twijfel in zekerheid verandert.
XXXIII.
De hoogmoed weet altijd zijn schade in te halen en verliest niets,
zelfs wanneer hij van de ijdelheid afstand doet.
XXXIV.
Indien wij zelf geen trots bezaten zouden wij ons over dien van anderen
niet beklagen.
XXXV.
De trots is bij alle menschen gelijk; er is slechts verschil in de
middelen en manieren hem te uiten.
XXXVI.
Het schijnt dat de natuur, die zoo kunstig de organen van ons lichaam
heeft samengesteld om ons gelukkig te maken, ons ook den hoogmoed heeft
geschonken om ons de smart te besparen onze onvolmaaktheden te leeren
kennen.
XXXVII.
Meer dan de goedheid heeft de hoogmoed aandeel in de vermaningen, die
wij richten tot hen die fouten maken, en wij berispen hen niet zoo zeer
om hen te verbeteren als om hen te overtuigen, dat wij er vrij van
zijn.
XXXVIII.
Wij beloven naar mate van onze hoop, en wij houden onze beloften naar
mate van onze vrees.
XXXIX.
Het eigenbelang spreekt alle soorten van talen en speelt elke rol,
zelfs die van belangeloosheid.
XL.
Het eigenbelang, dat den een verblindt, maakt den ander helderziend.
XLI.
Wie zich te veel met kleinigheden inlaat wordt gewoonlijk ongeschikt
voor groote dingen.
XLII.
Wij hebben geen voldoende kracht om ons verstand geheel te volgen.
XLIII.
De mensch gelooft dikwijls te leiden terwijl hij zelf geleid wordt, en
terwijl hij met zijn verstand naar zeker doel streeft, sleept zijn hart
hem ongemerkt naar een ander.
XLIV.
Men behoort niet te spreken van kracht of zwakheid van den geest;
zij zijn in werkelijkheid goede of slechte aanleg onzer lichamelijke
organen.
XLV.
De grillen van ons humeur zijn nog grilliger dan die van de fortuin.
XLVI.
De gehechtheid aan of de onverschilligheid tegenover het leven, door
de philosophen betoond, was niets dan eene neiging hunner eigenliefde,
waarover men evenmin kan twisten als over den smaak der tong of de
keuze der kleuren.
XLVII.
Ons humeur bepaalt de waarde van alles wat de fortuin ons schenkt.
XLVIII.
Het geluk hangt af van den smaak, niet van de dingen; en gelukkig maakt
het bezit van wat men gaarne heeft, niet van hetgeen anderen begeeren.
XLIX.
Men is nooit zoo gelukkig of zoo ongelukkig als men zich inbeeldt.
L.
Zij, die zich verdienstelijk achten, stellen er een eer in ongelukkig
te zijn, ten einde anderen en zich zelf te overtuigen, dat zij met het
noodlot kampen.
LI.
Niets moet de ingenomenheid met ons zelf zoo zeer verminderen als te
zien dat wij heden afkeuren wat wij voorheen goedkeurden.
LII.
Hoe verschillend het lot der menschen ook moge schijnen, er is
niettemin een zekere vereffening van goed en kwaad, die het verschil
wegvaagt.
LIII.
Hoe groote voordeelen de natuur ook schenken moge, het is niet alleen
zij, die helden maakt; het geluk moet medewerken.
LIV.
De verachting der rijkdommen was bij de philosophen een verborgen
verlangen om hun verdienste te wreken op de onrechtvaardigheid van het
lot, door datgene te verachten wat het hun onthield; het was een geheim
om zich te beschermen tegen de vernedering van de armoede. Het was
een omweg om tot het aanzien te geraken, dat zij door rijkdommen niet
konden bereiken.
LV.
De haat tegen gunstelingen is niets anders dan verzotheid op gunst. De
ontstemming deze niet te bezitten wordt vertroost en verzacht door de
minachting, die men betoont voor hen die haar bezitten en wij weigeren
hun onzen eerbied, niet bij machte zijnde hun datgene te ontnemen, wat
hun dien van iedereen verschaft.
LVI.
Ten einde in de hooge wereld te komen, geeft men zich alle mogelijke
moeite het te doen voorkomen alsof men er reeds thuis behoort.
LVII.
Ofschoon de menschen zich laten voorstaan op hun groote daden zijn deze
dikwijls niet de uitwerking van groote plannen, maar van het toeval.
LVIII.
Het schijnt dat onze daden gelukkige of ongelukkige gesternten hebben,
waaraan zij een groot deel van den lof en de blaam, die men haar geeft,
te danken hebben.
LIX.
Geen gebeurtenis zoo ongelukkig of verstandige menschen trekken er
eenig voordeel uit. Geen is er zoo gelukkig of onverstandigen weten
haar nog op hun eigen nadeel te laten uitloopen.
LX.
De fortuin stiert alles ten voordeele van hen, die zij begunstigt.
LXI.
Het geluk en het ongeluk der menschen hangt niet minder van hun humeur
dan van de fortuin af.
LXII.
Oprechtheid is openhartigheid. Men vindt haar bij zeer enkelen, en die,
welke men gewoonlijk ziet, is slechts een verfijnde geveinsdheid, om
het vertrouwen van anderen te winnen.
LXIII.
De afkeer van liegen is dikwijls slechts een onmerkbare eerzucht, om
aan onze beweringen gewicht bij te zetten en aan onze woorden een
heiligen eerbied te verschaffen.
LXIV.
De waarheid doet in de wereld niet zoo veel goed, als haar schijn kwaad
sticht.
LXV.
De voorzichtigheid overstelpt men met lof; toch vrijwaart zij ons niet
voor het geringste nadeel.
LXVI.
Een verstandig man moet zijne belangen regelen en hen leiden, elk
in de juiste volgorde; deze wordt dikwijls door onze begeerlijkheid
verstoord, omdat zij ons zoo veel tegelijker tijd doet naloopen,
dat wij, de minst belangrijke te zeer begeerende, de belangrijkere
misloopen.
LXVII.
Bevalligheid is voor het lichaam wat gezond verstand voor den geest is.
LXVIII.
Het is moeilijk de liefde te omschrijven: wat men er van kan zeggen is,
dat zij zich, in de ziel, openbaart als een hartstocht tot heerschen;
in den geest als sympathie; en in het lichaam als een verholen,
teedere begeerte na vele heimelijkheden te bezitten wat men bemint.
LXIX.
Indien er eene liefde bestaat, rein en vrij van inmenging onzer andere
hartstochten, dan is het die, welke binnen ons hart verborgen is en die
wij zelf niet kennen.
LXX.
Er bestaat geen vermomming, die langen tijd de liefde kan verbergen die
er is, of haar kan voorwenden, waar zij niet is.
LXXI.
Er zijn bijna geen menschen, die zich niet schamen elkander bemind te
hebben, wanneer zij elkander niet meer beminnen.
LXXII.
Indien men de liefde beoordeelt naar het meerendeel harer uitwerkingen,
vindt men meer gelijkenis op haat dan op vriendschap.
LXXIII.
Men kan vrouwen vinden, die nimmer een liefdes-avontuur hadden, maar
het is moeilijk er een aantetreffen, die er slechts één heeft doorleefd.
LXXIV.
Er is slechts één soort liefde, maar er bestaan duizend verschillende
namaaksels.
LXXV.
De liefde kan, evenmin als het vuur, voortbestaan zonder onafgebroken
aangewakkerd te worden en zij houdt op zoodra er niets meer te hopen
of te vreezen overblijft.
LXXVI.
Met de ware liefde is het gesteld als met de geestverschijningen: een
ieder spreekt er van, maar weinigen hebben haar gezien.
LXXVII.
De liefde leent haar naam aan een onmetelijk aantal verhoudingen, die
men haar toeschrijft en waaraan zij even min deel heeft als de Doge aan
hetgeen te Venetië gebeurt.
LXXVIII.
De liefde tot de gerechtigheid is bij de meeste menschen niets dan
vrees om onrechtvaardigheden te ondergaan.
LXXIX.
Zwijgen is de beste partij voor hem, die niet zeker van zich zelf is.
LXXX.
Wat ons in onze vriendschappen zoo veranderlijk maakt is de
omstandigheid, dat het moeilijk valt de hoedanigheden der ziel, en
gemakkelijk die van het verstand te leeren kennen.
LXXXI.
Wij kunnen niets beminnen dan met betrekking tot ons zelf en wij doen
niets dan onzen zin en onzen smaak volgen, wanneer wij onze vrienden
boven ons zelf verkiezen. Niettemin is het alleen door die voorkeur dat
vriendschap waar en volkomen kan zijn.
LXXXII.
De verzoening met onze vijanden is niets dan een verlangen onzen
toestand te verbeteren, een oorlogsmoeheid, en een vrees voor tegenslag.
LXXXIII.
Wat de menschen vriendschap hebben genoemd is niets dan een
overeenkomst, een wederkeerig ontzien van belangen, en een uitwisseling
van goede diensten; het is ten slotte niets dan een handel, waarbij het
eigenbelang altijd iets denkt te winnen.
LXXXIV.
Het is smadelijker zijn vrienden te wantrouwen dan door hen te worden
bedrogen.
LXXXV.
Wij maken ons vaak wijs lieden te beminnen, machtiger dan wij, en toch
is het bloot eigenbelang, dat onze vriendschap doet ontstaan. Wij geven
ons niet aan hen om het goede, dat wij hun willen bewijzen, maar om
hetgeen wij verwachten te ontvangen.
LXXXVI.
Ons wantrouwen rechtvaardigt het bedrog van anderen.
LXXXVII.
De menschen zouden niet lang in gemeenschap blijven leven, wanneer zij
niet elkanders slachtoffers waren.
LXXXVIII.
De eigenliefde verkleint of vergroot in ons oog de goede hoedanigheden
onzer vrienden naar mate van de voldoening, die wij van hen smaken; en
wij beoordeelen hun verdienste naar de wijze, waarop zij zich tegenover
ons gedragen.
LXXXIX.
Ieder klaagt over zijn geheugen, niemand over zijn verstand.
XC.
In het maatschappelijk verkeer behagen wij vaker door onze gebreken,
dan door onze goede eigenschappen.
XCI.
De grootste eerzucht vermijdt zorgvuldig zich als zoodanig kenbaar te
maken, wanneer zij op de volstrekte onmogelijkheid stuit om tot haar
doel te geraken.
XCII.
Door iemand, vervuld van zijn eigen verdienste, de oogen te openen
bewijst men hem een even slechten dienst als men aan dien gek te Athene
bewees, die geloofde, dat alle binnenkomende schepen hem toebehoorden.
XCIII.
Grijsaards geven gaarne wijze lessen als troost dat zij niet meer in
staat zijn slechte voorbeelden te geven.
XCIV.
Een groote naam, in stede van te verheffen, drukt hem ter neder, die
niet sterk genoeg is hem hoog te houden.
XCV.
Het bewijs van buitengewone verdienste is te zien, dat de hevigste
benijders haar moeten prijzen.
XCVI.
Een ondankbare is soms minder schuld aan die ondankbaarheid, dan hij,
die de weldaad bewees.
XCVII.
Men vergist zich door te meenen dat verstand en oordeel twee
verschillende zaken zijn: het oordeel is niets dan de grootheid van
het licht in het verstand; dat licht dringt tot op den bodem der
dingen door, merkt op al wat het moet opmerken en neemt ook waar
wat schijnbaar niet zichtbaar is. Dus moet men toegeven dat het de
sterkte van het licht in het verstand is, die alle aan het oordeel
toegeschreven werkingen te weeg brengt.
XCVIII.
Ieder spreekt in goeden zin van zijn hart, en niemand durft dit van
zijn verstand te doen.
XCIX.
De fijnheid van den geest bestaat in het denken aan smaakvolle en
kiesche dingen.
C.
De hoffelijkheid van den geest bestaat in het op aangename wijze zeggen
van vriendelijke dingen.
CI.
Het gebeurt dikwijls dat dingen zich volkomener voor onzen geest
opdoen, dan deze met veel kunst zou kunnen tot stand brengen.
CII.
Het verstand is altijd het slachtoffer van het hart.
CIII.
Allen, die hun verstand kennen, kennen niet hun hart.
CIV.
Menschen en zaken hebben hun gezichtspunt: er zijn er, die men van
nabij moet bezien, om er goed over te kunnen oordeelen, en anderen, die
men nooit beter beoordeelt dan op een afstand.
CV.
Niet hij is verstandig, die het verstandige toevallig vindt, maar hij,
die het kent, onderscheidt en er smaak in vindt.
CVI.
Om iets goed te kennen moet men er de kleinste onderdeelen van
kennen en, daar deze bijna oneindig zijn, blijft onze kennis altijd
oppervlakkig en onvolkomen.
CVII.
Het is een soort coquetterie te laten merken, dat men er vrij van is.
CVIII.
Het verstand vermag niet lang de rol van het hart te spelen.
CIX.
De jeugd verandert van smaak door de vurigheid van het bloed, en de
ouderdom behoudt den zijnen door de macht der gewoonte.
CX.
Men is met niets zoo vrijgevig als met raad.
CXI.
Hoe vuriger men bemint, hoe lichter de liefde in haat omslaat.
CXII.
De gebreken van het verstand vermeerderen bij het ouder worden even als
die van het gelaat.
CXIII.
Er zijn goede huwelijken maar geen kostelijke.
CXIV.
Men is ontroostbaar over het bedrog van vijanden en het verraad van
vrienden en is vaak voldaan door zich zelf bedrogen te hebben.
CXV.
Het is even gemakkelijk zich zelf te bedriegen zonder het te bemerken,
als moeilijk anderen te bedriegen, zonder dat zij het gewaar worden.
CXVI.
Niets is minder oprecht dan de wijze, waarop men raad vraagt en geeft:
wie er om vraagt schijnt een eerbiedige vereering te hebben voor de
gevoelens van zijn vriend, ofschoon hij er slechts aan denkt de zijne
door hem te laten goedkeuren en hem aansprakelijk te maken voor zijn
gedrag; en wie den raad geeft, beloont het in hem gestelde vertrouwen
door vurigen en belangeloozen ijver, ofschoon hij meestal in den door
hem gegeven raad slechts zijn eigen belang of roem zoekt.
CXVII.
De meest verfijnde slimheid is goed te kunnen voorwenden in den val
te zijn geloopen, die voor ons was opgesteld; en men wordt nimmer
gemakkelijker bedrogen, dan wanneer men meent anderen te bedriegen.
CXVIII.
Het voornemen nimmer te bedriegen stelt er ons aan bloot dikwijls
bedrogen te worden.
CXIX.
Wij zijn zoo zeer gewend ons tegenover anderen te vermommen dat wij ons
ten slotte tegenover ons zelf vermommen.
CXX.
Men komt vaker tot verraad uit zwakheid dan door een vooropgezet plan
om te verraden.
CXXI.
Men doet dikwijls goed om ongestraft kwaad te kunnen doen.
CXXII.
Indien wij aan onze hartstochten weerstand bieden is dit meer door hun
zwakte dan door onze kracht.
CXXIII.
Men zou weinig vreugde smaken indien men zich nimmer vleide.
CXXIV.
De handigsten geven zich gedurende hun geheele leven den schijn
slimmigheden aftekeuren, ten einde er zich zelf van te bedienen bij
gewichtige gelegenheden of gevallen van groot belang.
CXXV.
Het geregeld gebruik van slimmigheden is een kenteeken van een kleinen
geest, en het gebeurt bijna altijd dat hij, die er zich van bedient, om
zich aan ééne zijde te dekken, zich aan een andere bloot geeft.
CXXVI.
List en verraad zijn alleen het gevolg van gebrek aan bekwaamheid.
CXXVII.
Het ware middel om bedrogen te worden is zich slimmer te achten dan
anderen.
CXXVIII.
Overdreven gevoeligheid is een valsche kieschheid en de ware kieschheid
is een gezonde gevoeligheid.
CXXIX.
Soms is een grofheid voldoende om zich door een slim mensch niet te
laten beetnemen.
CXXX.
Zwakheid is het eenige gebrek, dat men niet kan verbeteren.
CXXXI.
Het geringste kwaad van vrouwen, die zich aan de galanterie hebben
overgegeven, is de galanterie.
CXXXII.
Het is gemakkelijker wijs voor anderen te zijn, dan voor zich zelf.
CXXXIII.
De eenige goede copieën zijn die, welke het belachelijke van de slechte
origineelen toonen.
CXXXIV.
Men is nooit zoo belachelijk door de eigenaardigheden, die men bezit,
als door die, welke men zich den schijn geeft te bezitten.
CXXXV.
Men is soms even zeer in tegenspraak met zich zelf als met anderen.
CXXXVI.
Er zijn lieden, die nooit verliefd zouden zijn geweest als zij nooit
van liefde hadden hooren spreken.
CXXXVII.
Men spreekt weinig indien de ijdelheid er niet toe aanzet.
CXXXVIII.
Liever spreekt men kwaad dan in het geheel niet van zich zelf.
CXXXIX.
Een der redenen, waarom men zoo weinig menschen vindt, die verstandig
en aangenaam zijn in hunne gesprekken, is dat er bijna niemand is, die
niet meer denkt aan hetgeen hij wil zeggen, dan aan het geven van een
juist antwoord op hetgeen men hem zegt. De knapsten en beleefdsten
vergenoegen zich met het opzetten van een aandachtig gelaat, terwijl
men op hetzelfde oogenblik in hun oogen en in hun geest ziet, dat zij
niet zijn bij hetgeen men hun zegt en haast hebben terugtekeeren tot
wat zij willen zeggen, in stede van te overwegen, dat het een slecht
middel is zich anderen aangenaam te maken of hen te overtuigen, wanneer
men zich zóó zeer inspant zich zelf te behagen, en dat de kunst goed
te luisteren en goed te antwoorden een der grootste volmaaktheden is,
die men in een gesprek kan tentoonspreiden.
CXL.
Een man van verstand zou dikwijls verlegen zitten zonder het gezelschap
van dwazen.
CXLI.
Wij roemen er dikwijls op ons niet te vervelen en wij zijn zóó trotsch,
dat wij ons niet in een vervelend gezelschap willen bevinden.
CXLII.
Terwijl het in den aard ligt van groote geesten met weinig woorden veel
te zeggen, hebben daarentegen de kleine geesten de gave van veel te
spreken en niets te zeggen.
CXLIII.
Het is veeleer de waardeering onzer eigen gevoelens, die ons de goede
hoedanigheden van anderen doet overdrijven, dan de waardeering hunner
verdienste; en wij willen lof oogsten, terwijl het den schijn heeft dat
wij dien toezwaaien.
CXLIV.
Men prijst ongaarne en men prijst niemand zonder eigenbelang. Lof
is een behendige vleierij, heimelijk en fijn, die op verschillende
wijze bevredigt wie hem toekent en wie hem ontvangt: de een aanvaart
hem als een belooning voor verdienste, de ander geeft hem om zijn
rechtvaardigheid en doorzicht te toonen.
CXLV.
Wij kiezen dikwijls vergiftigde loftuitingen, die, als terugslag, in
hen, die wij prijzen, gebreken naar voren brengen, welke wij op andere
wijze niet zouden durven onthullen.
CXLVI.
In den regel prijst men alleen om geprezen te worden.
CXLVII.
Weinig menschen zijn wijs genoeg om een hun nuttige afkeuring te
verkiezen boven lof, die hen schaadt.
CXLVIII.
Er zijn verwijten, die lof, en loftuitingen, die kwaadsprekerij
bevatten.
CXLIX.
Het afwijzen van lof is een verlangen om twee maal geprezen te worden.
CL.
Het verlangen den lof te verdienen, dien men ons toezwaait, versterkt
onze deugd; de lof, dien men het verstand, den moed en de schoonheid
toekent, draagt er toe bij die te verhoogen.
CLI.
Het is moeilijker zich door anderen niet te laten beheerschen, dan
anderen te beheerschen.
CLII.
Indien wij ons zelf niet vleiden zou de vleierij van anderen ons niet
kunnen schaden.
CLIII.
De natuur schept de verdienste; de fortuin brengt haar in werking.
CLIV.
De fortuin verbetert in ons verschillende gebreken, die het verstand
niet zou kunnen verbeteren.
CLV.
Er zijn menschen van verdienste, die afstootend werken, en andere, die,
ondanks hunne gebreken, aantrekken.
CLVI.
Er zijn menschen, wier eenige verdienste daarin bestaat met voordeel
dwaasheden te zeggen en te doen, en die alles zouden bederven indien
zij hun gedragslijn veranderden.
CLVII.
De roem van groote mannen moet altijd worden afgemeten naar de
middelen, waarvan zij zich hebben bediend om hem te verwerven.
CLVIII.
Vleierij is valsch geld, dat alleen koers heeft door onze ijdelheid.
CLIX.
Het is niet voldoende groote hoedanigheden te bezitten; men moet er een
richtig gebruik van weten te maken.
CLX.
Hoe verblindend een daad moge zijn, zij mag niet voor groot doorgaan
indien zij niet het gevolg is van een groot opgezet plan.
CLXI.
Er moet een zekere verhouding zijn tusschen daden en plannen, indien
men er alle gevolgen uit wil halen, die er uit te halen zijn.
CLXII.
De kunst, middelmatige hoedanigheden goed naar voren te brengen,
brengt de achting op een dwaalspoor en geeft dikwijls meer naam dan de
werkelijke verdienste.
CLXIII.
Er zijn tallooze handelingen, die belachelijk schijnen en waarvan de
verborgen redenen zeer wijs en deugdelijk zijn.
CLXIV.
Het is gemakkelijker de ambten, die men niet heeft, waardig te
schijnen, dan die, welke men bekleedt.
CLXV.
Onze verdienste bezorgt ons de achting der eerlijke lieden en onze
geluksster die van het publiek.
CLXVI.
De wereld beloont vaker den schijn van verdienste dan de verdienste
zelf.
CLXVII.
Gierigheid is eerder het tegenovergestelde van zuinigheid dan
vrijgevigheid.
CLXVIII.
De hoop, hoe bedriegelijk zij ook is, leidt ons ten minste langs een
aangenamen weg tot het levenseinde.
CLXIX.
Terwijl luiheid en bedeesdheid ons aan onzen plicht houden, krijgt onze
deugd er dikwijls al de eer van.
CLXX.
Het is moeilijk te beoordeelen of een rein, oprecht en eerlijk gedrag
een uitwerking van rechtschapenheid of van handigheid is.
CLXXI.
Deugden verliezen zich in eigenbelang als rivieren in de zee.
CLXXII.
Wanneer men de verschillende gevolgen van verveling goed beziet, dan
vindt men, dat zij nog meer plichten doet verzuimen dan eigenbelang.
CLXXIII.
Er zijn verschillende soorten van nieuwsgierigheid: de eene uit
eigenbelang, die er ons toe brengt te willen vernemen wat ons van nut
zou kunnen zijn; de andere uit hoogmoed, die ontstaat uit het verlangen
te weten wat anderen onbekend is.
CLXXIV.
Het is beter ons verstand te gebruiken om de ongelukken te dragen, die
ons overkomen, dan om het bezig te houden met die, welke in aantocht
zijn.
CLXXV.
De standvastigheid in de liefde is eene doorloopende onstandvastigheid,
waardoor ons hart zich achtereenvolgens hecht aan alle de eigenschappen
van den persoon, dien wij liefhebben, gevende dan eens den voorkeur
aan deze, dan weer aan gene: zoodat deze standvastigheid slechts een
onstandvastigheid is, beperkt tot en opgesloten in het zelfde voorwerp.
CLXXVI.
Er zijn twee soorten standvastigheid in de liefde: de eene ontstaat
doordat men in den beminden persoon steeds nieuwe eigenschappen tot
beminnen vindt, en de andere omdat men er eer in stelt standvastig te
zijn.
CLXXVII.
Bestendigheid verdient noch lof, noch blaam, want zij is slechts het
voortduren van neigingen en gevoelens, die men zich zelf ontnemen, noch
geven kan.
CLXXVIII.
Wat ons nieuwe kennissen doet liefhebben is niet zoo zeer de
moeheid, die wij ten opzichte der oude gevoelen, of het genoegen van
verandering, als wel de ontstemming niet voldoende bewonderd te worden
door hen, die ons te goed kennen, en de hoop dit meer te zullen worden
gedaan door hen, die ons niet zoo goed kennen.
CLXXIX.
Wij beklagen ons soms lichtvaardig over onze vrienden, om bij voorbaat
onze lichtvaardigheid te rechtvaardigen.
CLXXX.
Ons berouw is niet zoo zeer het betreuren van het kwaad, dat wij deden,
dan wel vrees voor de gevolgen, die er voor ons uit kunnen ontstaan.
CLXXXI.
Er is een onbestendigheid, die ontstaat door lichtvaardigheid van
het verstand of door zijn zwakte, die het toegankelijk maakt voor
alle meeningen van anderen, en er is er een andere, die eerder te
verontschuldigen is, die het gevolg is van oververzadiging.
CLXXXII.
De ondeugden behooren tot de samenstelling der deugden, zooals de
vergiften tot de samenstelling der geneesmiddelen: de voorzichtigheid
brengt ze bijeen en matigt ze, en bedient er zich met goed gevolg van
tegen de kwalen van het menschelijk leven.
CLXXXIII.
Men moet ter eere van de deugd erkennen dat de grootste rampen der
menschen die zijn, waarin zij vervallen door misdaden.
CLXXXIV.
Wij bekennen onze fouten om door onze openhartigheid het nadeel te
herstellen, dat zij ons bij anderen doen.
CLXXXV.
Er zijn helden zoowel in het goede als in het kwade.
CLXXXVI.
Men veracht niet allen, die ondeugden bezitten, maar hen, aan wie elke
deugd ontbreekt.
CLXXXVII.
De naam van de deugd dient het eigenbelang even goed als de ondeugden.
CLXXXVIII.
De gezondheid der ziel is niet zekerder dan die van het lichaam; en
hoe ver verwijderd men moge schijnen van hartstochten, men loopt niet
minder gevaar er door te worden medegesleept, dan ziek te worden,
wanneer men gezond is.
CLXXXIX.
Het lijkt er naar alsof de natuur bij elken mensch bij zijn geboorte
grenzen aan zijn deugden en ondeugden heeft afgebakend.
CXC.
Slechts groote menschen mogen groote gebreken hebben.
CXCI.
Men kan zeggen dat de ondeugden ons op onzen levensweg opwachten als
gastheeren bij wie men achtereenvolgens moet inwonen; en ik twijfel
of de ervaring ons ze zou doen ontloopen als het ons vergund werd den
zelfden weg twee maal te bewandelen.
CXCII.
Wanneer de ondeugden ons verlaten vleien wij ons met den waan, dat
_wij_ haar hadden verlaten.
CXCIII.
Er zijn instortingen bij de ziekten der ziel zooals bij die van het
lichaam; hetgeen wij voor genezing aanzien is meestal slechts een
opschorting of een verandering van kwaal.
CXCIV.
De gebreken der ziel zijn als de verwondingen van het lichaam; met
hoeveel zorg men tracht ze te genezen, er blijven altijd litteekens en
elk oogenblik loopen zij gevaar weder open te breken.
CXCV.
Wat ons dikwijls belet ons aan één enkele ondeugd overtegeven, is het
feit dat wij er meerdere hebben.
CXCVI.
Wij vergeten spoedig onze fouten indien niemand dan wij die kent.
CXCVII.
Er zijn menschen van wie men nooit iets kwaads zou gelooven zonder het
te hebben gezien; maar er zijn er geen van wie het ons bevreemden zou,
indien wij het zien.
CXCVIII.