deugden is het billijk eenige woorden te zeggen over de valschheid van
de doodsverachting. Ik meen die doodsverachting welke de heidenen met
trotsch aan eigen krachten toeschrijven, zonder de hoop op een beter
leven. Er is een onderscheid tusschen het onverschrokken ondergaan van
den dood en hem te minachten. Het eerste is vrij gewoon, maar ik houd
het andere nooit voor oprecht. Niettemin heeft men alles geschreven
om met nadruk te overtuigen, dat de dood geen kwaad is, en de zwakste
menschen, zoo wel als de helden, hebben duizend beroemde voorbeelden
gegeven om die zienswijze te vestigen. Toch betwijfel ik of ooit iemand
met gezond verstand er aan heeft geloofd, en de moeite, die men zich
geeft om zich zelf en anderen te overtuigen, bewijst vrij duidelijk dat
deze onderneming niet gemakkelijk is. Men kan verschillende redenen
tot afkeer van het leven hebben, maar men heeft nimmer oorzaak tot
het minachten van den dood; zelfs zij, die zich hem vrijwillig geven,
tellen hem niet zoo gering, en zij ontstellen er over en verwerpen
hem, even als de anderen, indien hij langs een anderen dan den door
hen gekozen weg komt. De ongelijkheid, die men in den moed van een
oneindig aantal dappere menschen bespeurt, komt daar van daan, dat
de dood zich op verschillende wijze aan hun verbeelding voor doet en
den eenen tijd dichter bij schijnt dan den anderen: zoodoende komt
het dat zij, na geminacht te hebben wat zij niet kennen, ten slotte
vreezen wat zij kennen. Men moet vermijden hem in alle bijzonderheden
in het aangezicht te zien, wil men niet gelooven, dat hij het grootste
van alle euvels is. De handigsten en dappersten zijn zij, die de
meest gepaste voorwendselen zoeken om hem niet in het aangezicht te
zien. Maar elk mensch, die hem weet te zien zoo als hij is, acht hem
iets verschrikkelijks. De noodzaak te sterven maakte de kracht der
philosophen uit. Zij meenden goedsmoeds daarheen te moeten gaan,
waarheen men niet weerhouden kan te gaan; en niet in staat hun leven
te vereeuwigen, verzuimden zij niets om hun naam te vereeuwigen en uit
de schipbreuk te redden wat er uit kon worden gered. Stellen wij er
ons mede tevreden, ten einde ons leed achter een vroolijk gelaat te
verbergen, met niet aan ons zelf te zeggen al wat wij er van denken,
en laat ons meer verwachten van onze natuurlijke geaardheid dan van
die zwakke redeneringen, die ons moeten doen gelooven dat wij den dood
met onverschilligheid te gemoet kunnen treden. De roem met moed te
sterven, de hoop betreurd te worden, de begeerte een mooien naam achter
te laten, de zekerheid bevrijd te worden van de ellende der wereld,
en niet meer aftehangen van de nukken der fortuin, zijn hulpmiddelen,
die men niet moet verwerpen. Men moet ze evenwel niet onfeilbaar
achten. Zij zijn, om ons gerust te stellen, wat een heg dikwijls in
den oorlog doet, om hen te beveiligen, die een plaats moeten naderen
van waar men schiet: is men ver af dan vermeent men dat zij volkomen
kan dekken; raar komt men nader bij, dan ziet men dat zij een zwak
hulpmiddel is. Wij vleien ons wanneer wij gelooven dat de dood ons
van nabij toeschijnt wat wij er op een afstand van hadden gedacht,
en dat onze gevoelens, die slechts zwakheid zijn, zoo sterk zouden
zijn, dat wij niet zouden lijden bij het ondergaan van de ruwste aller
beproevingen. Men kent ook de uitwerking der eigenliefde slecht door
te denken dat zij ons zou kunnen helpen om als niets te achten wat
haar noodzakelijk moet vernietigen; en het verstand, waarin men zoo
veel hulpbronnen meent te vinden, is te zwak om in dit geval ons de
gewenschte overtuiging te verschaffen. Integendeel is het de rede, die
ons het vaakst bedriegt, en die, in plaats van ons minachting voor den
dood in te boezemen, ons helpt ontdekken wat al akeligs en vreeselijks
er in is. Alles, wat de rede voor ons kan doen, is ons aanteraden de
oogen aftewenden en naar andere dingen te kijken. Cato en Brutus kozen
beroemde. Een lakei vergenoegde zich eenigen tijd geleden, op het
schavot, waarop hij zou worden geradbraakt, te dansen. Dus, hoewel de
drijfveeren verschillen, zij hebben vaak de zelfde uitwerkingen. Daarom
is het waar, dat, hoe groot het verschil tusschen groote menschen
en gewone stervelingen moge zijn, men duizend maal gezien heeft hoe
de eenen even goed als de anderen, met hetzelfde gelaat den dood
ingingen; maar altijd met dit verschil, dat in de doodsverachting der
groote mannen het de zucht naar roem is, die hen verblindt, terwijl het
bij de gewone menschen slechts een uitwerking van gebrek aan inzicht
is, dat hen belette den omvang van hun ongeluk te erkennen, en hun
vrijheid liet aan iets anders te denken.
PORTRET
van
la Rochefoucauld
door hemzelf.
1658.
Ik ben van middelbare lengte, gemakkelijk in mijne bewegingen en goed
geëvenredigd. Ik heb een bruine gelaatskleur, maar vrij gelijkmatig;
een hoog en redelijk breed voorhoofd; zwarte, kleine, diepliggende
oogen, zwarte en dikke, goed geteekende wenkbrauwen. Ik zou moeilijk
kunnen zeggen welk soort neus ik heb want zij is noch stomp, noch dik,
noch spits, noch arendsneus, ten minste naar ik meen; al wat ik weet
is dat zij eerder groot dan klein is en dat zij een weinig te laag
zit. Ik heb een grooten mond en gewoonlijk vrij roode, noch goed, noch
slecht gevormde lippen. Mijn tanden zijn wit en vrij goed geplaatst.
Vroeger heeft men mij gezegd, dat ik een weinig te veel kin had: ik heb
mij eens betast en in den spiegel gekeken om te weten hoe het er mede
staat, en ik kan er niet goed over oordeelen. De vorm van mijn gelaat
is vierkant of ovaal: het zou mij zeer moeilijk vallen tusschen die
twee te kiezen. Mijn haar is zwart, van nature gekruld en daarbij dik
en lang genoeg om van een mooien kop te mogen spreken.
Ik heb iets droevigs en hooghartigs in mijn blik: dat doet de meeste
menschen gelooven, dat ik minachtend ben, hetgeen volstrekt het geval
niet is. Ik beweeg mij gemakkelijk, zelfs een weinig te veel, waardoor
ik bij het spreken veel gebaren maak. Ziehier ronduit hoe ik meen
dat ik ben, wat het uiterlijk betreft en men zal, geloof ik, vinden,
dat hetgeen ik dienaangaande denk, niet ver van de waarheid is. Met
dezelfde getrouwheid zal ik te werk gaan bij hetgeen nog aan mijn
portret ontbreekt, en mij zal het noch aan vrijmoedigheid ontbreken om
ronduit te spreken van mijne goede eigenschappen, noch aan oprechtheid
om rondborstig te erkennen welke gebreken mij aankleven.
Ten eerste, om van mijn humeur te spreken: ik ben zwaarmoedig, en ik
ben het in zulke mate, dat men mij sedert drie of vier jaar nauwelijks
drie of vier maal heeft zien lachen. Toch zou ik, naar ik geloof, een
vrij dragelijke en milde zwaarmoedigheid bezitten, indien ik slechts
die had, welke uit mijn gestel voortkomt; maar ik krijg er zoo veel
van andere zijde, en wat ik krijg is van zulke hoedanigheid, vervult
dusdanig mijn verbeelding en houdt mijn geest zoo zeer bezig, dat ik
den meesten tijd hetzij droom zonder een woord te uiten of bijna geen
aandeel neem aan hetgeen ik zeg. Ik ben zeer kortaf met degenen, die
ik niet ken en zelfs met de meesten van hen, die ik wèl ken, ben ik
niet zeer rondborstig. Dat is een gebrek, ik weet het wel, en ik zal
niets nalaten om mij in dit opzicht te verbeteren; maar omdat een
zekere sombere uitdrukking in mijn gezicht mij nog terughoudender doet
lijken dan ik ben, en het niet in onze macht staat ons te ontdoen van
een booze uitdrukking, die het gevolg is van het natuurlijke beloop
der gelaatstrekken, geloof ik, dat, wanneer ik mij inwendig zal hebben
verbeterd, ik, door mijn uiterlijk, altijd slecht zal blijven staan
aangeschreven.
Ik heb geest, en ik aarzel niet het te zeggen: waartoe daaromtrent
plichtplegingen te maken? Het gebruiken van zoo veel omwegen en het
toepassen van verzachting, wanneer het geldt te spreken van zijne goede
hoedanigheden, komt mij voor als het verbergen van een weinig ijdelheid
onder een schijn van bescheidenheid, en het zich bedienen van een zeer
handig middel om van zich veel meer te doen gelooven dan men zegt. Wat
mij aangaat, ik ben tevreden wanneer men mij noch voor mooier houdt
dan ik mij voordoe, noch beter geluimd dan ik mij afschilder, noch
geestiger of verstandiger dan ik ben. Nogmaals, ik heb vernuft, maar
een vernuft, bedorven door zwaarmoedigheid: want, ofschoon ik vrij goed
mijn taal meester ben, een goed geheugen bezit, en ik niet verward
denk, ben ik dusdanig onder den druk van mijn verdriet, dat ik vaak
vrij slecht uitdruk wat ik wil zeggen.
Het gesprek met beschaafde menschen is een der genoegens, die mij het
meest aantrekken. Ik heb gaarne dat zulk een gesprek ernstig zij en
dat zedekunde er het leeuwenaandeel in heeft. Maar ik weet het ook te
waardeeren wanneer het vroolijk is; en al vertel ik weinig grapjes
om te lachen, dan is dit niet omdat ik niet zou weten hoe kostbaar
een goed vertelde beuzeling is, of omdat ik deze wijze van schertsen,
waarin zekere slagvaardige en gevatte geesten zoo zeer uitmunten, niet
vermakelijk zou vinden.
Ik schrijf een goed proza en ik dicht met goed gevolg; mijn gedichten
zijn niet slecht; en hunkerde ik naar den roem die op dat gebied te
behalen is, dan acht ik mij met weinig arbeid in staat een goeden naam
te verwerven.
Ik houd van lezen, in het algemeen; het meest van die boeken, waarin
iets te vinden is, dat den geest kan vormen en de ziel kan versterken.
Bovenal is het voor mij een groote voldoening te lezen met iemand van
verstand: want op die wijze denkt men voortdurend na over hetgeen
men leest; en uit de gemaakte opmerkingen vormt zich een bij uitstek
aangenaam en nuttig gesprek.
Ik heb een vrij goed oordeel over de dichtwerken, die men mij
toont, maar ik zeg mijn gevoelen misschien wat al te openhartig.
Wat bovendien verkeerd in mij genoemd mag worden is, dat ik soms te
pijnlijk-kieschkeurig en een te streng beoordeelaar ben. Ik heb geen
afkeer van te hooren redetwisten, en dikwijls meng ik mij vrij gaarne
in het geschil; maar ik verdedig gewoonlijk mijn gevoelen met te veel
warmte; en wanneer men tegen mij een onrechtvaardige zaak verdedigt,
word ik door mijn hartstocht voor het goed recht wel eens alles behalve
redelijk.
Ik gevoel voor deugd en ben geneigd tot het schoone en heb een zoo
sterke begeerte om een door en door eerlijk man te zijn, dat mijne
vrienden mij geen grooter genoegen kunnen doen dan mij ernstig op mijn
gebreken te wijzen. Zij, die mij eenigszins van nabij kennen, en die de
goedheid hebben gehad mij soms in dit opzicht raad te geven, weten dat
ik hen altijd met alle denkbare vreugde en gewenschte onderworpenheid
van den geest heb ontvangen.
Alle mijne hartstochten zijn vrij gematigd en beperkt; bijna nooit
zag men mij in woede ontsteken, en gehaat heb ik niemand. Niettemin
ben ik wel in staat mij te wreken indien men mij had beleedigd, en
wanneer mijn eer betrokken was bij de beleediging, mij aangedaan. In
tegendeel, ik ben er zeker van dat het plichtsgevoel in mij zoo goed de
rol van haat zou vervullen, dat ik mijn wraakneming nog feller zou ten
uitvoer brengen dan een ander.
Eerzucht achtervolgt mij niet. Voor weinig dingen ben ik bang, en
in het geheel niet voor den dood. Ik ben weinig toegankelijk voor
medelijden, en ik wenschte wel er geheel vrij van te zijn. Toch is er
niets dat ik zou verzuimen om de smart van een lijder te verminderen;
en ik geloof werkelijk dat men alles behoort te doen, zelfs veel
medelijden te betuigen, want de ongelukkigen zijn zoo dwaas, dat dit
hun meer goed doet dan wat ook ter wereld. Maar ik hecht er ook aan mij
tevreden te stellen met het te betuigen, en er streng op te passen
het niet te bezitten. Het is een hartstocht, die in een goed gevormde
ziel nergens toe dient; die slechts het hart verzwakt, en die men moet
overlaten aan de groote menigte, die, nimmer iets doende, geleid door
verstand, hartstochten noodig heeft om tot daden te geraken.
Ik heb mijn vrienden lief, en ik heb hen dusdanig lief, dat ik geen
oogenblik zou aarzelen mijne eigen belangen ten hunnen bate op te
offeren. Ik ben inschikkelijk tegenover hen; ik verdraag geduldig hun
slecht humeur; alleen streel ik hen niet vaak en hun afwezigheid maakt
mij niet zeer ongerust.
Van nature ben ik uiterst weinig nieuwsgierig ten opzichte van het
meeste dat andere lieden zoo zeer bezig houdt. Ik ben zeer gesloten en
ik heb minder moeite, dan wie ook, om wat men mij in vertrouwen heeft
gezegd, vóór mij te houden. Ik ben bij uitstek stipt op het houden van
mijn woord; ik breek het nooit, welke gevolgen het door mij beloofde
ook voor mij moge hebben, en ik heb dit mijn geheele leven als een
volstrekt noodzakelijke wet beschouwd.
Tegenover vrouwen neem ik een zeer stipte hoffelijkheid in acht; en ik
geloof in hun tegenwoordigheid nimmer iets te hebben gezegd wat haar
pijnlijk had kunnen treffen. Wanneer zij een goed verstand hebben geef
ik aan een gesprek met haar de voorkeur boven een met mannen; men vindt
er zekere zachtheid in, die bij ons niet te vinden is; en het schijnt
mij bovendien, dat zij zich zuiverder uitdrukken en een aangenamer
tint geven aan de dingen, die zij zeggen. Galant ben ik vroeger wel
een weinig geweest; tegenwoordig ben ik het niet meer, hoe jong ik mij
ook gevoel. Van hofmakerij heb ik afgezien; en ik ben alleen verbaasd,
dat er nog zoo veel beschaafde mannen zijn, die er zich wel mede
bezighouden.
Ik juich levendig de schoone hartstochten toe; zij zijn het bewijs
van zielegrootheid; en ofschoon er in de onrust, die zij veroorzaken,
iets gelegen is, tegenstrijdig met ware wijsheid, verdragen zij zich
zóó goed met de strengste deugd, dat men hen, naar mijne meening, met
recht niet zou kunnen veroordeelen. Wanneer ik, die alles ken wat er
teeders en krachtigs in de groote aandoeningen der liefde is, eens zal
beminnen, dan zal het zeker op die wijze zijn; maar zooals ik geaard
ben, geloof ik niet dat al die kennis, die ik bezit, ooit van mijn
verstand naar mijn hart zal verhuizen.
PORTRET
van
la Rochefoucauld
door den Kardinaal de Retz.
In de geheele figuur van la Rochefoucauld is altijd iets, ik weet
niet wat, geweest: hij heeft zich van kindsbeen af, in intriges
willen mengen en toen hij de kleine belangen niet opmerkte, die
nooit zijn zwak zijn geweest, en de groote niet kende, die, aan den
anderen kant, nimmer zijne sterke zijde waren; hij is nimmer voor
eenige onderneming geschikt geweest, en ik weet niet waarom, want hij
had eigenschappen, die, bij ieder ander diegene, welke hij miste,
zouden hebben kunnen vervangen. Zijn blik was niet vèrziende genoeg,
en hij zag zelfs niet gelijktijdig alles, wat binnen zijn bereik
lag; maar zijn gezond verstand en degelijk overpeinzen, gevoegd bij
zijn zachte manieren, zijn overredingskracht, en zijn gemakkelijk
optreden, dat bewonderingswaardig was, moesten, meer dan het geval
was, opwegen tegen de zwakte van zijn diep inzicht. Hij had altijd
een doorloopende besluiteloosheid, maar ik weet zelfs niet waaraan
die is toe te schrijven: zij kan niet in hem gekomen zijn door de
vruchtbaarheid zijner verbeelding, die alles behalve levendig is; ik
kan haar niet wijten aan de onvruchtbaarheid van zijn oordeel, want, al
beschikt hij er niet over bij zijn handelend optreden, hij bezit een
goeden voorraad verstand: wij zien de gevolgen dezer besluiteloosheid
zonder er de oorzaak van te kennen. Hij is nimmer krijgsman geweest,
ofschoon hij een echt soldaat was; uit zich zelf was hij nooit een goed
hoveling, ofschoon hij steeds de beste voornemens heeft gehad het te
zijn; hij was nimmer een goed lid eener partij, niettegenstaande hij er
zijn geheele leven bij betrokken was. Die bedeesdheid en verlegenheid
in zijn gezicht, dat gij van hem in het burgerlijke leven kent, heeft
zich in zaken in een soort van zelfverdediging omgezet; hij meende er
steeds behoefte aan te hebben: hetgeen, gevoegd bij zijne Maximes, die
niet voldoende deugd en geloof ademen, en aan zijn gewoonte om zich
altijd uit een zaak met evenveel ongeduld terug te trekken, als hij er
zich in had begeven, mij tot de overtuiging brengt, dat hij veel beter
zou hebben gedaan met zich zelf te kennen en zich tevreden te stellen
met, zooals hij gekund had, door te gaan voor den beleefdsten hoveling
van zijn eeuw.
REGISTER
OP DE ONDERWERPEN DER MAXIMES
De getallen verwijzen naar de nummers der maximes.
_Aantrekken_, _155_, _274_, _426_.
_Aard_, _142_.
_Afgunst_, _27_, _28_, _328_, _376_, _433_, _476_, _486_.
_Afkeer_, _427_.
_Afwezigheid_, _276_.
_Afstooten_, _155_.
_Ambt_, _164_.
_Armoede_, _54_.
_Bedeesdheid_, _11_, _169_.
_Bedriegen_, _115_, _118_, _127_, _335_, _395_, _434_.
_Behaagzucht_, _241_, _332_, _334_, _349_, _376_.
_Beheerschen_, _151_.
_Beklagen_, _475_.
_Bekrompenheid_, _265_.
_Bekwaamheid_, _199_.
_Belachelijk_, _311_, _326_, _408_, _422_.
_Belang_, _30_, _253_, _390_.
_Beleefdheid_, _260_.
_Beloonen_, _14_.
_Beloven_, _38_.
_Beminnen_, _81_, _85_, _111_, _259_, _277_, _286_, _294_, _330_,
_331_, _348_, _351_, _369_, _371_, _374_, _471_.
_Beoordeelen_, _212_.
_Berouw_, _180_.
_Bestendigheid_, _177_.
_Betreuren_, _355_.
_Bevalligheid_, _67_, _240_.
_Bevredigen_, _385_.
_Bewonderen_, _475_.
_Breken_, _351_.
_Burgerlijkheid_, _393_.
_Copie_, _133_.
_Coquetterie_, _107_, _241_, _406_, _418_.
_Daden_, _7_, _57_, _58_, _160_, _161_, _163_, _382_, _409_, _432_.
_Dankbaarheid_, _223_, _224_, _225_, _279_, _298_, _299_, _438_.
_Dapperheid_, _1_, _214_, _216_, _220_.
_Deemoed_, _358_.
_Deugden_, _1_, _171_, _183_, _186_, _187_, _189_, _200_, _218_,
_220_, _354_, _388_, _489_.
_Diensten_, _299_.
_Dood_, _23_, _26_, _221_.
_Doorzettingskracht_, _243_.
_Droefheid_, _232_, _233_.
_Drijfveeren_, _409_.
_Dwaasheid_, _156_, _207_, _209_, _231_, _300_, _318_, _415_.
_Dwarse koppen_, _318_.
_Dwazen_, _140_, _309_, _310_, _387_, _414_, _444_.
_Edelmoedigheid_, _246_.
_Eenvoud_, _289_.
_Eer_, _12_, _219_, _270_.
_Eerlijk_, _170_, _202_, _448_.
_Eerzucht_, _7_, _24_, _63_, _91_, _246_, _266_, _490_.
_Eigenaardigheden_, _134_.
_Eigenbelang_, _9_, _39_, _40_, _46_, _187_, _305_, _494_.
_Eigenliefde_, _2_, _3_, _4_, _13_, _88_, _228_, _236_, _247_, _261_,
_262_, _339_.
_Eigenschappen_, _90_, _176_, _251_, _284_, _337_, _344_, _365_,
_433_, _468_, _498_.
_Fatsoenlijk_, _368_.
_Fortuin_, _1_, _17_, _45_, _47_, _60_, _61_, _153_, _154_, _227_,
_323_, _380_, _391_, _392_, _399_, _403_, _435_, _449_.
_Fouten_, _184_, _196_, _422_, _426_, _442_, _494_.
_Fijnheid_, _128_.
_Galanterie_, _131_, _402_, _499_.
_Gebeurtenis_, _59_.
_Geboorteland_, _342_.
_Gebreken_, _31_, _90_, _190_, _194_, _251_, _299_, _327_, _354_,
_365_, _397_, _398_, _403_, _411_, _424_, _428_, _493_, _498_.
_Geest_, _44_, _67_, _99_, _100_, _101_, _287_, _340_, _357_, _375_,
_456_, _482_, _502_.
_Geestigheid_, _413_, _451_.
_Geestkracht_, _18_.
_Geheugen_, _89_, _313_.
_Geld en goed_, _301_.
_Gelieven_, _312_.
_Geluk_, _18_, _48_, _49_, _53_, _61_, _339_.
_Gemakzucht_, _16_.
_Gematigdheid_, _17_, _18_, _293_, _308_.
_Gemoed_, _290_, _488_.
_Gemoedsstemmingen_, _292_.
_Genadigheid_, _15_, _16_.
_Genegenheid_, _279_.
_Genezing_, _193_.
_Gepast_, _307_.
_Geschillen_, _496_.
_Gesprekken_, _139_.
_Gesternte_, _58_.
_Geven_, _301_.
_Gewaarwordingen_, _255_.
_Geweld_, _363_, _369_.
_Gewichtigheid_, _257_.
_Gezichtspunt_, _104_.
_Gezond verstand_, _67_.
_Gierigheid_, _11_, _167_, _491_, _492_.
_Goede_, _121_, _229_, _303_, _464_.
_Goede wil_, _30_.
_Goedhartigheid_, _236_, _237_, _238_, _275_, _463_, _481_.
_Grofheid_, _129_.
_Grootheid_, _400_.
_Groot man_, _343_.
_Grootmoedigheid_, _248_, _285_.
_Grijsaard_, _93_.
_Gunsteling_, _55_.
_Haast_, _226_.
_Haat_, _55_, _72_, _111_, _328_, _338_.
_Handigheid_, _4_, _170_, _245_, _264_.
_Hart_, _10_, _43_, _98_, _102_, _103_, _108_, _346_, _484_.
_Hartstochten_, _4_, _6_, _7_, _8_, _9_, _10_, _11_, _12_, _27_,
_122_, _188_, _262_, _266_, _276_, _334_, _341_, _404_, _422_, _443_,
_460_, _466_, _471_, _484_, _485_.
_Helden_, _53_, _185_.
_Hoedanigheden_, _29_, _159_, _162_, _470_.
_Hooge wereld_, _56_, _280_.
_Hoogmoed_, _33_, _36_, _37_, _228_, _234_, _239_, _254_, _267_,
_281_, _358_, _450_, _462_, _463_, _472_.
_Hoop_, _38_, _168_.
_Houding_, _249_.
_Huichelarij_, _218_, _233_.
_Humeur_, _7_, _45_, _47_.
_Huwelijk_, _113_.
_Ingenomenheid_, _51_.
_Jaloezie_, _7_, _28_, _32_, _324_, _336_, _361_, _406_, _446_, _472_,
_503_.
_Jeugd_, _109_, _261_, _341_, _495_.
_Jong_, _495_, _497_.
_Kansen_, _453_.
_Karaktervastheid_, _477_, _479_.
_Kennissen_, _178_.
_Kieschheid_, _128_.
_Kleinigheden_, _41_.
_Kracht_, _30_, _42_, _44_, _122_.
_Kuischheid_, _1_.
_Kwaad_, _131_.
_Kwaadspreken_, _138_, _148_, _454_, _483_.
_Kwaadwilligheid_, _483_.
_Lafheid_, _215_, _370_.
_Lastig_, _242_.
_Leeftijd_, _207_, _210_, _222_.
_Leiden_, _43_.
_Leven_, _46_, _430_, _435_.
_Levenstijdperk_, _405_.
_Liefde_, _68_, _69_, _70_, _71_, _72_, _73_, _74_, _75_, _76_, _77_,
_78_, _111_, _136_, _175_, _176_, _259_, _262_, _266_, _274_, _336_,
_349_, _353_, _361_, _362_, _369_, _374_, _376_, _381_, _385_, _395_,
_402_, _417_, _418_, _422_, _430_, _440_, _441_, _459_, _466_, _471_,
_473_, _477_, _490_, _500_, _501_.
_Liefhebben_, _296_, _321_.
_Liegen_, _63_.
_Lof_, _65_, _144_, _145_, _146_, _147_, _148_, _149_, _150_, _272_.
_Lot_, _52_.
_Luiheid_, _169_, _266_, _398_, _482_, _487_.
_Luim_, _435_.
_Medelijden_, _264_.
_Meening_, _13_.
_Middelmatig_, _375_.
_Mindere_, _452_.
_Minnaar_, _396_, _406_.
_Misdaad_, _465_.
_Moed_, _213_, _397_.
_Mom_, _254_.
_Mooi_, _497_.
_Naam_, (_Groote_), _94_.
_Natuur_, _36_, _63_, _153_, _189_, _404_.
_Natuurlijk_, _372_, _431_.
_Nederigheid_, _254_.
_Nieuwe_, _274_.
_Nieuwsgierigheid_, _173_.
_Omstandigheden_, _215_, _345_, _470_.
_Onaandoenlijkheid_, _20_, _21_.
_Onbestendigheid_, _181_.
_Ondankbaarheid_, _96_, _226_, _299_, _306_, _317_.
_Onderhandelen_, _278_.
_Ondeugden_, _182_, _186_, _187_, _189_, _191_, _192_, _195_, _273_.
_Oneerlijk_, _317_.
_Ongeluk_, _61_, _339_, _386_, _395_, _420_, _496_.
_Onnoozelheid_, _208_.
_Onrecht_, _14_.
_Onschuld_, _465_.
_Ontrouw_, _359_, _360_.
_Onverschrokkenheid_, _217_.
_Onverstandigen_, _59_.
_Onwaarheden_, _282_.
_Oordeel_, _97_, _458_.
_Oorlog_, _219_.
_Openhartigheid_, _184_.
_Oprechtheid_, _62_, _116_, _170_, _366_.
_Opvoeding_, _261_.
_Ouderdom_, _109_, _341_, _408_, _416_, _418_, _423_, _444_, _461_.
_Oud worden_, _423_.
_Philosophen_, _46_, _54_.
_Philosophie_, _22_.
_Prijzen_, _144_, _145_, _146_, _320_, _356_.
_Raad_, _110_, _116_, _283_, _378_.
_Ramp_, _19_, _22_.
_Rechters_, _268_.
_Rechtschapenheid_, _170_, _206_.
_Rein_, _170_.
_Roem_, _157_, _198_, _213_, _221_.
_Rijkdom_, _54_.
_Sappen_, _297_.
_Schamen_, _409_.
_Schande_, _213_, _412_.
_Scherpzinnigheid_, _377_, _425_.
_Schijn_, _302_.
_Schijnen_, _457_.
_Schoonheid_, _474_.
_Schranderheid_, _244_, _269_, _288_.
_Slachtoffer_, _87_.
_Slim_, _236_, _350_, _394_, _407_.
_Slimmerds_, _221_.
_Slimmigheden_, _117_, _124_, _125_.
_Smaak_, _13_, _252_, _258_, _379_, _413_, _467_.
_Spreken_, _142_, _315_, _319_, _383_.
_Standen_, _256_.
_Standvastig_, _11_, _175_, _176_, _177_, _420_.
_Sterven_, _23_.
_Talenten_, _404_, _468_.
_Tegenspoed_, _24_, _25_, _235_.
_Tegenspraak_, _135_.
_Tegenstrijdigheden_, _478_.
_Toeval_, _57_.
_Tranen_, _373_.
_Trots_, _34_, _35_.
_Trouw_, _247_, _381_.
_Vaardigheid_, _404_.
_Vastberadenheid_, _23_.
_Verachtelijk_, _322_.
_Verachting van den dood_, _21_, _504_.
_Verbeelding_, _478_.
_Verbeteren_, _227_.
_Verdienste_, _92_, _95_, _153_, _155_, _156_, _165_, _166_, _273_,
_291_, _400_, _419_, _437_, _455_, _474_.
_Verdienstelijk_, _50_, _379_.
_Vergeven_, _330_, _428_, _429_.
_Verkwisting_, _11_.
_Verlangen_, _439_, _469_, _475_.
_Verlegenheid_, _480_.
_Vermommen_, _119_, _256_.
_Vernedering_, _446_.
_Verraden_, _120_.
_Verstand_, _42_, _43_, _80_, _89_, _97_, _98_, _102_, _103_, _112_,
_140_, _154_, _174_, _290_, _346_, _347_, _415_, _421_, _425_, _456_,
_467_, _469_, _502_.
_Verstandig_, _6_, _66_, _105_, _108_.
_Vertrouwen_, _62_, _239_, _421_.
_Vervelen_, _141_, _172_, _304_, _312_, _352_, _502_.
_Verwonderen_, _384_.
_Verzoenen_, _82_.
_Vleien_, _123_, _152_, _158_, _329_.
_Volksdeuntjes_, _211_.
_Voorbeeld_, _230_.
_Voornaamheid_, _399_, _401_.
_Voorspoed_, _25_.
_Vooruitziendheid_, _264_.
_Vrees_, _16_, _18_, _38_.
_Vrienden_, _84_, _179_.
_Vriendschap_, _72_, _80_, _81_, _83_, _376_, _410_, _427_, _434_,
_440_, _441_, _473_.
_Vroomheid_, _12_, _427_.
_Vrouwen_, _73_, _131_, _204_, _205_, _220_, _241_, _277_, _332_,
_333_, _334_, _340_, _346_, _362_, _364_, _367_, _368_, _406_, _418_,
_429_, _440_, _466_, _471_, _474_, _497_, _499_.
_Vrijgevigheid_, _263_.
_Vijand_, _114_, _458_.
_Waardeering_, _143_, _339_.
_Waarheid_, _64_.
_Wantrouwen_, _84_, _86_, _315_, _355_.
_Weldaden_, _14_.
_Wereld_, _455_.
_Welopgevoed_, _203_.
_Welsprekendheid_, _249_, _250_.
_Welvoegelijkheid_, _447_.
_Weten_, _295_.
_Willen_, _295_.
_Wreken_, _14_.
_Wijsheid_, _132_, _207_, _209_, _231_, _323_.
_Wijze lessen_, _93_.
_Wijzen_, _20_.
_IJdelheid_, _16_, _137_, _200_, _263_, _388_, _389_, _446_, _467_,
_483_.
_IJver_, _1_.
_Zaken_, _288_.
_Zelfbedrog_, _114_.
_Zelfvertrouwen_, _475_.
_Zelfzucht_, _486_.
_Ziekten_, _288_, _503_.
_Ziel_, _24_, _80_, _188_, _194_.
_Zon_, _26_.
_Zotten_, _6_, _353_, _451_, _456_.
_Zwakheid_, _44_, _120_, _122_, _130_, _316_, _325_, _424_, _444_,
_477_, _479_.
_Zwijgen_, _79_.