CCCL.
Hetgeen ons het vinnigst stemt tegenover hen, die met slimheid tegen
ons optreden, is hun geloof slimmer te zijn dan wij.
CCCLI.
Zwaar valt het te breken wanneer men elkander niet meer bemint.
CCCLII.
Bijna altijd verveelt men zich met hen, bij wie men zich niet mag
vervelen.
CCLIII.
Een fatsoenlijk man kan verliefd zijn als een gek, niet als een zot.
CCCLIV.
Er bestaan gebreken, die, goed te pas gebracht, meer naar voren komen
dan de deugd zelf.
CCCLV.
Men verliest soms menschen, die men meer mist dan betreurt en andere,
die men betreurt maar weinig mist.
CCCLVI.
In den regel prijzen wij van ganscher harte slechts hen, die ons
bewonderen.
CCCLVII.
Kleine geesten trekken zich de kleine dingen te sterk aan; groote
geesten zien ze alle en worden er niet door aangedaan.
CCCLVIII.
Deemoed is het ware kenmerk der christelijke deugden: zonder hem
behouden wij al onze gebreken, en zij worden slechts door hoogmoed
bedekt, die ze voor anderen en dikwijls voor ons zelf verbergt.
CCCLIX.
Ontrouw moest de liefde uitblusschen en men behoorde niet jaloersch te
zijn wanneer men er aanleiding toe heeft. Slechts zij, die vermijden
aanleiding tot jaloezie te geven, zijn waard dat men jaloersch op hen
is.
CCCLX.
Men maakt zich bij ons door de kleinste ontrouw, die ons treft, veel
meer gehaat, dan door de grofste ontrouw tegenover anderen.
CCCLXI.
Jaloezie wordt met de liefde geboren, maar sterft niet altijd met haar.
CCCLXII.
De meeste vrouwen beweenen den dood hunner minnaars niet zoo zeer uit
liefde tot hen, als om waardiger te schijnen bemind te worden.
CCCLXIII.
Het geweld, dat anderen ons aandoen, veroorzaakt ons dikwijls minder
smart dan hetgeen wij ons zelf aandoen.
CCCLXIV.
Men weet voldoende dat men niet veel over zijn vrouw behoort te
spreken, maar men weet niet voldoende dat men dit nog minder van zich
zelf moet doen.
CCCLXV.
Er bestaan goede eigenschappen, die ontaarden in gebreken wanneer zij
aangeboren, en andere, die nooit volmaakt worden wanneer zij aangeleerd
zijn: bij voorbeeld moet het verstand ons bezit en ons vertrouwen
besturen, daarentegen moet de natuur ons voorzien van goedheid en moed.
CCCLXVI.
Hoe wantrouwend wij ook mogen zijn tegenover hen, die met ons spreken,
wij gelooven altijd dat zij tegenover ons oprechter zijn dan tegenover
anderen.
CCCLXVII.
Er zijn weinig fatsoenlijke vrouwen, die haar beroep niet moede zijn.
CCCLXVIII.
De meeste fatsoenlijke vrouwen zijn verborgen schatten, die slechts in
veiligheid verkeeren omdat men haar niet zoekt.
CCCLXIX.
Het geweld, dat men zich aandoet om niet te beminnen, is dikwijls
wreeder dan de hardheid, waarmee het voorwerp zijner liefde hem
bejegent.
CCCLXX.
Weinig lafaards weten hoe laf zij zijn.
CCCLXXI.
Bijna altijd is het de fout van hem, die bemint, niet te bemerken, dat
men hem niet meer liefheeft.
CCCLXXII.
De meeste jonge lieden verbeelden zich natuurlijk te zijn terwijl zij
zich slechts onbeschaafd en grof gedragen.
CCCLXXIII.
Er is een soort tranen, dat dikwijls ons zelf bedriegt, na eerst
anderen te hebben bedrogen.
CCCLXXIV.
Wanneer men zijn meisje meent te beminnen uit liefde tot haar, vergist
men zich zeer.
CCCLXXV.
Middelmatige geesten veroordeelen gewoonlijk alles wat boven hun
bevatting gaat.
CCCLXXVI.
Afgunst wordt door ware vriendschap, behaagzucht door ware liefde
verdreven.
CCCLXXVII.
Het hoofdgebrek der scherpzinnigheid is niet daarin gelegen het doel
niet te kunnen bereiken, maar er voorbij te gaan.
CCCLXXVIII.
Men geeft wel raad, maar men leert niet hoe handelend optetreden.
CCCLXXIX.
Wanneer onze verdienstelijkheid achteruit gaat, gaat ook onze smaak
achteruit.
CCCLXXX.
De fortuin brengt onze deugden en ondeugden aan den dag, zooals het
licht de voorwerpen zichtbaar maakt.
CCCLXXXI.
Het geweld, dat men zich aandoet om in de liefde trouw te blijven, is
weinig beter dan ontrouw.
CCCLXXXII.
Onze daden zijn als rijmwoorden, die ieder aanpast aan hetgeen hem
goeddunkt.
CCCLXXXIII.
De lust om van ons zelf te spreken en onze gebreken te laten zien van
de zijde, waarvan wij die willen vertoonen, is een groot deel van onze
oprechtheid.
CCCLXXXIV.
Men behoorde zich alleen te kunnen verwonderen over het feit zich nog
te kunnen verwonderen.
CCCLXXXV.
Men is bijkans even moeilijk te bevredigen wanneer men veel liefde
gevoelt als wanneer men er bijna geen meer bezit.
CCCLXXXVI.
Niemand heeft vaker ongelijk dan zij, die niet kunnen verdragen
ongelijk te hebben.
CCCLXXXVII.
Een dwaas heeft geen stof genoeg om goed te zijn.
CCCLXXXVIII.
Al werpt de ijdelheid niet alle deugden ten eenenmale omver, zij brengt
haar toch allen aan het wankelen.
CCCLXXXIX.
Wat ons de ijdelheid van anderen zoo onuitstaanbaar maakt, is dat zij
de onze kwetst.
CCCXC.
Liever doet men afstand van zijn belang dan van zijn neiging.
CCCXCI.
De fortuin schijnt niemand zoo blind toe als aan hem, die niet door
haar begunstigd wordt.
CCCXCII.
Men moet de fortuin behandelen als de gezondheid; er van genieten
wanneer zij goed, geduld oefenen wanneer zij slecht is, en geen
krachtige middelen aanwenden zonder dringende noodzakelijkheid.
CCCXCIII.
Burgerlijkheid gaat in het leger soms verloren, aan het hof nimmer.
CCCXCIV.
Men kan slimmer zijn dan een ander, maar niet slimmer dan alle anderen.
CCCXCV.
Men is soms minder ongelukkig wanneer men door een geliefde persoon
bedrogen dan wanneer men er door teleurgesteld wordt.
CCCXCVI.
Men behoudt zijn eersten minnaar lang, indien men geen tweeden neemt.
CCCXCVII.
In het algemeen missen wij den moed te zeggen, dat wij geen gebreken
hebben, en dat onze vijanden geen goede eigenschappen bezitten; maar in
bijzonderheden zijn wij er niet ver van verwijderd het te gelooven.
CCCXCVIII.
Van al onze gebreken is luiheid degene, die wij het gemakkelijkst
erkennen; wij maken ons wijs dat zij zich verdraagt met alle vreedzame
deugden, en dat, zonder de andere geheel te vernietigen, zij er alleen
de werking van verhindert.
CCCXCIX.
Er is een soort voornaamheid, die niet afhangt van de fortuin: zij
is een zeker voorkomen, dat ons onderscheidt en ons schijnt voor
te bestemmen voor groote dingen; zij is een gewichtigheid, die wij
onmerkbaar onszelf verstrekken. Het is door deze eigenschap dat wij van
anderen eerbied afdwingen; en zij is het gewoonlijk, die ons nog meer
boven hen verheft dan geboorte, waardigheden en zelfs verdienste.
CD.
Er is verdienste zonder grootheid, maar er is geen grootheid zonder
eenige verdienste.
CDI.
Voornaamheid is voor de verdienste wat opsmuk is voor een schoonheid.
CDII.
Wat men bij de galanterie het minst vindt is liefde.
CDIII.
De fortuin bedient zich soms van onze gebreken om ons te verheffen; en
er zijn ongemakkelijke menschen, wier verdienste slecht beloond zou
worden, ware het niet, dat men hun afwezigheid wilde koopen.
CDIV.
Het schijnt dat de natuur in het binnenste van onzen geest talenten
en een vaardigheid verborgen heeft, die wij niet kennen. Alleen de
hartstochten hebben het recht die aan het licht te brengen en ons
somtijds inzichten te geven, zekerder en volmaakter dan de kunst zou
vermogen.
CDV.
Wij komen geheel nieuw bij elk levenstijdperk aan, en ons ontbreekt het
dan dikwijls aan ervaring, ondanks het aantal jaren.
CDVI.
Coquette vrouwen doen het voorkomen alsof zij jaloers waren op hun
minnaars, om te verbergen, dat zij naijverig zijn op andere vrouwen.
CDVII.
Zij, die het slachtoffer zijn geworden van onze slimmigheden, schijnen
ons lang niet zoo belachelijk toe als wij onszelf voorkomen, wanneer
anderen ons te slim af zijn geweest.
CDVIII.
De gevaarlijkste belachelijkheid van oude menschen, die beminnelijk
zijn geweest, is te vergeten, dat zij het niet meer zijn.
CDIX.
Wij zouden ons dikwijls schamen over onze schoonste daden indien de
wereld al de drijfveeren zag, die er ons toe gebracht hebben.
CDX.
Het grootste bewijs van vriendschap is niet onze fouten aan een vriend
bloot te leggen, maar om hem de zijne te doen zien.
CDXI.
Er zijn haast geen gebreken, die niet eerder verschoonbaar zijn dan de
middelen, die men bezigt om die te verbergen.
CDXII.
Hoe groote schande wij ook verdiend hebben, wij hebben het bijna altijd
in onze macht onzen goeden naam te herstellen.
CDXIII.
Men valt niet lang in den smaak wanneer men slechts één soort
geestigheid bezit.
CDXIV.
Gekken en dwazen zien alles slechts door de bril hunner luimen.
CDXV.
Het verstand helpt ons soms krachtig dwaasheden te begaan.
CDXVI.
Levendigheid, die met den ouderdom toeneemt, grenst aan zotheid.
CDXVII.
Wie in de liefde het eerst genezen is, is altijd het best genezen.
CDXVIII.
Jonge vrouwen, die niet coquet, en mannen van leeftijd, die niet
belachelijk willen zijn, moeten nooit van de liefde spreken als van
iets, waarbij zij betrokken konden zijn.
CDXIX.
Wij kunnen groot schijnen in een werkkring, beneden onze verdienste,
maar wij schijnen dikwijls klein in eenen, die grooter is dan wij.
CDXX.
Wij gelooven vaak standvastigheid te betoonen in het ongeluk terwijl
het slechts moedeloosheid is en wij dragen het zonder te durven opzien,
zooals de lafaards zich laten dooden uit vrees van zich te verdedigen.
CDXXI.
Vertrouwen levert aan het gesprek meer stof dan het verstand.
CDXXII.
Alle hartstochten doen ons fouten begaan, maar de liefde voert tot de
belachelijkste.
CDXXIII.
Weinigen verstaan de kunst oud te worden.
CDXXIV.
Wij zoeken een eer in gebreken, tegenovergesteld aan de onze; wanneer
wij zwak zijn roemen wij er op hardnekkig te zijn.
CDXXV.
Scherpzinnigheid heeft een schijn van eene gave van voorspellen, die
onze ijdelheid meer streelt dan alle andere eigenschappen van het
verstand.
CDXXVI.
De aantrekkelijkheid van het nieuwe en de lange gewoonte, hoezeer zij
tegenover elkander staan, verhinderen ons gelijkelijk de fouten onzer
vrienden op te merken.
CDXXVII.
Het meerendeel der vrienden doen u genoeg krijgen van vriendschap, en
de meeste vromen bezorgen een afkeer van vroomheid.
CDXXVIII.
Wij vergeven gemakkelijk aan onze vrienden de gebreken, waarmede wij
niet te maken hebben.
CDXXIX.
Vrouwen, die beminnen, vergeven veel gemakkelijker groote
onbescheidenheden dan kleine trouweloosheden.
CDXXX.
In den ouderdom der liefde, zooals in dien van het leven, leeft men
nog slechts alleen voor de kwalen, maar niet meer voor de genoegens.
CDXXXI.
Niets dat meer belet natuurlijk te zijn dan de lust het te schijnen.
CDXXXII.
In zekeren zin eischt men een deel op van schoone daden door die van
ganscher harte te prijzen.
CDXXXIII.
Het ware kenmerk van met groote eigenschappen te zijn geboren, is
geboren te zijn zonder afgunst.
CDXXXIV.
Indien onze vrienden ons hebben bedrogen behoeft men hun
vriendschapsbetoon slechts met onverschilligheid te beantwoorden, maar
men behoort altijd gevoelig te blijven voor hun ongeluk.
CDXXXV.
Fortuin en luim regeeren de wereld.
CDXXXVI.
Het is gemakkelijker den mensch in het algemeen dan als eenling te
kennen.
CDXXXVII.
Men moet de verdienste van een mensch niet beoordeelen aan de hand
zijner groote eigenschappen, maar naar het gebruik, dat hij er van
maakt.
CDXXXVIII.
Er is een soort levendige dankbaarheid, die de ons betoonde weldaden
niet alleen kwijtscheldt, maar die zelfs onze vrienden nog tegenover
ons in schuld laat.
CDXXXIX.
Naar vele dingen zouden wij zeker niet zoo hevig verlangen indien wij
nauwkeurig kenden datgene waarnaar wij verlangen.
CDXL.
Dat de meeste vrouwen voor vriendschap weinig toegankelijk zijn komt
daarvan dat zij flauw is, wanneer men liefde gekend heeft.
CDXLI.
Zoowel in vriendschap als in liefde is men vaak gelukkiger door het
onbekende, dan door hetgeen men weet.
CDXLII.
Wij trachten de fouten, die wij niet willen afleggen, ons als een eer
aan te rekenen.
CDXLIII.
De hevigste hartstochten laten ons bij wijlen met rust, maar de
ijdelheid houdt ons steeds in beweging.
CDXLIV.
Oude dwazen zijn dwazer dan jonge.
CDXLV.
Zwakheid is grooter tegenstelling van de deugd dan slechtheid.
CDXLVI.
Wat de smarten van vernedering en jaloezie zoo pijnlijk maakt is dat de
ijdelheid niet kan helpen ze te dragen.
CDXLVII.
Welvoegelijkheid is de minste van alle wetten en die welke het meest
wordt opgevolgd.
CDXLVIII.
Een eerlijk gemoed heeft minder moeite om zich aan dwarsdrijvers te
onderwerpen, dan hen te leiden.
CDXLIX.
Wanneer de fortuin ons bij verrassing op een hooge plaats zet, zonder
ons daarheen geleidelijk opgevoerd te hebben, of zonder ons daartoe te
hebben opgeleid door onze verwachtingen, is het bijna onmogelijk er
zich behoorlijk te handhaven en te toonen dat men haar waardig is.
CDL.
Onze hoogmoed groeit vaak aan met hetgeen wij van onze andere fouten
verliezen.
CDLI.
Geen lastiger zotten dan zij, die geestig zijn.
CDLII.
Er is niemand die zich, in welke hoedanigheid ook, de mindere acht van
den man van aanzien, dien hij het meeste eert.
CDLIII.
In groote zaken moet men niet zoo zeer trachten nieuwe kansen te
scheppen, dan wel de bestaande te benutten.
CDLIV.
Niet vaak gebeurt het dat men een slechten koop deed door afstand te
doen van het goed, dat men van ons spreekt, op voorwaarde van geen
kwaad te spreken.
CDLV.
Hoe zeer de wereld geneigd is verkeerd te oordeelen erkent zij toch
vaker valsche verdienste, dan dat zij ware verdienste onrecht doet.
CDLVI.
Men kan soms een zot zijn al bezit men geest, maar nimmer is men het
met gezond verstand.
CDLVII.
Wij zouden verder komen door ons voor te doen zooals wij zijn, dan door
pogen te schijnen, wat wij niet zijn.
CDLVIII.
Onze vijanden komen in hun oordeel over ons dichter bij de waarheid
dan wij zelf.
CDLIX.
Er zijn verschillende geneesmiddelen tegen de liefde, maar niet één is
onfeilbaar.
CDLX.
Wij weten op verre na niet waartoe onze hartstochten ons kunnen voeren.
CDLXI.
De ouderdom is een tiran, die op verbeurte van het leven alle vermaken
van de jeugd verbiedt.
CDLXII.
De zelfde hoogmoed, die ons de fouten doet afkeuren, waarvan wij ons
vrij achten, doet ons de goede eigenschappen minachten, welke wij niet
bezitten.
CDLXIII.
Dikwijls is er meer hoogmoed dan goedheid in ons beklag der ongelukken
onzer vijanden; het dient om hen te doen gevoelen, dat wij door hun
bewijzen van medelijden te geven, boven hen staan.
CDLXIV.
Er is een overmaat van goed en van kwaad, dat zich aan onze waarneming
onttrekt.
CDLXV.
Op verre na wordt de onschuld niet zoo goed beschermd als de misdaad.
CDLXVI.
Van alle hevige hartstochten staat den vrouwen de liefde het minst
slecht.
CDLXVII.
De ijdelheid laat ons meer dingen in strijd met onzen smaak doen dan
het verstand.
CDLXVIII.
Uit slechte eigenschappen zijn soms groote talenten geboren.
CDLXIX.
Nimmer verlangt men iets vurig wanneer men het alleen met het verstand
verlangt.
CDLXX.
Al onze hoedanigheden zijn onwis en twijfelachtig, zoowel de goede
als de slechte, en zij zijn bijna altijd ten speelbal aan de
omstandigheden.
CDLXXI.
In haar eerste hartstochten beminnen de vrouwen den minnaar, in de
latere de liefde.
CDLXXII.
De hoogmoed heeft zijn grillen even als de andere hartstochten; men
schaamt zich te erkennen jaloersch te zijn, en men gaat er prat op het
te zijn geweest en het te hebben kunnen zijn.
CDLXXIII.
Hoe zeldzaam ware liefde ook moge zijn, zij is het nog minder dan ware
vriendschap.
CDLXXIV.
Van weinig vrouwen duurt de beteekenis langer dan de schoonheid.
CDLXXV.
Het verlangen om beklaagd of bewonderd te worden is dikwijls het
grootste deel van onze vertrouwelijkheid.
CDLXXVI.
Onze afgunst duurt altijd langer dan het geluk van hen, die wij
benijden.
CDLXXVII.
De zelfde karaktervastheid, die ons helpt liefde te weerstaan, dient
ook om haar hevig en duurzaam te maken; en zwakke personen, die altijd
door hartstochten bewogen worden, zijn er bijna nimmer werkelijk van
vervuld.
CDLXXVIII.
De verbeelding kan niet zooveel tegenstrijdigheden uitdenken als er
zich van nature in ieders hart bevinden.
CDLXXIX.
Slechts menschen met karaktervastheid kunnen werkelijk zachtmoedig
zijn; zij, die zacht schijnen, zijn gewoonlijk slechts zwak en worden
licht bitter.
CDLXXX.
Verlegenheid is een gebrek, waarover men niet zonder gevaar de personen
berispt, die men er van wil genezen.
CDLXXXI.
Niets is zeldzamer dan ware goedheid; zelfs zij, die meenen haar te
bezitten, zijn gewoonlijk slechts inschikkelijk of zwak.
CDLXXXII.
De geest hecht zich, uit luiheid of vrees voor verandering, aan hetgeen
hem gemakkelijk of aangenaam is. Deze gewoonte beperkt altijd de
grenzen van onze kennis, en nimmer heeft iemand zich de moeite gegeven
zijn geest te ontwikkelen en te leiden zoo ver als hij had kunnen gaan.
CDLXXXIII.
Gewoonlijk spreekt men meer kwaad uit ijdelheid dan uit kwaadwilligheid.
CDLXXXIV.
Wanneer het hart nog opgewonden is door de overblijfselen eener
hartstocht, is men er nader aan toe de prooi eener nieuwe te worden,
dan wanneer men geheel genezen is.
CDLXXXV.
Zij, die hevige hartstochten hebben gehad, zijn hun gansche leven
gelukkig, en ongelukkig er geheel van te zijn genezen.
CDLXXXVI.
Er zijn nog meer menschen zonder zelfzucht, dan zonder afgunst.
CDLXXXVII.
Wij hebben meer luiheid in den geest dan in het lichaam.
CDLXXXVIII.
De kalmte of de opwinding in ons gemoed hangt niet zoo zeer af van het
belangrijke, dat ons in ons leven overkomt, dan wel van een aangenamen
of onaangenamen samenloop van nietigheden, die dagelijks gebeuren.
CDLXXXIX.
Hoe slecht de menschen ook mogen zijn, zij zullen nooit den moed
hebben vijanden van de deugd te schijnen, en wanneer zij haar willen
vervolgen, geven zij zich den schijn van haar voor valsch te houden, of
zij betichten haar van wandaden.
CDXC.
Wel gaat men dikwijls van liefde tot eerzucht over, maar zelden keert
men van eerzucht tot liefde terug.
CDXCI.
Uiterste gierigheid vergist zich bijkans altijd; geen hartstocht
verwijdert zich vaker van zijn doel, of staat zoo zeer onder de macht
van het tegenwoordige, ten nadeele van de toekomst.
CDXCII.
Gierigheid heeft dikwijls tegenovergestelde uitwerkingen; een groot
aantal menschen offeren hun geheele bezit op aan twijfelachtige en
hersenschimmige verwachtingen; andere versmaden groote toekomstige
voordeelen ten bate van kleine tegenwoordige belangen.
CDXCIII.
Het schijnt, dat de menschen meenen nog niet genoeg gebreken te hebben:
zij vermeerderen nog het aantal door zekere zonderlinge eigenschappen,
waarmede zij zich meenen optetooien; en zij kweeken die met zoo veel
zorg, dat zij ten slotte natuurlijke gebreken worden, die zij niet meer
bij machte zijn te verbeteren.
CDXCIV.
Een bewijs dat de menschen beter hunne fouten kennen, dan men denkt,
is dat zij nimmer ongelijk hebben wanneer men hen van hun gedrag hoort
spreken; de zelfde eigenliefde, die hen gewoonlijk verblindt, verschaft
hun dan licht en geeft hun zulk een juist inzicht, dat zij de geringste
dingen, die afgekeurd zouden kunnen worden, weglaten of vermommen.
CDXCV.
Jonge lieden, die hun intrede in de wereld doen, behooren verlegen of
onbezonnen te zijn: een houding van bekwaamheid en zelfvoldaanheid
verandert gewoonlijk in brutaalheid.
CDXCVI.
Geschillen zouden niet lang duren wanneer het ongelijk slechts aan
ééne zijde was.
CDXCVII.
Het helpt geen vrouw jong te zijn als zij niet mooi, of mooi te zijn
als zij niet jong is.
CDXCVIII.
Er zijn menschen, zóó luchthartig en zóó lichtzinnig, dat zij er even
ver van verwijderd zijn ware gebreken of degelijke eigenschappen te
bezitten.
CDXCIX.
In den regel rekent men eene vrouw haar eerste galanterie pas aan
wanneer zij er een tweede heeft.
D.
Er zijn menschen, zoo vervuld met zich zelf, dat, in geval zij verliefd
rakan, zij het tot stand brengen vervuld te zijn van hun hartstocht,
doch niet van het voorwerp hunner liefde.
DI.
De liefde, hoe aangenaam zij moge zijn, behaagt meer door de wijzen,
waarop zij zich uit, dan door haar zelf.
DII.
Weinig geest met gezond verstand verveelt op den duur minder dan veel
geest met scheeve denkbeelden.
DIII.
Jaloerschheid is de grootste aller ziekten en die, welke het minste
medelijden verwekt bij de personen, welke haar veroorzaken.
DIV.