de Sévigné dagteekenen uit den tijd van zijn verhouding met Mevr. de
Lafayette._
_Genoemde briefwisseling is tevens een rijke bron voor de studie der
Maximes in het algemeen en van la Rochefoucauld in het bijzonder.
Zij vormden blijkbaar voortdurend het onderwerp van gesprek en van
gedachtewisseling per brief. Voor den vertaler doet zich bij het
nalezen van dit alles wel eens een oogenblik van leedvermaak voor.
Mevr. de Sévigné zond b.v. 20 Jan. 1672 uit naam van den schrijver aan
haar dochter een exemplaar der in het vorige jaar verschenen nieuwe
uitgave. En wat voegt zij er aan toe? „_Il y en a des divines; et à
ma honte, il y en a que je n’entends point: Dieu sait comme vous les
entendrez._”_
_Wanneer eene zóó hoogstaande vrouw, zóó goed bekend met den schrijver
en den kring, waarin hij verkeerde, erkende hem somtijds niet te
begrijpen, dan behoeft men zich twee en een halve eeuw later niet te
schamen wanneer men bij het lezen van sommige Maximes tot een zelfde
verzuchting komt._
_In verband hiermede is ook hoogst merkwaardig een uiting van
Corbinelli een soort philosoof, een intimus van Mevr. de Sévigné, aan
wier brieven hij vaak lange beschouwingen toevoegde. In zulk een brief
van 18 Dec. 1678 behandelt hij de moeilijkheden van het begrijpen der
Maximes. „_Je trouve qu’on se sert de mots dans la conversation qui,
étant examinés, sont ordinairement équivoques, et qui, à force de les
sasser, ne signifient point, dans la plupart des expressions, ce qu’il
semble à tout le monde qu’ils doivent signifier._” Dan vraagt hij om
opgave van het verschil van beteekenis van een reeks van woorden,
zooals: _bon sens_ en _jugement-raison_,--_bon sens, humeur, caprice_
en _bizarrerie_--_bon sens_ en _bon esprit_--_plaisant_ en _agréable_
enz. enz. Om te eindigen met de volgende zinsnede; „_Ne vous amusez
pas à me dire que ce sont la plus part synonymes: c’est le langage où
des parresseux où des ignorants. Je suis après à définir tout, bien ou
mal, il n’importe. Faites la même chose, je vous en prie_”._
_Dit lezende vraagt men zich onwillekeurig of men een vertaler zijn
nood hoort klagen._
* * * * *
_Aangaande zijn naaste omgeving moet allereerst vermeld worden, dat
zijne echtgenoote, die hem in ’55 zijn achtste en laatste kind schonk,
op zijn ontwikkeling niet den minsten invloed schijnt te hebben
uitgeoefend. In de vele, vele brieven en andere schrifturen, die uit
dit tijdvak zijn bewaard gebleven, wordt haar naam zelfs niet genoemd.
Daarentegen zijn het twee andere vrouwen geweest, die, wat het laatste
tijdvak van zijn leven betreft, onafscheidelijk aan den naam van la
Rochefoucauld zullen verbonden blijven; Mevrouw de Sablé en bovenal
Mevrouw de Lafayette._
_Eerstgenoemde, een zeer ernstige vrouw en niet onbegaafd, had na het
sluiten van den vrede in ’53, een letterkundig salon, alwaar zich
personen van allerlei richting vertoonden. De gastvrouw was in de
Fronde geheel buiten het gedrang gebleven en dientengevolge geheel
onafhankelijk. Een eigenaardigheid van haar salon was de voorliefde
voor het maken van spreuken en maximes. Men kan zeggen dat la
Rochefoucauld in dien kring tot het samenstellen van zijn bundel is
gekomen._
_Maar Mevrouw de Sablé sloot zich meer en meer aan bij de richting
der Jansenisten en liet zelfs voor zich een woning bouwen naast het
klooster Port Royal, zonder zich evenwel uit de wereld terugtetrekken.
En in Port Royal had zich Mevrouw de Longueville afgezonderd. Met
het groeien der genegenheid voor deze ongelukkige vrouw verkoelde de
verhouding met den Hertog. Dit dagteekent van omstreeks 1665, het
verschijnen der Maximes._
_Thans volgde als vriendin de vrouw, die den grootsten invloed op
zijn leven heeft gehad en tot het einde heeft behouden: mevrouw de
Lafayette, geb. Marie Madeleine Pioche de La Vergne. Zij was in 1633
geboren en in ’55 gehuwd met een man van wien men even weinig afweet
als van de echtgenoote van den Hertog. In ’56 was zij weduwe, men weet
niet sedert wanneer._
_Zij was een hoogst merkwaardige vrouw: Mevrouw de Sévigné sprak van
„_haar goddelijk verstand, dat haar nooit in den steek liet_”. Niemand
minder dan Boileau verklaarde, dat zij „_de geestrijkste vrouw in
Frankrijk was en die het best schreef_”. Volgens den kardinaal de
Retz was zij zeer mooi en zeer beminlijk. Mevrouw de Sévigné vertelt,
dat zij ook voor de dingen van het dagelijksch leven bizonder knap
was. Segrais zegt, dat drie maanden, nadat zij begonnen was Latijn te
leeren, zij er meer van wist dan haar meesters. Niettemin hield zij
die geleerdheid zorgvuldig verborgen, om vooral geen geleerde vrouw te
schijnen._
_Daarnaast had zij een voor die dagen, waarin het brievenschrijven
zoo zeer in de mode was, zeldzame eigenschap, te weten: een afkeer
van het schrijven van welken brief ook. Zij kwam daarmede wel eens in
botsing met haar groote vriendin, Mevr. de Sévigné, aan wie zij eens
verklaarde: „_Si j’avais un amant, qui voulût de mes lettres tous les
matins, je romprois avec lui_”. Maar het was de zelfde vrouw, die,
baanbrekend, aan Frankrijk met haar „_Princesse de Clèves_” den besten
roman der 17de eeuw schonk._
_Men zou verkeerd doen met de verhouding tusschen den Hertog en Mevrouw
de Lafayette op één lijn te stellen met de honderden „_liaisons_” in de
toenmalige hofkringen. Zij kende den schrijver reeds een tiental jaren,
en men moet aannemen, dat van een intimiteit eerst sprake was omstreeks
het oogenblik van het verschijnen der Maximes. Hij voelde zich
aangetrokken door deze vrouw, die hooge talenten aan fijngevoeligheid
en liefderijkheid paarde. Haar trok zijn fijn vernuft aan, en zij
stelde zich tot taak den door tegenspoed en ziekte bitter geworden man
van zijn overdreven zwartgalligheid aftebrengen. Men sla de brieven van
Mevrouw de Sévigné na om te zien hoe zij, haar beste vriendin, over
beide menschen oordeelt, en men begrijpt welk een prachtigen invloed
deze vrouw op hem uitoefende. Wat de Maximes aangaat zij in herinnering
gebracht, dat de eerste druk slechts 314 maximes bevatte; die van
1678 telt er 504. Het staat vast, dat die meerdere nummers en de zeer
belangrijke wijzigingen in de vroeger gepubliceerde meestal aan overleg
met haar te danken zijn. Daarentegen heeft hij ongetwijfeld een groot
aandeel gehad in het schrijven van haar „_Princesse de Clèves_”._
_Een ramp was het voor hem, zoo vaak door jicht aan zijn stoel
gekluisterd, dat haar gezondheid zeer slecht was en haar belette zich
te verplaatsen._
_Uit de brieven van Mevr. de Sévigné ziet men, dat Mevr. de Lafayette
en la Rochefoucauld als een volstrekt bijeenhoorend paar werden
beschouwd. Hij bewoonde het hotel Liancourt, rue de Seine, zij een
huis, met prachtigen tuin, rue Vaugirard, alles Faubourg St. Germain.
Vandaar dat de beroemde briefschrijfster aan haar dochter eenvoudig de
groeten overbracht van „_le faubourg_”._
_Mevrouw de Lafayette meende niet vruchteloos op haar vriend te hebben
ingewerkt. Hij heeft, zeide zij, mijn geest gescherpt, ik heb zijn hart
hervormd._
_Tot aan zijn dood heeft haar trouwe liefde voortbestaan. Zij
overleefde hem dertien jaren._
_Werd er hierboven op gewezen, dat de Hertog nog enkele pogingen deed
in het openbare leven terug te keeren, weldra zag hij hiervan voor goed
af om zich bovenal aan de belangen van zijn oudsten zoon te wijden.
Hij stond hem zijn pairschap af en de zoon van den oudfrondeur werd
eerst „_grand maître de la garde-robe_”, later zelfs „_grand veneur_”,
allerhoogste ambten ten hove._
_Het jaar 1672 was hem hoogst noodlottig: bij den overtocht van het
Fransche leger over den Rijn werd zijn oudste zoon zwaar gewond en
sneuvelden zijn vierde zoon en de Hertog de Longueville, de zoon van
mevrouw de Longueville, in de dagen der Fronde geboren. Men sla wederom
de brieven van Mevrouw de Sévigné op om te zien hoe zwaar hem deze
slagen vielen en hoe hij er zich onder hield._
_Geleidelijk ging zijn gezondheid achteruit. Vleugjes van beterschap
ontbraken niet, zelfs niet den dag voor zijn dood. Hij overleed 17
Maart 1680; in de armen van Bossuet, die hem bediend had, stierf hij._
_III._
_Reeds wees ik er op met welke aarzelingen la Rochefoucauld zijn boek
de wereld inzond. Hij achtte niet alleen een voorbericht, maar zelfs
een lange apologie en een tijdschrift-artikel onmisbaar: maar toen het
boek succes had, verklaarde de schrijver, het was slechts een jaar
later, dat men zijn werk geen grooter nadeel zou kunnen doen, dan door
het toevoegen van een apologie._
_Inmiddels zijn meer dan twee en een halve eeuw verstreken en de
Maximes worden nog steeds beschouwd als te behooren tot de klassieke
Fransche prozawerken. Is er thans nog of op nieuw een apologie noodig?_
_Een toelichting, naar mijne meening, voorzeker, omdat het werk niet
goed begrepen kan worden zonder nadere kennis van de omstandigheden,
waaraan het zijn ontstaan te danken heeft. Een apologie, hoogstens
in dien zin, dat ik zou willen verklaren hoe ik tot het maken dezer
vertaling gekomen ben._
_De omstandigheid, dat er nog altijd geen Nederlandsche vertaling
van bestaat, heeft hierbij geen hoofdrol gespeeld, eerder nog het
verleidelijke van te trachten de fijne Fransche uitdrukkingen in eigen
taal overtezetten. In geen geval heb ik er aan gedacht proselieten te
winnen voor een overdreven pessimisme en cynisme._
_Laat ik zelfs vooropstellen dat er in den bundel tal van spreuken
zijn, die velen weinig belang zullen inboezemen. Ik denk hierbij
b.v. aan die, welke betrekking hebben op vorsten, veldheeren enz.
De omgeving, waarin de schrijver jaren lang leefde, deden hem die
uit de pen vloeien. Vervolgens zijn er verscheidene maximes, waarin
hij zijn grondgedachte, „_dat alle deugd verkapte ondeugd is_”, tot
het alleruiterste doordrijft. Soms wordt hij stoïcijns: heb geen
medelijden, leert hij, en hij verklaart dit gevoel in eigen boezem
liefst geheel te willen uitroeien. En hij gaat verder:_
CDLXIII. Dikwijls is er meer hoogmoed dan goedheid in ons beklag der
ongelukken onzer vijanden; het dient om hen te doen gevoelen, dat wij
door hun bewijzen van medelijden te geven, boven hen staan.
CCLXIV. „Medelijden is dikwijls.. handig vooruitzien van de ongelukken,
die ons kunnen overkomen; wij geven anderen hulp om ze er toe te
brengen ons die in gelijksoortige gevallen eveneens te verleenen, en
deze diensten, die wij hun bewijzen, zijn, eigenlijk gezegd, weldaden,
die wij bij voorbaat aan ons zelf bewijzen.”
_Hoe beoordeelt hij „_vriendschap_”?_
LXXXIII. Wat de menschen vriendschap hebben genoemd is niets dan
een overeenkomst, een wederkeerig ontzien van belangen, en een
uitwisseling van goede diensten; het is ten slotte niets dan een
handel, waarbij het eigenbelang altijd iets denkt te winnen. _In
vroegere drukken heette het „_een handelszaak_”._
_Hier mag niet worden verzwegen dat verschillende tijdgenooten niet
veel beter over vriendschap dachten._
Gematigdheid. Daarvan heeft men een deugd gemaakt; ten gerieve van
middelmatige menschen. CCCVIII.
Standvastigheid in de liefde. Zij is een doorloopende
onstandvastigheid, waardoor ons hart zich achtereenvolgens hecht aan
alle de eigenschappen van den persoon, dien wij liefhebben. ....CLXXV.
_Een dergelijke spreuk maakt den indruk te zijn uitgedacht in een
prijskamp van geestigheden._
Vrouwelijk fatsoen. Er zijn weinig fatsoenlijke vrouwen, die haar
beroep niet moede zijn. CCCLXVII.
_Het begrip van „_beroep_” is hier hinderlijk en onwelvoegelijk._
_Deze voorbeelden mogen volstaan: het is echter gewenscht, dat de lezer
er op voorbereid zij zulke buitensporigheden te zullen ontmoeten._
_Maar bij tientallen zal hij spreuken ontmoeten, tintelend van
geest. Bij vele tientallen zal hij opmerkingen tegenkomen, die op
het eerste gezicht overdreven mogen schijnen, doch waarvan hij, bij
eenig nadenken, de diepe waarheid zal moeten erkennen. Altijd is de
hoofdgedachte hetgeen aan het begin als opschrift is neergeschreven:
„_Onze deugden zijn meestal niets dan verkapte ondeugden_”. Terloops
zij er op gewezen, dat dit opschrift eerst in den vierden druk van 1675
voorkomt._
_En hiermede zijn wij gekomen tot hetgeen mij de onvergankelijke
verdienste van dit boek toeschijnt. In fijnen vorm, met weinige
welgekozen woorden, worden beweringen opgedischt, die tot nadenken
stemmen en in vele, vele gevallen, zal de lezer, in eigen boezem, van
daden, waarover hij zeer voldaan was, beweegredenen vinden, die er
geheel anders uitzien, dan hij aanvankelijk gemeend had. Van menige
handeling zal het aureool voor goed verdwijnen, in menig opzicht zal
men inzien bescheidener over zich zelf te moeten denken. Een dergelijke
opfrissching kan nooit anders dan nuttig zijn. Maar men zij voorzichtig
met die beschouwingen te veel op anderen toetepassen. Dit voert tot
een bedenkelijke argwaan, tot het verlies van elk vertrouwen in goede
bedoelingen. En hierdoor zou men lijnrecht in strijd geraken met den
schrijver, die met nadruk zegt: „_het is smadelijker zijn vrienden
te wantrouwen dan door hen te worden bedrogen_”, (_LXXXIV_) en „_ons
wantrouwen rechtvaardigt het bedrog van anderen_” (_LXXXVI_). Tegenover
zich zelf kan dit wantrouwen minder kwaad: er zal altijd nog voldoende
reden tot tevredenheid met zich zelf overblijven._
VOORREDE VAN DE EERSTE UITGAVE VAN PARIJS, 1665.
_Aan den Lezer._
Ziehier een portret van het menschelijk hart, dat ik het publiek
aanbied onder den naam van _Réflections ou maximes morales_. Het loopt
kans niet aan ieder te behagen, omdat men misschien zal vinden dat het
al te goed gelijkt, en niet genoeg vleit. Het heeft den schijn alsof
de schilder nooit het plan heeft gehad dit werk het licht te doen
zien en dat het nog in zijn kast zou liggen, ware het niet dat een
slecht afschrift, dat in omloop was en zelfs eenige tijd geleden in
Holland is beland, een zijner vrienden had verplicht er mij een ander
te geven, dat volgens hem, geheel overeenkomt met het oorspronkelijke.
Maar hoe nauwkeurig het moge zijn, misschien ontkomt het toch niet
aan de veroordeeling van zekere personen, die niet kunnen verdragen
dat men zich gaat bezighouden met in het binnenste van hun hart
doortedringen, en die het recht meenen te bezitten te beletten dat
anderen hen zouden kennen, omdat zij zich zelf niet willen kennen. Het
is waar dat, aangezien deze Maximes vol zijn van die soorten waarheden,
waaraan de menschelijke hoogmoed zich niet kan aanpassen, het bijna
onmogelijk is, dat hij er niet tegen in opstand komt, en dat zij zich
geen veroordeelaars op den hals zouden halen. Het is ook voor hen dat
ik een brief bijvoeg, dien men mij gegeven heeft en die geschreven is
sedert het handschrift bekend is geworden, en toen iedereen er zijn
oordeel over uitsprak. Hij kwam mij vrij geschikt voor als antwoord
op de gewichtigste bezwaren, die men tegen de maximes kan inbrengen,
en om de gevoelens van den schrijver toetelichten; hij is voldoende
om te doen zien, dat hetgeen zij inhouden niets anders is dan een
korte zedekundige verhandeling, overeenkomende met de denkwijze van
verscheidene kerkvaders, en dat hij, die ze geschreven heeft, groot
gelijk heeft gehad te gelooven, dat hij met zulke goede gidsen niet
kon dwalen, en dat het hem geoorloofd was van den _mensch_ te spreken,
zooals de Vaders het deden.
Maar indien de eerbied, hun verschuldigd, niet bij machte is den wrevel
der critici tegentehouden, indien deze zich niet ontzien de meening
dier groote mannen te veroordeelen door dit boek te veroordeelen, dan
verzoek ik den lezer hun voorbeeld niet te volgen, zijn geest niet
te laten medesleepen door de eerste opwelling van zijn hart, en zoo
mogelijk te zorgen dat de eigenliefde zich niet in de beoordeeling
zal mengen; want indien hij haar raadpleegt moet hij niet verwachten
gunstig gezind te kunnen zijn ten opzichte der Maximes; daar zij de
eigenliefde beschouwen als het bederf der rede, zal zij niet in gebreke
blijven het verstand tegen deze regels intenemen.
Men dient er dus tegen te waken dat de vooringenomenheid ze niet
rechtvaardige en zich er van te doordringen, dat niets meer geschikt
is de waarheid dezer overpeinzingen te bewijzen dan de warmte en de
spitsvondigheid, die men zal doen blijken bij de bestrijding: inderdaad
zal het moeilijk vallen elk verstandig mensch te doen gelooven, dat
men ze op een anderen grond veroordeelt dan dien van verborgen belang,
hoogmoed en eigenliefde. In één woord, de beste partij, die de lezer
kan kiezen is zich inteprenten, dat niet één dezer spreuken in het
bijzonder op hem slaat, en dat hij de eenige uitzondering is, ofschoon
zij een algemeene strekking schijnen te bezitten; daarna, hiervoor sta
ik borg, zal hij de eerste zijn ze te onderschrijven en zal hij vinden,
dat zij het menschelijk hart nog genadig behandelen. Ziedaar wat ik in
het algemeen over dit geschrift wilde zeggen; wat de methode aangaat,
die men er in zal waarnemen, geloof ik dat het gewenscht geweest was
aan elke spreuk een opschrift te geven, het behandelde onderwerp
aanduidende, en dat zij ordelijker gegroepeerd hadden moeten zijn;
maar ik zou dit niet hebben kunnen doen zonder de geheele kopy, die
men mij gegeven heeft, geheel het onderst-boven te gooien; en daar er
meerdere spreuken met hetzelfde onderwerp voorkomen, hebben zij, wier
raad ik heb ingewonnen, gemeend dat het nuttiger was een Register samen
te stellen, met behulp waarvan men kan vinden welke spreuken hetzelfde
onderwerp behandelen.
VOORREDE VAN DE VIJFDE UITGAVE, 1678.
_De Uitgever aan den Lezer._
Deze vijfde druk is vermeerderd met meer dan honderd nieuwe spreuken
en nauwkeuriger dan de vier eerste. De goedkeuring, aan de Maximes
door het publiek betuigd, gaat boven alles wat ik ten haren gunste zou
kunnen zeggen, en indien zij zijn waarvoor ik haar houd, en waarvan ik
grond heb overtuigd te zijn, zou men haar geen grooter onrecht kunnen
doen dan te gelooven, dat zij een verdediging noodig zouden hebben. Ik
zal volstaan met u op twee dingen te wijzen: ten eerste, dat met het
woord „eigenbelang” niet altijd een materieel belang bedoeld wordt,
maar meestal een belang van eer en roem; ten tweede (hetgeen als het
ware de grondslag is van al deze spreuken), dat hij, die ze gemaakt
heeft, de menschen slechts heeft beschouwd in dien droevigen toestand
van verdorvenheid door de zonde, en dat dus de wijze, waarop hij van
dat oneindig aantal gebreken spreekt, die zich als schijnbare deugden
voordoen, niet hen betreft, die God er door een bijzondere genade voor
behoedt.
Wat de volgorde dezer spreuken aangaat, zal men gemakkelijk inzien dat,
aangezien zij verschillende onderwerpen behandelen, het bezwaarlijk was
een volgorde vast te stellen; en ofschoon er meerdere met een zelfde
onderwerp zijn, heeft men niet gemeend die altijd bijeen te moeten
plaatsen, uit vrees den lezer te vervelen; men vindt ze echter in het
Register.
_Onze deugden zijn meestal
niets dan verkapte ondeugden._
I.
Hetgeen wij voor deugd aanzien is dikwijls niets dan een samenloop van
verschillende handelingen en van verschillende belangen, die de fortuin
of onze ijver weten te regelen; en het is niet altijd uit dapperheid en
uit kuischheid dat mannen dapper en vrouwen kuisch zijn.
II.
De eigenliefde is de grootste van alle vleiers.
III.
Welke ontdekkingen men in het land der eigenliefde ook heeft gemaakt,
er blijven nog heel wat onbekende landstreken over.
IV.
Eigenliefde is handiger dan de handigste mensch ter wereld.
V.
De duur onzer hartstochten hangt evenmin van ons af als de duur van ons
leven.
VI.
Hartstocht maakt dikwijls een zot van den verstandigsten mensch en de
zotsten verstandig.
VII.
Groote en schitterende daden, die het oog verblinden, worden door
politici voorgesteld als de uitkomsten van groote plannen, terwijl
zij gewoonlijk de uitwerking zijn van humeur en hartstochten. Zoo was
de oorlog tusschen Augustus en Antonius, dien men toeschrijft aan de
eerzucht om zich meesters van de wereld te maken, misschien louter een
uitwerking van jaloezie.
VIII.
Hartstochten zijn de eenige redenaars, die altijd overtuigen. Zij
zijn als het ware een kracht der natuur, waarvan de regels onfeilbaar
zijn, en de eenvoudigste man met hartstocht overtuigt beter dan de
welsprekendste, die er van ontbloot is.
IX.
Hartstochten hebben een kant van onrechtvaardigheid en eigenbelang,
die het gevaarlijk maakt ze te volgen en waarvoor men zich moet hoeden,
zelfs wanneer zij zoo redelijk mogelijk schijnen.
X.
Er is in het menschelijk hart een voortdurende aanwas van hartstochten,
dusdanig dat de ondergang van den eenen bijkans altijd de opkomst van
een anderen te weeg brengt.
XI.
Hartstochten brengen vaak andere voort, die aan hen tegenovergesteld
zijn: gierigheid verwekt soms verkwisting en verkwisting gierigheid;
dikwijls is men standvastig uit zwakte en onverschrokken uit
bedeesdheid.
XII.
Hoe veel moeite men zich ook geve om zijn hartstochten met den schijn
van vroomheid en eer te bedekken, zij blijven altijd achter die sluiers
zichtbaar.
XIII.
Onze eigenliefde duldt bezwaarlijker de veroordeeling van onzen smaak
dan van onze meeningen.
XIV.
De menschen zijn niet alleen geneigd de herinnering te verliezen aan
weldaden en onrecht: zij haten zelfs degenen, die hen verplicht hebben
en houden op te haten wie hen beleedigd hebben. De inspanning om het
goede te beloonen en zich te wreken wegens het kwade schijnt hun een
last, waaraan zij moeite hebben zich te onderwerpen.
XV.
De genade van vorsten is vaak niets dan politiek om de genegenheid der
volken te winnen.
XVI.
Die genadigheid, die men voor een deugd laat gelden, bewijst men nu
eens uit ijdelheid, soms uit gemakzucht, dikwijls uit vrees, en bijna
altijd uit alle drie te zamen.
XVII.
De gematigdheid der gelukkige menschen komt voort uit de kalmte, die de
goede fortuin aan hun gemoedsstemming geeft.
XVIII.
Gematigdheid is een vrees te worden benijd en veracht, zoo als zij
verdienen, die verblind worden door hun geluk; zij is een ijdele
pronkerij van onze geestkracht, en ten slotte is gematigdheid der
hoogstgeplaatste menschen een verlangen grooter te schijnen dan hun
goed gesternte.
XIX.
Wij zijn allen sterk genoeg om andermans rampen te dragen.
XX.
De onaandoenlijkheid der wijzen is niet anders dan de kunst van de
stormen in hun hart op te sluiten.
XXI.
Ter dood veroordeelden vertoonen somtijds een onaandoenlijkheid
en verachting van den dood, die slechts vrees is om hem in het
aangezicht te zien; zoodat men kan zeggen dat die onaandoenlijkheid en
doodsverachting voor hun geest zijn wat de blinddoek voor hunne oogen
is.
XXII.
De philosophie overwint gemakkelijk verleden en toekomstige rampen,
maar de tegenwoordige blijven haar de baas.
XXIII.
Weinigen kennen den dood: men aanvaardt hem gewoonlijk niet uit
vastberadenheid maar uit domheid en uit gewoonte, en de meeste menschen
sterven omdat er niets tegen te doen is.
XXIV.
Wanneer groote mannen zich laten nederdrukken door den langen duur
hunner tegenspoeden, toonen zij dat zij die slechts droegen door de
kracht hunner eerzucht en niet door die hunner ziel, en dat, op een
groote ijdelheid na, helden gelijk zijn aan andere menschen.
XXV.
Men moet grooter deugden bezitten om voorspoed dan om tegenspoed te
verdragen.
XXVI.
De zon en den dood kan men niet strak aanzien.
XXVII.
Men pocht soms op hartstochten, zelfs de misdadigste, maar de afgunst,
een bedeesde en schuwe hartstocht, wil men nimmer toegeven te bezitten.
XXVIII.
Jaloezie is in zeker opzicht rechtmatig en verstandig, daar zij er
slechts naar streeft iets te bewaren, dat ons werkelijk of naar onze
meening toebehoort; afgunst daarentegen is een razernij, die het geluk
van anderen niet dulden kan.
XXIX.
Het kwade, dat wij doen, bezorgt ons niet zoo veel vervolging en haat
als onze goede hoedanigheden.
XXX.
Wij hebben meer kracht dan goeden wil; en het is vaak alleen om ons
tegenover ons zelf vrij te pleiten, dat wij dingen onmogelijk achten.
XXXI.
Indien wij zelf geen gebreken hadden, zouden wij er niet zooveel
behagen in scheppen die bij anderen op te merken.
XXXII.