halen en soms zou men Condé en Turenne minder prijzen indien men niet
op hen beiden wilde afgeven.
CXCIX.
Het verlangen bekwaam te schijnen verhindert dikwijls het te worden.
CC.
De deugd zou niet ver komen indien de ijdelheid haar geen gezelschap
hield.
CCI.
Wie gelooft in zich zelf zoo veel te kunnen vinden dat hij buiten
iedereen kan, vergist zich schromelijk; maar wie gelooft, dat men niet
buiten hem kan, vergist zich noch erger.
CCII.
Schijnbaar eerlijke heden zijn zij, die hun gebreken voor anderen en
zich zelf verbergen; echt eerlijke zijn zij, die ze zeer goed kennen en
er voor uitkomen.
CCIII.
De waarlijk welopgevoede man laat zich op niets voorstaan.
CCIV.
De terughoudendheid der vrouwen is een opschik en een blanketsel, die
zij aan haar schoonheid toevoegen.
CCV.
De deugdzaamheid der vrouwen is dikwijls haar gehecht zijn aan haar
naam en haar rust.
CCVI.
Hij is de werkelijk rechtschapen mensch, die wenscht altijd
blootgesteld te zijn aan de blikken der rechtschapen menschen.
CCVII.
De dwaasheid volgt ons in alle tijdperken des levens. Wanneer iemand
wijs schijnt, dan is dit alleen omdat zijn dwaasheden evenredig zijn
aan zijn leeftijd en zijn vermogen.
CCVIII.
Er zijn onnoozele lieden, die zich kennen en handig hun onnoozelheid
gebruiken.
CCIX.
Wie zonder dwaasheid leeft is niet zoo wijs, als hij wel denkt.
CCX.
Met den leeftijd wordt men dwazer en wijzer.
CCXI.
Er zijn menschen, die op volksdeuntjes gelijken, die men slechts
gedurende eenigen tijd zingt.
CCXII.
De meeste menschen beoordeelen hunne medemenschen slechts naar den
opgang, dien zij maken, of naar hun fortuin.
CCXIII.
Zucht naar roem, vrees voor schande, het plan fortuin te maken,
verlangen naar een gemakkelijker en aangenamer leven en lust anderen
omlaag te drukken, zijn dikwijls de oorzaken van den bij de menschheid
zoo hoog aangeschreven moed.
CCXIV.
Dapperheid is bij gewone soldaten een gevaarlijk handwerk, dat zij
gekozen hebben om hun brood te verdienen.
CCCXV.
Volmaakte dapperheid en volslagen lafheid, zijn twee uitersten, waartoe
men zelden geraakt. De afstand tusschen haar is groot en omvat alle
soorten moed: tusschen haar is niet minder verschil dan tusschen
aangezichten en humeuren. Er zijn lieden, die in het begin van den
slag gevaar trotseeren en die in het verder verloop door den duur
gemakkelijk verflauwen en ontmoedigd worden; er zijn er die tevreden
zijn indien zij aan de gebruikelijke eer hebben voldaan, en die niet
verder gaan. Men ziet er, die niet altijd even goed hun vrees meester
zijn; anderen laten zich soms medeslepen door algemeenen schrik, weer
anderen vallen aan omdat zij niet durven achterblijven. Er zijn er wier
moed, aan kleine gevaren gewoon, hen voorbereidt zich aan grootere
bloot te stellen. Er zijn er, die niet opzien tegen degenstooten, en
die bang zijn voor musketschoten; weer anderen zijn rustig tegenover
musketschoten en zijn bevreesd voor degenstooten. Al die soorten moed
hebben dit gemeen dat de nacht, die vreesachtigheid vergroot, en
goede en slechte daden verhult, vrijheid geeft zich te ontzien. Er
is een nog algemeenere soort zich te sparen: niemand doet in zekere
omstandigheid, wat hij zou doen, wist hij vooruit er van terug te
zullen komen. Zoo is het duidelijk dat vrees voor den dood iets van de
dapperheid afdoet.
CCXVI.
Ware dapperheid bestaat daarin zonder getuigen iets te doen, dat men in
staat zou zijn ten aanschouwe van een ieder te verrichten.
CCXVII.
Onversaagdheid is een buitengewone kracht, die de ziel verheft boven
beroeringen, verwarringen en aandoeningen, welke het aanschouwen
van groote gevaren in haar zouden kunnen verwekken, en het is door
deze kracht, dat helden een rustig evenwicht bewaren en het vrije
gebruik van hun verstand in de meest ontstellende en verschrikkelijke
omstandigheden doet behouden.
CCXVIII.
Huichelarij is een eerbewijs van de ondeugd aan de deugd.
CCXIX.
De meeste menschen stellen zich in den oorlog voldoende bloot om hun
eer te redden, maar weinigen willen zich altijd zóó ver bloot stellen
als noodig is om het doel te bereiken, waarvoor zij zich blootstellen.
CCXX.
IJdelheid, schaamte en vooral temperament zijn dikwijls de dapperheid
der mannen en de deugd der vrouwen.
CCXXI.
Men wil zijn leven niet verliezen en men wil roem oogsten: vandaar dat
de dapperen meer vaardigheid en handigheid bezitten om den dood te
ontgaan dan slimmerds om hun bezit te bewaren.
CCXXII.
Er zijn weinig menschen, die bij de eerste nadering van den ouderdom
niet deden blijken op welke wijze hun lichaam en geest zullen
verzwakken.
CCXXIII.
Het gaat met de dankbaarheid als met de goede trouw der kooplieden:
zij onderhoudt het maatschappelijk verkeer en wij betalen niet omdat
het rechtvaardig is ons van dien plicht te kwijten, maar om des te
gemakkelijker lieden te vinden, die ons borgen.
CCXXIV.
Al degenen, die de plichten der dankbaarheid vervullen, kunnen zich
daarom nog niet vleien dankbaar te zijn.
CCXXV.
Dat men zich verrekent ten opzichte der dankbaarheid, die men van
verleende gunsten verwacht, komt daar van daan dat de hoogmoed van den
schenker en die van den ontvanger het niet eens kunnen worden over den
prijs der weldaad.
CCXXVI.
Overdreven haast bij het afdoen van zijn schuld wegens een
verplichting is een soort ondankbaarheid.
CCXXVII.
Gelukkige menschen beteren zich zelden; zij meenen altijd gelijk te
hebben als de fortuin hun slecht gedrag steunt.
CCXXVIII.
Hoogmoed wil niet schuldig zijn en eigenliefde wil niet betalen.
CCXXIX.
Het goede, dat wij van iemand ondervonden hebben, eischt dat wij dit
bij het kwaad, dat hij ons doet, in aanmerking nemen.
CCXXX.
Niets zoo aanstekelijk als het voorbeeld, en wij verrichten nimmer
aanmerkelijk goeds of kwaads, dat geen navolging vindt. Wij doen de
goede daden na uit wedijver en de slechte uit de boosaardigheid onzer
natuur, die de schaamte gevangen hield en het voorbeeld in vrijheid
stelt.
CCXXXI.
Het is een groote dwaasheid alleen de wijsheid in pacht te willen
hebben.
CCXXXII.
Welke voorwendsels wij ook aan onze droefheid geven, dikwijls zijn
slechts eigenbelang en ijdelheid er de oorzaak van.
CCXXXIII.
In droefheid zijn verschillende soorten huichelarij verborgen; nu
eens, onder voorwendsel van het verlies van een dierbare persoon te
betreuren, beweenen wij ons zelf; wij betreuren de goede meening,
die de overledene van ons had; wij betreuren de vermindering van ons
vermogen, van ons genoegen, van ons aanzien. Zoodoende hebben de
dooden de eer der tranen, die slechts voor de levenden vloeien. Ik zeg
dat het een soort huichelarij is, omdat men met dat soort droefheid
zich zelf bedriegt. Er is een ander soort huichelarij, dat niet zoo
onschuldig is, omdat zij zich aan de geheele wereld opdringt: namelijk
de droefheid van zekere personen, die naar den roem verlangen van
een schoone en onsterfelijke droefheid. Nadat de tijd, die alles
overwint, die smart, welke zij inderdaad leden, heeft doen ophouden,
gaan zij voort met hun geween, hun klagen en hun zuchten; zij geven
zich het voorkomen van rouwdragenden, en trachten door al hun daden
de overtuiging te vestigen, dat hun smart slechts met hun leven zal
eindigen. Deze treurige en vermoeiende ijdelheid vindt men gewoonlijk
bij eerzuchtige vrouwen: daar haar geslacht haar alle wegen, die
tot roem leiden afsluit, pogen zij zich beroemd te maken door een
ontroostbare droefheid. Er is nog een ander soort tranen, die uit
kleine bronnen voortkomen en gemakkelijk opdrogen: men huilt om den
naam te hebben teergevoelig te zijn; men huilt om beklaagd te worden;
men huilt om beweend te worden; eindelijk huilt men om de schande te
voorkomen van niet te huilen.
CCXXXIV.
Het is vaker door hoogmoed dan door gebrek aan inzicht dat men zich met
zooveel hardnekkigheid verzet tegen de meest gangbare meeningen: men
vindt de eerste plaatsen in de goede partij bezet en men wil niet de
laatste.
CCXXXV.
Wij troosten ons gemakkelijk over de tegenspoeden onzer vrienden,
indien die helpen om onze genegenheid jegens hen te toonen.
CCXXXVI.
Het schijnt dat de eigenliefde zich door de goedhartigheid laat
misleiden, en dat zij zich vergeet wanneer wij ten dienste van anderen
werken. Intusschen is dit de zekerste weg om tot zijn doel te geraken;
het is leenen met woeker, onder voorwendsel van te geven; ten slotte is
het elkeen op een slimme wijze onbemerkt voor zich te winnen.
CCXXXVII.
Niemand verdient den lof van een goed hart te bezitten, indien hij niet
de kracht bezit kwaad te kunnen zijn: elke andere goedheid is meestal
niets dan luiheid of gebrek aan wilskracht.
CCXXXVIII.
Het is niet zoo bedenkelijk den meesten menschen kwaad te doen, als hun
te veel goedheid te bewijzen.
CCXXXIX.
Niets vleit onzen hoogmoed zoo zeer als het vertrouwen der grooten,
omdat wij het aanzien als het gevolg van onze verdienste, zonder te
bedenken dat het meestal het gevolg is van ijdelheid of van onmacht om
het geheim te bewaren.
CCXL.
Men kan zeggen; dat de bekoorlijkheid, los van de schoonheid, een
symetrie is, waarvan men de regels niet kent, en een geheim verband
tusschen de trekken onderling, en van de trekken met de kleuren, en met
het geheele voorkomen.
CCXLI.
Behaagzucht is de grondslag van het gemoed der vrouwen, maar allen
brengen haar niet in praktijk, omdat de coquetterie van sommigen in
bedwang wordt gehouden door vrees of door het verstand.
CCXLII.
Men valt anderen dikwijls lastig, wanneer men denkt hen nooit lastig te
kunnen zijn.
CCXLIII.
Er zijn weinig dingen uit zich zelf onmogelijk, en de
doorzettingskracht ontbreekt ons eerder dan de middelen.
CCXLIV.
Het toppunt van schranderheid is de waarde der dingen goed te kennen.
CCXLV.
Het getuigt van groote handigheid zijn handigheid goed te kunnen
verbergen.
CCXLVI.
Hetgeen edelmoedigheid schijnt is dikwijls slechts verborgen eerzucht,
die kleine belangen minacht, ten einde zich met grootere bezig te
houden.
CCXLVII.
Bij de meeste menschen is trouw niets dan een uitvinding der
eigenliefde om vertrouwen te wekken; het is een middel om ons boven
anderen te verheffen, en in het vertrouwen te worden genomen voor de
gewichtigste dingen.
CCXLVIII.
Grootmoedigheid minacht alles om alles te verwerven.
CCXLIX.
Er is niet minder welsprekendheid in den toon der stem, in de oogen en
in de persoonlijke houding, dan in de keuze der woorden.
CCL.
De ware welsprekendheid bestaat in het zeggen van alles wat noodig en
van niets te zeggen dan wat noodig is.
CCLI.
Er zijn personen wien hunne gebreken goed staan en anderen wien hunne
goede eigenschappen ontsieren.
CCLII.
Het is even gewoon smaken te zien veranderen, als ongewoon neigingen
zich te zien wijzigen.
CCLIII.
Belang brengt alle soorten van deugden en ondeugden in beweging.
CCLIV.
Nederigheid is vaak niets dan gehuichelde onderdanigheid, waarvan men
zich bedient om anderen te onderwerpen; zij is een kunstgreep van den
hoogmoed, die zich bukt om zich te verheffen, en, ofschoon hij zich op
duizenderlei wijzen voordoet, is hij nooit beter vermomd en in staat
om te bedriegen, dan wanneer hij zich verbergt achter den mom van
nederigheid.
CCLV.
Alle gewaarwordingen hebben elk haar eigen stemgeluid, gebaren en
gelaatstrekken, en het is de goede of slechte, aangename of onaangename
samenwerking van dit alles, die iemand aantrekkelijk of onaantrekkelijk
maakt.
CCLVI.
In alle standen der maatschappij neemt ieder een zekere gedaante en
houding aan om datgene te schijnen, waarvoor men wil gehouden worden:
dientengevolge zou men kunnen zeggen dat de wereld slechts uit louter
mommen is samengesteld.
CCLVII.
De gewichtigheid is een geheimzinnigheid van het lichaam, uitgevonden
om de zwakheid van geest te verbergen.
CCLVIII.
Goede smaak komt eerder van het oordeel dan van den geest.
CCLIX.
Het genoegen der liefde is beminnen, en men is gelukkiger door den
hartstocht, dien men heeft, dan door dien welken men verwekt.
CCLX.
Beleefdheid is een verlangen beleefd behandeld en voor welgemanierd
gehouden te worden.
CCLXI.
De opvoeding, die men gewoonlijk aan jonge lieden geeft, is een tweede
eigenliefde, die men hun inprent.
CCLXII.
In geen enkelen hartstocht heerscht de eigenliefde zoo geweldig als
in de liefde, en men is altijd meer geneigd de rust van het voorwerp
zijner liefde op te offeren, dan die van zich zelf te verliezen.
CCLXIII.
Hetgeen men vrijgevigheid noemt is meestal slechts de ijdelheid van te
geven, die wij hooger schatten dan hetgeen wij geven.
CCLXIV.
Medelijden is dikwijls een gevoel van onze eigen smarten in die van
anderen; het is een handig vooruitzien van de ongelukken, die ons
kunnen overkomen; wij geven anderen hulp om ze er toe te brengen ons
die in gelijksoortige gevallen eveneens te verleenen, en deze diensten,
die wij hun bewijzen, zijn, eigenlijk gezegd, weldaden, die wij bij
voorbaat aan ons zelf bewijzen.
CCLXV.
Bekrompenheid van geest brengt koppigheid voort en wij gelooven niet
licht hetgeen buiten ons gezichtsveld valt.
CCLXVI.
Men vergist zich door aantenemen dat slechts de hevige hartstochten,
als eerzucht en liefde, in staat zouden zijn de andere te overwinnen.
Luiheid, hoe futloos ook, wordt hun dikwijls de baas: zij overweldigt
alle plannen en alle daden van het leven en vernietigt en verteert er
ongemerkt alle hartstochten en deugden van.
CCLXVII.
De gretigheid om aan het kwade te gelooven, zonder het voldoende
te hebben onderzocht, komt voort uit hoogmoed en luiheid: men wil
schuldigen vinden en men wil zich niet de moeite geven de wandaden te
onderzoeken.
CCLXVIII.
Wij wraken rechters om de beuzelachtigste redenen en toch gedoogen wij
dat onze naam en onze roem van het oordeel der menschen afhangen, die,
hetzij door naijver, vooroordeelen of gebrek aan inzicht, tegen ons
zijn, en het is alleen om hun stem te winnen, dat wij op allerlei wijze
onze rust en ons leven bloot stellen.
CCLXIX.
Er is bezwaarlijk iemand te vinden, die schrander genoeg is om al het
onheil dat hij sticht, te overzien.
CCLXX.
De verkregen eer is borg voor die, welke men verkrijgen moet.
CCLXXI.
De jeugd is een voortdurende roes: zij is de koorts van het verstand.
CCLXXII.
Niets behoorde menschen, die grooten lof hebben verdiend, meer
te verootmoedigen dan de moeite, die zij zich geven om zich door
beuzelingen te laten gelden.
CCLXXIII.
Er zijn menschen, bij de samenleving in aanzien, die als eenige
verdienste niets bezitten dan de ondeugden, noodig in de praktijk van
het leven.
CCLXXIV.
De aantrekkelijkheid van het nieuwe is voor de liefde wat het dons is
op de vruchten: zij geeft er een luister aan, die gemakkelijk verdwijnt
en nimmer wederkeert.
CCLXXV.
Goedhartigheid, die er zich op voorstaat zoo gevoelig te zijn, verstikt
vaak door het geringste eigenbelang.
CCLXXVI.
Afwezigheid vermindert de zwakke hartstochten en vermeerdert de groote,
zoo als de wind het kaarslicht uitblaast en het vuur doet opvlammen.
CCLXXVII.
Vrouwen meenen dikwijls te beminnen, ook al doen zij het niet: de
drukte van intrige, de opwinding, die eene galanterie mede brengt, de
natuurlijke neiging tot het genot bemind te worden, en de moeilijkheid
te weigeren brengen er haar toe te gelooven, dat zich een hartstocht
van haar heeft meester gemaakt, terwijl slechts coquetterie in het spel
is.
CCLXXVIII.
Wat ons dikwijls ontevreden doet zijn over hen die onderhandelen, is
het feit, dat zij bijna altijd het belang hunner vrienden achter zetten
bij het belang om de onderhandelingen te doen slagen, wat hun belang
wordt door de eer van in hetgeen zij hadden ondernomen te zijn geslaagd.
CCLXXIX.
Wanneer wij de genegenheid, die vrienden ons toedragen, overdrijven dan
geschiedt dit vaak niet zoo zeer uit dankbaarheid als uit verlangen om
onze verdienste naar voren te brengen.
CCLXXX.
De bijval, dien men schenkt aan hen die in de groote wereld
binnentreden, is dikwijls veroorzaakt door den verborgen nijd, dien men
daarin opgenomenen toedraagt.
CCLXXXI.
De hoogmoed, die ons zooveel nijd bezorgt, dient ons dikwijls ook om
hem te matigen.
CCLXXXII.
Er zijn vermomde onwaarheden, die zoo sprekend op waarheid gelijken,
dat het een bewijs van een slecht oordeel zou zijn er zich niet door te
laten bedriegen.
CCLXXXIII.
Soms is er niet minder bekwaamheid noodig om voordeel te trekken uit
een goeden raad, dan om zich zelf goed te raden.
CCLXXXIV.
Er zijn slechte menschen, die minder gevaarlijk zouden zijn indien zij
geen enkele goede eigenschap bezaten.
CCLXXXV.
Wat grootmoedigheid is wordt voldoende door den naam aangeduid;
niettemin zou men kunnen zeggen, dat zij het gezonde verstand van den
hoogmoed en het edelste middel is om lof te verwerven.
CCLXXXVI.
Onmogelijk is het ten tweeden male te beminnen wat men werkelijk heeft
opgehouden te beminnen.
CCLXXXVII.
Het is niet zoo zeer de vruchtbaarheid van den geest, die ons
verschillende middelen aan de hand doet voor een zelfde doelpunt, als
wel gebrek aan oordeelskracht, dat ons doet stil staan bij alles, wat
onze verbeelding treft en dat ons belet dadelijk te erkennen wat het
beste is.
CCLXXXVIII.
Er zijn zaken en ziekten die in sommige tijden door de geneesmiddelen
verergeren en de groote schranderheid bestaat in het erkennen van het
oogenblik, waarop het gevaarlijk is er gebruik van te maken.
CCLXXXIX.
Voorgewende eenvoud is een verfijnd bedrog.
CCXC.
Er zijn meer gebreken in het gemoed dan in het verstand.
CCXCI.
De verdienstelijkheid van den mensch heeft haar seizoen, even als de
vruchten.
CCXCII.
Men kan van menschelijke gemoedsstemmingen zeggen, zooals van de meeste
gebouwen, dat zij verschillende fronten hebben, deels aantrekkelijk,
deels onaantrekkelijk.
CCXCIII.
Gematigdheid kan geen aanspraak maken op de verdienste van de
eerzucht te bestrijden en te onderwerpen: zij komen nimmer te zamen.
Gematigdheid is matheid en luiheid der ziel, gelijk eerzucht er de
bezigheid en ijver van is.
CCXCIV.
Wij hebben hen, die ons bewonderen, altijd lief en wij beminnen niet
altijd hen, die wij bewonderen.
CCXCV.
Op verre na weten wij niet alles wat wij willen.
CCXCVI.
Het is moeilijk diegenen lieftehebben, die wij niet achten; maar niet
minder moeilijk is het hen lieftehebben, die wij veel hooger schatten
dan ons zelf.
CCXCVII.
De sappen in het lichaam hebben een gewonen en geregelden loop, die
ongemerkt onzen wil in beweging brengt en bestuurt: zonder dat wij dit
bemerken zijn zij in beweging en oefenen een geheime heerschappij in
ons binnenste uit, zoodat zij een voornaam aandeel in al onze daden
hebben, zonder dat wij het kunnen waarnemen.
CCXCVIII.
De dankbaarheid der meeste menschen is niets dan een geheime begeerte
grootere weldaden te ontvangen.
CCXCIX.
Bijna ieder schept er genoegen in kleine diensten te vergelden: velen
zijn dankbaar voor de kleine, maar er is bijna niemand, die niet
ondankbaar is voor de groote.
CCC.
Er zijn dwaasheden, die men opdoet als besmettelijke ziekten.
CCCI.
Menigeen veracht geld en goed, maar weinigen verstaan het te geven.
CCCII.
In den regel is het slechts bij onbeteekenende gelegenheden, dat wij
ons wagen aan het gevaar niet op den schijn aftegaan.
CCCIII.
Hoeveel goeds men ons van ons vertelt, nimmer vertelt men ons iets
nieuws.
CCCIV.
Wij vergeven dikwijls hen, die ons vervelen, maar wij kunnen niet
vergeven hen, die wij vervelen.
CCCV.
Het eigenbelang, dat de schuld krijgt van al onze wandaden, verdient
soms geprezen te worden wegens onze goede daden.
CCCVI.
Men vindt zelden ondankbaren zoo lang men in staat is wel te doen.
CCCVII.
Het is even gepast trotsch ten opzichte van zich zelf, als belachelijk
het ten opzichte van anderen te zijn.
CCCVIII.
Men maakt van gematigdheid een deugd om de eerzucht der groote mannen
in te toomen en om de middelmatige menschen te troosten om hun gering
geluk en hun geringe verdienste.
CCCIX.
Er zijn menschen, voorbeschikt om dwaas te zijn, die niet alleen
dwaasheden begaan naar believen, maar die door de fortuin gedwongen
worden ze te begaan.
CCCX.
Er komen in het leven verwikkelingen voor, waarbij men een weinig dwaas
moet zijn om er zich behoorlijk door te slaan.
CCCXI.
Indien er menschen zijn, waarvan men de belachelijke zijde nooit
ontdekt heeft, dan komt dit omdat men ze niet voldoende heeft nagegaan.
CCCXII.
Dat gelieven zich niet vervelen wanneer zij samen zijn komt daar van
daan dat zij altijd van zich zelf spreken.
CCCXIII.
Hoe komt het dat wij een geheugen hebben, voldoende om zelfs de
kleinste bijzonderheden te onthouden, die ons zijn overkomen, en dat
het niet voldoende is om te onthouden hoe vaak wij dat alles aan den
zelfden persoon hebben verteld?
CCCXIV.
Het buitengewone genoegen, dat wij smaken door van ons zelf te spreken,
moet ons doen vreezen het volstrekt niet te verschaffen aan hen, die
toehooren.
CCCXV.
Hetgeen ons gewoonlijk belet het diepste van ons hart aan onze vrienden
te toonen is niet zoo zeer wantrouwen in hen, maar in ons zelf.
CCCXVI.
Zwakke menschen kunnen niet oprecht zijn.
CCCXVII.
Het is geen ongeluk ondankbaren te verplichten, maar het is ondragelijk
verplichting te hebben aan een oneerlijk mensch.
CCCXVIII.
Men vindt middelen om dwaasheid te genezen, maar men vindt er geen om
dwarse koppen recht te zetten.
CCCXIX.
Niet lang zal men de gevoelens behouden, die men voor zijne vrienden en
weldoeners moet koesteren, indien men zich veroorlooft dikwijls van hun
fouten te spreken.
CCCXX.
Vorsten te prijzen wegens deugden, die zij niet bezitten, staat gelijk
hun straffeloos beleedigingen toetevoegen.
CCCXXI.
Wij zijn er nader aan toe hen lief te hebben, die ons haten, dan hen,
die ons meer liefhebben dan wij wenschen.
CCCXXII.
Slechts zij zijn verachtelijk, die vreezen veracht te worden.
CCCXXIII.
Onze wijsheid is niet minder een speelbal van de fortuin dan ons bezit.
CCCXXIV.
In jaloezie is meer eigenliefde dan liefde.
CCCXXV.
Wij troosten ons dikwijls door zwakheid over onheil, waarover het
verstand niet bij machte is ons te troosten.
CCCXXVI.
Belachelijkheid onteert meer dan oneer.
CCCXXVII.
Wij bekennen kleine gebreken alleen om te overtuigen, dat wij geen
groote bezitten.
CCCXXVIII.
Afgunst is onverzoenlijker dan haat.
CCCXXIX.
Men gelooft soms vleierij te haten maar men haat slechts de wijze van
vleien.
CCCXXX.
Men vergeeft alles zoo lang men bemint.
CCCXXXI.
Het is moeilijker aan zijne beminde getrouw te blijven, wanneer men
gelukkig met haar is, dan wanneer men door haar slecht behandeld wordt.
CCCXXXII.
De vrouwen zijn zich niet bewust van den omvang harer behaagzucht.
CCCXXXIII.
Vrouwen zijn nooit ongenaakbaar, tenzij zij een bepaalden afkeer
koesteren.
CCCXXXIV.
Het kost vrouwen meer moeite haar behaagzucht dan haar hartstocht te
overwinnen.
CCCXXXV.
In de liefde gaat bijna altijd het bedrog verder dan het wantrouwen.
CCCXXXVI.
Er bestaat een soort liefde, waarvan de overmaat de jaloezie uitsluit.
CCCXXXVII.
Het gaat met zekere goede eigenschappen als met de zinnen: wie er
geheel van ontbloot is kan ze waarnemen noch begrijpen.
CCCXXXVIII.
Wanneer onze haat te hevig is, plaatst zij ons beneden hen, die wij
haten.
CCCXXXIX.
Wij waardeeren ons geluk en ons ongeluk in verhouding tot onze
eigenliefde.
CCCXL.
Geestrijkheid dient den meesten vrouwen eerder tot versterking van haar
dwaasheid dan van haar verstand.
CCCXLI.
De hartstochten der jeugd staan het heil nauwelijks meer in den weg dan
de lauwheid van den ouderdom.
CCCXLII.
Het accent van het geboorteland blijft leven in den geest en in het
hart, evenals in de taal.
CCCXLIII.
Om een groot man te zijn moet men van zijn gansche geluk partij weten
te trekken.
CCCXLIV.
De meeste menschen hebben, even als de planten, verborgen
eigenschappen, die het toeval aan het licht brengt.
CCCXLV.
Omstandigheden maken ons aan anderen bekend, en meer nog aan ons zelf.
CCCXLVI.
Noch voor het verstand, noch voor het hart der vrouwen kunnen er regels
bestaan indien het temperament, er niet mede overeenstemt.
CCCXLVII.
Wij vinden weinig menschen met gezond verstand, behalve degenen, die
van onze meening zijn.
CCCXLVIII.
Wanneer men bemint twijfelt men dikwijls aan datgene, waaraan men het
meest gelooft.
CCCXLIX.