte.
31 Wij klommen op tusschendoor de gebroken rots, en de kant ervan raakte
ons aan beide zijden, en de bodem verlangde handen en voeten naar
omlaag.
34 Wanneer wij op den bovensten rand waren van den hoogen rotswand, op
de opene plaats:
„Mijn meester,” zeide ik: „welken weg zullen wij opgaan?”
37 En hij tot mij: „Geen van uwe schreden dale: stadig den berg bestegen
achter mij aan, totdat eenig ervaren geleide voor ons opdage.”
40 De top was zóó hoog dat hij het gezicht te boven ging en de kant was
vrij wat steiler dan de straal van den kwadrant, wanneer die halver wege
op het middenpunt staat.
43 Ik was moede, wanneer ik begon: „O zoete vader, keer u om en zie hoe
ik alleen achter blijf, zoo gij niet stil staat.”
46 „O zoon, trek u tot hiertoe op,” zeide hij, mij met den vinger een
weinig lager een richel wijzende, die aan dien kant den ganschen berg
omkringt.
49 Zoo prikkelden mij zijne woorden dat ik mij geweld aandeed, achter
hem aan naar boven kruipend, totdat mij die richel onder de voeten was.
52 Daar zetten wij ons beiden neder om te zitten, gericht naar het
Oosten, van waar wij waren opgestegen; welke aanblik den mensch pleegt
te verheugen.
55 Eerst richtte ik de oogen naar de lage kusten; voorts hief ik ze op
naar de zon, en ik verwonderde mij dat wij ter slinker door haar werden
beschenen.
58 Wèl wierd de Dichter het gewaar dat ik geheel verstomd stond over de
zonnekar, daar zij tusschen ons en het Noorden opging.
61 Waarom hij tot mij: „Zoo Castor en Pollux in gezelschap waren van
dezen spiegel, die boven en beneden zijn licht rondleidt,
64 zoudt gij den rooden Dierenriem nog dichter tegen de Beren gedrongen
zien kringen, zoo hij niet van den ouden weg is afgeweken.
67 Indien gij het u wilt denken hoe dit is, keer in u zelf en stel u
voor dat Sion tegenover dezen berg op de aarde staat
70 derwijze, dat zij beiden éénen eenigen Horizont en verscheiden
halfronden hebben; waarom gij zien zult hoe het sluit dat het pad, dat
ter kwader ure Phaëton niet te berijden verstond,
73 aan de ééne zijde gaat van dezen [berg], terwijl hij aan de andere
zijde van genen [berg] gaat, indien uw verstand helder ziet.”
76 „Zeker heb ik, Meester mijn,” zeide ik: „nooit zóó helder gezien,
als ik nu, met dat deel van mijn verstand, dat kreupel scheen, inzie
79 dat de midden-cirkel der Hemelsche Beweging, die in zekere kunst
Equator genoemd wordt, en die altijd tusschen de Zon en den Winter
blijft,
82 om de reden, die gij zegt, van hier evenver noordwaarts af is, als de
Hebreeuwen hem zuidwaarts van zich verwijderd zagen.
85 Maar zoo het u gevalt, gaarne zoude ik weten, hoever wij hebben te
gaan, daar de helling hooger stijgt dan mijne oogen kunnen stijgen.”
88 En hij tot mij: „Deze berg is zoo, dat hij altijd van onder moeielijk
is om te beginnen, en dat hoe hooger de mensch komt, hij hem te minder
bezwaarlijk valt.
91 Daarom, wanneer hij u zoo geneugtelijk zal schijnen, dat het gaan u
zóó licht is, als het te scheep stroomafwaarts gaan,
94 dan zult gij aan het einde van dit pad zijn; verwacht dus daar uit te
rusten van de vermoeienis: meer antwoord ik niet, en dit weet ik voor
waarheid.”
97 En, toen hij zijn woorden gezegd had, klonk eene stem van dicht bij:
„Wellicht zult gij te voren nog noodig hebben te zitten.”
100 Bij den klank van haar draaide elk van ons zich om; en wij zagen ter
linker een groot rotsblok, hetwelk noch ik, noch hij eerst hadden
opgemerkt.
103 Daarheen togen wij; en daar waren personen die zich in de schaduw
bevonden achter de rots, gelijk de mensch uit luiheid zich pleegt te
bevinden.
106 En één van hen, die mij toescheen moede te zijn, zat en omarmde zich
de knieën, het gezicht daartusschen naar omlaag houdende.
109 „O zoete Heer mijn,” zeide ik: „beöog dezen, die zich veel loomer
betoont dan of de luiheid zijn zusterlijn ware.”
112 Daarop wendde hij zich tot ons, en werd oplettend, de blikken
richtend over de heup en zeide: „Ga gij maar òp, gij die zoo krachtig
zijt.”
115 Toen herkende ik wie hij was; en die amechtigheid, die mij toen nog
een weinig den adem versnelde, verlette mij niet tot hem te gaan: en
voorts
118 toen ik tot hem was gekomen, hief hij nauwelijks het hoofd op,
zeggende: „Hebt gij wel gezien, hoe de zon aan den linkerkant den wagen
leidt?”
121 Zijne luie gebaren en korte woorden bewogen mijne lippen een weinig
tot een lach; voorts begon ik: „Belacqua, nu treur ik
124 niet meer over u; maar zeg mij: waarom zijt gij hier gezeten? Wacht
gij geleide, of heeft weer de gewone hebbelijkheid u ingenomen?”
127 En hij: „Broeder, het opwaarts gaan wat baat het? daar mij niet tot
de martelingen toe zou laten de Engel Gods, die boven de Poort zit.
130 Eerst moet het dat de Hemel zich zoovele malen om mij draait buiten
het leven als hij zich in het leven om mij draaide, omdat ik de goede
zuchten tot het einde verdaagde,
133 indien gebed mij eerder niet te hulpe komt, dat opgaat uit een hart,
dat in genade leeft; want wat baat het andere, dat in den hemel niet
wordt gehoord?”
136 En reeds steeg de Dichter voor mij op, en zeide: „Kom nu, zie dat de
Middagcirkel reeds door de Zon wordt geraakt, en dat aan de grens [van
de beide halfronden] de nacht met de voeten Marocco raakt.
[decoratieve illustratie]
VIJFDE ZANG
De beide Dichters, verder opstijgende, zien weder eene schare van
boetedoenden, allen zondaars, die eerst, door een gewelddadigen dood
overvallen, zich tot God begaven; drie van dezen maken zich kenbaar.
* * * * *
1 Reeds was ik van die schimmen verscheiden, en volgde ik de voetstappen
mijns Gidsen, wanneer achter mij aan, richtende den vinger,
4 er ééne schreeuwde: „Zie, want niet schijnt het dat de straal licht
geeft ter slinker van hem, die het benedenst gaat, en als een levende
schijnt het dat hij zich gedraagt.”
7 De oogen wendde ik op den klank van dat woord, en ik zag ze kijken in
verwondering alleen maar naar mij, alleen maar naar mij en naar het
licht dat gebroken was.
10 „Waarom onthutst zich uwe ziel zoozeer,” zeide de Meester, „dat gij
het gaan vertraagt? Wat deert het u wat zij-daar murmureeren?
13 Kom achter mij, en laat de luiden praten; sta vast als een toren,
die den top nooit schudt voor het blazen der winden.
16 Daar altijd de mensch, in wien de gedachte na de gedachte opborrelt,
het doelwit van zich verwijdert, daar de eene gedachte het vuur van de
andere verdooft.”
19 Wat konde ik meer zeggen dan: „Ik kom?” Ik zeide het, een weinig van
die verf betogen, die wèl eens den mensch vergiffenis waardig maakt.
22 En ondertusschen kwamen er dwars langs de helling, een weinig vóór
ons, menschen, zingende „Miserere” vers-regel na regel.
25 Wanneer zij gewaar wierden dat ik, van wege mijn lichaam, geen plaats
liet aan het doorgaan der stralen, veranderden zij het zingen in eene
lange en rauwe O.
28 En twee van hen, in den schijn van boodschappers, liepen ons
tegemoet, en vroegen ons: „Onderricht ons van uwen staat.”
31 En mijn Meester: „Gij kunt weer heen gaan en vertellen aan degenen,
die u zonden, dat het lichaam van dezen werkelijk vleesch is.
34 Indien zij, gelijk ik oordeel, bleven staan om zijne schaduw te zien,
is hun genoeg geantwoord: dat ze hem eer bewijzen, en hij kan zich hun
dierbaar maken.”
37 Nooit zag ik zoo snel ontstoken wasems in den voornacht de heldere
lucht doorklieven, noch, bij het dalen der zon, Augustus-nevelen,
40 of in nog minder tijd keerden genen naar boven: en daar gekomen
keerden zij met de anderen te-ons-waarts, als ene schare, die toomeloos
loopt.
43 „Dat volk, dat op ons aandringt, is talrijk, en zij komen tot u om te
vragen,” zeide de Dichter; „daarom ga stadig door, en luister al
gaande.”
46 „O ziel, die gaat om u te verblijden met dàt lichaam, waarmede gij
geboren zijt,” (zoo krijtende kwamen zij) „vertraag een weinig uwen
gang.
49 Zie of gij ooit iemand van ons gezien hebt, zoodat gij naar ginds
berichten van hem medeneemt: ei lieve waarom gaat gij? ei lieve waarom
staat gij niet stil?
52 Wij zijn voormaals allen gewelddadig gestorven, en waren zondaars tot
onzen laatsten stonde: toen bracht een hemelsch licht ons tot bezinning,
55 zóódat wij, ons berouwende en vergevende, uit het leven gingen, met
God in vrede, die ons nu pijnigt door de begeerte om Hem te zien.”
58 En ik: „Hoe zeer ik in uwe aangezichten spiede, ik herken er niet
ééne; maar indien u gevalt eenig ding dat ik zou kunnen, wèl-geboren
zielen,
61 zegt gij het, en ik zal het doen bij dien vrede, die, achter de
voeten van dusdanig geleide, mij van wereld tot wereld hem doet zoeken.”
64 En één begon er: „Ieder vertrouwt op uw weldaad zonder dat gij ze
bezweert, al neemt ook het willen het niet-kunnen niet weg.
67 Waarom ik, die alleen voor de anderen spreek, u vraag, zoo ge ooit
dat land gezien hebt, dat ligt tusschen Romagna en dat van Karel,
70 dat gij mij in Fano zoozeer de hoofschheid betoont van uwe gebeden,
[vragende] dat men er op de goede wijze voor mij bidde, opdat ik de
zware feilen kunne boeten.
73 Daar was ik, maar de diepe wonden, waar het bloed uitging, waarin ik
eenmaal huisde, werden mij gemaakt te midden der Antenoren,
76 daar waar ik veiliger meende te zijn; die van Este liet het doen, die
op mij toornde vrij wat meer dan het recht het wel wilde.
79 Maar indien ik naar Mira ware gevlucht, wanneer ik besprongen werd
bij Oriacum, zoude ik nóg dáár zijn, waar men ademt.
82 Ik liep naar den poel, en riet en slijk verstrikten mij zóó, dat ik
viel, en daar zag ik op den grond zich uit mijne aderen een meer maken.”
85 Voorts zeide een ander: „Eilieve, zoo waarlijk worde die begeerte
vervuld, die u trekt ten hoogen berge, ontferm u en help mijne begeerte.
88 Ik was van Montefeltro, ik ben Buonconte: Johanna en [mijne] andere
[verwanten] gedenken mijner niet: waarom ik [nog] tusschen dezen ga met
gebogen hoofde.”
91 En ik tot hem: „Welke dwang of welk toeval deed u zoo ver buiten
Campaldino verdwalen, dat men nooit de plaats van uwe begrafenis wist?”
94 „O,” antwoordde gene: „langs den voet van het Casentijnsche gaat een
water dat Archiano heet, en dat ontspringt boven het klooster op den
Apennijn.
97 Daar waar zijn naam ijdel wordt, kwam ik aan, met de keel doorboord,
vluchtende te voet en de vlakte met bloed bezoedelende.
100 Daar verloor ik het gezicht, en de spraak eindigde ik met den naam
van Maria, en daar viel ik en bleef mijn vleesch alleen.
103 Ik zal de waarheid zeggen, en gij herzeg haar onder de levenden: de
Engel van God greep mij, en die van de Hel kreet: „O Gij van den Hemel,
waarom berooft gij mij?
106 Gij draagt van hem het eeuwige met u weg, wegens eenen kleinen traan
die hem mij ontneemt; maar ik zal met het andere anders huis houden.”
109 Gij weet wel hoe in de lucht zich die vochte damp vergaart, die
weer tot water overgaat, zoodra hij tot zóó hoog stijgt, waar het koude
hem opneemt.
112 Dat kwaad bedoelen, dat stadig naar kwaad vraagt, verbond hij met
zijn verstand, en hij bewoog den dam en den wind door dat vermogen dat
zijn natuur hem gaf.
115 Voorts, toen de dag voorbij was, bedekte hij met nevel het dal van
Pratomagno tot aan den grooten bergrug en maakte hij den hemel van boven
betogen
118 zóó zeer, dat de gedrenkte lucht zich in water verkeerde: de regen
viel en datgene er-van wat de aarde niet kon verduwen, kwam tot
greppels.
121 En toen het zich verzameld had tot groote beken stortte het zoo snel
naar den Konings-stroom, dat niets het weerhield.
124 Mijn verkild lichaam vond de gezwollen Archiano aan zijne
uitmonding, en die drong het in den Arno, en ontbond op mijn borst het
kruis
127 dat ik van mijne handen gemaakt had toen het berouw mij overwon: hij
wentelde mij tegen de oevers en tegen den bodem; voorts bedekte hij mij
en omgaf hij mij met zijn buit.”
130 „Eilieve, wanneer gij tot de wereld zult zijn teruggekeerd en zult
zijn uitgerust van den langen weg,” zóó volgde de derde geest op den
tweeden:
133 „herinner u mijner, ik die ben Pia: Siena gaf mij het leven, Maremma
den dood: ~hij~ weet het die mij, de reeds eenmaal gehuwde,
136 met zijn edelsteen weder ten huwelijk nam.”
[decoratieve illustratie]
ZESDE ZANG
Nadat de beide Dichters zich met moeite hebben losgemaakt uit de schare
van schimmen, ondervraagt Dante Virgilius en onderhoudt Virgilius Dante
over den grond van hoop, waarmede dezen heil van de gebeden der levenden
verwachten. Voorts zien zij Sordello, die, eerst zich afgezonderd
houdend, bij het hooren van zijn landaard, Virgilius op het hartelijkst
begroet, hetgeen Dante aanleiding geeft tot een uitweiding over de
ellende en verdeeldheid van Italië.
* * * * *
1 Bij het scheiden van het dobbel-spel, dan blijft degene, die verliest,
treurende achter, de kansen overrekenende, en hij bedilt ze ontstemd;
4 met den andere gaan al de luiden mede: de eene gaat hem voor, en de
andere vat hem van achter, en gene vraagt hem van ter zijde zijner te
gedenken:
7 hij echter blijft niet staan, en hoort dezen en genen aan; deze, wien
hij de hand reikt, die dringt niet meer aan; en zóó verdedigt hij zich
tegen het gedrang.
10 Zoo was ik in dien dichten drom, her- en der-waart hun het gelaat
toekeerende, en al belovende maakte ik er mij van los.
13 Daar was de Aretijn, die van de wreede armen van Ghin di Tacco den
dood kreeg; en de andere, die verdronk, daar hij vervolgende liep.
16 Daar smeekte met de handen uitgespreid Frederik Novello, en die van
Pisa, die den goeden Marzucco zich dapper betoonen deed.
19 Ik zag Graaf Orso; en de ziel van het lichaam gescheiden door kwade
trouw en nijd, zooals hij zeide, niet wegens zich berokkende schuld;
22 Pieter Dalla Broccia bedoel ik; en hier zie, zoolang zij aan deze
zijde is, de Vrouwe van Brabant toe, dat zij daarom niet kome te
behooren tot slechtere kudde.
25 Toen ik vrij was van alle deze schimmen, die stadig baden dat men
voor hen bad, opdat zich hun heilig-worden verhaastte,
28 begon ik: „Het schijnt mij dat gij me, o Licht mijn, uitdrukkelijk
ergens in uw geschrift ontkent, dat eenige bede een besluit des Hemels
wijzigt;
31 en deze lieden bidden toch juist om dit. Zoude dan hunne hoop ijdel
zijn? Of is uwe uitspraak mij niet genoegzaam duidelijk?”
34 En hij tot mij: „Mijne schriftuur is duidelijk, en hunne hoop faalt
niet, indien men het goed beschouwt met het gezonde verstand;
37 daar top van gerechtigheid zich niet neer laat halen, omdat het vuur
der liefde in eenen oogenblik vervult dat wat voldoening geven moet aan
dengene, die hier verblijf houdt:
40 en daar waar ik dat punt bevestigde, daar werd door bidden geen
misslag geboet, omdat het gebed van God gescheiden was.
43 Maar voorwaar berust niet bij zulk een diepe twijfeling, als gene het
niet zegt, die tot een licht worde tusschen de waarheid en uw verstand.
46 Ik weet niet of gij mij begrijpt: ik spreek van Beatrice; omhoog zult
gij haar zien, boven op den top van dezen berg, lachende en gelukkig.”
49 En ik: „Goede Gids, laten we gaan met grooteren spoed; daar ik reeds
niet meer zoo moede word als te voren, en zie nu hoe de hoogte schaduw
werpt.”
52 „Wij zullen bij dezen dag zooveel vooruitgaan,” antwoordde hij: „als
wij op zijn meest zullen kunnen; maar de zaak is anders gesteld dan gij
denkt.
55 Voordat gij daarboven zijt, zult gij zien wederkeeren dengene, die
reeds schuilt achter de helling, zoodat gij zijne stralen zich niet doet
breken.
58 Maar ziedaar eene schimme, die eenzaam den blik op ons heeft gevest:
~die~ zal ons den kortsten weg wijzen.”
61 Wij kwamen tot haar: o Lombardische ziel, hoe stondt gij hooghartig
en trotsch, in het bewegen der oogen edel en traag!
64 Zij zeide niets tot ons; maar liet ons verder gaan, alleen kijkende
op de wijze van een leeuw, wanneer hij gaat liggen.
67 Toch bewoog zich Virgilius tot hem, vragende dat hij ons den besten
opgang wees; en gene antwoordde niet op zijn vraag;
70 maar naar ons land en ons leven vroeg hij ons. En de zoete Gids mijn
begon: „Mantua...” en de schimme, die gansch eenzelvig was, verhief
73 zich tot hem van de plaats waar zij eerst stond, zeggende: „O
Mantuaan, ik ben Sordello, van land.” En de één omarmde den ander.
76 Wee dienstbaar Italië, tehuis van smart, schip zonder schipper in
grooten storm, niet heerinne van provinciën, maar bordeel!
79 Die edele schim was zóó vlug, alleen op den zoeten klank [van den
naam] zijns lands, om zijnen medeburger daar onthaal te geven;
82 en nu bestaan in u niet zonder oorlog uwe levenden, en de een knaagt
aan den andere onder degenen, welke één muur en ééne gracht omsluit.
85 Zoek, rampzalige, de kusten langs van uwe zeeën, en dan zie u in den
boezem of eenig deel van u zich in vrede verheugt.
88 Wat baatte het, dat Justinianus u het gebit weer optoomde, zoo het
zadel ledig is? Zonder hem zoude de schande minder zijn.
91 Wee volk, dat deemoedig moest zijn, en Caesar moest laten zitten op
den zadel, zóó gij goed verstaat dat wat God u voorschrijft!
94 Zie, hoe deze trotsche woest is geworden, door niet geregeerd te
worden met de sporen, sinds gij de hand sloegt aan den halster.
97 O duitsche Albert, gij die háár verlaat, die ongetemd en wild is
geworden, gij die haar zadel schrijlings moest omvatten,
100 gerechte gerechtigheid valle van de sterren over uw bloed, en zij
zij nieuw en openbaar, zoodat uw opvolger er vrees door gevoele,
103 omdat gij en uw vader geduld hebt, door begeerigheid aan gene
zijde gehouden, dat de tuin des Rijks verlaten zij.
106 Kom om te zien [de geslachten der] Montecchi en Cappelletti, [der]
Monaldi en Filippeschi, gij mensch zonder zorg, genen [beiden] reeds
bedroefd, dezen [beiden] rampen verwachtend.
109 Kom, wreede, kom en zie de verdrukking van uwe edelen, en heel hun
leed, en gij zult zien hoe veilig Santafiore is.
112 Kom om uw Rome te zien, dat weent, verweduwd en eenzaam, en dag en
nacht u roept: „Mijn Caesar, waarom verzelschapt gij mij niet?”
115 Kom om te zien hoezeer [de menschen van] uw volk elkanderen
beminnen; en zoo geen medelijden met ons u beweegt, kom om u te schamen
over uwen naam.
118 En zoo het mij veroorloofd is, o hoogste God, die op aarde voor ons
gekruisigd werdt, zijn uw gerechte oogen elders heen gekeerd?
121 Of is de voorbereiding, die gij in den afgrond uws raads maakt voor
eenig Goed, in alles van ons besef afgesneden?
124 Daar de landen van Italië gansch vol zijn van tirannen, en elke
hooveling, die als partijganger komt, een Marcellus wordt.
127 Florence mijn, wel kunt gij tevreden zijn over deze uitweiding,
welke u niet raakt, dank zij uw volk dat zóó goed redeneert.
130 Velen hebben gerechtigheid in het hart, maar zij wordt eerst laag
afgeschoten, uit vrees dat men onbezonnen den boog hanteere: maar uw
volk heeft haar boven op de tong.
133 Velen weigeren den algemeenen last; maar uw volk antwoordt haastig,
zonder dat men het roept, en schreeuwt: „Ik neem hem op mij.”
136 Nu verheug u, daar gij er wel reden toe hebt: gij rijke, gij
vreedzame, gij verstandige: of ik de waarheid spreek, de uitwerking
verheelt het niet.
139 Athene en Lacedaemon, die de antieke wetten maakten, en zóó
burgerlijk waren, brachten het maar weinig ver in de goede levens-wijze,
142 vergeleken bij u, die zoo ragfijne maatregelen treft, dat niet tot
midden-November komt, dat wat gij in October spint.
145 Hoevele malen bij den tijd, waarvan u heugt, hebt gij van wetten,
munten, en ambten en costumen veranderd, en van ingezetenen verwisseld!
148 En als gij u goed herinnert en licht ziet, gij zult u zien gelijk
aan die zieke, die geen rust kan vinden op de veeren,
151 maar door zich te wenden en te keeren zich tegen de pijnen beschut.
[decoratieve illustratie]
[decoratieve illustratie]
ZEVENDE ZANG
Sordello, aan wien Virgilius zich bekend heeft gemaakt, zegt op diens
verzoek om hun den weg te wijzen naar den Ingang van den eigenlijken
Louteringsberg, dat zij zich eerst, daar men 's nachts niet kan verder
gaan, een nachtverblijf moeten opzoeken en wijst hun als zoodanig een
dal in den berg uitgehold, waarin de trage vorsten zich bevinden.
* * * * *
1 Nadat de eervolle en blijde begroetingen drie en vier malen waren
herhaald, trad Sordello [een weinig] terug en zeide: „Wie zijt gij?”
4 „Voor dat tot dezen berg de zielen gekomen waren, waardig om tot God
te stijgen, werden mijne beenderen door Octavianus begraven.
7 Ik ben Virgilius; en door geene andere schuld verloor ik den hemel dan
door geen geloof te hebben;” zoo antwoordde toen mijn Gids.
10 Gelijk degene is, die plotseling iets voor zich ziet, waarom hij zich
verwondert, dat hij gelooft en niet gelooft, zeggende: het is zoo, het
is zoo niet;
13 zoo scheen hij en voorts neeg hij de wenkbrauwen, en nederig keerde
hij tot hem terug en omarmde hem daar, waar de mindere [zijnen meerdere]
vastgrijpt.
16 „O roem der Latijnen,” zeide hij: „door wien onze taal toonde wat zij
vermocht: o eeuwige prijs van de plaats, vanwaar ik was;
19 welke verdienste of welke genade vertoont u aan mij? zoo ik waardig
ben uwe woorden te hooren, zeg mij of gij van de Hel komt en van welke
afdeeling.”
22 „Door alle de cirkels van dat treurende rijk,” antwoordde hij hem:
„ben ik van daar gekomen; eene kracht des Hemels deed mij gaan, en met
haar kom ik.
25 Niet door te doen, maar door niet te doen heb ik [het recht] verloren
om de hooge Zon te zien, naar welke gij wenscht, en die te laat door mij
gekend werd.
28 Daar beneden is een plaats, niet droef door martelingen maar alleen
van duisternissen, waar de klachten niet klinken als jammerkreten, maar
zuchten zijn.
31 Daar vertoef ik met de kleine onnoozelen, die door de tanden des
doods gebeten zijn, voordat zij van de menschelijke erfzonde bevrijd
zijn.
34 Daar vertoef ik met degenen, wie de drie heilige deugden niet
bekleeden, en die zonder ondeugd de andere kenden, en die alle
betrachtten.
37 Maar zoo gij het weet en kunt, geef ons eenige aanwijzing, waardoor
wij eerder kunnen komen daar, waar de plaats der Loutering den rechten
ingang heeft.”
40 Hij antwoordde: „Eene vaste plaats is ons niet toegewezen; het is mij
veroorloofd naar boven en in 't rond te gaan; zoover als ik gaan kan,
blijf ik u ter zij als gids.
43 Maar zie reeds hoe de dag ten einde nijgt, en bij nacht kan men niet
naar boven gaan; dies is het goed om aan een schoone plaats tot
vertoeven te denken.
46 Zielen zijn er ginds ter rechter zijde vertogen; zoo gij het mij
toestemt, zal ik u tot haar brengen, en niet zonder geneugt zullen zij u
bekend worden.”
49 „Hoe is dat?” werd er geantwoord: „wie bij nacht zou willen stijgen,
werd hij door een ander verhinderd? of zou het zóó zijn dat het niet
kon?”
52 En de goede Sordello haalde zijn vinger over den grond, zeggende:
„Zie, ook maar deze streep kondt gij niet òverkomen na 't scheiden der
Zon:
55 niet dat iet anders verhindering gaf dan de nachtelijke duisternis,
om òp te gaan; deze mèt het niet kunnen houdt den wil gebonden.
58 Wel konde men bij donker neerwaarts keeren, en dwalende rondom de
helling her en derwaart gaan, zoolang als de horizont den dag
weggesloten houdt.”
61 Toen mijn Heer, als het ware benieuwd: „Leid ons,” zeide hij: „daar
waar gij zegt dat men vertoevende geneugt kan hebben.”
64 Maar weinig hadden wij ons van daar verwijderd, wanneer ik gewaar
werd dat de berg gehalveerd was, gelijk hier valleien bergen halveeren.
67 „Daar,” zeide die schim; „zullen wij henengaan, daar waar de bergwand
van zichzelven een schoot maakt, en daar zullen wij den nieuwen dag
verwachten.
70 Tusschen steil en vlak was een kronkel-weg, die ons bracht in de
zijde van de delling, daar waar meer dan voor de helft de rand sterft.
73 Goud en fijn zilver, en scharlaken en loodwit, indisch hout, licht
en doorschijnend, frisch smaragd in den stonde dat het gebroken wordt,