_Maximes van La Rochefoucauld_
[Illustratie: Postret]
_MAXIMES_
_van_
La Rochefoucauld
_Vertaald door
Dr. D. F. Scheurleer_
[Illustratie: Uitgever logo]
’S-GRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1922
INHOUD.
Inleiding 7
Voorrede der uitgave van 1665 90
Voorrede der uitgave van 1678 96
Maximes 99
Portret van La Rochefoucauld
door hemzelf 252
Portret van La Rochefoucauld
door Kardinaal de Retz 266
Register 271
_INLEIDING._
_I._
_Zelden volgden hevig ontroerende gebeurtenissen elkander zóó
onafgebroken op, als in Frankrijk gedurende de eeuw, na den dood van
Koning Hendrik II. Het land was bezig zich tot een organisch geheel te
vormen maar de omstandigheden waren daartoe niet gunstig. Een reeks
onbekwame, krachtlooze koningen, zonder levensdoel, veelal speelbal van
gunstelingen, volgden elkander op en bovendien herhaalde zich telkens
het rampzalige feit, dat hij, die den troon moest bestijgen, veel
te jong was om de teugels van het bewind in handen te nemen. Frans
II, die in 1559 koning werd, was 15 jaar oud, en stierf na achttien
maanden. Zijn opvolger, Karel IX, had toen den leeftijd van 10 jaren
bereikt. Op het oogenblik, dat deze overleed, was hij niet ouder dan
24. Hendrik III, die nu den troon besteeg, was 23 jaar oud, maar in
den oorlog tegen de Hugenoten had hij ten minste gelegenheid gehad
zekere zelfstandigheid te verwerven. Een dolkstoot van een fanatieken
monnik maakte een einde aan zijn leven, dat aan Frankrijk geen heil had
gebracht (1589)._
_Naast en boven deze drie broeders stond altijd de moeder, Catharina
de Medici, een karaktervolle vrouw, een wonderlijk mengsel van
heerschzucht en slimheid, nu eens scherp doortastend, dan weer
wankelmoedig. Wanneer ergens de woorden van den Prediker kunnen worden
aangehaald, dan is het hier: „Wee u, land, welks koning een kind is”._
_Meer dan ooit staken de partijen het hoofd op, om zich van het
oppergezag meester te maken. Het volk, door middel der parlementen,
begon zich te doen gelden, maar bovenal was het de adel, die van den
koning een willoos werktuig trachtte te maken._
_Een derde macht had zich in den Staat gevormd: de Hugenoten. De vrije
uitoefening van den Protestantschen godsdienst was voorzeker een
hoofddoel van hun optreden, maar niet kan worden ontkend, dat ook zij
dongen naar het bezit van het roer van staat._
_Zoo kwam het niet minder dan achtmaal tot een Hugenoten-oorlog. Nu
eens sloot men vrede in het voordeel der Protestanten, aangevoerd
door de Bourbons, dan weder waren de Katholieken, onder de Guises,
aan de winnende hand. En aangezien het Hof noch de oppermacht van de
ééne, noch die der andere partij kon gedoogen, trad het met niets
ontziende heftigheid, afwisselend tegen beide op. Moordaanslag op den
admiraal de Coligny, Bartholomeus-nacht, moord der Guises, enz. enz. De
Italiaansche methodes werden toegepast._
_Met de troonsverheffing van Hendrik IV, 1589, scheen een beter
tijdperk te zijn aangebroken. Er was een persoonlijkheid opgetreden,
die wist wat hij wilde en den moed had datgene te doen, wat hem
noodzakelijk toescheen, zelfs ten derde male een verandering van
geloof! En daar er kracht van hem uitging werd hij toegejuicht. De
vijanden joeg hij het land uit, verscheidene stukken gebied voegde
hij aan het rijk toe; de geldmiddelen liet hij behoorlijk beheeren en
weldra was hij de meest populaire koning, dien Frankrijk ooit gehad
heeft. Dat hij op het punt van zedelijkheid uiterst vrije begrippen had
was geen hinderpaal. Men was daar sedert lang aan gewend._
_Zijn vroegeren geloofsgenooten, den Hugenoten, schonk hij het Edict
van Nantes. Hij verleende hun daarbij vrijheden, maar niet verder, dan
hij met zijn koninklijk gezag oirbaar achtte. Juist was hij voornemens
zich in den dertigjarigen oorlog te mengen met het doel Frankrijk den
Rijn als grens te verschaffen, toen een moordenaar hem neervelde.
Een voor zijn land zeer kostbaar leven werd hierdoor plotseling
afgesneden._
_Kenschetsend voor de toenmalige toestanden is hetgeen nu geschiedde.
De Koning liet slechts een achtjarigen zoon na, Lodewijk XIII. Men wist
niet recht op welke wijze de moeder, Maria de Medici, tot Regentes uit
te roepen. Toevallig had het Parlement zitting. Daaraan werd onverwijld
verzocht te voorzien in het regentschap en de regeering van het rijk:
er werd aan toegevoegd, dat er geen onzekerheid kon bestaan aangaande
de keuze, namelijk die der Koningin-Weduwe._
_De zitting was nauwelijks geopend of de generaal der infanterie trad
binnen, den degen in de hand, om de Heeren er op te wijzen, dat de
zaak spoed vereischte. Een uitnoodiging om plaats te nemen werd door
hem afgeslagen. Op gelijke wijze verscheen de Hertog de Guise. Het
gevolg was, dat het gewenschte besluit onmiddelijk werd genomen. Twee
en een half uur na den moord was de Regentes benoemd; doch bij nader
inzien vond het Hof, dat op deze wijze het aanzien van het Parlement
te zeer was gestegen. Er werd dus tegen den volgenden dag een „Lit de
Justice” in het Parlement beroepen, alwaar, alsof er niets beslist was,
de Koningin-Weduwe en de jonge Koning met groote statie verschenen,
toespraken hielden en ten slotte het arrest werd uitgesproken, dat de
Koning zijn moeder tot Regentes benoemde. Een sprekend bewijs van het
gebrek aan afbakening der bevoegdheden._
_De Regentes was door haar zwak karakter niet opgewassen tegen de
moeilijkheden van haar taak. Reeds vier jaar later verklaarde de
Koning zich meerderjarig en in 1617 volgde zelfs de verbanning zijner
moeder; haar gunsteling Concini werd vermoord._
_Lodewijk had niet de kracht van zijn vader geërfd. Hij was beperkt van
geest, jaloersch, achterdochtig. Zijne eerste raadgevers hielpen hem
niet over de moeilijkheden heen, daarin kwam eerst in 1624 verandering,
toen Richelieu de leiding kreeg. Bij uitstek merkwaardig is de schets,
die de Kardinaal in zijn „Politiek Testament” van den toestand van
Frankrijk bij zijn optreden geeft:_
„Toen Uwe Majesteit besloot mij tegelijkertijd zitting in uwen raad en
voor de leiding der zaken een groot deel van uw vertrouwen te schenken,
kan ik naar waarheid verklaren, dat de Hugenoten den Staat met u
deelden, dat de grooten zich gedroegen alsof zij geen onderdanen en
de machtigste gouverneurs der provinciën alsof zij souverein in hun
ambt waren...... ieder mat zijn verdienste met den maatstaf zijner
vermetelheid.... De meest ondernemenden waren het meest geacht en
gevoelden zich veelal het gelukkigst.”
_In de 18 jaren van zijn beheer heeft de Kardinaal niet stil gezeten;
het einddoel was de versterking van het monarchale beginsel. De
opstandige hooge adel moest worden overwonnen, de Hugenoten verjaagd
uit eigen vestingen en sterkten, tegen Engeland, Spanje en Oostenrijk
moest worden front gemaakt. Tallooze intriges en complotten maakten
hem het leven zuur, maar hij wist zich te verdedigen; vele groote
Heeren moesten voor den scherprechter het hoofd buigen, en zelfs den
Koning dwong hij zijn vijanden aan hem uitteleveren. Bij zijn dood was
Frankrijk een krachtige staat geworden. (1642)._
_En toen weinige maanden later zijn Koning overleed was er wederom
slechts een knaap, ditmaal 4 jaar oud, om optevolgen. En wederom een
Koningin-Weduwe, Anna van Oostenrijk, als Regentes. Onmiddelijk gaf
deze de leiding over aan Mazarin, die het voorbeeld van zijn voorganger
volgde en zich tot taak stelde de centralisatie van het Rijk verder
doortevoeren en in de buitenlandsche politiek een rol te spelen. Met
zijn scherpzinnigheid en taaiheid wist hij menig succes te behalen,
maar het aantal tegenstanders groeide voortdurend aan. Bij alle
partijen werd de „Italiaan” doodelijk gehaat. Zoodoende kon het tot
den wonderlijken burgeroorlog komen, die den naam van Fronde draagt,
en gedurende de jaren 1648-1653 de ontwikkeling van Frankrijk ten
eenenmale verhinderde. Van den aanvang aan was deze oorlog, feitelijk
alleen de verdrijving van den Kardinaal ten doel hebbende, tot
mislukking gedoemd. Adel en Parlement, die hier samengingen, hadden te
zeer tegenstrijdige belangen om tot een, beide partijen bevredigend,
resultaat te kunnen komen. Wel gelukte het hun den Kardinaal tijdelijk
te dwingen het land te verlaten, maar dit was slechts van korten duur.
Noch de hooge adel, noch de geestelijkheid onder Kardinaal de Retz,
noch de parlementen hadden voldoende uithoudingsvermogen om het tegen
de Koninklijke regeering vol te houden. Een algemeene moedeloosheid en
een overal op den voorgrond tredend verlangen naar rust maakten een
einde aan den burgeroorlog. Tot aan zijn dood, 1661, bleef Mazarin zijn
post bekleeden; daarna nam Lodewijk XIV zelf de teugels van het bewind
in handen, en hij bleek de schitterendste verpersoonlijking van het
begrip der absolute monarchie te zijn. Hij verdiende den naam van Roi
Soleil._
_Voor Frankrijk was een der schitterendste tijdperken zijner
geschiedenis aangebroken._
_II._
_François VI, Hertog de la Rochefoucauld, werd den 15 September 1613
geboren. Als oudste van 12 kinderen droeg hij aanvankelijk den naam
van Prins de Marcillac, naar een der familie-goederen; eerst na den
dood van zijn vader, in 1650, erfde hij den Hertogenlijken naam. Zijn
familie behoorde tot de oudste en voornaamste geslachten van Frankrijk.
Zij stamde af van Foucauld I, „Seigneur de la Roche en Angoumois”.
Koning Lodewijk XI noemde Jean de la Rochefoucauld reeds: „_féal et amé
cousin_” en Frans I betitelde het hoofd der familie met: „_très cher
et amé cousin et parrain_”. Fier beweerde Marcillac in 1648 tegenover
Mazarin:_
„Ik kan bewijzen, dat sedert drie eeuwen onze koningen het niet beneden
zich geacht hebben ons te behandelen als bloedverwanten.”
_Zijn overgrootvader werd Calvinist en vond op St. Bartholomeus zijn
dood. De grootvader diende den Koning van Navarra en werd door soldaten
der Ligue vermoord. De vader werd in 1610 Katholiek en in 1622 tot
Hertog en Pair verheven. In de aderen van den schrijver der Maximes
vloeide echter nog heel wat calvinistenbloed._
_Van zijn prille jeugd weten wij zoo goed als niets. Hij ontving geen
klassieke opleiding, later erkende hij zelf: met de Latijnsche taal op
geen goeden voet te staan._
_Hij was 15 of 16 jaar toen hij in het huwelijk trad. Het is wel
merkwaardig, dat aangaande de vrouw van zulk een voornaam en beroemd
man ongeveer niets bekend is. Wij weten echter dat zij acht kinderen
ter wereld bracht. Verder is het bekend dat haar echtgenoot hemel en
aarde bewoog haar het recht op een tabouret aan het Hof te bezorgen,
maar het heeft er allen schijn van, dat dit minder een uitvloeisel was
van groote liefde tot zijn vrouw, dan van zijn verlangen spoedig den
rang van Hertog te verkrijgen. Haar sterfjaar is onbekend; men vermoedt
dat het 1670 is._
_In 1629 diende hij bij het leger in Italië, en toen de veldtocht
was geëindigd kwam hij aan het Hof, waar hij eene sterke genegenheid
opvatte voor een hofdame, Marie de Hautefort (de platonische beminde
van den Koning). Door haar kwam hij in de nadere omgeving der
Koningin, Anna van Oostenrijk, en zoo geraakte hij betrokken in de
gevaarlijke intriges tegen den Kardinaal. In zijn Mémoires erkent la
Rochefoucauld:_
„Ik meende dat de partij der Koningin de eenige was, die men
fatsoenshalve kon volgen. Zij was ongelukkig en werd vervolgd, en de
Kardinaal was eerder haar tiran dan haar minnaar”.
_Het is hem spoedig gebleken, dat de fortuin niet altijd aan de zijde
van het „fatsoen” staat._
_Over het algemeen was het zijn ongeluk altijd de partij te kiezen, die
verloor._
_In 1635 was hij bij het leger, dat met de troepen van Frederik
Hendrik in de Zuidelijke Nederlanden de Spanjaarden bestreed. Ook daar
behaalde hij geen roem en tengevolge van te vrijmoedige opmerkingen
werd hem de toegang tot het hof ontzegd. Eerst in 1637 werd hij er
weder toegelaten, een uiterst kritiek oogenblik, want de Koningin
werd beschuldigd, met behulp der Hertogin de Chevreuse, de grootste
en onversaagste intrigante uit die dagen, in verstandhouding te staan
met den Koning van Spanje. Een feit is het dat Anna in briefwisseling
stond met haar broeder Koning Filips, en Richelieu deed zijn best de
vorstin gevangen te zetten en te laten verstooten. Het was in die dagen
dat het fantastische plan werd beraamd van een vlucht der Koningin met
haar hofdame, onder leiding van la Rochefoucauld. Met veel zelfkennis
schreef hij later;_
„Ik was op een leeftijd, waarop men gaarne de meest buitengewone
en geruchtmakende dingen doet, en ik dacht dat er in die richting
niets mooier was dan gelijktijdig de Koningin aan den Koning, haren
echtgenoot, en aan den Kardinaal, die jaloers op haar was, te ontvoeren
en Mademoiselle d’Hautefort te ontnemen aan den Koning, die verliefd op
haar was”.
_Hebben wij wellicht te maken met een gevolg van zijn hartstochtelijk
lezen van romans?_
_Tot uitvoering kwam het niet; daarentegen werd ontdekt dat Marcillac
weder in verbinding was getreden met de voortvluchtige Hertogin de
Chevreuse. Het liep goed voor hem af, want na acht dagen Bastille kwam
hij vrij met een verbanning naar zijn kasteel Verteuil. Men krijgt
den indruk dat de Kardinaal hem eveneens als een weinig gevaarlijk,
opgewonden jongeling, en zijn optreden als een gasconnade of galant
avontuur beschouwde._
_In 1639 maakte hij den veldtocht in de Spaansche Nederlanden mede
en hij gedroeg zich zoo moedig, dat de Kardinaal hem den rang van
generaal-majoor aanbood. Het was echter de Koningin, die hem den raad
gaf het aanbod aftewijzen, ten einde geenerlei verplichting aan den
minister te hebben. De prins bleef voortgaan hulp te verleenen aan
samenzweerders, zelfs aan deelnemers van het complot van Cinq Mars!_
_Eindelijk kwam de dag, waarnaar zoo lang was uitgezien: de sterfdag
van den Kardinaal, Dec. ’42, en de Koning volgde hem weinige maanden
later, Mei ’43. Wie de Koningin gesteund hadden meenden, dat thans
hun oogenblik gekomen was. Bittere ontgoocheling; de Koningin werd
Regentes, maar nog den zelfden dag werd Mazarin, een Italiaan,
aanbevolen door Richelieu, eerste Minister. In zijne _Mémoires_ en
vooral in zijn _Apologie_ beschrijft la Rochefoucauld duidelijk hoe
hem te moede werd te ondervinden, dat de Koningin, aan wie hij zich
zóó geheel gewijd had, en ten behoeve van wie hij meer dan eens alles
op het spel had gezet, niet bereid werd gevonden hem een ambt te
verleenen, overeenkomstig zijn rang en verdienste. In de dagen harer
verdrukking mocht zij gaarne de diensten van den ridderlijken jongen
man hebben aanvaard, nu zij de oppermacht in handen had en veelal
door de oogen van Mazarin keek, werd zij onverschillig tegenover hem,
die alle aanbiedingen afsloeg en bepaaldelijk wenschte een ambt te
bekleeden „in haar particulieren dienst”. Zoo ontstond stond een
toestand van vervreemding, die zeer ongunstig op het gemoed van den
teleurgestelde werkte. Was het hem toch bekend dat hij wegens zijn
trouwe diensten aan de Koningin openlijk „_een martelaar_” werd genoemd
en zij zelf van haar „_serviteur_” sprak. Dit had jaren geduurd, en zóó
zeer scheen zij hem genegen, dat zij verklaarde, wanneer hij aan het
front was, de nieuwsbladen weg te werpen, zoodra zij er niets over hem
in had gevonden._
_Nu de omstandigheden veranderd waren scheen dat alles te zijn
vergeten. Daarentegen moet erkend worden dat hij, ten gevolge van
zijn opvatting van fatsoen, eer en ridderlijkheid, zijn neiging tot
het romantische en zijn eerzucht, geen „gemakkelijk mensch” was.
Ondanks alle ervaringen meende hij zich niet los te kunnen maken van
intriganten als de Hertogin de Chevreuse, die een nieuw kabaal had
veroorzaakt in verband met het vinden van twee liefdesbrieven, die
aan een daaraan geheel onschuldige werden toegeschreven. Daarentegen
joeg hij andere groote heeren, zooals den Hertog van Orleans, oom van
den Koning, tegen zich in het harnas door onvoorzichtige uitlatingen.
Telkens zien wij hem weder partij kiezen voor de partij, die het ten
slotte verliest. Was het ridderlijkheid, onberadenheid, zucht tot
oppositie, naiveteit, edelmoedigheid, onhandigheid? Misschien was
een weinig van dit alles in het spel, maar het gevolg was, dat hij
zich, zoowel op militair als op staatkundig gebied, ten slotte elke
mogelijkheid tot slagen afsneed._
_Het was in 1646 dat hij in nadere aanraking kwam met een vrouw, die
een groote rol in zijn leven heeft gespeeld: Anne-Géneviève de Bourbon,
dochter van den Prins van Condé. Zij was in 1619 in de gevangenis
te Vincennes, waar haar vader opgesloten was, geboren. Zoowel door
haar schoonheid als door haar geest wist zij ieder te betooveren. In
1642 huwde zij den 24 jaar ouderen Hertog de Longueville (Hendrik
II van Orleans), maar huwelijkstrouw was een deugd, die in dien
tijd weinig beoefend werd. Ontegenzeggelijk is deze zuster van den
grooten Condé een der hoofdpersonen van de Fronde geweest, maar het
is moeilijk uittemaken of het la Rochefoucauld was, die haar aanzette
of dat het omgekeerde het geval was. Voor het laatste is nog al wat
te zeggen, want zij was buitengewoon energiek. Opmerkelijk is het
dat tijdgenooten de intieme verhouding van dit paar hoofdzakelijk aan
eigenbelang van zijne zijde toeschrijven, maar oordeelvellingen van
deze tijdgenooten, meest allen bij de eindelooze intriges betrokken,
mag men niet te grif aannemen. Den indruk maakt het, dat hij inderdaad
een hartstocht voor haar had opgevat, waartegenover staat dat Madame
de Sévigné, die hem veel had ontmoet, en hem genegen was, 7 Oct. 1676
schreef: „_Ik geloof niet, dat hij ooit wat men noemt verliefd is
geweest_”. In zijn Mémoires verklaart hij onomwonden hoe bij hem het
plan tot rijpheid kwam de partij der Koningin te verlaten en zich bij
hare tegenstanders aantesluiten. Wat hij haar vroeg werd geweigerd,
zelfs de militaire aanstelling, hem vroeger door den Kardinaal
aangeboden, doch op haar raad van de hand gewezen._
„Zoo veel onnutte bemoeiingen en weerzinwekkende ervaringen brachten
mij eindelijk op andere gedachten en deden mij gevaarvolle wegen
opzoeken om aan de Koningin en den Kardinaal mijn wrok te betoonen”.
_De openlijke breuk volgde eerst een paar jaar later. Madame de
Longueville vertrok 21 Juni 1646 naar Munster, waar haar man betrokken
was bij de vredesonderhandelingen, en weinige dagen later voegde
Marcillac zich als vrijwilliger wederom bij het leger in Vlaanderen.
Even als de vorige maal had hij geen geluk, want reeds in Augustus werd
hij voor Mardijck door drie musketkogels gewond, ten gevolge waarvan
hij naar Parijs terug moest keeren. Door bemoeiingen van zijn vader
werd hem vergund het gouverneurschap van Poitou te koopen, een post,
die hem echter volstrekt niet aantrok. Toen in 1648 de moeilijkheden
tusschen Mazarin en het parlement begonnen, trad hij te Poitiers
trouw op voor het Hof en den Kardinaal, en hij erkent dat er toen een
toenadering tusschen hem en den Minister was ontstaan. Zelfs had men
hem den titel van Hertog beloofd, aan welken rang het vurig begeerde
recht op een tabouret ten hove voor zijn gemalin verbonden was. Het
niet nakomen dezer belofte, ondanks verschillende rappels, deed hem
terugvallen in de oppositie. Zes andere hovelingen werden met deze
onderscheiding wel bedacht, hij alleen niet._
_Inmiddels was buiten hem om een overeenkomst gesloten tusschen
voorname parlementsleden, en leden van den allerhoogsten adel, zooals
Prins Conti, den Hertog de Longueville, den Coadjuteur de Retz enz.,
tot het voeren van een gewapend verzet tegen de regeering. Het was het
begin van den burgeroorlog, die in de eerste plaats gericht was tegen
Kardinaal Mazarin en zijn zware belastingen en in het algemeen tegen
de absolute monarchie. Zoodoende reikten elkander de hand edelen en
parlementsleden, natuurlijke vijanden, die alleen samen konden gaan zoo
lang het gold het verdrijven van de toenmalige regeering. Behoorlijke
plannen voor het geval van slagen konden niet bestaan; personen, die
het roer in handen zouden kunnen nemen, ontbraken. Verschillende groote
heeren begonnen den strijd met weinig overtuiging._
_Marcillac werd door Mevrouw de Longueville naar Parijs opontboden ten
einde zich bij het complot aantesluiten en hij gaf onmiddelijk aan de
roepstem gehoor. Ook hier weder ging het initiatief niet van hem uit._
_Het maakt den indruk dat Mevrouw de Longueville de ziel der beweging
was, al werd haar broeder, de Prins de Conti, als het hoofd aangezien.
Condé, haar andere broeder, die zich eerst had willen aansluiten,
draaide ten slotte om en nam het bevel der Koninklijke troepen op zich,
die Parijs belegerden. Het hof vluchtte naar St. Germain; Conti en
zijn zuster namen hun intrek in het stadhuis van Parijs, ten einde het
wantrouwen der bevolking tegen hen weg te nemen. Allerlei grootheden
sloten zich bij de partij van het Parlement aan: de Hertogen de
Beaufort, d’Elbeuf, de Bouillon, de Luynes; Turenne, de Markies de
Noirmoutier, enz., men ziet: Marcillac was in goed gezelschap._
_In een gevecht tegen de troepen van Condé werd hij ernstig gewond,
zoodat hij persoonlijk niet meer kon optreden voor dat de schikking
van Rueil (11 Maart ’49) een einde aan de vijandelijkheden maakte. Het
was Mevrouw de Longueville, die bij de onderhandelingen zijn belangen
behartigde. In het stadhuis was zij moeder geworden van een zoon,
waarvan het vaderschap algemeen aan Marcillac werd toegeschreven. (28
Jan. ’49)._
_Lang duurde de vrede niet: Mazarin en Condé verdroegen elkander zeer
slecht en de Minister, bevreesd voor te groot aanzien van Condé, liet
hem (18 Jan. ’50) met Conti en Longueville gevangen zetten. Mevrouw de
Longueville wist zich, door op raad van Marcillac de vlucht te nemen,
te redden; hijzelf begaf zich naar Poitou om te trachten Bordeaux in
opstand te brengen._
_Hiermede was het tweede bedrijf der Fronde begonnen, even
onverkwikkelijk als het eerste. Ook het derde en laatste was
niet beter. Geldgebrek, onhandigheid van Condé, afwezigheid van
gemeenschappelijk eindbelang bij de frondeerende bondgenooten.
Daartegenover de taaiheid en geslepenheid van den Kardinaal en de
kracht, die van het koningschap uitging. Een der energiekste figuren is
wel Mevrouw de Longueville gebleven, die het bovendien niet toelachte
naar haren echtgenoot terugtekeeren. La Rochefoucauld wordt door meer
dan één tijdgenoot geprezen om zijn kordaat optreden als soldaat, maar
lauweren vielen er niet voor hem te behalen. Zijn kasteel Verteuil
werd verwoest en bij een gevecht in den Faubourg St. Antoine (2 Juli
’52) werden hem bijna de oogen uit het hoofd geschoten._
_Wat baatte het dat de Prinsen uit hun gevangenschap werden ontslagen,
wat hielp het dat Mazarin tijdelijk het land moest verlaten? De Koning
deed in October 1652 zijn feestelijken intocht in Parijs en nog geen
jaar later werd de vrede gesloten, met volkomen overwinning door de
Monarchie._
_La Rochefoucauld’s toestand was allertreurigst. Zijn fortuin wanhopig
achteruitgegaan en natuurlijk geenerlei uitzicht op een regeeringsambt,
hem waardig. Zijn verhouding tot Mevrouw de Longueville was geëindigd,
daar zij zich de hofmakerij van den Hertog de Nemours had laten
welgevallen. De wijze, waarop hij toen tegen haar is opgetreden,
behoort niet tot zijn luisterrijke daden. Hij trok zich terug op zijne
bezittingen, Verteuil en Rochefoucauld, in de eerste plaats om zich
te wijden aan het herstel van zijn vermogen. Daarnaast begon hij zijn
letterkundige loopbaan._
_Gelijk hierboven reeds werd gemeld had hij niet gestudeerd.
Geschriften van zijn hand uit zijn prille jeugd zijn niet bekend.
Het oudste document is een brief van 1638, waarin hij zijn houding
tegenover de Hertogin de Chevreuse, de tegenstandster van Richelieu
verdedigt. Hier hebben wij een uitmuntend gesteld stuk, dat voor een
jong mensch van groote vaardigheid getuigt._
_Het tweede document dagteekent van elf jaren later en is weder een
apologie, ditmaal de verdediging van zijn partij-kiezen tegen de
Koningin in 1649. Eerst in 1855 is het in druk verschenen; Ad. Regnier,
die de monumentale uitgave der werken van la Rochefoucauld bezorgde,
noemt het een der eerste voorbeelden van 17de eeuwsch Fransch proza,
natuurlijk, gespierd, flink en vloeiend. Hier is evenwel nog geen
letterkundige aan het woord, het is een teleurgestelde eerzuchtige, een
beleedigd edelman, of iemand, die zich als zoodanig beschouwt._
_De eerste maal, dat hij als schrijver voor het publiek trad, was
in 1659 met zijn bijdrage aan een bundel, getiteld: „_Recueil des
portraits et éloges en vers et en prose, dédié à S. A. R. Mademoiselle.
Paris, M.DC.LIX_”. (Met Mademoiselle wordt bedoeld de dochter van den
broeder van Lodewijk XIII). Zij had een letterkundig salon._
_Zijn bijdrage draagt het opschrift: „_Portrait de M. R. D. fait par
lui-même_”. Slechts ingewijden konden weten wie hier aan het woord was.
Sommigen mogen vinden, dat men hier met verregaande ijdelheid te maken
heeft, juister komt het mij voor het stuk als een voortbrengsel uit een
kring van toenmalige schoone-geesten te beschouwen._
_In het 3de bedrijf van le Misantrope legt Molière Acaste een
bespiegeling in den mond, waarvan de zelfgenoegzaamheid eenigszins aan
de bewoordingen van la Rochefoucauld doen denken. Eene fijne spotternij
van den dichter._
_Opmerkelijk is o.a. wat de Hertog in zijn portret van zijn
letterkundigen arbeid zegt. „_Ik schrijf een goed proza en dicht met
goed gevolg; mijn gedichten zijn niet slecht; en, indien ik naar den
roem hunkerde, die op dat gebied te behalen is, dan acht ik mij met
weinig arbeid in staat een goeden naam te verwerven._” Later zegt hij
nog eens „_een vrij goed oordeel over dichtwerken_” te bezitten._
_Naar aanleiding hiervan eenige opmerkingen. Ten eerste moet worden
erkend, dat bezwaarlijk een terloops neergeschreven voorspelling
schitterender kon uitkomen. De schrijver is zóó algemeen erkend, dat
weinige jaren geleden op Fransche scholen de leerlingen het bewuste
„_portret_” bij wijze van taal- en stijloefening, van buiten moesten
leeren._
_Ten tweede merk ik op, dat iemand, die zóó over zijn proza en zijn
verzen spreekt, veel meer moet hebben geschreven, dan ons bekend is.
Veel is misschien verloren gegaan, of door hem vernietigd. Van zijn
verzen is niets tot ons gekomen. Men heeft eens iets vernomen omtrent
een handschrift met gedichten, maar het is bij die nevelachtige
mededeeling gebleven. Voor zijn dood verbrandde hij zijn papieren._
_Reeds spoedig na het einde van den oorlog begon hij een zeer
belangrijk geschrift, zijne Mémoires, die feitelijk een apologie moeten
zijn van zijn gedrag gedurende de onlusten tijdens het regentschap.
(1643-1653). Hiermede heeft hij zich tot 1659 bezig gehouden. Later
voegde hij er het tijdvak 1624-1643 aan toe._
_Met dit geschrift zien wij hem handelen zooals later met de Maximes:
hij vertrouwde zich de eindredactie niet toe, reden waarom hij
afschriften bij vrienden liet rondgaan om opmerkingen of verbeteringen
uittelokken. Zelf bleef hij steeds aan het vijlen en slijpen, waaraan
een groot aantal verschillen tusschen de afschriften en drukken te
wijten is._
_Maar dat in de wereld zenden van afschriften had nog bedenkelijker
gevolgen: Zij kwamen in handen van personen, die er belang bij hadden
het handschrift te laten drukken, buiten den schrijver om. Dit overkwam
thans la Rochefoucauld. Een drukker te Rouaan belastte zich met die
taak, maar de schrijver, tijdig gewaarschuwd, was nog bij machte de
oplaag in beslag te laten nemen. Hiertoe kon hij overgaan omdat de
drukker in Frankrijk woonde, maar toen in 1662, kwansuis te Keulen,
maar feitelijk te Brussel, een boek verscheen, getiteld: „_Mémoires
de M. D. L. R. sur les brigues à la mort de Louis XIII, les guerres
de Paris et de Guyenne et la prison des Princes. Chez van Dyck, à
Cologne_”, was de schrijver machteloos. Het boekje verwekte een storm
van verontwaardiging. De oorlog was nog geen tien jaar geëindigd en de
hoofdpersonen waren bijna allen nog in leven. En wie wenschte aan dat
alles herinnerd te worden?_
_De schrijver zag zich genoopt weder tot zelfverdediging over te gaan.
Bewaard is gebleven een door hem afgelegde verklaring, inhoudende de
verzekering, dat de uitgave buiten hem om is geschied, dat het grootste
deel van het boek niet van zijn hand, en het overige schromelijk
vervalscht is. Aan de Markiezin de Sablé en de Heeren de Liancourt
en Esprit had hij getoond wat er in zijn eigen handschrift stond en
daaruit bleek b.v. dat er niets grievends tegen Condé in stond._
_Mogen sommigen zich bij die verklaring hebben neergelegd, het spreekt
van zelf, dat het boekje vele lezers heeft gevonden. Er bestaan
talrijke drukken van, waaronder met groote wijzigingen. Deze zijn wel
buiten weten van den schrijver aangebracht._
_Behalve met zijn historisch-apologetisch werk begon hij zich met
anderen arbeid bezig te houden. Men neemt aan dat dit in ’58-59
geschiedde._
_In elk opzicht teleurgesteld teruggekomen uit dien maalstroom van
intriges, dien oceaan van zelfzucht, eigenbelang, huichelarij en
trouweloosheid, waarin hij jaren lang geleefd had, had zich bij hem
een gemoedsgesteldheid ontwikkeld, waarvan wij in zijn zelfportret
duidelijke aanwijzingen hebben. Hij erkent zijn zwaarmoedigheid en
beweert, dat men hem in drie of vier jaren nauwelijks drie of vier
maal heeft zien lachen. Hij houdt bij voorkeur van ernstige gesprekken
en verkiest bovenal zedekundige onderwerpen. Naast zijn neiging tot
het opstellen van verdedigingen van zijn gedrag ontwikkelde zich een
peinzen over en zoeken naar de oorzaken en beweegredenen van alles,
wat hij had zien doen. Het is ten eenenmale begrijpelijk, dat zijn
levensinzicht niet optimistisch zou zijn._
_Men heeft gevraagd hoe hij aan zijn stof was gekomen en of hij niet
bij andere moralisten zou hebben geput. Hier op wordt reeds geantwoord
in een handschrift uit de 2de helft der XVIIde eeuw (Bibl. Nat. Nouv.
Acq. fr. 4333). „_Bijna alles_” zou hij hebben overgenomen uit een
boekje, getiteld: „_La Sonde de la Conscience_”, te Genève in 1634
verschenen. Schrijver was Jean Verneuil, die het uit het Engelsch had
vertaald. De oorspronkelijke titel was: „_The Mystery of Selfdeceiving,
by Daniel Dyke, London, 1615_”. In het handschrift merkt men op: „_Hij
voegt er alleen het mooie Fransch aan toe_”._
_Niet gaarne zou ik iets te kort doen aan de verdienste dezer
volkomen vergeten schrijvers, zeker brave, vrome protestanten,
maar de geschiedenis heeft reeds haar oordeel gesproken: hun werk
is volkomen vergeten, terwijl de bundel van la Rochefoucauld zijn
waarde zal blijven behouden zoo lang men Fransch zal lezen. Niet als
stijloefening, maar om genot te smaken van de geestige wijze, waarop
hier kernachtige gedachten zijn uitgedrukt._
_Nog meer vertelt het handschrift: „_Mevrouw de Sablé heeft de Maximes
herzien; de mooiste komen van haar. Hij doet er niets aan zonder het
haar te toonen.... Die markiezin is het orakel, dat door het geheele
Hof wordt geraadpleegd. Zij vleit in hooge mate de eigenliefde, wanneer
zij menschen aanspreekt_”._
_Wie zulke overdreven berichten voor waar mocht willen aannemen,
moge een brief lezen, door den schrijver gericht aan Mademoiselle de
Scudéry, de bekende romanschrijfster. Daarin zegt hij: „_Gij hebt
eenige mijner laatste maximes dusdanig verfraaid, dat zij veeleer aan
u dan aan mij toebehooren. Ik wensch hartstochtelijk, dat u dezelfde
genade aan de andere zoudt willen bewijzen_”._
_Men ziet: hij was niet bang hem verleende hulp te erkennen, maar hij
zal vermoedelijk veel zulke briefjes hebben geschreven, want het was
nu eenmaal zijn gewoonte de vrienden en vriendinnen te raadplegen.
Indien nu Mevrouw de Sablé zoo buitengewoon knap was geweest, is het
wel bevreemdend, dat de door haar nagelaten maximes niets om het lijf
hebben._
_Er zijn schilders en beeldhouwers, die van hun werk geen afscheid
kunnen nemen, die altijd nog iets te wijzigen vinden. Bijkans met
geweld moet men ten slotte hun schilderij of beeld uit het atelier
laten weghalen om een einde aan het getob te maken. Een dergelijk
kunstenaar was la Rochefoucauld. Segrais verhaalt dat de Hertog hem
cahiers met spreuken toezond, met verzoek die vijf of zes weken onder
zich te houden, ten einde zoowel vorm als inhoud rustig te beoordeelen,
en dat er spreuken zijn, die meer dan dertig maal heen en weer zijn
gezonden._
_Van die voortdurende veranderingen kan men zeer merkwaardige staaltjes
vinden door het vergelijken der handschriften en verschillende drukken.
Vaak komt het voor dat hij zijn oordeel verzacht, ten minste minder
algemeen toepasselijk maakt, een verzachting toegeschreven aan den
invloed van Mevrouw de Lafayette, zijn intieme vriendin, van wie nog
aanstonds sprake zal zijn._
_B.v. _Nr. X._ Hierin stond oorspronkelijk „_altijd_”, hetgeen later
werd „_bijna altijd_”._
CCV. „De deugdzaamheid der vrouwen is dikwijls haar gehechtheid aan
haar naam en haar rust”. _Het beperkende woord „_dikwijls_” is eerst in
latere drukken ingevoegd._
CCXXII. „Er zijn weinig menschen, die bij de eerste nadering van den
ouderdom niet deden blijken op welke wijze hun lichaam en geest zullen
verzwakken”. _Oorspronkelijk stond in plaats van „_weinig_” het veel
verder strekkend „_geen_”._
CCLXIII. „Hetgeen men vrijgevigheid noemt is meestal slechts de
ijdelheid van te geven, die wij hooger schatten, dan hetgeen wij
geven”. _De aanhef was eerst: „_Er bestaat geen vrijgevigheid, het is
slechts de ijdelheid van te geven_”, enz._
CCCLXXI. „De jeugd is een voortdurende roes: zij is de koorts van het
verstand”. _Hierin is herhaaldelijk veranderd. Vroeger heette het: „_de
koorts der gezondheid; de dwaasheid van het verstand_”, later: „_de
koorts van het leven; de dwaasheid van het verstand_”._
_Een opmerkelijk voorbeeld is _CCXLI_. „_Behaagzucht is de grondslag
van het gemoed der vrouwen, maar allen brengen haar niet in praktijk,
omdat de coquetterie van sommigen in bedwang wordt gehouden door vrees
of door het verstand_”._
_De aanhef heeft hem veel hoofdbreken gekost: in 1665 schreef hij
„_alle vrouwen_”, in 1666 was dit „_de meeste vrouwen_” geworden. Ten
slotte werd het in 1671 „_de vrouwen_”. Daar heeft de invloed zijner
vriendinnen zich zeker doen gelden!_
_Het waren zeer voorname, begaafde en ontwikkelde dames, die
vriendinnen, en gelukkig is menig briefje van haar hand bewaard
gebleven, juist ten opzichte van la Rochefoucauld en zijn maximes en
het is zeer de moeite waard te lezen wat zij elkander kort voor het in
druk verschijnen van den bundel schreven._
_De Princes de Guyméné, geb. Anne de Rohan, schrijft b.v. in ’63 aan
de Markiezin de Sablé, een ernstige vriendin van den schrijver, eenige
maximes te hebben gezien, en te gelooven, dat zij meer op het humeur
van den schrijver gegrond zijn dan op de waarheid, „_hij beoordeelt
ieder naar zich zelf_”._
_Haar vriendin was het volmaakt hiermede eens: „_de schrijver heeft
in zijn humeur de maxime der luiheid gevonden, want nooit was er een,
grooter dan de zijne_”, en deze bewering werkt zij nog verder uit._
_Terloops zij opgemerkt, dat in een beschrijving van de provincie,
waar la Rochefoucauld geboren is, wordt vermeld dat de bewoners over
het algemeen als lui gelden. (Jean Gervais, Mémoires sur l’Angoumois.
1726)._
_Mevrouw de Liancourt schreef aan dezelfde dame, dat zij aanvankelijk
ontsteld was geweest over de wreede beoordeeling der deugden,
maar, verder lezende, had zij toch aardige en zelfs goede dingen
aangetroffen. Alleen moesten hier en daar eenige woorden gewijzigd
worden. En Mademoiselle de Vertus (Cath. Franç. de Bretagne), vriendin
van de Hertogin de Longueville, riep Madame de Sablé te hulp, om er
voor te zorgen, dat de jonge 14jarige Graaf de Saint Paul (zoon van
Mevr. de Longueville en.... den Hertog de la Rochefoucauld) de maximes
niet te lezen zou krijgen._
_Mevrouw de la Fayette, later de intieme en trouwe vriendin van den
schrijver, riep, ook in ’63, uit: „_welke verdorvenheid moet men
in geest en hart bezitten om in staat te zijn iets dergelijks te
bedenken_”. Bovendien verzocht zij Mevr. de Sablé hare maximes (het
werd mode die te maken) ter leen, als tegengif van die van den Hertog._
_Zeer opmerkelijk is de beoordeeling van de hand van de Hertogin de
Schomberg, geb. Marie de Hautefort, de platonische liefde van Lodewijk
XIII. Hierboven werd reeds gemeld, dat la Rochefoucauld indertijd voor
haar een warme genegenheid had opgevat. Openhartig erkent zij, nog
niet zoo ver te zijn gekomen van in de wereld noch eer, noch goedheid,
noch eerlijkheid te vinden. Zij acht daarom de Maximes gevaarlijk. Dan
staat zij bij eenige spreuken stil, die zij prijst, om te eindigen met
de raadgeving aan den schrijver om niet over te gaan tot het laten
drukken, om niet alle vertrouwen te verliezen, dat men in hem zou
kunnen stellen._
_Dergelijke beoordeelingen bleven hem voorzeker niet verborgen, en hij,
die toch reeds geen man van sterk initiatief was, zag er tegen op die
min gunstige meening te trotseeren._
_Hoe nu te handelen? Het middel was werkelijk niet zoo moeilijk te
vinden. Met het in druk verschijnen zijner Mémoires had hij er niet
lang geleden mede kennis gemaakt, zooals hierboven werd medegedeeld.
Ik zou niet gaarne beweren, dat de Hertog die publicatie zou hebben
in de hand gewerkt; daarvoor zijn de vervalschingen al te plomp, maar
hij had er zeker uit geleerd, dat het alles waard is zich op een
gegeven oogenblik te kunnen verschuilen achter het uitvlucht: de
uitgave heeft buiten mijn weten plaats gehad en is vervalscht. Maar
ook zonder die ervaring kende la Rochefoucauld volkomen nauwkeurig de
rol, die de Hollandsche boekhandel speelde. Alles wat in Frankrijk
gevaar liep in beslag te worden genomen, werd gretig door Hollandsche
agenten aanvaard. Eenmaal in hun land aangekomen en gedrukt, waren
er honderd gelegenheden het gedrukte over de grenzen te smokkelen.
Bovendien was de boekhandel in Holland veel beter uitgerust om den
verkoop der uitgaven te bevorderen. Men moet de titellijsten zien om te
kunnen beseffen wat in de XVIIde en XVIIIde eeuw in de Nederlanden de
productie van Fransche boeken beteekent. Ziehier een kleine greep uit
de allerbelangrijkste werken:_
Descartes, Discours de la Méthode. Leyde, 1637.
Corneille, Le Cid. Leyde, 1638.
Nouvelles de divers quartiers. Amsterdam, 1639. (De eerste Fransche
courant).
Corneille, L’illustre Théâtre. Leyde, 1644.
Pascal, Les Provinciales. Cologne, 1657.
Pascal, Pensées sur la Religion. Amsterdam, 1684.
Molière, Le Festin de Pierre. Amsterdam, 1638.
De Bussy Rabutin, Histoire amoureuse de France. Amsterdam, 1671.
_Het aantal Fransche couranten was legio, en in de 18de eeuw bleef de
stroom van Fransche boeken aanhouden. Eerste drukken van de grootste
schrijvers waren niet zeldzaam! Voltaire, Montesquieu, Rousseau,
Bayle, Crébillon, enz._
_Het was dus volstrekt geen buitengewoon feit, dat in 1664 in den Haag
een eerste druk der Maximes verscheen, en wel onder den titel:_
„Sentences et Maximes de Morale. A la Haye, chez Jean et Daniel
Steucker, CIↃIↃCLXIV.”
_Het boek was voorzien van het drukkersmerk der Elzeviers, en een der
eerste uitgaven der Steuckers, die later meer belangrijke werken de
wereld hebben ingezonden. De naam van den schrijver werd niet vermeld._
_Is deze druk van 1664 verschenen met voorkennis van den schrijver?
Bewijzen zijn er niet om een bepaald bevestigend antwoord te geven,
maar de mogelijkheid is niet uitgesloten; bijna zou men zeggen: de
waarschijnlijkheid is niet gering. Het was een veelvuldig gebruikte
kunstgreep en de wijze, waarop er in den druk van 1665 over wordt
gesproken, wekt achterdocht._
_Er wordt het vermoeden geuit, dat de schrijver zijn handschrift in
zijn kast zou hebben laten liggen „_ware het niet, dat een slechte
kopie, die in omloop was, en die zelfs sedert eenigen tijd in Holland
was terecht gekomen, een zijner vrienden had genoopt hem (den uitgever)
een andere kopie te geven, die volgens dien vriend, geheel en al
overeenkomt met het oorspronkelijke_”. Algemeen neemt men aan, dat
deze voorrede door den Hertog is opgesteld; het bedenksel van dien
„_vriend_” geeft aanleiding om het verdere van het verhaal evenmin te
gelooven. Aanstonds zal nog worden gewezen op de buitengewone snelheid,
waarmede de druk van 1665 volgde en die de verrassing uit den Haag
uiterst onwaarschijnlijk maakt._
_Hoe het zij; de Haagsche uitgave had het ijs gebroken; maar zij is zóó
zeldzaam geworden, dat vele jaren lang haar bestaan als een legende is
beschouwd, zelfs in het monumentale werk: „_Les Grands Ecrivains de la
France, publiés par Ad. Regnier, Paris, 1868-1883_.” Vergeten was dat
zekere Pater Andry in 1814 een exemplaar, door hem gezien, vermeldt,
en het toeval wilde, dat een exemplaar in handen was gevallen van een
boekenliefhebber, die zeer goed het belang van dit boekje besefte, maar
het niemand gunde de vondst wereldkundig te maken. Eerst na zijn dood
in 1881 kwam het zeldzame boekje uit zijn kast te voorschijn._
_Inmiddels had Alph. Willems, de geschiedschrijver der Elzeviers, een
tweede exemplaar gevonden, en er in 1879 een beschrijving van gegeven.
In 1883 volgde een keurig verzorgde herdruk door Alph. Pauly._
_Voorbereid of niet, de Hertog heeft met den druk van 1665 niet lang
op zich laten wachten, want het privilegie is van 14 Jan. 1664, en het
„_achevé d’imprimer_” van 27 Oct. 1664. Dit feit versterkt zeer het
vermoeden, dat de zoogenaamde onbescheidenheid niet onverwacht kwam.
Hoe zou de schrijver, die, volgens de voorrede, niet aan drukken dacht,
zoo snel gereed hebben kunnen zijn met het laten schrijven van de
Inleiding en het laten drukken?_
_Opmerkelijk is het hoe weinig zeker de schrijver van zijn succes was.
Reeds in zijn voorrede somt hij op, welken tegenstand hij verwacht
en verschuilt hij zich zelfs achter de Kerkvaders. Eindelijk voegt
hij een langen brief bij „_aan den lezer_”, welken brief men hem
„_heeft gegeven_” en die hem geschikt voorkomt als verdediging tegen
de critici, die zich in hun „_menschelijken hoogmoed_” gekwetst
achten. In dien brief (ook „_discours_” genoemd), men weet niet wie
hem heeft opgesteld, beginnend met bijna kinderachtige toespelingen op
de persoonlijkheid van la Rochefoucauld, wiens naam verzwegen wordt,
worden de Maximes met behulp van een lange reeks aanhalingen uit
beroemde schrijvers en dichters uit alle tijden verdedigd. Men vraagt
zich af hoe het mogelijk was, dat de Hertog, een man van zooveel
smaak en vernuft, heil kon zien in een dergelijk geschrift. Alleszins
begrijpelijk is het, dat de uitgever, Claude Barbin, van meening was,
dat deze brief het boek ongeluk aanbracht en het achterwege-laten in
volgende drukken een aanbeveling van het werk achtte._
_De schrijver daarentegen vond deze apologie nog niet eens voldoende;
door zijn vriendin, Mevrouw de Sablé, liet hij een aanbevelend artikel
in het „_Journal des Savants_” van 9 Maart 1665 schrijven. Haar ontwerp
is bewaard gebleven; de vorm, waarin het werd opgenomen, is voorzeker
van den schrijver zelf. Wat hem minder behaagde schrapte hij._
_Het boek zag het licht onder den titel;_
Réflections ou Sentences et Maximes morales. A Paris chez Claude
Barbin.... M.DC.LXV.
_Het bevatte 314 maximes (tegen 189 in den Haagschen druk) en maakte
onmiddelijk zulk een opgang, dat in hetzelfde jaar niet minder dan drie
nadrukken verschenen._
_La Fontaine wijdde er een fabel aan en Mevr. de Maintenon liet den
schrijver door Ninon de Lenclos zeggen, dat naast het Boek Job, zijn
Maximes haar eenige lectuur vormden._
_Wat de druk van 1665 bovenal merkwaardig maakt is de omstandigheid dat
er zoo vele verschillende staten van bestaan. De schrijver hield niet
op aan den tekst te vijlen en te wijzigen. Zoolang er nog exemplaren
in voorraad waren liet hij sommige bladzijden, waarin gewijzigd was,
overdrukken en hiervoor zoogenaamde „_cartons_” inplakken. Reeds heeft
men elf verschillende staten van het boek in dit opzicht aangetroffen.
Er behoort bibliographisch talent toe om den weg in dit doolhof te
vinden._
_In 1666 verscheen bij denzelfden uitgever een nieuwe druk, „_nouvelle
édition_” gewaarmerkt, met 302 maximes. Het „_Discours_” is hier
weggelaten en men leest niet zonder glimlach, dat „_de Maximes bij het
publiek zoo veel instemming gevonden hebbende, men haar geen grooter
onrecht zou kunnen doen dan te meenen, dat zij een apologie noodig
zouden hebben_”. Toch is, na den dood van den schrijver, het Discours
weder te voorschijn gehaald._
_In 1671 volgde de derde druk met 341 maximes en het volgende jaar
zagen twee drukken te Rouaan en te Lyon het licht, feitelijk geen
nadrukken, want men had verzuimd het afgeloopen privilegie van ’64 te
vernieuwen. Zoodoende verscheen eerst in 1675 de officieele vierde druk
(met 413 maximes)._
_Een jaar later zien wij de Gebroeders Steucker in den Haag weder te
voorschijn treden, ditmaal met een herdruk van de uitgave van 1665. Met
een nieuw privilegie van 3 Juli 1678 verscheen daarna de vijfde druk,
wederom bij Claude Barbin, met 504 maximes. Dit was de laatste uitgave,
door den schrijver herzien. Twee jaar later overleed hij, maar dat hij
tot het laatst aan zijn boek vijlde, blijkt uit het feit, dat er zelfs
van dezen druk een exemplaar met een „_carton_” bekend is. Het is hier
niet de plaats de verdere lotgevallen van het boek te volgen, dat in
vele talen is overgezet. B.v. in het Engelsch voor het eerst in 1685,
in het Duitsch in 1699, in het Italiaansch in 1763, het Spaansch in
1784 en in het Russisch in 1788._
_Voor mijne vertaling heb ik gemeend mij te moeten bepalen tot den
vijfden druk, den laatsten door den schrijver bezorgd, en te moeten
weglaten wat la Rochefoucauld in vroegere uitgaven geschrapt had,
evenals hetgeen in zijn nalatenschap gevonden is, doch door hem zelf
niet werd opgenomen. Tegenover den schrijver kwam mij dit het meest
juiste standpunt voor._
_Het einde van de Fronde was het keerpunt in het leven van la
Rochefoucauld geworden. Alle illusies van het spelen van een voorname
politieke rol waren vervlogen; in letterkundigen arbeid moest hij
troost zoeken tegen zijne geldelijke zorgen en zijn zich sedert
’52 openbarende kwaal, de jicht, omstandigheden, die men bij de
beoordeeling zijner uitingen niet uit het oog mag verliezen._
_Verkeerd zou men evenwel doen zich la Rochefoucauld als een
menschenhater voortestellen. Geen beter middel om zich hiervan te
overtuigen dan het lezen der brieven van Mevr. de Sévigné, die hem
vele jaren en van nabij kende. Daar ziet men den schrijver grapjes
maken, bonbons zenden, schaterlachen over brieven van Mevr. de
Grignan. Voorzeker, berichten aangaande droevige, zwaarmoedige buien
ontbreken niet: de kwellingen der jichtpijnen waren ondragelijk,
maar de beschrijvingen van de wijze waarop hij de slagen van het
noodlot droeg, dood en verwonding zijner nabestaanden, maken hem zeer
sympathiek. „_Le coeur de M. de la Rochefoucauld pour sa famille est
une chose incomparable_”. Hoe ging hij gebukt onder den dood van den
zoon van Mevr. de Longueville, den Comte de St. Paul, wiens portret
als „_dessus de porte_” in zijn kamer hing. Telkens stuit men op de
meest waardeerende uitdrukkingen; „_c’est l’homme le plus aimable que
j’ai jamais vu_”, schreef zij in 1672. In 1680 leest men nog: „_Je n’ai
jamais vu un homme si obligeant ni plus aimable, dans l’envie qu’il a
de dire des choses agréables_”; en toen hij kort daarna was overleden
heette het: „_Jamais homme n’a été si bien pleuré_”._
_En niet zonder verbazing, ziet men hoe zij, tien jaren na zijn dood,
sprekende over het maken van vrienden, er haar dochter op wijst hoe
gelukkig het voor Mevr. de Lafayette is zich zoo vele vrienden te
hebben gemaakt, iets wat la Rochefoucauld haar geleerd had. Leest men
wat hij over vriendschap schrijft (een soort handelszaak!) dan zou men
zoo iets niet verwacht hebben._